‘Ik heb een pik! Ik heb een pik!’

Mijn moeder zwaait met de rookworst. Ze heeft de ziekte van Pick, fronto-temporale dementie. De geriater zegt ‘piek’, maar mijn moeder zegt ‘pik’, omdat ze heeft gemerkt dat ze daarmee de boel op stelten zet. Ze blijft het net zolang herhalen tot een verzorgster ingrijpt: ‘Ja, mevrouw, nu weten we het wel.’
De zes andere vrouwen en de enige man op haar afdeling kijken gelaten toe hoe de verzorgster de worst voorzichtig uit mijn moeders hand bevrijdt en in stukken snijdt. Ik eet mee, dus de stukken zijn vandaag extra klein.
Mijn moeder is niet veel ouder dan de verzorgster. Regelmatig denken de andere patiënten dat zij ook een verzorgster is, eentje die er altijd is. Mijn moeder gaat mee in haar rol. Ze rijdt de mensen naar het toilet, raapt hun gevallen tijdschrift van de vloer en prakt de aardappelen fijn. Soms gaat het zo goed dat ook ik denk: wat doet ze hier? Maar daarna zakt ze weer weg.
Ze kijkt me aan, vanaf de overkant van de ronde tafel. Haar mond gaat onophoudelijk open en dicht, alsof ze op het punt staat om iets te zeggen en zich steeds weer bedenkt. Ik knik haar bemoedigend toe, maar haar ogen worden troebel van onmacht.
‘Gezellig hè, dat uw zoon een hapje mee-eet?’ zegt de verzorgster. Ze kijkt me samenzweerderig aan. Alleen al daarom heb ik een hekel aan haar, maar ik knik toch, voor mijn moeder.
‘Heel gezellig,’ zegt een vrouw met een verschrompeld gezicht en handen vol levervlekken. ‘Hij is een schat.’

Iedereen knikt en kijkt me liefdevol aan. God mag weten voor wie ze me aanzien.
Mijn moeder zet iedereen weer met beide benen op de grond. ‘Mijn zoon,’ zegt ze plechtig, ‘heeft een heel grote pik.’
Alleen wij tweeën moeten daar om lachen.

Geschreven door Grand Foulard op 22/11/2015 - laatst aangepast op 22/11/2015

  • flitsverhaal
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home