Florence, 39 jaar

30 mei 2020 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked

1944
Trein Oostende-Brussel

Er zijn genoeg lege banken in deze wagon, maar ik ben toch maar tegenover die meneer gaan zitten. Hij ziet er vriendelijk en deftig uit. Welgemanierd is hij ook. Hij vraagt of ik er bezwaar tegen heb dat hij zijn pijp aansteekt. Ik schud mijn hoofd en geef hem mijn schoonste glimlach. Ge moet de mensen tegemoet komen, ik zit niet graag alleen. Het kan gemakkelijk een uur of vier duren eer we in Brussel zijn. Als er tenminste geen vertragingen zijn.
 
Hij haalt een boek uit zijn boekentas en begint te lezen. Spijtig, ik had graag een babbelke gedaan. Er zit een blauwe kaft rond zijn boek. Een zorgzame mens, dat ziet ge.  Er staan prentjes in van bloemen en planten. Curieus.
 
Zeker geen sukkelaar, aan zijn vest en zijn broek te zien. Zijn schoenen blinken. De mijne ook. Ik ben blij dat ik mijn beste jas en mijn visonkraag heb aangedaan. Ge kunt onderweg nooit weten wie ge tegen komt. Hij draagt een trouwring. Spijtig. Een fatsoenlijke man is moeilijk te vinden voor een weduwe gelijk ik. Ofwel zijn ze getrouwd, ofwel zijn ze in dienst. Van soldaten moet ik niets hebben. Die zijn hun zelve niet in deze tijd.
 
Als we Gent gepasseerd zijn, zal ik mijn boterhammen bovenhalen. Misschien wil hij er een.
 
‘Een stutte?’ vraag ik.
Ik steek een boterham met gebakken eieren in zijn richting. Er vallen wat kruimels op de bladzijden van zijn plantenboek. Hij blaast ze weg en kijkt op.
 
‘Een stutte? Gij komt zeker van Bachten De Kupe?’
 
‘Nee’, zeg ik, ‘van Watervliet’
 
‘Watervliet, daar is geen station’, zegt hij.
 
Ik vraag hoe hij dat zo goed weet. Is hij al eens in Watervliet geweest, misschien?  Nee, hij werkt bij de Spoorwegen. Hij kent alle stations van Vlaanderen en Henegouwen uit zijn hoofd.
 
Ik vertel hem dat ik in Watervliet bij mijn moeder geweest ben en daarna bij een tante in Brugge. Nu ben ik onderweg naar Brussel want ik werk in de bakkerij van mijn nonkel. Morgenvroeg moet ik om zes uur de winkel opendoen.
 
Hij vraagt waar die bakkerij ergens is. Toch wel vlakbij zijn werk zeker! Is dat niet toevallig? Hij zegt dat hij bij mij eens koeken zal komen kopen. Tijdens de middag maakt hij soms een wandeling in de straten rond het Noordstation.
 
Ik vraag of hij misschien naar zee is geweest. Hij steekt zijn boek in zijn boekentas. Veel van de zee heeft hij niet gezien, hij was daar voor zijn werk. Bij de spoorwegen moet ge nogal eens op zondag werken. Hij vindt dat niet erg, dan kan hij in de week soms een dag op zijn gemak thuisblijven en in de hof werken.
 
Of hij kinderen heeft, vraag ik, want dat hij getrouwd is, weet ik al. Een dochter van zeventien, op pensionaat in de Staatschool van Laken. En zijn vrouw dan? Zit die dan alleen thuis?
 
‘Ze is schooljuffrouw in de gemeenteschool in ons dorp.’ En dan zwijgt hij.
 
Ik ben misschien te nieuwsgierig geweest. We kijken wat door ’t venster en weten niet meer goed wat te zeggen. Het landschap wordt al heuvelachtiger en meer bebouwd. We naderen Brussel. Als hij in mijn richting kijkt, lach ik nog eens.
 
Hopelijk komt hij morgenmiddag naar de bakkerij. Dan zal ik hem eens goed bedienen. Ik kan hem laten proeven van onze frangipanekoeken. Het zijn de beste van Brussel en omstreken.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

30 mei 2020 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked