Inslaande golven (ode aan de alleenstaande moeder)

13 sep. 2021 · 2 keer gelezen · 0 keer geliket

EEN

‘Negen weken.’
‘Pardon?’
De vraag krast door een woestijndroge keel en sterft weg tussen mijn opengesperde benen. Dokter Merano strijkt een doekje over de daarnet nog ijzig koude, maar nu warme staaf. Stroperige druppels glijmiddel spatten op de crème-witte muur, maar de tranducer is weer schoon.
Hij ziet de spatten niet. Ik doe alsof ik ze niet zie.
‘Dat moet een vergissing zijn.’, stamel ik hees. Keelpijn.
‘Geen vergissing. Je draagt een wonder van het leven in je lichaam. Proficiat.’
Het getuigt van onkunde, vind ik, om iemand te feliciteren, nee, te belasten met een levenslange verantwoordelijkheid, zonder toestemming van de luisteraar.
Dat zeg ik natuurlijk niet. Hij kan het ook niet helpen. In plaats daarvan schraap in mijn keel. Nog steeds droog. Wat ik wel zeg valt voorzichtig van mijn tong, met een stembuiging die naar het einde van de zin toe de hoogte in gaat.
‘Hmm? Kan jij mijn lichaam misschien al voorbereiden voor dat andere wonder van de medische vooruitgang?’
‘Bedoel je-?’
Ik knik. Met zijn binnenstebuiten gekeerde latex handschoenen nog in de hand en een eerder zwakzinnige blik, vindt hij de wanhoop in mijn blauwe ogen. Mijn geopende benen rusten nog steeds op de fetisjistische stoel van de dokter, maar ik verbijt mijn ongemakkelijkheid. Hij kijkt recht mijn baarmoeder in, in de ogen van een foetus.
Sterk zijn. Doen alsof er niks aan de hand is. Ruggengraat tonen.
Ik las ooit dat je je eigen schaamte kan overmeesteren door de rollen om te draaien. Sinds dan pas ik die ideologie op elke ongemakkelijke situatie toe, en dus ook nu. Mijn ogen haken zich in de blik van de dokter. Het duurt niet lang of hij draait zijn hoofd in gêne weg en wenkt me om rechtop te gaan zitten.
‘Je kan deze beslissing niet nu nemen. Niet onmiddellijk, dat begrijp je wel. Ik zal aan de receptie doorgeven om je wat brochures en informele website toe te spelen. Denk er eens rustig over na. Dit is geen beslissing om licht over te gaan.’
‘Waaraan verdien je het meeste, dokter?’
Ik kom rechtop en trek mijn kakikleurige chino over mijn benen.
‘Luister, als er problemen zijn met de vader, dan zijn er meer dan genoeg-.’
‘Daar gaat het niet over, dokter.’
Daar gaat het wel over, dokter, maar in tegenstelling tot mijn preut behoort dat niet tot jouw zaken.
Hij antwoordt niet meer en laat zich op een lederen fauteuil achter zijn ebbenhouten bureau zakken, verscholen voor mijn vrijpostige houding achter torenhoge stapels van medische naslagwerken, dikke kleppers van duizend en meer pagina’s waarin het reizen en zeilen van de vrouwelijke voortplanting tot in de kleinste details staat verwoord. Zouden er ook geuren in omschreven staan, vraag ik me af. Ik knoop mijn broek dicht en dokter Merano kijkt me vol walging aan. Het heeft geen zin om verder met me te discussiëren, dat begrijpt hij. Toch iets waarvoor hij mijn respect in ontvangst mag nemen.
Ik weet dat ik gelijk heb. Ik weet dat ik dat kind niet wil. Niet dit kind.
Ik wil het niet.

Des te meer ik het herhaal, des te meer ik het geloof.

TWEE

Ik sta aan de voet van het gebouw. De poezenhoek. Er slaat een koude rilling over mijn rug, waar de donzige haartjes van overeind komen. Het komt door die platvloerse bijnaam voor het herenhuis, waar vier collega-gynaecologen hun handen in elkaar sloegen, die om een voor mij onverklaarbare reden is blijven hangen bij de patiënten, dat me doet trillen op mijn benen. Het heugelijke nieuws voelde als een natte ijskoude handdoek in mijn nek werd geslagen en ligt nu als het bezinksel van een trappist om de bodem van mijn lichaam.
Er groeit leven in me. Het kind rust vredig in mijn heupen. Het geniet van de hypnotiserende beweging wanneer ik wandel. Het voelt me. Het begrijpt me.
Zolang ik het maar niet voel, of begrijp, blijft het makkelijk.
Negen weken, proficiat.
Ik wou dat ik het voelde. Ik wou dat ik het begreep.
Proficiat.

De hele voormiddag dool ik door de straten. De overhangende takken beschermen me voor de verraderlijke hemel die omlaag dondert en me onder het vooruitzicht verplettert. Ik besluit de trein te nemen. Tegenwoordig staan er computergestuurde kiosken aan het station. Ik koop mijn ticket en prijs mezelf gelukkig dat ik menselijk contact kan vermijden, dat ik niemand in de ogen hoef te kijken.
De Panne? Uitwaaien aan zee?
Ja, uitwaaien, mijn hoofd koelen. Dat lijkt me wel wat.

Een zwarte vrouw zit tegenover me. Ze draagt een kleurrijk gewaad en ruikt naar komijn en look. Op het ritme van enkel voor haar hoorbare muziek tikt ze haar voet op en neer en wipt het meisje op haar schoot synchroon mee. De reusachtige, zilveren hoepels in de vrouw haar oren fladderen naar alle kanten, terwijl ze zonder schroom of aandacht voor de medepassagiers haar dochter toezingt: 'Zo rijdt een boerenpaard, een boerenpaard, een boerenpaard. Zo rijdt een boerenpaard, een boerenpaard rijdt zo.'
De vrouw versnelt haar beenbeweging. Het meisje komt lichtjes los van moeders knieën.
'Zo rijdt een damespaard, een damespaard, een damespaard. Zo rijdt een damespaard, een damespaard rijdt zo.'
‘Nog sneller. Sneller.’, roept de kleine kapoen.
'Zo rijdt een renpaard, een renpaard, een renpaard. Zo rijdt een renpaard, een renpaard rijdt zo.'
Ze hobbelen nu zo hard dat het meisje van haar moeder tuimelt en op de ranzige treinbank neerstrijkt. Ze schatert van het lachen.
Ik kan het niet helpen. Ik lach met ze mee.
Pas nu voel ik mijn handen. Ze liggen op mijn buik.

Door het raam schieten grasvelden voorbij, waar koeien grazen en hun kalveren te drinken geven. Paarden galopperen met hun veulens langs het houten hekwerk. Gelukkig geboren in gevangenschap.
Ze hebben tenminste elkaar.
Ik bekijk de achtertuinen waar we in hoge snelheid voorbij sjezen. Ik stel me gezinnen voor. Kinderen die huiswerk maken. Ouders die pannenkoeken bakken. Kinderen die hun rommel niet opruimen. Ouders die boos worden. Kinderen die miserie brengen.
Gezinnen die op regenachtige dagen een zak chips opentrekken, zich gezellig op de sofa nestelen onder een fleece deken en een film kijken. Kinderen die hun onvoorwaardelijke liefde betogen. Kinderen die geluk brengen.
Op de dijk haal ik een mama in. Ze duwt een kinderwagen voort. In de vlucht bekijk ik het product van haar lendenen. Het jongetje slaapt zo vredig, draagt een leuk modieus mutsje.

Mijn handen. Ze liggen op mijn buik.

DRIE

Ik rol mijn broek tot net boven mijn enkels op. Mijn bloes knoop ik los tot mijn opaalblauwe beha en bescheiden boezem te zien is -voor wie? – en haak de hielen van mijn pumps aan mijn vingers. Ik laat het zand tussen mijn tenen glijden, de korrels mijn voetzolen masseren en loop over het strand naar de bruisende golven. Een zwerm meeuwen vliegt krijsend op. Dat doen ze enkel voor mij, geloof ik. Een donkergroene oceaan snijdt aan de horizon de bloedende zon in twee. Het water is koud.

Weet je nog hoe je me op mijn rug gooide in het natte zand, de woeste zee fluisterend in onze oren? Hoe je mijn hals en borsten kuste? Hoe het wegebbend water ons in de bodem zoog? Hoe het ritme van het getij onze bewegingen coördineerde? Hoe we hoopten dat onze lichamen voor altijd verstrengeld zouden blijven en dat de zee ons met haar koude vingers zou meenemen naar een plekje voor ons alleen?

De bries verschaft vrijheid aan mijn goudrode lokken. Ze dansen.
Ik dans mee. Alleen.
Maar ik dans. Dat is goed, toch?
Ik dans. Mijn armen gespreid in de wind.
Weet je nog toen ik mijn benen voor je spreidde, tussen het bad en de wastafel? Tot ik niet wijder kon, tot ik kramp kreeg, zozeer wilde ik je.
Er zijn gevoelens die niet te verwoorden zijn. Zoals de warme zon die zich vanachter dikke, ongastvrije wolken lostrekt en je huid verwarmt, je als een geliefde opzweept. Troost. Koestert. Bemint.
De laatste zonnestralen zijn warm.
Weet je nog toen we op het tapijt voor de haard zaten? Jij was naakt. Ik was dat ook. Je herinnert het je vast wel. Hoe we kippenvel kregen van het idee onze paden te verenigen. Hoe gezegend we ons in de illusie van een gedeelde toekomst voelden?
Daarna vrijden we. Twee levens geallieerd in passie. Wat was onze liefde puur en warm.

De golven slaan hard in het zand, trekken zich weer terug. Ze zijn luid. Ze zijn stil. Ze hebben vele stemmen. Er hangt een fluwelen mist gespannen tussen onzichtbare bakens aan de kim. Ik wou dat ik in dat web gevangen zat. Laat die golven maar galmen.
Weet je nog hoe we de ene fles rode wijn lieten volgen op de andere?
De golven slaan hard in.
Weet je nog hoe ik je verzekerde dat ik nog in staat was om te rijden?
De golven slaan hard in.
Weet je nog hoe het glas versplinterde?
De golven slaan hard in.
Weet je nog hoe ik naast het ziekenhuisbed zat? Jij met buisjes in je neus, naalden in je arm?
De golven slaan hard in.
Weet je nog hoe je ogen uitgeput dichtvielen?
Weet je nog…?

De golven slaan hard in.

VIER

Ik ben bang. Ik wil er als een haas vandoor gaan. Mijn herinneringen begraven tussen de aanspoelde kokkels in het bleke zand. Zouden ze me voor altijd achtervolgen, zoals jij dat ook zal doen? Ik wil mijn verantwoordelijkheden in een papieren bootje vouwen, laten dobberen op zee, laten meevoeren met het getij, laten verslinden door de onverbiddelijke watermassa.
Ik wil weg, steeds verder, tot aan het einde van de horizon, het einde van de wereld.
En verder.
We zijn allemaal bang. We ontsnappen er niet aan. We moeten leven.
Hoeveel verontschuldigingen en excuses er ook in mijn hoofd zweven, ik kan niet vluchten. Ik kan het niet. Ik zak door mijn knieën en dompel mijn gezicht in mijn ijskoude handpalmen. Ik proef de zee in mijn tranen.
Weet je nog toen je jezelf voor me wierp toen ik de controle over het stuur verloor?
Ik ben je veel verschuldigd.
Daar gaan ze.
Zie je? Mijn angsten? Daar gaan ze.
Ze zweven mee met de meeuwen. Ze worden kleiner en kleiner. Stipjes aan een eindeloze hemel. Verder en verder en verder.
Verder. We moeten verder.

Op de terugreis denderen goddelijke emoties door me heen op het ritme van het spoor. Ik voel me vederlicht. Het is me gelukt, denk ik. Mijn angsten liggen nog aan zee. Begraven in het zand, verscholen tussen de kokkels, net zoals ik had gehoopt. Net zoals ik had beloofd. Maar mijn geluk kan ik niet begraven. Dat neem ik met me mee.
Uitwaaien, ja, dat leek me wel wat.
Een man rolt verveeld met zijn ogen, wanneer hij mijn smeulende, idiote grijns, vanachter zijn dubbelgevouwen krant opmerkt.
Hij is niet belangrijk. Niemand is dat.
Alleen jij. Jij bent dat wel.
En dat kind in mij, dat is belangrijk.
Het is waar wat ze zeggen over hormonen en zwangere vrouwen en zo. Alle emoties op één dag. Als inslaande golven.

Jij wordt papa, liefste. Jij leeft verder in ons lichaam en onze geest.
Dat is het minste dat ik voor je kan doen.
Minder verdien je niet. Jij wordt papa.

En ik denk dat ik maar eens een mama word.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

13 sep. 2021 · 2 keer gelezen · 0 keer geliket