Orpheus

 

Soms,doen we de gordijnen dicht en de lichten uit en als we dan naar onze vingers kijken, is het net alsof we niet bestaan. 
In het donker zijn we er alleen maar voor elkaar.
Soms leggen we ons neer in het midden van een kamer, staren we net zolang naar het plafond tot het verdwijnt. Het volstaat al aan de sterren te denken om ze te zien fonkelen. 
Soms strekken we onze armen, proberen we het licht te vangen. 
We grijpen altijd mis.

 

Icarus

 

Zij was zacht en minzaam en het leven was alles wat zij ervan had gedacht. 
Ze was buigzaam als warm rubber en ze blonk van het plezier dat in haar haren hing.
Haar geluk reikte veel verder dan het loze krullen van een mondhoek, het strekte zich uit over velden en door bossen en het droop over de randen van de horizon.
Zij was alles en ze was het helemaal.
Zoiets als Icarus, in die baldadige secondes voor de val.

 

Odysseus

 

Ik zie een man, gebukt onder een lang en zinloos leven. Hij wandelt niet, hij struikelt, trekt zich recht en valt weer om. 
Zijn lichaam zit te los om wat nog overblijft van jongensdromen; de geur van zomer, warm zand en van beton. 
Nu speurt hij de straten af, op zoek naar iets dat hij herkent; de welving van haar lichaam in een duin en in het fluiten van de wind haar stem. 
Van thuiskomen is hij vergeten hoe dat moet.
En als hij straks in een pyjama en pantoffels glijdt, is hij alleen maar bij zichzelf op bezoek.

Geschreven door Ulrike Burki op 13/09/2015 - laatst aangepast op 30/07/2016

  • poëzie
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home