Ze zitten ongemakkelijk tegen elkaar geperst op de tweeënhalfzit. Een drieënhalfzit was beter geweest, maar daar was niet genoeg plaats voor. Ilham zit het meest gekneld tussen de oudere, dikke Fadma en de jonge, zwaar opgemaakte en ook mollige Mounia. Nina denkt er niet aan om nog een zetel bij te schuiven. Ze zit zelf in de fauteuil recht tegenover de drie vrouwen. Ze schenkt koffie in, er moet veel melk en suiker bij.

 

De kamer is opgeruimd. Nina ziet er mager uit, maar al iets beter dan een paar dagen geleden. Fadma heeft een schaal koekjes meegebracht, maar Nina wil er niet van eten.

‘Het gaat niet’, zucht ze, ‘Het gaat echt niet. Het spijt me.’

Daarom nemen zij ook niets. Ze roeren in hun kopjes en nemen zwijgend kleine slokjes.

 

‘Je hebt de groeten van de hele conversatieklas’, zegt Ilham.

‘Dankjewel, is er al een nieuwe lesgeefster? Heeft Leen iemand gevonden?’

Nina’s belangstelling lijkt echt.

‘Nee’, zegt Ilham, ‘maar we zijn toch samengekomen. We hebben wat gepraat.’

‘In het Nederlands’, zegt ze er snel bij. Fadma knikt en Mounia lacht.

 

Het blijft een paar minuten stil. Ilham en Fadma kijken elkaar aan. Fadma wipt met haar kin naar Ilham. Begin jij maar, lijkt ze te zeggen. Ilham schraapt haar keel.

 

‘We vinden het heel erg voor jou’, zegt ze, ‘Alix was je goede vriendin, en nu ben je alleen.’

‘We hadden gedacht ... we zouden voor jou ... een man kunnen zoeken.’

 

Ze roert in een leeg kopje en drinkt er nog van ook.

Nina bijt op haar lip. Ze neemt een servetje van de salontafel en houdt het voor haar mond.

‘Excuseer’, zegt ze. Ze staat recht en gaat naar de keuken, het servetje nog steeds voor haar mond. Ze trekt de deur achter zich dicht.

 

Mounia neemt een driehoekig koekje en bijt er een punt af. Fadma en Ilham kijken elkaar aan en beginnen te fluisteren in hun radde taaltje.

Als Nina uit de keuken komt, zijn haar ogen rood. Ze snuit haar neus terwijl ze rechtstaat, steekt haar zakdoek weg en gaat dan zitten.

 

‘Dat is heel lief van jullie’, zegt ze ‘maar ...’

Haar ene mondhoek trekt naar beneden. Dan buigt ze zich voorover en begint te lachen. Eerst met zachte geluidjes, dan steeds harder. Ze houdt haar handen voor haar gezicht, brengt ze daarna weer naar haar schoot en kijkt een paar seconden ernstig. Dan begint het weer, het is niet tegen te houden. Ze giert ongegeneerd, de tranen lopen van haar wangen en uit haar neus.

Mounia begint ook te lachen, Fadma en Ilham lachen aarzelend mee.

 

Als Nina gekalmeerd is, is er iets veranderd. Alsof haar lichaam plots veerkracht heeft gekregen. Ze zit recht in de fauteuil, haar handen op haar knieën, haar zakdoek in haar mouw gepropt en kijkt hen glimlachend aan.

 

‘Dat is echt heel lief’, zegt ze weer ‘Maar ik wil geen man.’

‘Het is te vroeg’, zegt ze dan.

‘Later dan’, zegt Fadma.

‘Nee’, zegt Nina, ‘geen man.’

‘Ik ben blij dat jullie gekomen zijn en het is lief dat jullie bezorgd zijn, maar Alix ... was mijn lief. Alix was mijn vrouw en mijn man.’

 

Nu is het Mounia die het woord neemt.

‘Ja, natuurlijk, dat wisten we wel hoor, maar misschien is het nu tijd om ... Je bent nog jong en mooi ...’

‘Je kunt nog kinderen krijgen’, zegt Fadma. Ze neemt een maanvormig koekje, waarvan ze een stukje afbreekt en het weer neerlegt.

 

Nina schudt haar hoofd.

‘Geen kinderen, geen man ... Alix ...’

 

Nu huilt ze, met zachte uithalen en dikke snikken en dan harder, haar hand voor haar mond, haar ogen wijd en vol tranen.

Ilham en Mounia komen naast haar op de armleuning zitten. Ze strelen haar haar. Ilham trekt Nina’s hand weg en dept haar gezicht met de punt van haar hidjab.

 

(Hoofdstuk 6 uit 'Minder Dood Dan Gedacht' (werktitel), roman of novelle in wording)

Geschreven door Christine Van den Hove op 17/07/2015 - laatst aangepast op 18/07/2015

  • proza

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home