Lezen

Tien uur op Goede Vrijdag

Ik ga al opruimen, dan is dat al achter de rug. Dat is wat ik dacht vóór die vijf minuten in april vier jaar geleden. Om tien uur zou ik hem bellen. Het kon niet eerder, dat zei hij afgelopen maandag. "Niet voor 10u want dan kan niemand mij bereiken." Natuurlijk was ik veel eerder wakker. Al vond ik het een prettig idee om niet vroeg te moéten opstaan. Het leven voelde stilaan goed zonder dat euvel dat mijn lichaam vertraagde. Zelfs de ogenschijnlijke uitzichtloosheid van het repetitieve van mijn dagen door de financiële beperking van mijn bestaan leek te veranderen. Het was gewoon brute pech! Ik woonde hier op dat moment een jaar. Eindelijk kwam er verlichting. Die berg waardoor ik me – liefst in dit leven nog – een weg diende te kappen, leek een heuvel geworden. Niet alles kwam op zijn pootjes terecht, doch had het één en ander dat me in de weg stond pootjes gekregen en was ervandoor. Misschien dat ik dit jaar nog eens naar mijn andere thuis kan, een weekje zou al mooi zijn. Dat dacht ik, een hele tijd voor die vijf minuten van die bewuste Goede Vrijdag. Eén weekje en met wat geluk kan ik dit jaar nog een kamer in dit appartement onder handen nemen. De badkamer of de keuken, die zijn er het ergst aan toe. Het had lang genoeg geduurd; de aankoop, de opdeling in aparte eigendommen, de opzeg van het bestaand huurcontract, die tot in het gerechtshof van een of andere aanleg moest vastgelegd worden. En dan het opruimen van alles wat de huurders hadden achtergelaten, waaronder een gat van twee maanden huur en een al te smerig riekende vuilniszak, verstopt in een keukenkast. Om maar niet te spreken over … Maar dat is nu voorbij. Nu kan ik weer vooruit kijken. Gewoon nog even dat telefoontje en ik kan er tegenaan. De rommel van de vorige dag, die om halfacht nog zichtbaar was in de keuken, had ik tegen halfnegen weggewerkt.  Mijn gemoed verzachtte bij deze huiselijke daad. Zo dikwijls zag ik dat in mijn ouderlijk huis. Moeder die voor dag en dauw de afwas deed en man en kroost voorzag van gevulde boterhammendozen. Daarna pas zorgde ze voor haar eigen dag of was het tussendoor?   Die eerste dagen na de bevrijding van het euvel gebeurde stofzuigen nog voorzichtig en de vloer opnemen met water en een fris ruikend doch ecologisch beloofd sopje in een traag tempo. Waarom zou ik me overigens haasten? Het was nog steeds geen tien uur. Facebook checken? Mijn mails doornemen? Nog een koffie nemen? Alles lag intussen klaar, een blocnote voor notities met een schrijvende pen erbovenop en daarnaast de telefoon. Na het opruimen van de vorige dag en tien uur overspoelden de gedachten mij alsof ik een spons was van de werkloosheid bevrijd om ramen te gaan wassen. Mijn hoofd droop! Dan had ik nog niets voorbereid voor het Paasweekend met anderhalve dag samen met familie in een bungalowpark om met de bengels de dieren van de kinderboerderij wakker te maken en op zondagochtend paaseitjes te rapen. Daarna zou ik het weekend afsluiten met een bezoek aan mijn vader. Dan kon ik hem ineens het nieuws van tien uur vertellen. Tien uur. Eindelijk! Ik belde het nummer dat me meegegeven werd en vroeg om me door te verbinden. Het muziekje klonk eerst prettig, tot ik het tien keer gehoord had. Of was het al na drie keer? Toen ging de telefoon over. Ik was doorverbonden. Hij vroeg me eerst nog hoe ik me voelde na vorige maandag. “Best goed,” antwoordde ik. Gebrand op het nieuws waarop ik wachtte, verbaasde het me niet dat mijn stem een beetje oversloeg. Dat zou algauw wegebben na dit telefoongesprek. “Mevrouw," zei hij, "Ik zie hier op het scherm uw laboresultaten. Gaat u aub vijf minuten zitten, ik vrees dat ik niet zo goed nieuws heb…”

Anemos
0 0

Mens, erger me niet...

Ik grommel graag. Van ergernis naar ergernis begeef ik me door het wonderlijke doch kleinmenselijke aardse bestaan. Ik deed het als kind en zette het later dapper verder. Zou het ooit stoppen? dacht ik wel eens. Maar ik doe het nog steeds. Ik wijt het aan de omstandigheden die bondig om reactie vragen waarna mijn humeur even snel weer opheldert. De jogger die met zwaaiende armbewegingen langs mij heen rent en me stil doet staan, wanneer er uit de tegenovergestelde richting een jonge vrouw met haar peuter in de buggy aankomt. Mijn grom is sneller dan mijn gezond verstand. Ze zijn gelukkig wel van voorbijrazende aard, de jogger en de grom welteverstaan. Die jonge vrouw heeft niets door. Ze is druk bezig haar smartphone te bespelen. De peuter zeurt en waagt zich aan gymnastiek vanachter die buggygordel. Nog even en het lukt hem; eruit klimmen of vallen? Wat is hier de bedoeling van? ’s Avonds de builen op z’n hoofdje tellen? Toch wandel ik, haar in stilte de les lezend, voorbij. Op allerlei manieren wordt mijn ergernis gewekt. Het zal me maar overkomen: lezen in een artikel, dat het heeft over de mensen dat de regels aan hun laars lappen, nog wel in het zogenaamde betere dagblad. Geheid grijp ik naar mijn smartphone om de redactie eens te vertellen wat ik ervan denk, hardop beter wetend ‘hoe ben jíj door die selectieprocedure geraakt?’ Maar voor ik het verzend, is de lucht weer geklaard. De collectieve verwendheid van het bestaan, kan me ook – spreekwoordelijk – tegen het plafond krijgen. Ik ben toch niet verplicht om regenweer slecht te vinden? Is een flinke windstoot een spelbreker in mijn plannen? Moet ik echt weer luisteren naar het geklaag van deze of andere wandelaar die de mooie natuur moet missen omwille van… natuurelementen? Ga toch wat anders doen, denk ik en nestel me in de zetel met mijn dikke Outlander, blij met de honderden nog ongelezen bladzijden. Bij de vraag “Alles goed met jou?” verstom ik, bijna het puntje van mijn tong afbijtend om niet al te grof te worden. Toch antwoord ik zelfs dan, vind ik zelf, nog beleefd: “Niet alles, maar bij wie wel?” Me verantwoorden over mijn toestand is vermoeiender. Ergernis, als een stouteheersbeestje dat over mijn huid loopt en kriebelt. Zijn stipjes lichten vervaarlijk op. Voor ik als een gek begin te krabben adem ik diep in en uit. Enkel wanneer de stipjes blijven oplichten, waag ik me al eens aan een duidelijke taaltuiting. Zeker als het over ‘mijn zoveel vrije tijd’ gaat. “Ruilen met mij?” heb ik al meer dan eens gevraagd. De verstomming van die andere is dan een cadeau. Doch weegt zelfs die irritatie nu lichter. De dag zit vol potentiële ergernissen en hoe sneller ik er lucht aan geef, hoe beter ik me voel, wetende dat het enkel dat moment is. ’s Avonds leg ik me moe maar tevreden neer, me verheugend op de dag van morgen, vol mogelijkheden om mijn eigen kleinmenselijkheid te verdoezelen met grommelen over die van anderen. Mens, erger me wel. Ik houd van u. AMK.

Anemos
14 2

Devoot taboe.

“Ik moet jullie iets vertellen!” Anja zat net aan tafel met haar ouders. Ze heeft zich gehaast om op tijd te zijn voor de koffietafel op zondagnamiddag. De dampen van het bruine goedje prikkelden haar neus. De geur alleen al gaf haar een boost en ze rechtte haar rug. Ze heeft zo lang gewacht maar vandaag zou ze de knoop doorhakken. Ze nam haar kopje dat bijna weggleed uit haar klamme handen, nipte ervan en wilde net van wal steken toen haar moeder haar een bordje met een aardbeientaartje voorzette. “Proef nu eens eerst, Anja. Jij bent altijd zo gehaast. Ik ben voor deze taartjes speciaal gaan aanschuiven bij de banketbakker.” Ze peuterde een stukje af met haar vork en at het op, traag kauwend haar woorden kiezend. Ze zouden zich vast en zeker verraden voelen, als ik ze het vertel, dacht ze. “Lekker mama, dank je wel.” Een beetje vleien kon geen kwaad. Zeker niet over zo’n oppervlakkige dingen als een duur taartje op zondagnamiddag. Daar voelde ze zich niet schuldig over. Neen, de gedachte aan wat ze gerealiseerd had, dankzij de financiële steun van haar ouders, zat haar dwars. Al  had ze veel talent, alleen had ze dit nooit verwezenlijkt. Ze had immers twee studies mogen afmaken. Daar bovenop mocht ze een specialisatie volgen. Van verpleegster-vroedvrouw werd ze dokter en nu wilde ze zich specialiseren in de gynaecologie. Daar had ze haar redenen voor, die haar ouders nog niet wisten. “Wat zit je nu te treuzelen? Neem nog een hap!” “Zo dadelijk, mama. Ik wil jullie wat vertellen. Ik, euh…” “Anja, heb je er al eens over nagedacht welke stage je wil lopen in mijn ziekenhuis?” onderbrak haar vader. “Ik kan je wel even een duwtje geven. Niemand hoeft het verder te weten.” Daar heb je het, dacht ze. Het lijkt wel of ze ruiken dat ik iets anders wil. Maar ik wil niet afhangen van de noden in zijn ziekenhuis. Ze moest doorzetten als ze het leven wilde leiden dat haar als kind geïnspireerd had. Vanaf het moment dat ze in een kerk stapte om de eerste communie van haar neefjes te volgen, voelde ze het. Het leven was meer dan mooie poppen, Nintendo, snelle Polaroid foto’s en uitmuntende cijfers op school. Elke gelegenheid greep ze aan om een kerk binnen te gaan waar ze zich, gezeten op een te hoge stoel, liet overdonderen door de beelden en de schilderijen die haar verhalen vertelden. Ze wilde zelfs veranderen van zedenleer naar godsdienstlessen en in haar kamer zong ze zachtjes hymnes en psalmen mee van onder haar koptelefoon. Later in de universiteit – ze koos voor de katholieke – zonderde ze zich altijd af na de lessen. Ze zat op peda voor vrouwen, niet op kot, studeerde hard en was niet vies van handenwerk tijdens haar stage. Een lijk, een zwaargewonde, een uitterende zieke, ze bleef er rustig onder en prevelde onverstaanbare woorden. Zelfs  de meest ongelovige Thomassen of de uitzichtloze terminale zieken kalmeerden onder haar bedrijvige handen. “Anja! Luister je wel? Wat wil je doen na je afstuderen? Er zijn twee openstaande betrekkingen voor nieuwe stagiaires.” “Ja, het zit zo, papa, ik heb eigenlijk ergens anders gesolliciteerd. Ik zou graag eerst … ” “Wablieft? Waar dan? Wat wil je eerst? Hoe kóm je erbij om zo plots te veranderen?” bulderde hij. Ik moet doorzetten, dacht ze. Nu! “Ik wil eerst naar het klooster. Ik zal mijn gelofte van armoede en kuisheid afleggen en als het God belieft, zal ik na mijn opleiding naar Afrika reizen om daar meisjes en jonge vrouwen te helpen die…” De woorden zaten in haar hoofd. Ze kreeg ze niet over haar lippen. Was ze maar een eeuw eerder geboren. In die tijd was het een hele eer voor een familie om minstens één kind in een klooster te hebben. Dat gaf aanzien in een katholiek dorp. Haar familie, hoe dankbaar ze hen ook was, geloofde enkel in carrière en achting.  Ze vonden het gedachtengoed van de bedelende kerk en hun naïeve goedheid van het delen diefstal. Daarom mocht Anja nooit naar een katholieke school. De universiteit die ze gekozen had, was prestigieus, de enige reden voor haar vader om haar daar te laten studeren. Ze was bijna dertig, maagd, gemotiveerd, geroepen – hoeveel jongvolwassenen beleefden dat nog?  – en devoot, geïnspireerd door de Blijde Boodschap die zij mee wilde uitdragen. Hadden haar ouders nooit wat opgemerkt? “Ik wil zuster worden!” zei ze plots rechtstaand. “Ik ga naar het klooster en als het God belieft, dan ga ik naar Afrika…” De rest van haar zin ging verloren in het gerinkel van het zondagse koffieservies tezamen met het doffe ploffen van de taart op de vloer en de gil van haar moeder…

Anemos
9 0

Verrassing!

‘Iedereen op zijn plaats? Dan gaat nú het licht uit en denk eraan, pas als het licht weer aangaat komen jullie tevoorschijn!’ Albert had alles minutieus voorbereid. Brigitte, zijn vrouw was jarig en ze zou dit jaar een feest krijgen dat zij zich nog lang zou heugen. Het was waar, hij had de laatste verjaardagen niet voldoende aandacht aan haar besteed. Hij had er wel zijn redenen voor maar toch, dit jaar zou ze niet te klagen hebben. ‘En we roepen: SURPIIIIIISE!’ riep Marietje, zijn dochter nog enthousiast. ‘Jaja, wijsneusje,’ antwoordde Albert, ‘Verstop je nu maar achter je poppenkast.’ Ze verdween, zacht pratend, achter de gordijnen van haar poppenkast. Haar vader maande haar aan tot zwijgen. Ze mocht pas poppenkast spelen als mama er was. Bea, Brigittes zus stond vlak achter de deur als die zou openzwaaien. Twee goede vriendinnen zaten onder de tafel. Zij waren het lenigst om er gezwind onderuit te springen. De partners van de drie vrouwen hadden zich aangesloten bij de gasten buiten. Monica, Brigittes allerbeste vriendin zou niet komen. Daar had Albert wel voor gezorgd. Hij rilde al bij de gedachte dat ze hier zou zijn om hem de hele avond op stang te jagen. Dat mocht ze morgen weer doen, wanneer hij alleen thuis was en de deur op een onzichtbaar kiertje open liet voor haar. Alberts vrienden en hun vrouwen verschansten zich met hun drankje in en achter het tuinhuisje. De andere gasten, vrienden, vriendinnen en de collega’s waarmee ze nauw samenwerkte, verstopten zich achter de hagen, de struiken en de tuinstoelen. De gedekte tafel op het terras zou pas opvallen wanneer de lichten daar aangingen, als Brigitte aan de achterkant van het huis weer naar buiten stapte. Ze zou op een lang surprise-salvo getrakteerd worden vanaf de voordeur tot op het terras. Het geluid van een aanrijdende auto die vertraagde en op de oprit tot stilstand kwam, deed het geroezemoes verstommen. Een autodeur sloeg open en weer dicht. Eindelijk, dacht Albert. De voordeur ging open. Er klonken voetstappen in de hal. De deur zwaaide open maar het licht ging nog niet aan. De voetstappen gingen nog een halve meter verder. Een jas viel ritselend op de grond. Schoenen werden uitgeschopt en toen ging het licht aan. “SURPRISE!” klonk het luid. De roep verstomde snel bij het zien van… Monica slechts gekleed in negligé in het midden van de living, haar mond nog halfgeopend in ‘Surprise!’ Was dat dan niet vandaag dat hij alleen thuis was? dacht ze met koortsrode wangen…

Anemos
12 2

De verdwijning van het boek

Midden op het plein achter het oude bibliotheekgebouw stond een grote container. Aan de zijkant stond een bankje van waar Lea de opruimers al twee dagen observeerde. Ze liepen de ladder, tegen het metalen gevaarte leunend, op en af met… boeken! “Zonde van zoveel boeken die niet verkocht raakten,” zei Albrecht, een jongeman met boekenhonger. “Ach,” antwoordde Lea, “ze doen gewoon hun werk. De schattenverzameling opruimen.” “Wat zal je het meest missen?” vroeg hij. “Mijn eigen boek. Het is nooit afgeraakt. Nu zal mijn verhaal voor altijd verdwijnen.” Zij was bibliothecaresse op welverdiende rust. Een mooie titel, dacht ze, maar wat ben ik ermee? Net nu ik tijd heb om mijn boek te vinden en verder te schrijven. Het boek dat ze meer dan vijf decennia geleden was gestart was kwijt. Elk vrij moment nam ze haar dikke schrift met harde kaft en verdween in haar verhaal…   Ik was kind aan huis bij mijn buren. Daar was maar één kind, Frederik. Hij was een jaar ouder dan ik. Als hij op dinsdag verjaarde, was ik gisteren al verjaard. Zijn feest was elk jaar opnieuw een groots feest, vol suikergoed, taart en wilde spelletjes in de tuin. Ik was één dag per jaar een prinses, dan werd mijn verjaardag meegevierd. Ik voelde me dan een zondagskind. Bij zijn tiende verjaardag, ik was toen net negen, kreeg ik een dik boek. Er stonden vier verhalen in die elk twee verschillende kanten uit konden. Een kant stond er al in gedrukt. Een andere kant had alleen maar lijntjes, zoals in een schrift op school, voor kinderen die al goed kunnen schrijven. Weer thuis, met mijn schat, nam ik het boek mee naar bed. Vier verhalen om te lezen, vier verhalen om zelf mee te schrijven. Mijn dagen vulden zich met dromen en avonturen, met goede mensen en echte slechteriken. Ik leerde woorden die ik enkel van mijn oudere zus hoorde. De andere broers en zussen hadden die liefde voor boeken niet.   Het eerste verhaal ging over een verloren toverboek. Het stond vol spreuken en bezweringen, voodoospreuken en raad bij onheil. Het al aanwezige vervolg had ik opzettelijk nog niet gelezen. Ik begon eerst met alles op te schrijven wat ik uitprobeerde, met de resultaten. Mijn immer boze schooldirectrice bijvoorbeeld, kreeg op een dag vreselijke hoofdpijn en moest zeker een week thuisblijven. De turnlerares wilde alleen nog maar dansen en spelletjes doen, zoals verstoppertje en trefbal. Die saaie evenwichtsbalk en de bok en de plint stonden in een hoekje van de turnzaal. Maar de strafste gebeurtenis was mijn eigen verdwijning. Zomaar pardoes had ik, op een zomeravond in de tuin toen de anderen tv keken, de verdwijnspreuk uitgesproken: “Oh, Grootheid der grootheden, Tovenares en mijn Grote Weldoenster, laat mij hier verdwijnen en nooit meer terugkomen.” Misschien hoopte ik dat het niet zou lukken. Maar wat moest ik dan opschrijven? Echter, het lukte! Ik voelde een zak over mijn hoofd gaan. Iemand trok aan me. Ik liep mee. Het was vreselijk spannend. Waar zou ik terecht komen?   “En toen?” vroeg Albrecht. Lea’s verhaal werd onderbroken door de grote vrachtwagen die de volle container zou wegtrekken. “Tja,” zei Lea, “Het was een trucje van Frederik. Die verveelde zich zo vaak in zijn eentje dat hij meeging in mijn verzinsels. Ik wilde toen dat ik die kon afmaken.” “In dat boek?” “Dat hebben we nooit meer teruggevonden. Ik vermoed dat mijn vader het oppakte toen hij me die avond zocht. In dezelfde week hebben we een kampvuur gehouden met ons hele gezin. Ik herinner me nog zijn verbeten blik…” “Het is echt gebeurd!?” “Niet alles,” lachte Lea, “ik ging wel vaak naar Frederik en rond mijn negende begon ik zelf in een schriftje sprookjes te schrijven. Toen ik hier begon te werken, begon mijn eerste echte schrijfboek. Tot ik het laatste kwijtspeelde.” “Dat moet toch te vinden zijn,” grommelde Albrecht. Hij stond recht en liep de ladder, tegen de container, op en nam een duik in de boeken. Net toen reed de vrachtwagen langzaam weg. “Hemeltje! Jongen toch, kom daar uit!” riep Lea. Het duurde even, maar toen zag ze een arm omhoog gestoken met een schrijfboek in de hand, verdwijnend met de vrachtwagen…

Anemos
11 0