’Vrouwentongen.’

’Sorry?’

’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’

Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts.

Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven?

’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan.

’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok.

Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad.

’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’

Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang.

Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden.

’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij.

’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster.

’En die?’

’Die rode is kersen.’

’En die oranje?’

’Abrikozen.’

’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’

’Ja hoor. En uw zoon?’

Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’

’Niks.’

’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’

’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’

Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij.

’U nog een espresso, misschien?’

’Graag.’

’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg.

’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen.

Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht.

Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van.

’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’

’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik.

Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Geschreven door Grand Foulard op 16/04/2015 - laatst aangepast op 16/04/2015

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home