Deel II -Opstellen

Blz. 677 1ste kolom – 3de woord in een overjarig Van Dale woordenboek uit het jaar 1956.

Op schrift stellen of kanonnen opstellen.
Het blijft beperkt tot ‘op schrift stellen’, wat we elk van ons tijdens onze schoolgaande jaren al eens moest maken.
Meestal werd die opgave, waar ik enthousiast op reageerde, door de meeste van mijn klasgenootjes lauw ontvangen. Het dictee was minder mijn dada. Meestal worstelde ik met dt-uitgangen en het voorlezen door de meester of juf van oneindig trage zinnen, die dan nog eens herhaald werden voor slechte luisteraars en trage schrijvers.
Halverwege het dictee kwam de verveling al achter de hoek kijken, wat resulteerde in verminderde aandacht en juistheid van de geschreven woorden. Nee, de eindeloos debiele herhalingen van de woorden, bijvoorbeeld ‘uit-ver-ko-ren-nen’ werden, alsof het nog niet genoeg was door sommigen van ons nagelipt, lieten me twijfelen, terwijl iedereen weet dat je eerste idee gewoonlijk het juiste is.
Opstellen, boekbesprekingen, jaarwerken van al dan niet zelf gekozen onderwerpen, vond ik helemaal niet erg. Maar het liefst opstellen, om mijn fantasie de vrije teugel te geven. In het derde leerjaar van het Basisonderwijs kreeg onze klas de opgave een opstel ‘woensdagnamiddag’ te maken. Zo als elke woensdagnamiddag, meestal na het huiswerk, zat ik met mijn neus in boeken of strips. Die namiddag las ik ‘De Dolle Musketiers’ door Willy Vandersteen, de geestelijke vader van Suske en Wiske.
Een strip gebaseerd op de ‘Drie Musketiers’ van Alexandre Dumas. Geestdriftig ging ik helemaal op in het verhaal en besloot na de laatste bladzijde, waarop Wiske het einde aankondigde met knipoog, besloot ik de degens te kruisen met mijn onschuldige poppen. Omdat een degen toen niet tot het verantwoord speelgoed beantwoorde, moest ik het doen met een ijzeren regel. Dat kon de pret niet bederven zoals ik woest zwaaiend alle stoïcijnze uitdagers neerstak. De regel was best zwaar voor wat een Florentijnse degen moest voorstellen en tot mijn grote tevredenheid vielen de poppen als vliegen. De lijfwachten van de valse kardinaal lagen zieltogend op de grond en net als mijn striphelden salueerde ik met een laatste sierlijke boog de gesneuvelden… en de Chinese vaas die op de schoorsteenmantel stond. Waar al mijn vijanden zonder een kik te laten het onderspit delfden, brak de vaas met veel vertoon en het nodige lawaai. Mijn moeder twijfelde tussen een hartaanval en een appelflauwte. De regel werd in beslag genomen en het eerste half uur stond ik, aan de grond genageld, ons ma haar verwijten aan te horen. Toen het donderen begon weg te trekken ging ik met hangend hoofd terug naar mijn kamer om alsnog het opstel te maken.
Met de gebeurtenissen nog vers in mijn geheugen en een rood hoofd begon ik mijn avonturen neer te pennen. Je problemen wegschrijven heet dat nu. Het resulteerde in een komisch drama waarvoor de toenmalige lerares mij prompt uitriep als beste schrijfster van alle opstellen. Ik mocht het zelfs voorlezen voor mijn klasgenootjes! Zo fier als een pauw liet ik mijn punten en het commentaar van de juf aan pa en ma zien.
De scheve blik van moeder temperde wel mijn trots, maar vader schaterde het uit en prees me oprecht. Zo kwam ik tot het besef dat humor een opgelooflijk wapen is én je breekt er geen vazen mee.

 

 

 

Geschreven door Fanny Vercammen op 19/01/2016 - laatst aangepast op 19/01/2016

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home