Brandend verleden

Céline Smans
2 dec. 2019 · 2 keer gelezen · 0 keer geliked

Na een stilgezwegen verbanning van dertig jaar rijdt Nora Holt onbezorgd haar geboortestad tegemoet. Haar nek nog stijf van de lange vlucht, doet enkele extra seconden over de verplaatsing richting versnellingspook. Om haar pols zit de zachtroze scrunchie van dochter Julie, die haar geluk brengt en ook wat flair.

Vanaf de luchthaven van Trondheim is het slechts twintig minuten rijden naar Okkelberg. Uitgezonderd van een absurd aantal tunneltjes, lijkt het wegennetwerk nog sterk op het vertrouwde Vlaamse. Na de afrit van de E14 vloeit de grote baan over in een smaller weggetje, dat zigzaggend tussen de landbouwvelden danst.

Nora zou zich uitgelaten moeten voelen over de prachtige Noorse omgeving die zij enkel als vierjarig kind heeft gekend, toch doet het landschap haar enkel nostalgisch terugdenken aan kleine Julie die met zijwieltjes moedig de Kemmelberg trotseerde, op hun jaarlijkse fietsvakantie in Heuvelland. Dat avontuurlijke heeft ze van haar vader. Benjamin is ook in hun relatie de durfal en spoort Nora voortdurend aan haar eigen grenzen te verleggen. Het heeft hem wat moeite gekost, maar uiteindelijk kon hij haar toch overtuigen om de verre trip naar Noorwegen te maken. De reis op zich is een avontuur uit de duizend, dat Nora hier is om de erfenis van een ongekende tante te ontvangen, is nog een spannend extraatje. 

Aangekomen aan een Y-splitsing moet Nora even spieken op haar navigatietoestel.

‘He? Wat gek.’ Op het toestel is geen splitsing te zien. ‘Verdorie, wat nu?’

Op zoek naar wegwijzers, glijden Nora’s ogen over het landschap. Iets verderop ziet zij een boer die haar met zijn kruiwagen tegemoet komt. Nora duwt het raam van de gehuurde Nissan Qashqai naar beneden en rijdt enkele meters vooruit. Met een schools brits accent spreekt ze de boer aan.

‘Hallo, meneer? Mag ik eens iets vragen alstublieft?’

Apathisch staart de man voor zich uit. Hij borrelt wat slijm uit zijn keel en spuugt dat uit in zijn rechterhand, waarmee hij vervolgens even door zijn ongekamde haren strijkt. Dan draait hij zijn hoofd naar Nora, fronst zijn naar elkaar rijkende wenkbrauwen en bromt iets binnensmonds. Zijn handen grijpen de handvaten van zijn metalen kruiwagen stevig vast en duwen hem weer vooruit.

‘Ik ben op zoek naar de gemeente Okkelberg. Heeft u enig idee welke weg ik moet nemen?’ probeert Nora geduldig.

‘Gå bort, storfekjøtt!’ Zijn basstem klinkt alsof ze door slijm omringd is.

‘Ja lap, daar begrijp ik toch niks van.’

Blijkbaar wekt Nora’s Antwerpse accent onverwacht de aandacht van de boer, want vrijwel meteen draait hij zijn hoofd en richt hij zijn ogen als lasers op haar gelaat. In zijn felblauwe kijkers is een fonkeling te detecteren die zijn norse houding even doorprikt. Zijn hangende oogleden proberen het te verstoppen, maar Nora heeft de verandering opgemerkt. De man staat nu naast het portier. In zijn kruiwagen liggen grijsbruine kasseien, allemaal ongeveer zo groot als het hoofd van een kind.

‘Du venter, morder!’ grijnst de man nu. De weinige tanden die hij nog heeft zijn duidelijk ongepoetst. Een walm van gefermenteerde Scandinavische vis doordringt de huurauto.

Toch grijpt hij Nora’s aandacht, want wat zei hij daar net? Het klonk bijna West-Vlaams! ‘Jij’, dat was duidelijk… maar dan… ‘venter’. Dat klonk als ‘Jij bent er’. Maar wat dan met ‘morder’? De weg aan de linkerkant van de Y-splitsing is vrij drassig, bedacht Nora zich. Bedoelde hij misschien modder? Dat moet het zijn!

Overtuigd van haar Noorse interpretatie draait Nora de auto linksaf en ploetert hem door de vieze brij. ‘Bedankt hé!’ roept Nora nog achterna. Wat een vreemde man.        De wielen katapulteren grote stukken smurrie door het raam, die recht op haar witte sweater belanden.

‘Maar allee… da’s weer typisch.’ Nora duwt de schakelaar van het raam omhoog en begint chaotisch op haar borst te kloppen. Gelukkig heeft ze nog wat extra kledij meegenomen. De beltoon van haar smartphone verstoort haar geklungel. Ze graait naar het toestel op de passagierszetel.

‘Oh hey schat! Hoe is het daar?’

‘Alles prima he. Valt de rit wat mee?’ Benjamins stem klinkt verwarmend en neemt meteen Nora’s irritaties weg.

‘Ja… goed wel! Ik denk dat ik er elk moment ga zijn.’

‘Laat me weten of we de rest van ons leven nog moeten gaan werken, hé.’ Zijn hikkend lachje klinkt hoopvol.

‘Dat zou heerlijk onrealistisch zijn, schat! Oh trouwens … vergeet Julie niet op te halen van haar sportkamp! En geef haar een hele dikke kus van mij! Zeg maar dat mama snel weer naar huis komt!’

‘Vier uur?’

‘Ja Benji, dat staat toch op de kalender? Ik heb het er zelf nog …’

‘Jaja’ onderbreekt hij haar, ’nu zie ik het… Komt in orde!’

Op haar rechterzijde passeert Nora het gemeentebord van Okkelberg.

‘Ik moet nu wel ophangen. Ben net aangekomen. Ik bel je nog, en vergeet ons Julie niet he!’

‘Komt in orde. Ik hou van je.’ Zo beëindigt Benjamin het gesprek. Hij wacht nooit op haar antwoord, maar gaat er liever van uit dat zij hem ook nog graag ziet.

Het adres dat de notaris aan Nora had meegegeven leidt naar een straat omgeven door bossen, een eindje achter de kerk van Okkelberg. Een kasteeltje in gebroken wit onthult zich tussen het vele groen. Nora parkeert de auto op de voorziene kiezels, naast een grijze Ford Focus. Hoewel het kasteeltje groter is dan Nora had durven hopen, spreekt de vervallen staat allesbehalve tot de verbeelding. De voorgevel vertoont duidelijke scheuren en ook het dak heeft zijn steun op enkele plaatsen opgegeven. De nabije frisse bossen, beschermd door een helderblauwe lucht, staan in zwaar contrast met de grimmige sfeer van het kasteeltje. Het doet Nora denken aan een documentaire die ze heeft gezien over Harastølen, een oud sanatorium in Luster. Duizenden tuberculozen werden daarheen gelokt met prachtige beelden van de Noorse adembenemende natuur, maar werden daarna van hun vrijheid beroofd. Het doet Nora even beven.  

De voordeur van het kasteel staat op een kier. Rechts hangt een oude deurbel met een beltrekker, de kelk is versierd met bloemenmotief. Nora trekt tweemaal aan het touw.

Geen reactie.

Dan driemaal.                                                                                                 

Weer niets.

‘Die Ford Focus is toch niet zelf naar hier gereden?’ grapt Nora in zichzelf.                        

‘Hallo? Is er iemand thuis? Ik heb een afspraak met de notaris!’                       

Het blijft stil.

Nora besluit de notaris te bellen. Misschien heeft ze zich van adres vergist. De telefoon gaat over… één keer… twee keer… en dan wordt Nora opgeschrikt door de beltoon van een mobieltje. Het geluid komt van achter de voordeur van het kasteel.

‘De notaris zal me waarschijnlijk binnen opwachten’, bedenkt Nora zich. Overtuigd duwt ze de voordeur open. Een grote gang verwelkomt haar met aan weerszijden meerdere geopende deuren. Het groene behangpapier is op sommige plaatsen volledig naar beneden gedoken.

‘Hallo, ik ben het … Nora Holt! Ik kom voor de bespreking van de erfenis.’

Door de eerste deur, aan de linkerkant, ziet Nora een oude vleugelpiano staan. Ze wandelt de kamer binnen in de hoop de notaris tegen het lijf te lopen. In het midden van de kamer staat een stoffen salon, volledig omgeven door de geur van oud tapijt. Aan de muur hangt een reusachtig schilderij van zo’n drie meter lang, met daarop een brandend huis afgebeeld. Links op het werk staat een vrouw met een klein meisje in haar armen. Uit de ramen van het brandend huis bengelen armen en benen, doordrongen van het vuur. Onderaan het lugubere schilderij staat iets geschreven. Sierlijke rode letters vormen het woord ‘drapsmann’, gevolgd door ‘du vil brenne i helvete’. Nora dacht dat ze de Noorse taal kon ontrafelen, maar die illusie wordt nu helemaal doorprikt.

Haar gepeins wordt onderbroken door een luide knal. De deur naar de gang is dichtgewaaid. Benauwd snelt Nora naar de klink. De deur opent heel makkelijk, maar toch aarzelt ze even voor ze de gang betreedt. Haar oog valt op een grote schim, zo’n twee meter verwijderd van de voordeur. Nora zet een stap dichter. De gang lijkt veel donkerder dan vijf minuten geleden.

‘Hallo, bent u de notaris?’

De schim lijkt slechts zachtjes heen en weer te wiegen. Nora bedenkt dat de gedaante eigenlijk veel te groot is om menselijk te zijn. Er zijn zelfs geen voeten te zien. Op de tast probeert ze een lichtschakelaar te vinden, maar alvorens ze daarin slaagt springt het licht van de gang plots vanzelf aan.

Nora’s hartritme valt oneven seconden stil. Het voelt alsof haar keel door brandende doorns gewurgd wordt, zodat haar hele lijf verstijft. Aan het plafond staren twee blauwe ogen levenloos voor zich uit, terwijl de rest van het kleine meisjeslichaam zachtjes de strop wiegt. Het halflange haar met vlinderspeldjes mankeert enkel nog een zachtroze scrunchie rond de pols. Dan weerklinkt een hysterische oerkreet, recht vanuit een moederhart.

 ‘JULIE?!!’

Voor Nora nog maar een stap richting haar dochter kan zetten, voelt zij een hard voorwerp beuken op haar hoofd. Bloed sijpelt samen met haar tranen naar beneden, als een grijsbruine kassei haar voeten voorbij rolt. Dan wordt heel haar wereld zwart.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem verder op weg.

Céline Smans
2 dec. 2019 · 2 keer gelezen · 0 keer geliked