Terug naar de Tour van 1967

1 jul. 2020 · 1 keer gelezen · 0 keer geliked

De wielerlegende in : terug naar 1967
 

 

Dit jaar zouden we in augustus afzakken naar ons geliefkoosd terrein, de Vogezencols maar toen we begin juli via het allesomvattende internetmedium een verwijzing zagen naar “ L’étape de Legende” met vertrek in Straatsburg vroegen we ons af of we niet beter wachten tot eind September om af te reizen. Inderdaad op zaterdag 22 September staan Luc en ondergetekende klaar om te vertrekken; maar deze keer zijn we met drie want onze kameraad en sportveteraan Alfred Schellens zal ook meereizen.  We pikken hem op in Katelijne en rijden omstreeks 10.30h richting Straatsburg. Om de trip zo efficiënt mogelijk te laten verlopen had Dina, de echtgenote van Luc broodjes klaargemaakt, die we op een parking in Luxemburg verorberen. Terwijl we de sandwiches opeten op de houten zitbank in een brandende zon krijgen we het gevoel dat we te midden een zomerse vakantiesfeer vertoeven; maar we moeten wel richting Straatsburg waar we onze inschrijving moeten bevestigen via een fysieke verschijning aldaar, om uiteindelijk te kunnen starten in een competitiewedstrijd over 210 km met aankomst op de top van de mythische Ballon d’Alsace; een rit meer dan een Touretappe waardig want het is een replica van een befaamde rit uit 1967 over 10 cols.  We komen aan in een mooi park, vlakbij het centrum van Straatsburg waar een rennersdorp naar het model van de Tour werd opgebouwd, want tenslotte is het diezelfde ASO, die de TOUR telkens in de maand juli organiseert. Fred bewaakt als begeleider onze fietsen terwijl wij ons aanmelden en meteen een enveloppe met rugnummer, enkelband en fietsplaat meekrijgen. De enkelband wordt elektronisch getest aan de volgende stand, waar een ouder Belgisch echtpaar ons toespreekt. Maar naast twee t-shirts met het wedstrijdlogo erop ontvangen we nog een tas die moet herinneren aan deze eerste editie. Daarna verlaten we Straatsburg om af te zakken naar het hotel waar we twee nachten zullen verblijven. Aangekomen in Rosheim maken we kennis met “Hostellerie du Rosenmeer”, een hotelcomplex met bijbehorend luxerestaurant, dat vlakbij de Elzasser wijnroute ligt. De artisanale keuken bewijst zich niet alleen door de grote keukenzaal die wij bemerken als we langs de achterkant het hotel binnengaan maar ook door de grote voorraad aan voedingsmiddelen die opgeslagen liggen in de kelders van hotel met inbegrip van circa 5 ton aardappelen van alle formaten en soorten. Vooraleer het “laatste avondmaal” te nuttigen verkennen we met de auto de eerste beklimming op het parcours, m.n. de “Col du Kreuzweg”. De beklimming is  14  kilometers lang , niet zo steil wat wel het geval is voor de afdaling. We maken rechtsomkeer vooraleer we terug in het dal zijn want tenslotte willen we nog een stevige maaltijd nemen na deze toch vermoeiende dag. Als Spartaans geïnspireerde schepsels nemen we het standaardmenu van de hotelgasten terwijl het aanpalende restaurant goed is volgelopen met chique volk. Wij zitten tussen een aantal gepensioneerde Franse hotelbezoekers en genieten van een lekker voorgerecht met vis. De sfeer zit er goed in aan tafel want het lijkt wel hoogzomer daar in de Elzas. Het is zo warm binnen dat we na de maaltijd nog een frisse neus halen op het aanpalend terras, waar we op een bank tussen de tuinverlichting mijmeren over wat komen gaat. Zo maken we een prognose voor onze rit van zondag met aankomst op de Vogezentop waar Merckx in 1969 reeds schitterde. We proberen de sportprestaties, die we als jonge veteranen nog aankunnen in te schatten. Onze opinie was dat we blij mogen zijn dat we de eerste test na circa 80 km overleven want de tijden werden scherp berekend. Rond elven is het hoogtijd dat we het bed induiken; Luc slaapt naast mij en Fred op een separaat bed achteraan de kamer; nadat het licht is gedoofd slapen we quasi onmiddellijk in want er wacht ons nog sportspektakel op zondag. Reeds om vijf uur gaat Luc zijn GSM af.  Wij trekken  meteen onze wieleruitrusting van onze club “WTC Berlaar” aan; terwijl Fred zich rustig klaarmaakt. Ik masseer intussen mijn oude spieren met behulp van natuurlijke massageolie. We verplaatsen ons naar het gelijkvloers waar een noodontbijt klaar staat, want het hotel is op zondag niet open en noch de eigenaars, noch het hotelpersoneel zijn aanwezig. We nemen wat brood en confituur en drinken het ananassap op wat in een glazen flesje voor ieder van ons klaar stond. Ik laat wat extra klontjes in een halve tas koffie smelten om wat extra energie op te doen. Om precies dertien minuten na zes vertrekken we met Fred aan het stuur van mijn Peugeot 607; nog 33 kilometer tot aan het vertrek geeft ons navigatiesysteem aan. Buiten is het nog pikdonker en niets laat vermoeden dat we hier straks in de buurt met de fiets voorbijkomen. Ik heb naast onze begeleider plaatsgenomen en tel elke kilometer af want het gaat trager dan verwacht vanwege een aantal stoplichten en om zeven uur klokslag is het vertrek voorzien. Fred maakt hier zijn reputatie als ervaren gids waar want hij weet op circa 100 meter van de startlijn nog te parkeren. Op het ogenblik dat we uitstappen horen we de speaker van dienst roepen; “encore treize minutes”. We nemen vervolgens onze fietsen van het rek en ik pomp mijn gloednieuwe rode achterbandje op tot een druk van 7 kilogram; de zenuwen gieren nu door mijn lijf want ik moet mijn drankbus nog vullen, maar precies 5 minuten voor de start sta ik samen met Luc gans achteraan in de rij van de groep met 2400 als hoogste rugnummer. De Tourorganisatie geeft meteen haar visitekaartje af want om zeven uur bij de start  heeft de donkere ochtend plaats gemaakt voor een mooie en warme ochtend. Precies drie minuten later geef ik de eerste pedaalstamp. Luc rijdt de eerste honderden meters een tiental meters voor mij uit want de straten in de Europese wijk van Straatsburg zijn breed en het peloton giert tegen hoge snelheid en breed verspreid over de baan de stad uit. Veel lokale bewoners moedigen ons reeds aan in de eerste kilometers op dit toch ongewone uur; maar het voelt goed van dit wielercircus deel te mogen uitmaken.  Ik heb mij definitief in het wiel van Luc genesteld, maar de snelheid is er zeker niet minder om. Na één uur hebben we 32 km op de teller staan; ik vraag aan Luc het tempo iets te matigen maar dat heeft weinig zin zolang we in het zog van een pelotonnetje rijden. Na circa 35 km koers stap ik snel af voor een noodplas en kruip daarna snel in het wiel van enkele achterblijvers die mij na enkele honderden meters terug in het wiel van Luc brengen. Na 37 km komen we aan een rond punt in de buurt van Andlau waar we onze begeleider verwacht hadden, maar hij is er niet en we concentreren ons op de eerste beklimming, die zodadelijk aanvangt. Eerst nog door de dorpskom van Andlau over de kleine kasseitjes, die we op zaterdag verkend hadden en dan richting top met weliswaar 13,9 kilometer klimwerk. We halen nog snelheden tussen 14 en 20 km per uur zodat we na iets meer dan 2 uur koers op de top aankomen. Van vermoeidheid heb ik geen last en ik laat mij als het ware naar beneden vallen in de afdaling, maar toch trap ik wat bij om enkele collega’s voorbij te snellen op het nieuwe asfalt; het geeft met name een goed sportgevoel om vrij als een vogel de diepte in te duiken en vooral een kick als mijn Koga tegen 70 km uur of meer over het nieuwe asfalt “vliegt”. Maar het besef dringt spoedig tot mij door dat nog veel klimwerk volgt en dat krachten sparen de boodschap is: dus laat ik mij wat uitbollen met als gevolg dat Luc gauw komt aansluiten. We rijden vervolgens richting Col de Fouchy, maar we rijden nog in het dorpje Villé, gelegen in het dal van het Vogezenmassief en dat in 1914 nog het decor was voor hevige gevechten tussen Fransen en Duitsers, maar nu het vertrekpunt naar een volgende col, deze loopt drie kilometer aan het steilere werk begint daarna met percentages tussen 6% en 7,5%.

Maar zoals voorzien zijn de laatste 3 kilometer loodzwaar en Luc presteert het om toch een strak tempo aan te houden. Hij duwt met krachtige pedaalslag zijn  kroontje met 27 tanden rond. Onze snelheid is weliswaar gezakt tot 11 à 12 per uur, maar we rijden opvallend veel collega’s voorbij; op één kilometer van de top balt Luc de vuisten; hij heeft er niet alleen zin in maar bedoeld ook dat we zeker de eliminatielimiet halen bij de eerste bevoorrading. We dalen nu snel om nog 8 kilometer af te werken tot de bevoorrading, waar we hopen Fred te zien. Als we bijna beneden zijn op 2 kilometer van het voorlopige eindpunt gaat mijn mobieltje af, maar opnemen is te gevaarlijk en bel hem op als het bord ‘zone de ravitaillement’ in zicht is. Inderdaad, Fred is ter plaatse en dat is een hart onder de riem. Ik heb wel een beetje honger en probeer die te stillen na precies 3 uur en 19 minuten koers. Fred is goed gepositioneerd en vangt ons op; ik neem wat stukjes appelsien en ook twee stukjes banaan, die al wat verkleurd zijn door het warme weer.  Omdat Fred ons aanmaant niet te lang te dralen neem ik nog een reep mee in mijn achterzaak en vertrek tezamen met Luc.  Na enkele kilometers eet ik die reep gewoon op in de gedachte wat extra krachten op te doen, maar lang houdt die illusie niet staande want de reep wil opnieuw naar boven komen. Ik wil drinken van mijn gevulde bus, maar de sportdrank die met water en poeder was tot stand gekomen krijg ik niet meer naar binnen.  Plots voel ik mij bijzonder slecht; wat verderop giet ik mijn bus leeg terwijl een student mijn drankbus met publiciteit van ‘FERYN’ erop vult met leidingwater, in de hoop toch te kunnen drinken. Wat verderop heeft Luc last van krampen in zijn linkerbeen, maar we bijten door tot op de top van de Col de Ribeauvillé en dit na pas 95 km. We stoppen even om wat naar adem te happen, mijn benen doen het wel maar het lijf voelt slecht aan.  Ik herhaal tegen mezelf de boodschap van de dag tevoren, m.n. dat we het tweede eliminatiepunt absoluut willen overleven. We rijden richting Col de Fréland, die acht kilometer verder en 100 meter hoger ligt. Daar kom ik alleen boven, want ik wil niet forceren en heb Luc laten gaan; ik kan nu wat recupereren want de afdaling duurt 12 kilometer vooraleer de volgende beklimming eraan komt. Inderdaad er volgen 17 klimkilometers richting ‘Collet du Linge”; uiteindelijk moet er een hoogteverschil van circa 600 meter overbrugd worden. Ik begin eraan met enig wanhoopsgevoel maar bijt door op een constant ritme. Onderweg vult een vriendelijke Française mijn bus met flessenwater van het bekende merk Vittel en ze duwt mij nog af ook; in feite een moment waarop de oude krijger glorieert. Ik rij nu richting top van de ‘Col de Wettstein’, die eerst moet overwonnen worden om uiteindelijk het slotgedeelte richting laatste col voor de tweede bevoorrading aan te vatten.  Op één kilometer van de top zie ik bij een grote bocht tientallen collega’s stil staan na hun opgave met hun fiets in de hand; ik schep moed en rij richting top; nog circa 500 meter en ik zie de fotografen met dienst flitsen. Ik besef dat de rits van mijn truitje openstaat, maar dit is een noodzaak vandaag want het windbeschermende ondergoed is in feite te warm voor deze temperaturen.  Uiteindelijk kom ik boven met 129 km in de benen, na een voor mij moeilijk tweede gedeelte en vat de korte maar steile en gevaarlijke afdaling aan; waar we aangemaand worden de snelheid te matigen maar wanneer ik tegen 65 per uur naar beneden duik zie ik nogmaals flitsen afgaan, maar dat interesseert mij maar matig. Ik begin mij zowaar beter te voelen en een enthousiast orkest, opgesteld voor het plaatselijk dorpscafé blaast krachtige muzieknoten wanneer ik gans alleen voorbij kom, vlak na de afdaling. Nog enkele honderden meters en het tweede ijkpunt is in zicht; ik trap nu stevig door en kom slechts drie minuten na Luc aan; wat ik een hele prestatie vind gezien de omstandigheden. Aan de bevoorradingstand gekomen rij ik recht in de lens van mijn eigen digitale camera die Fred in zijn hand vast heeft. Ik wordt samen met Luc verteerd door verdeeldheid; met name of het goed voor ons geweest is of we door moeten gaan; we hebben nog 14 minuten reserve op het schema. Na overleg met Fred, die richting Ballon rijdt met de auto vertrekken we toch; Luc loopt iets harder van stapel want het constant op de tanden bijten kost extra krachten en dat laat zich nu voelen. Ik rij nog altijd door en twee derde van de koers zit erop. Graag had ik samen met Luc over de aankomststreep gereden maar dat zal moeilijk zijn want na 148,5 kilometer precies komt er een wagen van de organisatie naast mij gereden om mij te wijzen op 10 minuten reservetijd en het feit dat dit net niet voldoende zal zijn om de aankomst te halen tijdens het wedstrijdgedeelte. Ik besluit uit koers te stappen want ofschoon de benen niet kapot zijn is het lijf dat wel, wat niet verwonderlijk is met reeds 65 klimkilometers in de benen en met de zwaarste beklimming van de dag, m.n. de ‘Col de Platzerwasel’ nog in het vizier zou het misschien een Col teveel kunnen worden. Mijn ‘responder’ wordt afgenomen en mijn fiets in de aanstormende vrachtwagen geladen, terwijl ikzelf plaats neem in de bus met opgevers.  Amper twee kilometer verder zie ik mijn maat zoals verwacht terug. Luc heeft, zijn mentaliteit eigen het beste van zichzelf gegeven ondanks spierkramp en een weerbarstige linkerknie maar stapt zelfvoldaan en goedlachs de bus op; we zijn tevreden dat de inspanning erop zit voor ons na meer dan zeven uur fietsen. De bus recupereert nu hordes opgevers en er wordt langdurig halt gehouden bij de derde bevoorrading in ‘la Bresse’. Daarna zou de bus doorrijden tot op de top van de ‘Ballon d’Alsace’. Maar dat laatste lukt niet want de bus mag om veiligheidsredenen niet op de berg. Noodgedwongen maakt de bus een ommetje van circa 80 kilometer, maar dat loopt slecht af want er is onderweg file maar ook de beklimming is steil na het bekende dorpje MASEVEAUX zodat wij pas na 19.00h s’avonds arriveren. We zijn dolblij onze Peugeot langs de kant van de weg te zien staan,want Fred had de aankomst van de laatste overlevenden meegemaakt en voor ons zelfs twee maaltijdpakketten opgepikt, alsook één voor hemzelf. Fred is namelijk een soldaat van vele oorlogen en zowel in de sport als het volkse leven heeft hij zijn strepen verdiend en die sociale vaardigheden komen hem hier van pas. Na onze fietsen gerecupereerd te hebben voert Fred ons richting hotel in Rosheim, maar dit zal nog twee uur in beslag nemen want onze boordcomputer wijst nog 153 km te gaan aan en in die omgeving loopt het verkeer so wie so traag. Goed dat we ook nu het hotel gereserveerd hadden want het is erg laat vooraleer we na een warm badje in ons bed terechtkomen. De sfeer zit er ook nu goed in want we hebben het stokbrood met beleg verorbert, wat blijkbaar de recuperatie bevorderd heeft. Ook s ’anderendaags zet het herstel zich verder; het is dan maandag en één dag na de eerste ‘ETAPE DE LEGENDE‘ ooit. We zetten ons neer in het restaurant en schuiven aan langs het buffet om zo wat extra calorieën op te slaan. Inmiddels schotelt de bazin van het hotel ons een volle pagina voor uit de regionale krant terwijl ze vraagt hoe het met ons is afgelopen. We lezen een verklaring van wielerlegende  Laurent Jalabert, die ook deelnam als voorbereiding op zijn triatlonavonturen en betrokkene was verrast door het loodzware parcours.  We voelen ons nu geestelijk en fysiek heel goed en tevreden dat we in een fantastisch sfeer dit wielerevenement hebben mogen meemaken. We genieten van een heerlijk ochtendbuffet terwijl we rustig de gebeurtenissen van zondag overlopen. Van maagproblemen of stramme spieren is geen sprake meer en ik zet mij een uurtje later zelf aan het stuur om Fred in Luxemburg tot bij zijn werkgever te brengen. Het bekende tweetal zakt nu af richting Vlaanderen, waar we in de wintermaanden de basis zullen leggen voor een nieuw wieleravontuur.

 

 

Lambrechts Eduard

Lier, 14 Oktober 2007

Copyright GCV Lambrechts

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

1 jul. 2020 · 1 keer gelezen · 0 keer geliked