Onnozel kind

Erik Herbosch
25 nov. 2018 · 15 keer gelezen · 0 keer geliked

Er was eens, meer dan vijftig jaar geleden, een jongen die Diederik heette. Diederik was een verlegen kind met blond warrig haar. Samen met zijn mama en papa en broers woonde hij in een oud huis in een dorp een eind buiten de stad.
Diederik was een bange jongen. De wereld was groot, onbekend en vol gevaren De radio vertelde dat in Amerika een president was doodgeschoten. Zelfs Winnetou had dat niet kunnen tegenhouden. Papa zei dat er bommen bestonden die heel de wereld konden laten ontploffen.

Diederik had schrik van zijn broers die allemaal ouder en groter waren dan hij en snel met hun vuisten. Hij was bang voor de kinderen op school die lachten met zijn luie oog en zijn brilletje. Soms klopten ze hem op de neus of stompten hem in zijn buik. Ook op weg naar school, op het pad door het donkere bos, keek hij angstig om zich heen. Daar leefden wilde dieren. Een wolf had er de grootmoeder van Roodkapje opgegeten. Er woonden heksen die kinderen opsloten in kooien en elke dag inspecteerden of ze al vet genoeg waren om op te vreten.
Hij zweette van angst als hij voor mama in de kelder moest. Er brandde slechts een klein lampje, je schaduw danste groot en dreigend voor je uit. Het was er kil en klam, met mossige schimmel op de muren. Muizen titsten langs je enkels. Hij moest steenkolen naar boven dragen in een kit of aardappelen in een mand . Mama wist niet dat ergens in een muur een lijk gemetseld zat, wachtend op een kans om uit te breken en hem te vermoorden.
’s Nachts, in de slaapkamer waar ze allemaal samen sliepen, lag Diederik urenlang te woelen. De houten kast achter zijn hoofd kraakte en piepte. Alleen hij kon dat horen. De inbreker die zich daar verschool, kon elk moment tevoorschijn komen, met zijn bijl op hem inhakken en zijn rooftocht beginnen.

Bang was Diederik ook voor Sinterklaas. Niet in de lange, warme zomer. De oude man was dan een verre schim uit een sprookje, luierend tussen bergen mandarijntjes in een veilig verborgen paleis in Spanje. Hoe donkerder en korter de dagen werden, hoe meer hij zich in je leven drong.
Moeder dreigde:  “Als je stout bent, vertel ik het Sinterklaas. Die schrijft alles in een groot boek. Alles, hij vergeet niks. Jij bent het al lang vergeten maar hij weet het nog. Daar heeft hij Zwarte Pieten voor. En als je niet braaf bent, dan stopt Zwarte Piet je in een zak. Ze nemen je mee naar Spanje en je ziet ons nooit meer terug.”
De wereld was nog geen dorp, Spanje kon overal liggen of op de maan. Het idee om in een juten zak te worden opgesloten, ontvoerd naar een ver land en nooit meer naar huis te kunnen, benam hem de adem.

Plots was het weer die tijd van het jaar. Het vroor bloemen op de ramen, je hoorde de zolder kraken en de sneeuw kwam tot aan je knieën. Het was altijd donker. ’s Ochtends stond op tafel een grote pan met sissend spek dat zwom in vet. Ze sopten donker brood en mochten zelfs een grote mok koffie, mét suiker. Tegen de kou op weg naar school.
Tante Maria was op bezoek. “Wij gaan een dagje naar de koekenstad, met ons tweetjes.” Zij was zijn lievelingstante, zijn meter. “Straks blijf je bij mij en oom Alex logeren. Dan eten we pannenkoeken en kan je een keer in een écht bad.” Zij was een fee uit een sprookje, een heilige.
Er was in de hele stad één grootwarenhuis en daar gingen ze heen. Ze stapten voorbij bergen speelgoed, puzzels, rolschaatsen en blikken autootjes. Toen Diederik ontdekte waar het naartoe ging, wilde hij rennen, weg, zo snel hij kon. Tante Maria hield zijn hand stevig vast. “Kom, we gaan dag zeggen aan de Sint. Dat vind je vast wel fijn. En de Sint ook.”

De mijter van de Sint torende hoog boven alles uit. De heilige zat op een troon, een hoop vrouwen en kinderen stond achter een touw te drummen. Leunend op zijn staf, zijn lange witte baard op zijn borst, keek hij statig als een koning ernstig neer op al dat nerveuze gedoe. Hoe Diederik ook spartelde, tante Maria propte hem bij de Sint op zijn fluwelen schoot. De Sint rook naar sigaretten, zoals papa. Dat stelde niet gerust. Er groeiden haren uit zijn neus. Diederik verstijfde. Hij moest plassen. Hij kneep zijn blaas samen. Hij wilde gillen maar perste zijn lippen op elkaar.

“ Zo jongen, zeg eens, hoe heet jij?” vroeg de Sint. Diederiks stem blokkeerde, zijn hoofd kleurde roder dan het bisschopskleed, zijn ogen liepen vol.
Hij weet dat, dacht hij, hij weet alles. Of verwisselt hij mij met een ander kind, een kind dat nog meer stoute dingen heeft gedaan?
“Dit is Diederik, Sinterklaas,” zei Zwarte Piet. Naast hem glunderde Tante Maria, niemand las de martelgang in zijn ogen.
“Hm, Diederik. Vertel eens, ben jij braaf geweest dit jaar?”
Diederik zag Zwarte Piet bladeren in een reusachtig boek met gouden randen en grote gekrulde, gouden letters op de kaft. Hij worstelde met een levensgroot probleem en wist geen oplossing: antwoordde hij ja, dan was dat nóg een leugen erbij, dan moest hij zéker in de zak. Zei hij neen, dan was hij een stout kind. En stoute kinderen…

Moest hij opbiechten dat hij die woensdagmiddag samen met Victor een sigaret had gerookt? Dat hij en Victor aan Elske van de bakker hadden gevraagd of ze haar muizeke mochten zien? Dat hij, als hij van mama naar het winkeltje moest, stiekem een smoelentrekker, zure hostie of een vijf frankstuk van chocolade kocht?
Of liegen? Dat was een doodzonde. Liegen stond in de lijst van de tien geboden van God, uit de catechismusles. Die kende hij uit het hoofd, dat moest. Wat onkuisheid was wist hij niet, iemand doden zou hij nooit doen, maar liegen deed je elke dag wel eens, dat hoorde bij het dagelijks gevecht om te overleven. Tegelijk was het ook een van de ergste dingen die je kon doen. Wie liegt, gaat naar de hel.

Hulpeloos keek hij naar tante Maria, zijn fee, de tante die alleen hem soms mee naar de stad nam en alleen voor hem voetbalschoenen kocht, die met die drie streepjes aan de zijkant, die mama niet kon betalen. Hij sperde zijn ogen wijd open en staarde angstig naar Zwarte Piet die, verdiept in dat grote boek, alles kon zien en zou beslissen over Leven of Dood. Hij wilde bij mama zijn, bij papa en zelfs bij zijn broers, ook al noemden die hem steevast spottend Doepie.
De tijd viel stil. Hij zag of hoorde niets van het gejoel rondom. Hij voelde angst, zweet en felle prikken in zijn buik. De grote, zwarte man naast hem aarzelde dreigend, kuchte, keek hem strak aan en sprak: “Euh, Sinterklaas …ik lees hier in het boek… dat Diederik dit jaar…. heel braaf is geweest!”
“Zo, zo, flink zo! Dan krijgt Diederik een snoepje.”
Hij waggelde van de schoot en vluchtte met nog steeds dichtgeknepen billen naar zijn tante. In haar veilige boezem liet hij zijn tranen vrij. Als vanzelf hield het prikken op.

Wat later huppelden ze hand in hand over de drukke winkelstraat. Kinderen joelden, fietsbellen rinkelden, een tram schuurde en klingelde. Tante Maria bewaarde in haar handtas een sint van chocola en hij, het brave kind, klepte vrolijk met het metalen klikkertje met daarop een vriendelijk lachende sint. Klipklepklipklepklipklep.
Hij was ontsnapt. En hij had niks gelogen. Hij had niets gezegd, dat is niet liegen. Nu ging hij écht zijn best doen, altijd alleen nog de waarheid zeggen, het braafste kind van de hele wereld zijn.

Het werd 28 december, de Dag van de Onnozele kinderen. Het had de hele dag hard gesneeuwd, het dorp leek een grenzeloze witte wolk die grijze rooksignalen naar de zwarte hemel zond. Zijn broers en hij hadden een sneeuwballenveldslag uitgevochten met de bende van Francken van twee straten verderop. Zij, ook hij, hadden de eer van de familie heldhaftig verdedigd. Sterren prikten ontelbare gaatjes in het steenkoolzwarte hemeldek, toen mama hen riep en zij met het hoofd rechtop het strijdperk konden verlaten.
Nog zegedronken lagen ze in bed toen Diederik plots vroeg hoe de Drie Koningen konden weten waar Jezus geboren was. Zij lachten. Ze bleven maar lachen om zijn kinderachtige vragen. “Onnozelaar,” riep er tenslotte eentje, dat zijn toch allemaal maar verhaaltjes. Of geloof jij nog in Sinterklaas misschien?” En ze vertelden wijsneuzerig hoe alles precies in elkaar zat.

Diederik kon het niet geloven. Dit kon niet waar zijn! Zo dikwijls was hij zo verschrikkelijk bang geweest! Bevend had hij nachtenlang niet kunnen slapen. Niet durven bewegen. Al die angst! Al die schuld! Dat berouw! Al die spijt en schaamte.
Alles één gigantische leugen! Een samenzwering! Een enorm complot van de grote mensen om kinderen bang te maken! De Sint in het warenhuis! De Zwarte Piet! En tante Maria, zijn heilige fee, ook! Papa. En mama? Toch ook niet mama! Mama?

Diederik zag onder zich de aarde scheuren. Een brede kloof gaapte tussen de wereld in zijn hoofd en die daarbuiten. Hij wenste dat hij dit niet had gehoord, dat dit nooit was gebeurd. Hij voelde zich verdrietiger dan hij zich ooit had gevoeld. Het zou nooit meer zijn als voorheen. Vroeger was voorgoed voorbij.

Elske haar muizeke heeft hij nooit gezien. Victor ook niet. Zeggen ze. Maar als je je eigen ouders niet meer kan geloven, wie dan wel?

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

Erik Herbosch
25 nov. 2018 · 15 keer gelezen · 0 keer geliked