Stipt om acht uur ging de bel. Mirthe, zag hij door het kijkgaatje. Ze wilde hem absoluut beter leren kennen, had ze gezegd, ook al was hun eerste gesprekje nou niet bepaald soepel verlopen. Hij besefte ook wel dat Mirthes vraag ‘Heb je huisdieren?’ niet diende te worden beantwoord met: ‘Ja, zilvervisjes’, maar zijn ‘nee’ had veel te lang op zich laten wachten en had aarzelend geklonken, alsof hij het zelf niet zeker wist. Een kat of hond had ze willen horen, liefst een kat, omdat ze die zelf ook had. Overeenkomsten schiepen een band, ook al had iedereen het altijd over ‘elkaar aanvullen’. Gelul. In de liefde, zoals een relatie wel wordt genoemd, telde alleen het herkennen van jezelf in de ander. En zilvervisjes scoorden op dat vlak nu eenmaal niet erg hoog. De meeste mensen vonden ze walgelijk. Vanwege hun onverwachte snelheid, hun prehistorische uiterlijk waardoor ze groter leken dan ze waren, en omdat ze zilverstof afgaven als je ze na het overwinnen van je gruwel onder een tijdschrift had geplet. Vooral dat stof was verontrustend. Wat was dat eigenlijk voor spul? Iets uit een verhaal van Tolkien, waar je wratten van kreeg, of enge zweren.

In het begin had Floris dat ook gedaan, zilvervisjes pletten. Of hij zette de kraan flink open als ze zo stom waren om in de wasbak te gaan zitten. Maar iets had zijn weerzin doen omslaan in fascinatie. Helemaal zeker wist hij het niet meer, maar het moment dat hij een uitzonderlijk groot exemplaar op zijn slaapkamermuur zag zitten, vormde waarschijnlijk het omslagpunt. Hij had het diertje met gemak kunnen verpletteren – Het bleef roerloos zitten, op een verder kale muur, zonder enig kiertje of naadje om in weg te schieten in de buurt – maar Floris had het laten leven. Uit dankbaarheid zat het daarna elke avond trouw op hem te wachten als hij naar bed ging. Hij gaf het een naam: Anton.

Maar het bleef niet bij Anton. Had het diertje zijn soortgenoten geïnformeerd over Floris’ tolerante houding? In ieder geval kwamen er elke dag nieuwe zilvervisjes bij. En ze werden steeds vrijpostiger. Ze scharrelden in colonnes door het huis en namen niet eens de moeite om weg te schieten als Floris een lampje aanknipte. Het behang vertoonde inmiddels overal gaten en van zijn boeken was niet veel meer over. Ze aten zelfs van zijn krant terwijl hij die nog aan het lezen was. Maar deden ze iemand kwaad? Natuurlijk, Floris besefte ook wel dat het een beetje uit de hand was gelopen, maar een oplossing lag wat hem betreft niet in het verlagen van de luchtvochtigheid, zoals op internet werd gesuggereerd, veeleer in een getalsmatige benadering: de keuze tussen duizenden wezentjes en een enkel individu. Opnieuw ging de bel, langdurig dit keer. Floris wachtte tot Anton en de andere zich uit de voeten hadden gemaakt, greep de laatste roman van Karl Ove Knausgård van het gangkastje en opende toen pas de deur.

 

 

Beeld: Grand Foulard

Geschreven door Grand Foulard op 07/02/2016 - laatst aangepast op 07/02/2016

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home