Het is al laat als ik van de repetitie naar huis fiets. Een waaier van kleine druppels slaat op mijn gezicht terwijl ik mijn tekst repeteer. ‘Dan is de dood als een verliefde omhelzing, die pijn doet en verlangd wordt.’ Het lichtje van mijn fiets knippert fel zodat weggebruikers me zien komen nog voor ik er ben. ‘Los u op in regen, zware wolk, dan pas kan ik zeggen: De goden zelve wenen.

Ik fiets de hoek om, bijna thuis, als ik een jongen op de stoep zie liggen. Snel kijk ik om me heen, niemand. Alleen die roerloze jongen op het voetpad. ‘Meneer.’ ‘Meneer, gaat het?’ Stomme vraag, hoe zou het gaan als je in de kou voor dood op het voetpad ligt maar er schiet me niks gepaster te binnen.

 

O, kan je spreken, ik hoor, hoe je de grote Caesar voor kortzichtige ezel scheldt.

 

Zou hij dronken zijn, of gedrogeerd? Een jongen, ergens tussen de 25 en 30 jaar, krijgt toch geen hartaanval? Stilte, enkel het lichtje knippert haastig verder. Mijn fiets laat ik midden op de weg achter en loop voorzichtig naar de jongen toe. Bloed! Zijn hoofd bloedt een beetje, zou hij geslagen zijn, gevochten? Ik kijk rond, niemand te zien, geen mogelijke aanvaller.

 

Wees trots nu dood, want in uw armen rust de heerlijkste...

 

Dan komen twee mannen de hoek om lopen. ‘Kom snel, er ligt hier iemand’, mijn stem klinkt hoog. De mannen kijken weg en lopen stevig door. Bel een ambulance, denk ik, ja maar, is dat wel nodig? Wat denk je zelf? De politie misschien? Slimmeke, die kunnen toch ook niks anders doen dan de ambulance bellen.

 

O kom dan, snel voleind, ik voel je nauwelijks.

 

Onhandig grabbel ik met mijn handschoen in mijn tas, steek mijn hand in mijn mond om met mijn tanden de handschoen van mijn hand te trekken en zoek opnieuw. Niks, geen gsm, verdomme thuis laten liggen. Snel kijk ik om me heen, er is niemand te zien. Als ik nu gewoon doorfiets, doe alsof ik niks gezien heb. Een jongen op straat, vast te veel gedronken, niks aan de hand. Schichtig kijk ik om me heen en loop naar mijn fiets die trouw knipperend op me staat te wachten.

 

Op deze vuige wereld, o, vaarwel.

 

Ik trap de laatste straten als bezeten naar huis.

 

Zullen deze handen ooit nog rein zijn?

 

‘Je bent laat, hoe ging de repetitie?’ Mijn man staat in de keuken met de waterkoker in zijn hand. Ik sta te hijgen terwijl mijn natte jas een plasje maakt op de vloer. ‘Goed, ik kende mijn tekst’, een flauwe glimlach om mijn lippen. ‘Hard gefietst precies, wil je thee?’ Ik knik, whisky zou beter zijn maar thee is goed.

In de verte hoor ik het gejank van sirenes, ik blaas overdreven de damp boven mijn kopje weg. Mijn man heeft de televisie aangezet maar ik zie enkel de jongen op het natte voetpad liggen. Hij ademde toch nog? Ja, hij ademde nog dat had ik gezien, het leek alsof hij rustig lag te slapen. Met mijn knieën hoog opgetrokken houd ik de kop thee met twee handen vast om weer warm te worden. 22:30, sirenes die wegsterven doorheen het gelach op tv. Hij is weg.

‘Ik ga naar bed’, ik voel me plots oneindig moe alsof ik door modder naar huis ben gewaad met benen trillend van inspanning.

 

Met mijn ogen dicht lig ik in bed, al uren. Als ik doe alsof, zal mijn lichaam wel volgen, dat hoop ik toch. In mijn hoofd is het kermis, woorden rollen over elkaar en stuiteren van de ene naar de andere kant.

 

Ik heb nog nooit zoiets gevoeld. In mijn buik. Alsof er iets zat. Iets zat daar ineen gekruld klaar om zich over mijn lijf te verspreiden.

 

Mijn hand ligt op mijn buik te verdrinken in angst.

De koplampen van een enkele voorbijrijdende auto laten een streep van licht over het pikzwarte plafond glijden. Naast me hoor ik het zachte monotone gesnor van mijn man die op zijn rug in slaap gevallen is. Normaal zou ik hem allang een duw hebben gegeven waarna hij zich op zijn zij gerold zou hebben. Maar nu ben ik dankbaar met het tevreden gezoem dat een contrasterende soundtrack is bij de beelden die ik maar blijf zien als ik mijn ogen sluit.

 

Uiteindelijk moet ik toch in slaap gevallen zijn. Het wordt altijd morgen; dat is een zekerheid, tenminste voor mij. Hoe zou het zijn met die jongen? Mijn ogen zijn nog maar net open als de levenloze jongeman mijn gedachten weer beheerst. ‘Dag liefje, fijne dag’, mijn man kust me vluchtig op mijn mond en trekt de deur achter zich dicht. Ik schenk nog een kop koffie in en klap mijn laptop open, Google, regionaal nieuws.

 

Mijn hart klopt zo snel hierbinnen.

 

Niks te vinden over een jongen op straat, dood of levend. Zie je wel; hij is vast gewoon opgestaan en naar huis gegaan. Ik verwacht opluchting maar een kritische stem in mijn hoofd wijst me terecht. Geloof je het zelf, gewoon naar huis gegaan pffffff. Ik kan het ziekenhuis bellen om te horen of er gisteren een jongen binnen gebracht is. Ja, dat lijkt me een goed idee. Welk ziekenhuis is hier het dichtbij zijnde? Wat moet ik vragen? Er worden op een avond zoveel jongens binnengebracht op de spoed met bloed aan hun hoofd. Toch? En wat als ze mij verdacht vinden, als het geen ongeluk was en ik hoofdverdachte ben?

Ik drink het laatste restje koude koffie op en moet me haasten, over een half uur begint de repetitie. Even laat de jongen me met rust, dank u wel.

 

‘De lucht in; en wat een lijf scheen loste op als adem in de wind.’ ‘Was dat waarvan wij spreken werkelijkheid, of hebben wij die giftige plant gegeten die het verstand gevangen zet?’

 

‘Luider praten, de vijfde rij kan je niet horen’, de regisseur schuift geërgerd zijn bril terug op zijn neus.

Het schiet niet op, bij alles wat ik doe komen er aanwijzingen, verbeteringen en de première is overmorgen al. Ik lijk maar geen grip te krijgen op mijn personage. ‘Opnieuw, vanaf het begin.’ Zijn stem zal zeker te horen zijn op de vijfde rij, ik steek mijn tong denkbeeldig uit. Kom op, concentreer je, vermaan ik mezelf. De dag duurt lang, oneindig lang, ik wroet me door teksten die uit losse betekenisloze woorden lijken te bestaan.

‘Oké, we stoppen ermee voor vandaag’, de regisseur klapt zijn map dicht. Ik ben kwaad op mezelf, een verloren dag. Snel pak ik mijn spullen, ik wil naar huis, slapen. ‘Lies, dat kan beter, he’, hij kijkt me streng aan over zijn bril. ‘Ja, sorry’, stamel ik en loop als eerste de deur uit.

 

Maar kijk wat opgewekt;

Benauwde blikken werken zeer suspect.

En laat de rest aan mij.

 

Ik fiets naar huis, dezelfde weg als gisteren, dezelfde stoep als gisteren, geen jongen. Een druppel bloed verraadt de tragedie die hier gisterenavond laat heeft plaatsgevonden. Ik slik, een traan veeg ik geërgerd weg, koude wind, altijd tranen mijn ogen van de wind.

 

Thuis smijt ik mijn tas in een hoek en schenk een glas wijn in. ‘Hoe was het vandaag?’ Ik schrik, ‘oh, ben je al thuis?’ ‘Het ging wel’ ik heb geen zin om te praten. Hij kijkt me aan, zoekt mijn ogen maar ik ontwijk zijn blik en trek de koelkast open. Hij kent dit wel, vlak voor een première ben ik meestal niet te genieten, teveel in een andere wereld waar hij geen deel van uitmaakt. Hij weet niet dat het nu anders is, dat ik de entree van die andere wereld maar niet vind. Kon ik het hem maar zeggen, alles vertellen en dat hij dan zou zeggen: maar meisje toch, maak je niet druk, met die jongen is vast alles in orde. Ik durf het niet, stel je voor dat hij kwaad wordt, hoe ik zo stom had kunnen zijn, waarom ik geen ambulance heb gebeld. Nee, ik wil niet horen wat ik zelf denk. ‘Wat wil je eten? Het licht van de koelkast verlicht mijn gezicht, ik kijk maar zie niks. ‘Ik heb eigenlijk geen honger.’ Zachtjes sluit ik de deur en de spot die mijn gezicht gevangen houdt gaat uit.

Zonder verder iets te zeggen loop ik naar boven en ga op bed liggen.

 

Het gezicht, de ogen gesloten als een onschuldig kind dat op een onhandige plaats in slaap is gevallen. Ik kijk, het ziet er zo vredig uit, een jongen in foetushouding op de grond. Zijn borst gaat zachtjes op en neer, de neusvleugels die bij elke inademing een beetje naar buiten gaan om de lucht naar binnen te zuigen. Zijn armen liggen er wat slordig bij, alsof ze vergeten zijn, achtergelaten door het slungelige lijf daar op de grond. Grote voeten, zeker maat 44 schat ik, met sportschoenen om hard te kunnen rennen. Ik glimlach, ja jongens moeten hard kunnen rennen. Ik kijk naar mijn eigen voeten, een stuk kleiner dan die van de jongen en op hakken, niet gemaakt om hard te rennen.

Getver, wat is dat? Mijn voeten staan in een donkere stroperige brei. Met moeite trek ik een voet naar boven, het plakt, draden donker spul hangen aan mijn schoen. Ik zie hoe de plek groter wordt, hoe ze zuigend aan mijn voeten trekt.

De koude lucht die gemeen bijt in mijn longen blijft halverwege steken, ik heb het gevoel dat ik stik. Wat is dit, waar komt dit vandaan?

Een klokkend geluid, als een fles die wordt leeggegoten boven de gootsteen. Mijn ogen zoeken in het donker. Het is zijn hoofd. Een donkere vloeistof gulpt tussen de zorgvuldig gekamde haren de straat op. Ik wil wegrennen maar mijn voeten blijven waar ze zijn, vastgezogen door dat wat in grote hoeveelheden uit zijn hoofd stroomt. Paniek golft door mijn lichaam, waarbij mijn maag samen trekt en ik kokhals. Help, wil ik roepen maar er komt geen geluid.

‘He, Lies, wordt eens wakker’, ik voel hoe ik zachtjes heen en weer gewiegd wordt, mijn voeten stevig verankerd op de grond. Ik wordt van links naar recht geduwd, steeds harder en dan val ik om met mijn gezicht in de vloeistof. Ik gil en kijk mijn man recht in zijn ogen. Het zweet staat op mijn gezicht en mijn hart klopt alsof het eruit wil springen. ‘Slechte droom?’ hij pakt me vast en aait me over mijn klamme haar. Ik knik en luister naar zijn hart dat als een metronoom geruststellend de maat aangeeft.

 

Zal ik uiteindelijk rust vinden?

Deze dolk zal ik gebruiken om mijn zorgen te verzachten

Maar medelijden zegt me tot morgen te wachten

Als de zon wegbrandt de ochtenddauw.

 

Ik slik het kleine pilletje door met wat water. Slapen. Ik wil echt slapen vannacht.

De chemie doet zijn werk en binnen het uur ben ik vertrokken in een droomloze slaap.

 

De lucht hangt vol belofte, ik hoor hoe het publiek zijn plek vindt in de zaal. Nog even en we gaan beginnen. Normaal vind ik dit het heerlijkste moment van de avond. Alles kan nog. Een verhaal dat ontvouwen wordt voor het oog van de toeschouwers. Mijn lijf vol adrenaline dat naar een hoogtepunt gaat en bij het eindapplaus een zalige roes achter zal laten. Nu sta ik achter een onzichtbaar gordijn en ben mijn eigen toeschouwer. Ik zie mezelf staan, in kostuum, ogen die glazig voor zich uit staren. De woorden van de regisseur weerkaatsen in mijn hoofd. Lies, het trekt op niks wat je staat te doen, trekt op niks. Niks. Het kan me niet schelen, niks kan me nog schelen, ik wil naar huis met mijn hoofd onder de dekens, vergeten.

 

Ze heeft toegelaten dat haar persoonlijke gevoelens haar optreden in de weg stonden.

 

‘Lies je moet op’, ik voel hoe mijn medespeelster me een duw geeft en ik struikel het podium op.

Een spot schijnt recht in mijn ogen en ik voel hoe ik bevries. Stilte. Ogen, die ik niet kan zien maar wel kan voelen, kijken naar mij, vol verwachting. Mijn mond plakt maar het lukt me om mijn voeten in beweging te krijgen en ik loop naar voren. Ik sta zo dicht bij het publiek dat ik de gezichten van de eerste twee rijen kan zien. Het is doodstil, de lucht lijkt de ruimte verlaten te hebben, niemand ademt nog. Stil, te lang, het wordt pijnlijk gênant.

‘Bastaard, pokdalige lul......’, ik hoor mezelf schelden en publiek ademt weer. ‘Jij’......Dat is hem! Hij, die jongen van de stoep, kijkt me aan met donkere ogen die glanzen. ‘Jij? Het lijkt alsof hij licht geeft en de rest niet meer bestaat. Hij leeft, hier, nu, gewoon voor mij in de zaal. De stilte wordt ongemakkelijk, iemand kucht. Ik scheur me los uit zijn blik, slik de droogte in mijn mond weg. ‘Jij, jij bent geen heer’, mijn stem hervindt zijn kracht. Ik kijk hem recht aan, ‘is er dan niemand die hem op zijn plaats wil zetten?’ Er wordt aan mijn arm getrokken zoals we al zo vaak gerepeteerd hebben. ‘Nee, ik wil bloed zien’ mijn ogen spuwen vuur en ik begin ongecontroleerd te lachen. Met grote stappen loop ik de coulisse in. Hij leeft, hij leeft! Ik voel hoe het betonblok in mijn nek langs mijn ruggengraat naar beneden glijdt. Hoe het personage bezit van me neemt en me meeneemt naar de zestiende eeuw. Ik voel de woorden nazinderen in mijn buik, Shakespeare stroomt door mijn aderen. Ik speel niet meer, ik ben, voor hem, de jongen met de bruine ogen.

 

Het applaus is oorverdovend, publiek veert recht uit de pluchen zetels en ik laat me mee voeren door de stroom van een geweldige avond.

 

Hij leeft.

 

 

 

 

 

 

 (C) tekst en beeld: Hanneke van de Kerkhof

Geschreven door Hanneke op 07/02/2016 - laatst aangepast op 07/02/2016

  • kortverhaal

Deze pagina is enkel toegankelijk op een groter scherm.

Home