Ik vroeg je of je naast me op de bank kwam zitten. Je aarzelde. Ik zag dat je je mond opendeed en iets wou zeggen, maar dan bedacht je je. Je klapte de laptop dicht en kwam naar me toe. Je vroeg niets, ik zag dat je nog in gedachten was. Ik gaf je de tijd om aan te komen op de bank. Onze bank. Het is nog steeds een mooi stuk, een tijdloos model in mosgroene stof, met veel kussens. Lang geleden, nog in de roes van onze verliefdheid, kochten we haar in een veel te dure winkel en al die jaren heeft ze dienst gedaan als hangplek, als bed, als eethoek, als bioscoopstoel, als knuffelplek. De laatste tijd is ze wat in onbruik geraakt.

 

‘Sluit je ogen,’ zei ik.

Je deed het. Je deed het onmiddellijk, alsof je opgelucht was dat je je nog even in jezelf mocht keren. Je bleef stijf rechtop zitten, je handen op je knieën.

 

Ik haalde het doosje potloden dat ik onder een kussen verstopt had tevoorschijn en ik koos rood. Ik probeerde het eerst uit op mijn eigen hand, ik moest een paar streepjes op mijn huid zetten voor de kleurstof vrijkwam. Daarna tekende ik een vraagteken op de rug van je hand. Je trok je hand niet terug, maar je opende je ogen. Alsof je wakker werd, je was plots mee. Je greep naar het doosje, maar ik schoof het weg.

 

‘Afwasbaar,’ zei ik, ‘echt waar.’

Ik vouwde je vingers in je handpalm en liet je een vuist maken, zodat de huid van de rug van je hand strak stond en ik het vraagteken wat dikker kon maken.

 

Dan koos ik blauw en nam je hand wat steviger vast.

‘Mag ik?’, schreef ik.

 

Je knikte. Je liet het gebeuren. Je kent me. Ik zou je niet zomaar laten gaan. Misschien hoopte je dat het snel voorbij zou zijn, als je me maar liet doen. Het was stil in de kamer, maar buiten raasde het verkeer en elders in het gebouw hoorden we mensen thuiskomen. De zon hing laag en bleek voor de ramen, alsof ze wat achteloos naar ons keek.

 

Ik nam je hand weer vast en ik schoof de mouw van je trui een paar centimeter omhoog. Je sloot je ogen. Het kwam je uit, dacht ik. Je hoefde niets te doen. Je kon je ogen sluiten en verder denken aan waar je daarnet nog mee bezig was en dat je graag straks zou afmaken.

Maar ik schepte moed. Je gaf me tijd. En dat was alles wat ik nodig had.

 

Op je pols testte ik alle kleurtjes uit het doosje: rood, blauw, wit, groen, geel en zwart. Ik zette korte streepjes naast elkaar en tekende een armbandje.

 

Vanaf je pols schreef ik: ‘Mag ik verder?’

Omdat ik gestopt was, opende je je ogen en je keek naar je onderarm. Je schoof je mouw wat verder en bood me je arm aan. Het verraste me dat je je al zo snel gewonnen gaf. Dat je meewerkte. We keken elkaar een paar seconden aan. Je glimlachte ingehouden en ik hoopte dat jij hetzelfde dacht als ik, hetzelfde voelde: ‘Weer als vroeger, weet je nog? Toen we nog praatten zonder woorden?’

 

Blij en wat overmoedig geworden schreef ik nu met groen: ‘Ik hou nog steeds van jou. Nog steeds. Nog meer.’

Je nam mijn hoofd in je handen en kuste me. Ik liet me door jou kussen op mijn mond, op mijn mondhoeken en mijn wang.

Maar dan duwde ik je van me af en leunde naar achter. Ik toonde je het gele potlood. Je begreep het, je begreep dat ik op dat moment, daar op de bank, het voor het zeggen had. Je aanvaardde het, je duwde de mouw van je trui met een plagerige traagheid tot over de ronding van je schouder. Daar tekende ik een gele cirkel omgeven door stralende streepjes. En een witte wolk, die wat voor de zon hing.

 

Ik hield even op en herschikte mijn potloden. Ik hield ze in een bundeltje in mijn hand en ik keek naar jou. Naar je gezicht dat er tot mijn stille vreugde ontspannen en nieuwsgierig uit zag. En dan naar je lichaam dat daar zo losjes naast mij in de zetel zat. En weer naar je gezicht. Je begreep waarop ik wachtte en je trok je trui uit.

Met het zwarte potlood maakte ik een stippellijn langs de halsopening van je topje. De streepjes liepen als mieren op en neer over je welvingen. Het landschap bewoog. Ik voelde je zucht over mijn hand strijken.

 

In je hals tekende ik een vlucht vogels. Ze trokken in de richting van de zon. Je draaide mee en liet je beschrijven, en toen ik ophield, greep je de zoom van je topje en trok het over je hoofd. Terwijl je met je vingers door je haar woelde, maakte ik de haakjes op je rug los en zette de punt van het rode potlood in de indrukken op je huid. Ik duwde wat harder. Je neigde naar voor, maar ik hield je rechtop bij je schouder.

 

‘MIS!’, schreef ik, ‘mis-sen. Jou missen.’

‘Ik wil het niet’, schreef ik verder in zwart. ‘Ik wil niet dat je van me wegdrijft.’ Ik schreef het snel en in grote ronde letters. Dan legde ik het zwarte potlood neer, nam het weer op en stak het in het doosje. Gedaan met dat zwart.

 

Ik tekende blauwe golven en wit schuim. Twee rode bootjes met daarin een geel en een groen figuurtje. En nog meer golven. Ik duwde harder op het potlood, het drukte je huid wat in. Er verschenen rode vlekjes tussen de blauwe golven. Ik hing de bootjes met een dik geel touw aan elkaar.

 

Je keek om.

‘Nog even’, zei ik. Je boog je hoofd en spande je rug.

Ik bleef golven tekenen in blauw, groen en wit. Het water ging tot aan de delta onderaan je rug. Ik schreef zo diep ik kon.

 

Aan je bewegende ellebogen zag ik dat je de knoop van je jeans losmaakte. Je schoof alles naar beneden en over je voeten. Je ging op je buik liggen. Ik maakte plaats en knielde op de vloer naast de bank. Vandaar had ik een mooi uitzicht op het schilderij op je rug en op je onbeschreven witte billen. Ik legde mijn wang op de koele huid daar en ging met het blauwe potlood over de achterkant van je dij.

 

‘Water’, schreef ik. ‘Dorst naar jou.’ Terwijl ik de zachte binnenkant van je dijen streelde, schoof je langzaam je benen uit elkaar.

 

 

 

* Faber-Castel 6 Schminkstifte, 5,3 euro in speelgoed- en schrijfgeriefwinkels.

 

 

 

 

Geschreven door Christine Van den Hove op 25/01/2016 - laatst aangepast op 25/01/2016

  • proza
  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home