Pluimgewicht

K.T.Haes
14 feb. 2020 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked

Pluimgewicht.                                       

Het verjaardagsfeestje van Hanne was echt top geweest! De mama van Hanne had de lekkerste pannenkoeken van de hele wereld gebakken en het zelfgemaakte fruitdrankje smaakte heerlijk fris. Dat het keihard regende kon de pret niet bederven. Ze hadden zich prima geamuseerd met gezelschapsspellen. Al duurde het wel even voor ze een spel hadden gevonden waar iedereen mee akkoord kon gaan. Vince wou absoluut Monopoly spelen omdat hij daar meestal mee won. Voor Zita was het een saai spel dat veel te lang duurde. Julie stelde dan maar ‘Mens erger je niet’ voor. Dat was voor Titus een oerdom spel. Tenslotte lieten ze Hanne kiezen, zij was tenslotte de jarige. Iedereen wist dat het haar lievelingsspel zou worden: Levensweg. Vince trok een vies gezicht maar deed gewoon mee. En hij won dan toch nog ook, zeker! Zita wilde weten of hij in het echt ook zo’n carrière ging maken als in dit spelletje. ‘Natuurlijk’ had Vince geantwoord. Daar moest iedereen om lachen. Waarop ze begonnen te fantaseren. Hanne wilde verpleegster of misschien wel dokter worden, daar was ze nog niet uit. Titus zag zich als journalist de wereld rondtrekken op zoek naar spectaculaire gebeurtenissen. Zita wilde zonder enige twijfel actrice worden. Zij kon ongelooflijk veel stemmetjes nabootsen en in één seconde een boos, verbaasd, triest, vrolijk gezicht opzetten! Vince moest natuurlijk weer de strafste zijn: hij werd piloot. Niet van zo’n stom burgervliegtuig maar van een straaljager, als gevechtspiloot. Ik wil ook vliegen, had Julie er uit geflapt, maar zonder vliegtuig. Iedereen zweeg en keek verbaasd naar Julie.

Vince reageerde als eerste. Hij vroeg op een spottoontje of ze misschien een engel wilde worden. Daarop begonnen ze door mekaar te praten.

Engelen hebben wel vleugels! Waar zijn die van jou?’

En ga je dan naar de engelenschool?’

Oefenen op een vleugelpiano, dat lijkt me wel wat!’

Ga naar een vissersclub, daar kan je leren h…engelen.’

Hallo, meneer Merlijn, kan jij Julie even in een vogel toveren?’

Opgepast, laat je niet pluimen!’

Als je een pluimgewicht bent, ga je vanzelf de lucht in.’



Vince bracht de discussie op een heel ander thema. Hij beweerde dat meisjes geen engel kunnen worden want engelen zijn jongens.

Hoe weet jij dat?’ wilde Hanne weten.

Van een schilderij met blote engeltjes. Die hadden allemaal een piemel,’ beweerde Vince.

O ja?’ viel Zita uit: ‘En ik heb op een schilderij engelen gezien met een lang wit kleed. En die hadden meisjesgezichten!’

Onder dat kleed kunnen ze toch een piemel hebben?’ verdedigde Vince zich.

Engelen bestaan niet, alleen op schilderijen en op brievenbussen!’ besloot Titus.

Bzzz. Pets!’ Vince klapte in z’n handen.

Wat doe je?’ vroeg Julie

Ik heb Julie de bromvlieg in één klap tot moes geslagen!’

Pestkop!’ viel Julie uit, maar ze lachte hard met de anderen mee.

En ik heb dan toch gevlogen!’ besloot ze triomfantelijk.

Door dat laatste zinnetje geraakte Julie die avond niet in slaap. Echt kunnen vliegen, hoe cool is dat! Maar hoe doe je dat? Waarom zou dat niet kunnen? Van oma had ze eens gehoord dat, als je echt in iets gelooft, dan zal het ook echt gebeuren. Maar hoe geloof je zo hard in je zelf dat je kan vliegen? Ze kwam er niet uit.

De beste manier om een oplossing te vinden voor een probleem is er een nachtje over slapen.’ zei mama dikwijls. En dat zou ze dan maar doen.

Toen Julie de volgende morgen haar boterham met een dikke laag choco belegde, schoot haar plots een woord te binnen dat iemand gisteren had gezegd: pluimgewicht! Dat was het! Ze moest een pluimgewicht worden, dan ging ze vanzelf de lucht in. Het zinnetje maakte haar op slag blij. Ze moest lichter worden, zo licht als een pluimpje! Dus schraapte ze de choco van haar boterham en smeerde die aan de rand van de pot. Dat was alvast een begin. Ze was er nu al zeker van dat ze binnenkort zou vliegen. Een pluimgewicht worden was natuurlijk niet voldoende om de lucht in te gaan: ze moest ook leren vliegen.

In plaats van gewoon te stappen, kan ik ook al huppelend naar school, dan vlieg ik al een heel klein beetje,’ bedacht ze als eerste oefening.

En dat deed ze. Ze sprong telkens zo hoog mogelijk op. Natuurlijk zag dat er best belachelijk uit. Andere kinderen wezen met hun vinger en lachten haar uit. Dus hield ze er mee op en liep gewoon, net als anders verder.

Heb je nu al gedaan? Je hebt amper iets gegeten,’ zei mama toen Julie haar bord na het avondeten naar de keuken bracht.

Ik had geen honger,’ schokschouderde Julie.

Ik ken dat! En straks prop je je weer vol met chips en nootjes.’

‘Nee, ik heb echt genoeg. Mag ik nog wat buiten, het is hier zo warm.’ En zonder een ja of nee af te wachten, ging ze de deur uit.

Achter hun tuin lag een verwilderd veld. Door een gat in de haag kon ze daar gemakkelijk naartoe. Ze speelde er dikwijls alleen of met vrienden. Papa wilde dat gat dicht maken omdat er huizen zouden gebouwd worden. Julie vond dat wel jammer, maar voorlopig bleef het bij woorden. Papa had zoveel andere dingen te doen. En in de tuin werken was niet zijn favoriete bezigheid. Dus kon ze hier beginnen met haar vliegoefeningen. Met een tak trok ze eerst een dikke streep over de grond. Dan nam ze een aanloop en sprong vanop die lijn zo ver en zo hoog mogelijk. Met een stokje duidde ze de plaats aan waar ze was neergekomen. Met haar tweede poging kon ze dit resultaat verbeteren. Ze plantte het stokje enkele centimeters verder in de grond. Zo hield ze dit een tijdje vol. Af en toe kon ze het stokje nog wat verder steken. Maar ze werd moe en geraakte zelfs niet meer zo ver als haar eerste poging. Genoeg dus voor vandaag. De volgende dagen bleef ze op die manier oefenen. Nooit kreeg ze echter het gevoel dat ze vloog, dus hield ze er mee op. Een pluimgewicht, dat moest ze eerst worden! Ze schrapte choco, snoep en frisdrank maar ook aardappelen en pasta van het menu. Ze at ’s morgens maar één boterham zonder boter en ze nam er ook maar één mee naar school met een klein beetje confituur of een heel dun schelletje kaas. In de plaats daarvan at ze veel groenten, fruit en yoghurt. Vlees schrapte ze ook van haar menu. Alleen kip wilde ze blijven eten want dat is een vogel. En vogels kunnen vliegen dus dat zou haar vast helpen om het ook te kunnen.

Wanneer mama een opmerking maakte over haar nieuwe eetgewoonte, antwoordde Julie dat ze over gezonde voeding had gelezen. Dat was natuurlijk niet zomaar het lukte; mama zei er verder niets meer over. Het werkte in elk geval: Julie werd niet echt mager maar raakte wel heel veel kilo’s kwijt. Haar huid werd heel dun en wit, bijna doorschijnend. En daarom begon mama zich zorgen te maken. En dus maakte ze een afspraak bij de dokter. Julie was daar een beetje kwaad om en sputterde tegen. Ze voelde zich toch fit en gezond. Ze was altijd vrolijk en mopperde bijna nooit wat vroeger wel meer gebeurde. Het was tevergeefs. Mama had de afspraak gemaakt. Julie kon niet anders dan meegaan, maar liet duidelijk blijken dat het tegen haar zin was. Met een zuur gezicht liep ze naast mama.

De dokter luisterde naar de uitleg van mama, stelde ook vragen aan Julie en onderzocht haar. Maar hij vond niets. Natuurlijk niet, dacht Julie: ‘Ik beweeg heel veel en eet gezond.’ Maar mama drong er bij de dokter op aan dat hij haar bloed zou laten onderzoeken. Ook haar bloed was in topconditie liet de dokter enkele dagen later weten. Dus niets aan de hand. Mama kon het moeilijk geloven, maar ze moest er zich bij neerleggen dat Julie helemaal gezond was. Ze hoefde zich echt niet ongerust te maken. En daar hebben mama’s het wel eens moeilijk mee: het lijkt of ze het leuk vind om bezorgd te zijn. Dus bleef Julie haar kostje eten en werd ze al maar lichter zonder mager te worden. En… ze probeerde andere oefeningen. Dat ging niet altijd even vlot. Hoe kon ze in hemelsnaam in de lucht blijven? Fladderen met de armen alsof het vleugels waren, hielp niet. Ze kwam geen centimeter van de grond. Ze sprong dan maar van zo hoog mogelijk van de trap. Het enige resultaat was dat ze enkele dagen bijna niet kon lopen door een pijnlijke enkel. Op YouTube zocht ze naar filmpjes van mensen die op de meest rare manieren de lucht in gingen. Maar ze gebruikten hulpmiddeltjes, tot zelfs motortjes, om soms maar heel eventjes te vliegen. En dat wilde Julie absoluut niet.

De enige vliegervaring die ze had, was tijdens de turnles. Meestal vond ze die lessen saai, behalve als de plint en de bok werd opgesteld. Het was spannend om over die toestellen te springen. Vooral de tijgersprong op de plint kon ze perfect. Dan kreeg ze het gevoel dat ze zweefde, dat ze vloog. Heel even maar, want de muur achter de plint stond in de weg. Alleen in haar dromen kon ze echt vliegen. De ene keer vloog ze door de lucht als superman. Dan weer klapwiekte ze als een reuzevogel boven de bomen. En soms zweefde ze als een pluimpje door de lucht. Het bijzondere was dat ze nooit enge dromen had. Alles en iedereen liep er vriendelijk en vrolijk bij. In de laatste droom die ze zich herinnerde, wandelde ze gewoon op straat, tot ze als op een onzichtbare trap naar boven ging. Ze liep gewoon verder door de lucht. Zo hoog dat de huizen, de bomen en vooral de mensen heel klein werden. Zalig! Een fantastisch gevoel! Ze lachte en wuifde naar voorbijvliegende vogels. Toen ze wakker werd, lag ze gewoon in haar bed natuurlijk. Met haar ogen dicht probeerde ze in haar droom te blijven. Het voelde zo goed, zo echt! Misschien was dat een manier om te vliegen. Die gedachte bleef de hele dag in haar hoofd hangen. Dit moest ze absoluut proberen.

Na het avondeten kroop ze door het gat in de haag. Ze schopte haar schoenen uit, sloot haar ogen en begon te stappen. Het gras kriebelde aan haar blote voeten maar het stoorde haar niet. Ze concentreerde zich op haar droom en begon haar knieën hoger te heffen om de onzichtbare trap op te gaan. Het lukte! Ze zweefde! Maar op het moment dat ze haar ogen opende, zag ze dat ze gewoon door het gras liep. Niks zweven, niks vliegen. Ze wilde echter niet van de eerste keer opgeven. Opnieuw begon ze te stappen. Nu hield ze haar ogen dicht. Nu was ze er zeker van dat ze even geen gras meer voelde. Dat ze echt de lucht was in gegaan. Dat gevoel wilde ze opnieuw hebben. Maar ze was zo opgewonden dat het niet meer lukte. Voor vandaag was het genoeg. Eén ding wist ze zeker: ze had gevlogen en dat moest ze aan haar vrienden vertellen. Nee, ze moesten komen zien!

De volgende woensdag stuurde ze een berichtje naar Vince, Titus, Zita en Hanne dat ze direct naar het veld moesten komen. Die waren heel benieuwd wat er zo dringend was. Julie stond hen al op te wachten toen ze bij het veld aankwamen.

Je hebt vast en zeker spectaculair nieuws?’ begon Titus terwijl hij een notitieboekje boven haalde.

Ja, ze gaat als een ballon de lucht.’ grapte Vince.

Die jongens moeten altijd onnozel doen.,’ verdedigde Hanne Julie.

Natuurlijk, ze denken als apen,’ deed Zita er nog een schepje bovenop.

Hoe op met dat gekibbel,‘ onderbrak Julie hen, ‘ik wil me concentreren.’

Ze deed haar schoenen uit en begon te lopen, eerst met gewone stappen, stilaan versnellend en met hoog opgetrokken knieën. Maar er gebeurde niets.

Met een sorry liep ze terug naar haar startplaats en begon opnieuw. Tevergeefs. Na de derde poging stopte ze, tranen in de ogen. Haar vrienden hadden met haar te doen.

Wou je ons laten zien dat je kon vliegen?’ probeerde Hanne voorzichtig.

Julie knikte zonder iets te zeggen.

Was het je al gelukt?’ drong Hanne aan.

Opnieuw knikte Julie.

Als je het voor een publiek moet doen, is het altijd veel moeilijker,’ wist Zita.

Iedereen keek stil voor zich uit, niet goed wetend hoe ze moesten reageren of hoe ze Julie konden troosten.

Heb je al eens gezien hoe een meikever zich klaar maakt om te vliegen?’ vroeg Titus plots.

Zonder op een antwoord te wachten, vervolgde hij: ‘Die pompt zich vol lucht voor hij zijn vleugels opent om op te stijgen. Slim hé!’

Schitterend idee!’ Alle vijf, ook Julie, klapten ze in hun handen. Ze zag het weer helemaal zitten.

Ik ga dat zeker proberen en dan bekijk ik jullie volgende keer vanuit de hemel,’ lachte Julie.

Nu of nooit dacht ze toen ze de volgende dag door het gat in de haag kroop. Ze trok haar schoenen uit, zoog de lucht diep in en begon met ingehouden adem te stappen. Het gras kriebelde aan haar blote voeten. En plots was het er niet meer. Ze voelde zich zo licht als een pluimpje en… ze zweefde! Met een zucht liet ze de opgespaarde lucht ontsnappen en opende behoedzaam haar ogen. Met een klap viel ze op de grond. Gelukkig zonder erg omdat ze niet zo hoog was gevlogen. Gevlogen! Ze kon het bijna niet geloven, maar ze wist het wel zeker. Nu moest ze haar ademtechniek verbeteren om langer en hoger te kunnen vliegen. En misschien moest ze iets met haar handen doen. Een kleine beweging maken die haar vlucht zou ondersteunen. Net zoals de kleppen van een vliegtuig. Dus toch nog vliegen als een vliegtuig, bedacht ze met een glimlach.

Morgen zou ze haar vrienden opnieuw laten komen. Daarom moest ze nu blijven oefenen. Ze sloot haar ogen, ademde diep in en begon te stappen. Ze concentreerde zich op de trap, de onzichtbare trap die ze steeds hoger op klom. Rustig begon ze in en uit te ademen en opende heel langzaam haar ogen. Lucht! Ze zag alleen maar blauwe lucht. En beneden haar werden de huizen, de bomen, het veld kleiner en kleiner. Als vanzelf begon ze met haar handen te sturen. Door ze te draaien, schuin of minder schuin te houden kon ze de richting bepalen. Door haar vingers te sluiten of te openen kon ze klimmen of dalen. Ze genoot zo van haar vlucht dat ze eerst niet zag dat alles rondom haar verdwenen was. Was ze in een wolk terecht gekomen, dacht ze toen ze het merkte. Maar de hemel was helemaal blauw geweest zonder één enkel wolkje. En plots voelde ze zand aan haar voeten. Ze liep door zand! Dat kon toch niet. Ze bleef staan en keek van links naar rechts, van boven naar onder. Maar ze zag niets door de dichte mist. Er kroop echt wel los zand tussen haar tenen. Op het veld kon ze niet zijn want dat stond vol gras. Alsof ze de mist wilde wegvegen, zwaaide ze met haar hand voor haar ogen. Als bij toverslag was alle mist verdwenen en stond ze op een zandweg aan de rand van een bos! Hoe kwam dat hier? Dit was onmogelijk! Ze keek verdwaasd rond. Was ze in slaap gevallen terwijl ze door de lucht zweefde? Was dit een droom? Ze kneep in haar arm en stampte op de grond. Het droge zand waaide lichtjes op. Dit kon niet anders dan een droom zijn. Best grappig: een droom waarin je denkt dat je aan het dromen bent. Weet je wat, dacht ze, ik ga weer vliegen. Dan vlieg ik misschien wel uit mijn droom. Ze moest lachen met die gekke gedachte. Ze begon te stappen, zoog de lucht naar binnen, bracht haar knieën in de hoogte, maar ze vloog niet. Ze bleef door het zand van de bosweg lopen. Hoe kan dit nu? Hulpeloos keek ze van links naar rechts. Twee citroengele vlinders fladderden rond mekaar van bloem tot bloem.

Stomme vlinders,’ snikte Julie. ‘En toch kan ik ook vliegen.’

Maar nu natuurlijk niet. Het liefst was ze op de grond gaan zitten met haar handen voor haar ogen. Maar dat durfde ze niet. Ze wist niet wat te doen en raakte steeds meer in paniek. Ze kon niets bedenken. Waarom had ze absoluut willen vliegen. Mensen zijn niet gemaakt om te vliegen. Vlinders, ja natuurlijk, en vogels en muggen die hadden allemaal vleugels. Maar zij had er geen. Dus kon ze ook niet vliegen. Ze had met haar voeten op de aarde moeten blijven.

Hallo, wie ben jij? Wat doe je daar? Vanwaar kom jij?’

Julie schrok op. Haar hart bonkte in haar keel. Van waar kwam dat rare stemmetje? Ze draaide zich om in de richting van het geluid. Door haar tranen zag ze niets. Met de rug van haar hand wreef ze in haar ogen. Achter haar, iets verder op de bosweg, stond een mannetje. Hij was nog niet half zo groot als zij. Het had een gele puntmuts op zijn hoofd, droeg een rood vestje en een groene broek.

Ben jij een kabouter?’ hakkelde ze.

Heb jij een wit kleedje en blonde haren met een rood strikje?’ vroeg het mannetje.

Wat een raar antwoord, dacht Julie. Maar toch keek ze voor de zekerheid naar haar oranje-geel T-shirt en haar blauwe jeansbroek.

Nee, natuurlijk niet,‘ zei ze lichtjes verontwaardigd.

Dan ben ik geen kabouter,’ besliste het ventje.

En toen zag Julie inderdaad dat er geen puntmuts was en geen rood vestje en geen groene broek. Maar een heel klein ventje met een grijze hoed, een wit hemd met blauwe das onder een grijze vest en een grijze broek. Net een directeur van een fabriek, dacht ze. Het mannetje kwam een stapje dichter naar Julie toe die behoedzaam een stap achteruit deed.

Je hoeft niet bang te zijn,’ zei het mannetje zacht; ‘Ik ben gewoon nieuwsgierig.’

Nieuwsgierig?’

Ja natuurlijk. Ik zie dat je een mens bent. Dat kan normaal niet. Ik bedoel, mensen horen hier niet te komen. Zeker geen kleine meisjes!’

Ik ben geen klein meisje,’ liet Julie zich ontvallen en onmiddellijk had ze daar spijt van. Misschien wordt dat meneertje nu boos?’

Die werd helemaal niet boos, integendeel, hij lachte. Geen uitlach lachje, nee gewoon een vrolijk lachje.

Natuurlijk ben jij veel groter dan ik. Mensen direct aan kabouters als ze iemand zien die zo klein is. En als je denkt dat je iets ziet wat je denkt dat je ziet, dat zie je dat ook echt.’

Over zo een ingewikkelde zin moest Julie even nadenken.

Dacht u echt dat ik een wit kleedje droeg?’ vroeg ze wat onzeker.

Nee, natuurlijk niet. Dat was een grapje. Of liever: zo begreep je dat ik geen kabouter was, alleen iemand heel klein, zoals wij hier allemaal zijn.’

Wonen hier nog meer mensen zoals u?’

Wij zijn met heel veel. Maar eerst wil ik weten hoe je hier gekomen bent?’

Ik was aan het vliegen!’

Mensen kunnen toch niet vliegen, dacht ik zo.’

Ik heb het toch geleerd,’ zei Julie en ze kon niet verbergen dat ze daar heel fier over was. Het mannetje zei niets maar bleef haar strak aankijken. Dat maakte Julie opnieuw een beetje bang.

Heel vreemd,‘ mompelde het ventje, meer tegen zichzelf dan tegen haar.

Eigenlijk zou dat niet mogen!’ vervolgde hij.

Wat zou er niet mogen?’

Dat jij hier kunt komen. Wij kunnen alles tegenhouden: vogels, meikevers, vliegtuigen, helikopters, noem alles op wat in de lucht vliegt.’

En vlinders?’ vroeg Julie.

Ook vlinders.’

Dat is niet waar! Ik zag daarnet twee vlinders!’

Ik hou van vlinders en het zijn vlinders van bij ons.’

Hoe bedoelt u?’

Ze komen niet van jullie wereld. Hier kan niets van jullie wereld binnen komen als wij dat niet willen. Daarom is het zo vreemd dat jij hier bent geraakt. Ik ken daar maar één antwoord op. En dat is omdat we niet wisten dat mensen zo maar kunnen vliegen. Zeker geen klei… meisjes zoals jij, zonder vleugels of andere hulpmiddelen. Daarom heeft ons systeem je niet kunnen tegenhouden.’

Julie snapte het niet veel van die hele uitleg. Ze stond daar als ze een levensgroot vraagteken. Droomde ze dan toch nog? Of gebeurde dit echt? Was ze in een andere wereld terecht gekomen? En hoe moest ze ooit weer thuis geraken? Het mannetje zag haar ongerustheid en probeerde haar gerust te stellen.

Kom,‘ stelde hij voor, ‘ik zal je onze wereld laten zien. Zo zal je het ook beter begrijpen.

Hij veegde met één vinger van zijn linkerhand van links naar rechts door de lucht en er verscheen een totaal ander landschap. Nou ja, landschap is eigenlijk niet het juiste woord. Ze stonden niet meer op de zandweg aan de rand van een bos. Dat was verdwenen. In de plaats daarvan zag Julie alleen maar vierkante vakken met daarin witte halve bollen. Die stonden netjes op lange rijen. Daartussen liepen kaarsrechte zwarte straten, zo leek het toch. Er was geen enkele boom of struik te zien, geen enkele kleur. Alleen maar wit en zwart, net een reuzegroot schaakbord.

U swipete!’ hakkelde Julie, ‘U swipete en alles veranderde…?’

Heel goed, meisje‘ zei het mannetje, ‘ik weet zeker dat je het vlug zal begrijpen.’

Maar swipen kan je alleen maar met een smartphone of een tablet, toch niet in de echte wereld!’ stelde Julie vast.

Inderdaad, swipen doe je alleen maar in de virtuele wereld,’ beaamde het mannetje. ‘Welkom in mijn virtuele wereld, eh … hoe heet je eigenlijk?’

Julie,’ antwoordde ze verrast door die onverwachte vraag.

Zeg maar Bob tegen mij. Mijn echte naam is veel te moeilijk om te onthouden. Ik bedoel veel te ingewikkeld voor mensen.’

Ik zou toch graag uw echte naam weten,‘ hield Julie vol.

Ik denk het niet! Het is een combinatie van letters, cijfers en vreemde tekens. Je zou die zelfs niet zou kunnen uitspreken, ook als je heel lang zou oefenen. Je zou er geen puntmuts maar een punthoofd van krijgen,’ voegde Bob er lachend aan toe.’

Hiermee kon Julie tevreden zijn en nu was ze alleen nog maar benieuwd naar wat ze te horen en te zien zou krijgen.

Kom,’ zei Bob, ‘we zullen een kijkje nemen in één van die witte bollen.’

Het was een grappig zicht om zo’n deftig klein meneertje te zien wandelen naast een dubbel zo groot meisje van elf met een blauwe jeansbroek en een oranje-geel T-shirt. Bij de eerste witte bol gekomen, stelde Julie vast dat ze nooit in die kleine halve witte bol zou geraken, zelfs niet op handen en voeten. Bovendien zag ze nergens een deur, een venster of een andere opening. Het was een perfecte halve bol met een glad en blinkend wit oppervlak.

Daar kan ik nooit van mijn leven in,‘ besliste ze.

Even geduld, meisje,‘ suste Bob, ‘even geduld. Ik geef je eerst dit.’ Hij haalde uit de zak van zijn vest een grote, zilverkleurige ring en gaf die aan Julie.

Moet ik die aandoen? Die is veel te groot! Die valt gewoon van mijn vingers. En waarvoor dient die dan wel?’

Zoveel vragen in één keer,’ lachte Bob. Hij schoof zelf de ring aan de wijsvinger van Julie. Hij sloot zich netjes rond haar vinger.

 

Om binnen te geraken, moet je het wachtwoord kennen. Maar zo’n wachtwoord is ook weer te ingewikkeld en niet te onthouden. Met deze ring kan je zonder een paswoord binnen.’

Zelfs met die ring kan ik daar niet in. Ik ben veel te groot toch,’ opperde Julie.

Geduld, Julie. Geduld is toch iets wat mensen blijkbaar niet hebben. Zeker kl…een meisje zoals jij niet. Kijk!’

Bob spreidde zijn duim en wijsvinger en de halve bol zwol op, tot boven Julies hoofd. Van een deur of andere opening was nog niets te zien. Julie wilde daar iets van zeggen toen Bob opnieuw duim en wijsvinger uit mekaar spreidde. De wand schoof geruisloos open. Julie keek in een gapend zwart gat. Hier wilde ze nooit in gaan, besliste ze voor zichzelf. Bob veegde met zijn linkerhand van onder naar boven en de binnenruimte werd verlicht. Julie volgde Bob gewoon mee naar binnen.

In het midden van de grote ronde kamer zat een mannetje voor een reuzengroot scherm. Hij zag er net zo uit als Bob. Hij droeg dezelfde grijze hoed, vest en broek. Of daar ook een wit hemd en een blauwe das bij hoorde, kon Julie niet zien. Hij zat, met zijn rug naar haar, op een toetsenbord te tokkelen. Tenminste dat veronderstelde ze toch. De hele wand was gevuld met flikkerende schermen. Onmogelijk te volgen wat daar op gebeurde. Het mannetje merkte niet dat hij bezoek had. Hij bleef druk en geconcentreerd aan het werk. Of misschien had hij geen tijd om te kijken wie daar was? Bob wapperde met beide handen op en neer. Het getokkel stopte en de schermen bleven onbeweeglijk blauw. Het mannetje draaide zich om. Hij was niet echt verbaasd of ongerust. Wel keek hij met grote vraagogen naar Bob. Die maakte met beide handen enkele rare, snokkende bewegingen. Het mannetje knikte vriendelijk naar Julie.

Welkom, Julie. Ik ben Bob.’

Overdonderd keek Julie naar nog een Bob. Ze zag totaal geen verschil tussen die twee. Ze leken als twee druppels water op mekaar en als de ene niet naast haar stond en de andere op een stoel zat, zou ze echt niet weten wie de originele Bob was.

Jullie zijn helemaal dezelfden,‘ stelde ze een beetje overbodig vast.

Toch niet: mijn echte naam is niet dezelfde als zijn echte naam. We hebben ons Bob genoemd om je niet in verwarring te brengen.’

Zeg dat wel,’ zuchtte Julie, terwijl ze met een licht verwijtende blik naar de Bob naast haar keek, ‘voor mij is het superduidelijk.’ De haha die er op volgde liet het tegenovergestelde blijken.

Zal ik jullie dan maar Bob 1 en Bob 2 noemen?’ liet ze er zuchtend op volgen.

Maak je niet druk, Julie, wij kunnen er toch ook niet aan doen dat we er hetzelfde uit zien.’

Werken er in al die witte bolletjes ook dezelfde Bobjes dan?’

Waarom ze plots met verkleinwoorden begon te praten, wist ze zelf ook niet. En eerlijk gezegd ze vond dat wat onbeleefd van zichzelf. Maar geen van de twee Bobjes nam het haar kwalijk.

Omdat je in een vreemde wereld komt, lijken alle mensen die daar wonen op mekaar. Het is pas als je ze beter leert kennen dat je ook de verschillen begint te zien,’ zei Bob 1. Dat is wel een beetje waar, vond Julie, maar ze begreep nog altijd weinig van deze wereld. Alsof hij haar gedachten kon lezen, maakte Bob 1 weer een reeks luchttekeningetjes. Bob 2 draaide zich om en zijn vingers dansten weer verwoed over het toetsenbord en de schermen kwamen tot leven. Bob 1 begon met een langzame, rustige stem zijn verhaal.

Al die witte bolletjes, zoals jij ze noemt, zien er vanbinnen net hetzelfde uit als de bol waar we nu in staan. En in elke bol wordt hetzelfde werk gedaan, zonder enige onderbreking. We verzamelen alle gegevens die we ontvangen via die computerschermen en steken die netjes in de juiste vakjes of beter gezegd mappen. We geven er ook een code aan zodat we de gegevens later, als dat nodig is, gemakkelijk kunnen terugvinden. Want we ontvangen niet alleen gegevens of data, maar we moeten ook gegevens verzenden als daar om gevraagd wordt.’

Welke gegevens? Van waar komen die dan?’

Van bij jullie, van op de aarde. Van alle mensen die aan hun computer werken. Ze schrijven verhalen of stellen belangrijke documenten op. Ze maken berekeningen en verslagen, ze zijn bezig met muziek, geschiedenis of wetenschap. Soms willen ze gewoon spelletjes spelen. Al die dingen bewaren ze liever niet op hun eigen computer. Een computer kan stuk gaan en dan is al hun werk verloren. Daarom sturen ze alles naar een Cloud. En als ze iets nodig hebben dan vragen ze dat terug op. Dat is ons werk, onze wereld. Jij bent nu in deze Cloud terecht gekomen. Maar er zijn nog veel andere.’

Julie keek Bob ontsteld aan. ‘Dus ik zit nu in een wolk?’

Dat zou je zo kunnen zeggen, ‘ beaamde Bob.

En waarom val ik er niet door? Mensen kunnen toch niet op wolken lopen?’

Jij bent er wel in gevlogen!’

Dat moest Julie toegeven. Maar toch voelde ze zich plots onzeker. Stel dat ik er door zak, dacht ze. Alles wat ze had meegemaakt sinds ze van het grasveld de lucht in gegaan was, flitste door haar hoofd: de mist, het bos, de ontmoeting met Bob. Waarom kwam ze eigenlijk in een bos terecht en niet hier tussen al die bollen waar iedereen aan het werk is. Iedereen, behalve deze Bob, hier naast mij.

Hoe komt het dat jij in het bos was en niet aan het werk?’ zei ze luidop.

Ik hou van de bomen, het gras, de vlinders en de bloemen. Daarom swipe ik soms een bos. Ik ben een beetje speciaal,’ bekende Bob.

Speciaal? Wat bedoel je?’

Er is iets fout met mij.’

Ik zie geen enkel verschil tussen jou en die daar.’ Ze weer naar de hardwerkende Bob 2.

Toch wel. Er is iets fout gegaan bij mijn productie!’

Productie? Waar heb je het over?’

Je moet weten, Julie, wij zijn geen mensen. Wij zijn robots.’

Robots? Dat zijn toch van die blinkende dingen met van die rare antennetjes en zo. Die kunnen alleen maar doen wat de mensen er in gestopt hebben.’

Dat is niet helemaal waar. Ons brein kan dingen zelfstandig bedenken en uitvoeren als het gaat over ons werk. Maar daar is het bij mij misgelopen. In mijn brein zijn, zonder dat het zo gepland was, ook gevoelens ingeslopen.’

Maar jullie zien er als mensen uit. Jullie lijken toch niet van metaal of zo gemaakt?’

Nee, inderdaad, wij zijn een heel knap ontwerp. Voel maar.’

Bob stak zijn hand uit naar Julie. Die wist niet goed wat ze moest doen maar nam dan toch de hand van Bob vast.

Wow, net echt zoals ik!’ riep ze. En ze voelde ook aan zijn arm en na enige aarzeling streelde ze voorzichtig met haar vingers over zijn wang.

Wie heeft jullie zo gemaakt?’

Dat weten we niet. We zijn er gewoon.’

Er is toch iemand die dit allemaal bedacht en gemaakt heeft. En iemand moet al die robots toch besturen? Hoe zit dat in mekaar? Bob is maar een machine en kan daar geen antwoord op geven. Of toch? Hij heeft een brein en… emoties.

Wat gebeurt als jullie stuk gaan?‘ vroeg ze bruusk.

Dan worden we vervangen,’ antwoordde Bob zachtjes.

Julie rilde even. Vervangen! Dat klonk zo eng. Kapot? Hop, weg ermee. Afschuwelijk!

Ze wandelden terug naar buiten en automatisch kromp de bol tot zijn oorspronkelijke grootte. Bob swipete van links naar rechts. De witte bollen en de zwarte lanen waren verdwenen. Nu stonden er, netjes gelijnd tussen groene lanen, rode halve bollen op een witte stam. Net paddenstoelen, alleen de witte stippen ontbraken.

Dit zijn onze huizen,‘ wees Bob, ‘om het een vrolijk uitzicht te geven, is er wat kleur gebruikt, zoals je ziet.’

Die witte bollen waar we werken, zijn nogal saai en daarom kregen ze een kleurtje en staan ze op een stam. Hier wonen de nieuwe rob…Bobjes. Hij spreidde duim en wijsvinger. Het dichtstbijzijnde bollenhuisje zwol op en met een tweede beweging ging er ook een deur open en kon Julie binnen kijken. Dit leek haar een heel leuke plek. In de ronde ruimte stonden een glijbaan, een wip, een schommel en een klimtoren.

Ze zag drie even grote, of even kleine, mannetjes. Al twijfelde ze of het wel mannetjes waren. De middelste was helemaal in het blauw: blauwe hoed, blauwe vest en … een blauwe rok. De twee anderen naast hem…haar droegen net zo’n pak als Bob, maar volledig in het groen in plaats van grijs. Bob deed weer van die rare bewegingen met beide handen.

Dag Julie, ik ben e-Bob.’

Dat is een mevrouw,’ riep Julie verwonderd uit.

Zo zou je dat kunnen zeggen, maar in onze wereld spreken we niet van mannen en vrouwen en ook niet van jongens en meisjes. e-Bob leert die twee kereltjes hoe ze moeten werken. En dat lukt het best met spelletjes. Daarom staan er die speeltuigen. Net als in jouw wereld draaien machines eerst op proef. Het duurt een hele tijd eer ze op punt staat. Dat ze soepel draaien, dat ze kunnen wat ze moeten doen en dat er niets meer fout gaat.

En daarna gaat er iets anders mis en ontploft de raket toch bij het lanceren!’ flapte Julie er plots uit. ‘Oeps,’ verontschuldigde ze zich, ‘ik bedoel…’

Niet erg,’ suste Bob,’ je hebt wel een beetje gelijk.’

En hij sloot duim en wijsvinger. e-Bob en de twee leerlingen verdwenen. De bol sloot zich en werd weer een bolletje.

Wanneer werk jij eigenlijk?’ vroeg Julie.

Nooit,’ antwoordde Bob, ‘ ik mag niet werken. Ik heb je toch verteld dat er iets fout is gelopen bij mij. Omdat ik emoties heb, ben ik niet geschikt voor dit werk.’

Wat doe je dan de hele tijd? Zo maar wat rondlopen en swipen?’

Ja en nee. Ik moet niet werken zoals iedereen. Maar ik zorg er wel dat alles goed gaat in onze Cloud. Dat er geen vreemde dingen in onze wolk komen bijvoorbeeld.’

Zoals ik?’

Zoals jij. Maar ook andere mensen zonder vleugels.’

Dus als ik volgende keer weer ga vliegen, zal ik hier niet meer binnen geraken?’

Er komt geen volgende keer. Je kan hier niet meer weg!’

Julie keek Bob aan. Sprakeloos. Koude rillingen schoten door haar heen. Niet naar huis? Hoe lang was ze hier al? Mama en papa zullen wel erg ongerust zijn. Misschien zijn ze al naar de politie gegaan en wordt ze gezocht. Ze zag haar foto al op de televisie met de oproep aan mensen die haar zouden gezien hebben. Ze werd rood en warm. Ze kreeg het gevoel dat ze dringend moest plassen.

Ik moet naar huis!’ schreeuwde ze.

Ik weet niet of dat kan,’ zei Bob.

Natuurlijk kan dat. Het moet! Iedereen is mij aan het zoeken. Ze denken vast dat ik dood ben!’

Ik weet niet of dat kan,’ herhaalde Bob, ‘je weet nu dat we bestaan. Als je dat gaat vertellen, zijn er misschien mensen die allerlei dingen verzinnen om hier binnen te geraken. De gegevens die wij veilig bewaren, kunnen ze gebruiken om de baas te worden, niet alleen over ons maar over de hele wereld.’

Julie begon te huilen als een klein meisje, met grote, dikke tranen. Ze dacht aan haar mama, aan haar kamer, aan haar vrienden. En ze werd kwaad, heel kwaad.

En ga je mij in zo’n bolletje stoppen, zonder licht en zonder lucht? En wat ga ik eten en drinken, want jullie hebben hier geen eten en geen drinken. Jullie hebben dat niet nodig want jullie zijn robots, stomme machines. Jullie hebben aan een druppel olie genoeg om die stomme armen en vingers te laten bewegen.’

Julie ratelde maar door. Van verdriet, van woede, van machteloosheid. Bob wist niet wat hij moest zeggen of doen om haar te helpen. Omdat hij gevoelens had, kreeg hij medelijden met Julie. Hij had het zo leuk gevonden om met haar te praten. En hij was een beetje gaan houden van haar onverwachte vragen en reacties. Nu was ze boos en verdrietig en daar kon hij helemaal niet mee om. Zijn brein kon alleen maar oplossingen bedenken voor het werk waarvoor hij was ontworpen. Al kon hij daar zelf wat aan sleutelen. Haha, sleutelen! Bob moest lachen met die gedachte. Een machine die aan zichzelf kan sleutelen. Grappig toch. Grappig…? Dat woord had hij nog nooit gebruikt; hij kon een grap bedenken! Een machine is toch niet grappig. Maar een machine met een foutje die een grapje maakt, is wel heel bijzonder. Dus zou hij vast een oplossing vinden voor het verdriet van Julie. De radertjes in zijn brein tolden en ratelden. Hij liep er kei warm van. Maar het hielp. Hij kreeg een idee, een schitterend idee, vond hij zelf.

Julie,’ sprak hij zacht.

Laat me met rust stom machien,’ beet ze Bob toe.

Ik denk dat ik iets weet!’

Jij weet juist niks,’ hield Julie koppig vol.

Toch wel. Wil je even naar me luisteren?’

Misschien,’ zei ze nog nukkig maar ook wat nieuwsgierig, ‘als je zegt dat ik naar huis mag!’

Dat wilde ik je juist vertellen.’

Julie veegde haar tranen weg.

Als je het goed vindt, swipe ik het bos terug.’

Julie knikte en Bob veegde met zijn rechterhand van rechts naar links door de lucht. Dit keer vond ze het bos veel mooier dan de eerste keer. Ze ging in de graskant zitten met haar armen rond haar knieën en wachtte op Bob. Die was nergens te bespeuren. Maar achter haar, op de bosweg zag ze een ventje met een gele puntmuts, een rode jas en een groene broek.

Ben je nu echt een kabouter?’ lachte ze.

Ja,’ zei Bob, ‘dit keer heb je het helemaal juist: ik ben een kabouter.’

Een beetje flauw. Ik geloof niet in kabouters.’

Geloof je in dromen?’

Ja, ik droom heel graag want ik heb altijd prettige dromen. Wanneer ik wakker word, blijf ik nog even liggen en probeer ze terug te beleven. In mijn dromen is alles zo duidelijk en gemakkelijk. Maar ik heb geen woorden genoeg om ze na te vertellen.’

Droom je soms over kabouters?’

Nee, maar ik heb al eens gedroomd dat ik kon vliegen.’

Dat is fijn, heel fijn. Je kan naar huis.’

Waarom nu plots wel? Ben ik dan niet meer gevaarlijk voor de veiligheid van je wolk?’

Nee, want dromen zijn niet echt en je kan ze meestal niet navertellen. Wie gaat het verhaal geloven dat je in een wolk een kabouter bent tegen gekomen? Het was toch maar een droom, zal men zeggen.’

Julie begon het te snappen. Ze werd er op slag blij van en ze vond Bob de liefste machine van de hele wereld. Ze sprong op, klapte in haar handen en liep huppelend naar Bob en gaf hem een dikke zoen op beide wangen. Moest een machine kunnen blozen, dan was Bob er zo eentje.

Maar hoe geraak ik hier weg?’ vroeg ze ongerust, ‘ ga je me van je wolk af duwen?’

Je gaat zoals je gekomen bent… al vliegend. Ik wil wel eens zien hoe je dat doet.’

Maar ik kan alleen naar boven vliegen en ik moet toch naar beneden?’

Dat maakt niet uit; hier is geen boven of beneden.’

Goed dan. Vliegen is het gemakkelijkste wat er bestaat,’ pochte Julie, ‘kijk maar!’

Ze stond op, klopte het zand van haar broek. Even twijfelde ze: toch een beetje spijtig dat ze hier weg moest. Ze keek nog naar Bob, naar het bos en naar de twee citroengele vlinders en zuchtte. Dan haalde ze diep adem en hield die in terwijl ze begon te stappen met hoger en hoger opgeheven knieën om de onzichtbare trap op te gaan. Toen ze geen zand meer aan haar voeten voelde, keek ze achterom naar Bob. Ze durfde niet zwaaien, uit schrik dat ze zou vallen, maar met haar linkerhand wapperde ze als afscheid.

Net als bij haar eerste vlucht, kwam ze in een dikke mist terecht. Even later zag ze het verwilderd veld onder haar en kwam ze zacht op beide voeten neer. Vlug zocht ze haar schoenen en rende zo hard ze kon door het gat in de haag naar huis. Buiten adem viel ze de keuken binnen waar mama het avondeten klaarmaakte.

Wat nu, Julie?’ vroeg ze verbaasd, ‘heb je zo’n honger. We eten pas over een kwartiertje.’

Oh, dan ga ik nog even naar mijn kamer,’ stamelde Julie.

Wat nu, mama was helemaal niet ongerust. Ze keek op de klok. Het was bijna half zes toen ze naar het veld gegaan was. Ze aten altijd om 6u. Dus was ze maar een kwartier weg geweest. Was ze in slaap gevallen op het veld? Dat zou een heel raar zijn. Of was ze na schooltijd op bed gaan liggen en had ze geslapen? Dat gebeurde wel eens als ze heel moe was. En had ze alles gedroomd?

Wat krijgen we nu? Zoveel aardappelen?’ merkte mama even later aan tafel op.

Ik heb er gewoon zin in,’ zei Julie afwezig.

Meer werd er niet over eten gepraat. Verder ging het over school, over de buurvrouw en wat er op televisie was: de gewone dingen. Maar plots voelde Julie een ring aan haar vinger. Ze droeg een zilverkleurige ring aan haar linkerhand. Ze droeg geen ringen en zeker geen zilverkleurige! Ze wilde niet dat mama de ring zou zien. Wanneer ze haar lege bord naar de keuken bracht, hield ze de hand met de ring er onder en zei dat ze nog even ging kijken of er nog iemand buiten was.

Julie stoof naar buiten, kroop door het gat en ging midden in het veld staan. De blauwe, wolkeloze lucht begon zich al te vullen met avondkleuren. Ze keek naar boven, stak haar hand met de ring op en wuifde er langzaam mee van links naar rechts: een hele tijd lang. Ze fluisterde: ‘Dag Bob, tot ziens.’ Al wist ze dat ze hem nooit meer zou zien.

s Avonds verborg ze de ring op de bodem van een doosje waarin ze parels verzamelde. En voor ze ging slapen, controleerde ze of haar computer afgesloten was. Toen kreeg ze een idee om nog met Bob in contact te komen.

Lukt nu al wat beter met het vliegen?’ vroeg Hanne enkele dagen later.

We zijn wel benieuwd hoe hoog je zal gaan,’ voegde Titus er aan toe.

Oh,’ antwoordde Julie, ‘ik vond het toch niet zo’n goed idee. Het vliegen laat ik aan de vogels en de vlinders. Met mijn computer kan ik zo hoog en zo ver vliegen als ik wil. Zelfs tot in de wolken!’

 

kthaes

 



Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem verder op weg.

K.T.Haes
14 feb. 2020 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked