Lezen

Seksuele gezondheid LGBTQ anno 2019

Volgens onderzoek van Sciensano (https://www.sciensano.be/nl/pershoek/minder-hiv-diagnoses-maar-hiv-treft-diverser-publiek), daalde in 2018 het aantal hiv-diagnoses met 2% in vergelijking met 2017. PrEP lijkt daarbij positief bij te dragen aan de preventie van hiv en de daling van het aantal gevallen. (PrEP is een preventieve behandeling van mensen die geen hiv hebben maar wel een groot risico lopen op besmetting). Bij mannen die seks hebben met andere mannen zien we dezelfde neerwaartse trend, hoewel deze daling vandaag nog te miniem is om al te spreken van een serieuze ommekeer. Hoe kunnen we nu als gemeenschap verder nadenken en concreet pistes uitwerken om die daling van het aantal nieuw geïnfecteerde mannen die seks hebben met andere mannen (msm) verder te zetten, de juiste uitdagingen aan te gaan in een lange termijnvisie en onze gezondheid niet louter te minimaliseren tot hoe veilig of minder veilig we seks hebben. Homomannen hebben in het verleden zwaar met hun levens betaald in de strijd tegen aids. Niet alleen door het aidsvirus zelf; ook discriminatie en stigma hebben veel negativiteit in handen gewerkt en doen dat vandaag nog verder. Nog steeds blijven mensen bezorgd om over hun positieve status te communiceren. En nog steeds worden mensen op een negatieve manier op hun homoseksualiteit en homoaffiniteit gewezen. Wanneer we kijken naar de geschiedenis van aidspreventie in België en in het buitenland, stel ik vast dat we vandaag in een post aidstijdperk leven waarbij combinatiepreventie werkt (https://www.sensoa.be/hiv-belgie-feiten-en-cijfers). We komen van ver. Van heel ver, ook al lijken we meer en meer grip te hebben op hiv en aids, achter de term post aidstijdperk schuilt helaas ook weinig investering in de strijd tegen aids door de huidige jongere generaties. Wat heeft de strijd tegen aids ons voor, tijdens en na het ‘aidstijdperk’ bijgebracht? Wat deden we toen en wat doen we vandaag? Voor welke uitdagingen staan jonge holebi’s vandaag? Seksboeken van Goedele Liekens of Belle Barbé gaan dat niet veranderen, zij zetten meer in op seks als glamoureus modeverschijnsel dat je in alle kleuren en geuren overkomt. Ook al bulken deze boeken van geluk en genot en is hun positieve benadering een verademing in het landschap van boeken over seks, in se brengt hun literatuur niets nieuw bij aan het debat van iedere homoman en zijn (seksuele) gezondheid. De bibliotheek van heteroseks is meer dan compleet en is altijd al toegankelijk geweest in de leeshoek van iedere supermarkt. Ook hun schrijfsels over het lichaam vinden we terug in iedere medische encyclopedie. Elke heteroseksueel vindt wel zijn of haar antwoorden. Voor een jonge seropositieve homo is het vandaag nog steeds zoeken naar antwoorden die niet in de heterobibliotheek staan. Waarom is seksuele gezondheid voor homomannen vandaag nog zo belangrijk in de strijd tegen aids? Seksuele gezondheid specifiek voor mannen die seks hebben met andere mannen rust op het principe dat wanneer je aan aidspreventie doet, de aanpak en de visie ervan op een holistische manier benaderd wordt en dat gezondheid voor deze populatie niet enkel en alleen berust op hiv of aids. In dit post aidstijdperk waarvan ik in mijn denkpistes in het verleden al gewag over heb gemaakt, zijn we als groep, als gemeenschap uit een crisis geraakt die ons vandaag toelaat op lange termijn na te denken over die toekomst. Deze aanpak heeft gewerkt. Aan die dynamiek die de homogemeenschap toen aan de dag heeft weten te brengen moet vandaag een nieuw elan gegeven worden. Een nieuwe benadering in een holistische benadering van seksuele – en bij uitstek ook fysieke, psychologische, sociale en emotionele gezondheid, kan niet meer enkel en alleen gefocaliseerd zijn op negatieve benadering die msm zouden hebben in hun gedrag of hun psychologie (zoals : homo’s zijn niet in staat om…, homo’s kunnen niet…); we moeten veeleer verder bouwen op de positieve successen en de expertise die een hele gemeenschap doorheen maatschappelijke en ook politieke stormen heeft weten op te bouwen. Het collectieve binnenin de holebigemeenschap en de sociale verbintenis vindt zijn oorsprong niet bij ouders of familie. Het deel van iemands identiteit dat homo is, komt van de sterkste, meest pure menselijke drift : verlangen. De holebigemeenschap is geen gesloten of op zichzelf geplooide gemeenschap. Het is een gemeenschap die haar gelijke vindt in seksuele, amoureuze, sociale en recreatieve praktijken en die een eigen positieve identiteit opbouwt. Fierheid is in onze gemeenschap van groot belang. En ook al is onze gemeenschap doorheen de jaren veranderd en geëvolueerd (homo’s uit de jaren 70 zijn niet dezelfde homo’s als homo’s uit de volgende decennia), je kan geen publiek gezondheidsbeleid voeren dat stigmatiserend werkt, waarbij je bepaalde (seksuele) praktijken en (seksuele) contexten of specifieke identiteiten gaat veroordelen en moreel gaat verwerpen. Ook de huidige normalisatie tot stand gekomen door het homohuwelijk en adoptie staat een eigen identiteit niet in de weg. Integendeel. De holebi-gemeenschap is vandaag een erg diverse gemeenschap met specifieke noden, eigen belevenissen en benaderingen, ten spijt van gevaarlijke politiek waarbij nog steeds het oubollige traditionele man-vrouw schema als hoeksteen van de maatschappij geldt. Ook al roepen deze vaandeldragers van de moraal heel luid niet tegen holebi’s te zijn, het blijft negatieve politiek die de meest kwetsbare binnenin de maatschappij en de gemeenschap grote schade berokkent. Onze gemeenschap kent ook individuen met migratieachtergrond, er zijn mannen die zonet naar België zijn gekomen, in trauma leven en voor wie hiv/aids nog steeds een groot taboe is. Ook deze groep verdient speciale aandacht binnen een seksueel gezondheidsprogramma. De homogemeenschap gaat doorheen alle culturen. Seksuele gezondheid voor LGBTQ+ behelst de veelvoud en de culturele diversiteit van de manier waarop gays hun seksualiteit beleven en het is ook in hun belang om binnenin een globale visie rekening te houden met verschillende vormen van sociabiliteit, van plezier, van kennis en van hun capaciteit voor zichzelf te zorgen. Seksuele gezondheid is er veelzijdig en kan niet gericht worden op een unitaire – meestal medische – aanpak of heteroseksueel georiënteerde benadering. Een denkpiste is hier niet op zichzelf terugvallen, als groep of als individu maar om de pijlen van de toekomst te richten op beleid en politiek die de mensen en de meest kwetsbare van ons in hokjes duwt en het welzijn van holebi’s ondermijnt. Het is ook denken aan een seksueel gezondheid centrum voor holebi’s, het versterken van het contact met de arts en onze gezondheid steeds in het licht van onze eigen belevenissen te houden. Het is aan onze gemeenschap om hier de dynamiek te brengen en het werk niet over te laten aan zogenaamde professionelen die het wel goed voor holebi’s hebben maar seksualiteit uniformiseren en reduceren tot een klassiek man-vrouw patroon. Het werk moet opnieuw van binnenuit komen, vanuit onze eigen gemeenschap. Seksualiteit bij msm is niet dezelfde seksualiteit als bij hetero’s. Punt aan de lijn. Tenslotte moeten we als homogemeenschap waakzaam blijven over onze eigen gezondheid en wanneer we spreken over seksualiteit bij homomannen, moeten we het niet altijd enkel en alleen hebben over het aantal infecties te vinden bij msm maar we moeten ook andere vragen die ons bezighouden durven stellen. We moeten blijven werken aan onze toekomst en de beste bewakers blijven van onze levenskwaliteit, met of zonder hiv. We moeten alert blijven dat een hele maatschappij, politiek en sociaal, onze praktijken niet veroordeelt en ons reduceert tot oneliners als “Ja maar, ze hebben het zelf gezocht”. Laat ons positief blijven, fier ook, op hoe we na bijna 40 jaar strijd tegen aids ons eigen leven verder zelf bepalen, in onze seksualiteit, in onze affiniteit, in onze homoseksualiteit. Seropositief of seronegatief. Ik schrijf voor Zizo Magazine, ik ben sexpert in lgbt issues en ik studeer seksuologie. Ik ben ruim 30 jaar werkervaren in (seksuele) gezondheid bij holebi’s en ik pleit voor positieve (seksuele) gezondheid bij holebi’s, voor en door holebi’s.

Erwin Abbeloos
0 0

Morgen

Beste persoon x,   Hier spreekt persoon y. Ik ben 20 jaar zit in mijn 2de jaar dierenarts.  Ik vraag me af of ik morgen er nog zal zijn? Ik zal misschien sterven door een hartaanval of door iets anders. Ik weet niet of ik wel zal hebben genoten van mijn laatste dag. Zal het een weekdag zijn of een andere gewoon weekend zijn?. Ik zal nooit weten wanneer ik sterf maar mijn levensverwachting is achtenveertig. Ik zal mijn kind misschien zijn op groeien maar niet mijn kleinkind maar dat is het probleem van vandaag niet.Ik heb pijn en pijn en nog eens pijn soms hoop ik om er niet te zijn. Om de pijn voor die paar seconden kwijt te zijn.Dan wordt je wakker en dan voel je zo een helse pijn dat je er niet meer wil zijn.  Daarom hoop ik dat ik zal kunnen afstuderen van de unief om mijn leven te kunnen leiden en mijn liefde en geluk te vinden in de zoektocht naar geen pijn zonder medicijnen of zelfmedicatie. Ik hoop op een leven na vandaag om deze mooie dag terug te kunnen delen met mijn hondje, gezin en toekomstige liefde. Want na vandaag wil ik leven, ik wil dit elke dag kunnen zeggen en ervoor zorgen dat ik mijn dromen kan waarmaken. Andere mensen kan helpen en hun dag beter maken. Ik zal nooit weten wanneer ik sterf maar mijn levensverwachting is achtenveertig. Ik zal mijn kind misschien zijn op groeien maar niet mijn kleinkind maar dat is het probleem van vandaag niet.Ik heb pijn en pijn en nog eens pijn soms hoop ik om er niet te zijn. Om de pijn voor die paar seconden kwijt te zijn.Dan wordt je wakker en dan voel je zo een helse pijn dat je er niet meer wil zijn.  Daarom hoop ik dat ik zal kunnen afstuderen van de unief om mijn leven te kunnen leiden en mijn liefde en geluk te vinden in de zoektocht naar geen pijn zonder medicijnen of zelfmedicatie. Ik hoop op een leven na vandaag om deze mooie dag terug te kunnen delen met mijn hondje, gezin en toekomstige liefde. Want na vandaag wil ik leven, ik wil dit elke dag kunnen zeggen en ervoor zorgen dat ik mijn dromen kan waarmaken. Andere mensen kan helpen en hun dag beter maken.

M323
0 0

I Wonder as I Wander

I Wonder as I Wander             I was dead. Had been for a while.   I knew I was because when I was still alive, I made a promise to my little sister that I would come back to guide her and follow her around as a ghost. The ‘guiding’ part was added later when I realized it didn’t scare her and when I realized the end was nearby for me. I managed to uphold my promise, fortunately too since I saw what my death did to her. Tracy was twenty when I died, during the summer before she started her second year of college. It was incredibly bad timing considering her boyfriend left her four months prior because he had to move to get into this high-standard college in some other country. The two people that meant the most to her were gone. She was alone, depressed and on the verge of suicidal.   I was going to change that, despite not being able to talk to her or touch her. I had followed her around every day after my death, making sure I knew what she needed. I even stood behind her when she gave a eulogy during my funeral, which had been a real tear-jerker. I liked to think she managed to keep it together because she remembered my promise and somehow knew I was near her that day. I followed her around for two months after that, helping her in any way I could as she recovered. I failed to make her go back to school but I did find out what she wanted other than her big sister: a physical connection to someone.   I decided to start looking for someone worthy of Tracy’s presence and love the day she downloaded Tinder during an outburst of frustrated crying. I couldn’t watch her trying to feel loved by talking to strangers online, only to get catfished and have her heart broken again. I left Tracy’s side for the first time to pay a visit to her college friends. They were having a student community party to which she was invited to scope out some guys. After all, do you really know anyone until you’ve seen them surrounded by their own kind of people, preferably drunk?   Plus, college parties were another level of being yourself. It was a start but so far, I wasn’t impressed with what was offered. Most of them were party first, study later kind of people, others weren’t even in college or dropped out. None of them deserved someone like my sister. She wasn’t the nice, straight-A kind of girl but she wasn’t that unhinged. She was just the right amount of rebellious. I needed the right amount of rebellious to match with her.   I wandered around the place, looking for anyone with whom I could see Tracy with. Like I said, there was no one so far. It was only then that I realized she barely went to parties like this. I was looking in the wrong place. As I toyed around with a wasted student who I knew used to tease Tracy when they were in high school, I thought back to all the places I used to go with my sister.   The snack bar, the town’s pool, the big tree in the park with the perfect branches for climbing… the tree. We used to hang around in that tree all the time with Andrea, Lilly, Brad and Colin, our old high school friends.   I offered the girl I was teasing a smirk she never saw and swiftly raised the cup I was moving around enough so the contents spilled all over her top. I full on laughed when all she did was look around, utterly confused at what happened, before I stepped out of the building and headed towards the park.   When I got there, I wasn’t all too surprised to hear voices coming from the tree. It was the beginning of Fall so its leaves were still in full effect, hiding anything or anyone hiding in the branches. In this case, our old crew. We’d claimed this tree when they threatened to cut it down because the branches always hung over the road. The town’s mayor decided to just have the offending branches cut off instead of the whole tree. I didn’t know the name of it but it didn’t have a long trunk and lots of branches. The small pond connecting with it was still as murky as it was back then.   I walked over the water, looking up at the crew sitting on the branches. Lilly wasn’t there but Brad, Andrea and Colin, who I’d hoped to show up here. Tracy’s once best friend. All of us used to be tight but those two always partnered up in school. I needed to reunite her with the rest again. She’d been alone for long enough now and it was weighing on her. All my wandering around and following her everywhere would’ve been in vain if I didn’t do this for her at least.   I let myself phase up into the part of the tree where we’d nailed our pictures in one of the branches and took Tracy’s picture off. She’d dyed the strands of her hair pink back then. She looked so young and happy, her brown eyes twinkling with mischief. I hadn’t seen her like that in a while. The past three months were the worst of her life and they did a number on her. She’d refused to go back to school, letting her grades drop. She’d distanced herself from her friends and family, barely coming out of her room.   She needed to be herself again and I felt like only Colin could get her to at least hang out with her friends again. I looked down at said black-haired boy, slowly letting the picture float in his lap. I watched him study it for a second.   “Hey, didn’t Tracy’s sister die recently?” he asked Brad, who sat across from him. Andrea, who was leaning against him, hummed as she leaned to look at the picture.   “Yeah during summer. Maybe we should check up on her,” she suggested. Colin nodded in agreement, swiftly taking out his phone. I smiled in victory as I noticed he wasn’t texting her. He was calling her.   “Hey Trace. How you doing?” he asked. I didn’t hear what my little sister replied but judging by Colin’s sympathetic face, I knew enough.   “You want to come hang out in the tree? It’s been a while. Andrea and Brad are here too,” he suggested immediately. I silently thanked him for not asking too much.   “Cool. See you in a few.” And that was that. I waited with my old friends for my sister to show up, which didn’t take too long. The park wasn’t that far from our house anyway. When Tracy showed up, Colin immediately climbed down to greet her.   “You got rid of the pink in your hair,” he pointed out, nodding at her hair. Tracy let out a small laugh as she adjusted her gray, knit beanie.   “I got tired of it,” she just said, looking up at Colin with innocent eyes and shrugged. Colin chuckled and nodded. “It was pretty though. You ever thought about coloring it back?” he asked, jumping back up into the tree. Tracy scoffed as she followed him up.   “Not pink. Something that fits better with ginger. Like white or red.” If I’d know about Colin’s unspoken obsession with the pink in her hair, I would’ve made him think about her a long time ago.   Andrea and Brad immediately jumped into the conversation, telling her she should get white streaks in her hair. All three of them were smart enough not to mention me. Instead, they talked about hair colors and cute college boys, exams and vacation plans… ordinary stuff like that. It was just what Tracy needed to become herself again, to realize that she wasn’t alone. Colin stayed particularly close to her, even offering her his jersey when she got cold. Andrea ordered take-out Chinese food like we used to and Brad brought out the soda.   It was only when I accidentally ripped my picture off of the branch that she distanced herself a little again. The others just went on, trying not to give Tracy worried looks as she stared at the picture of a younger me. For a moment, I was scared she was going to keep herself from breaking down again but instead, she just smiled at the picture that had landed in her hands and leaned her head up. She wasn’t directly looking at me but she was looking at the branch I was sitting on with a grateful smile.   “Love you sis,” she whispered up before sliding the picture in her pocket. I smiled down at my little sister, immensely glad that she was smiling again.   “Love you too, sis.”  

Gaela
0 0

Witte viooltjes zeggen: 'Ik ben in gedachten bij je' (pensées, pansies)

Mijn mannetje werd geboren de zesentwintigste april knappe zoon en kleinzoon van wereldkampioenen maar voor mij was hij gewoon en had een bekje om te zoenen helaas heb ik hem al verloren dat was een bittere pil   Innemend en onschuldig stalen zijn hazelnoot ogen menig mensen- en kattenhart en zijn zilveren perzenvacht verborg een ziel van goud   Zijn magerte werd voelbaar maar elf jaar was ook wel oud toch speelde hij en at wat graag had duidelijk schik in zijn leven gaf guitig een luid commentaar   Tot hij zijn eten niet meer at bleef liggen waar hij lag opeens wel heel erg mager zag ademnood hem de baas was toen merkte ik echt pas dat iets hem langzaam sloopte   Het leven is soms zo hard tot stikkens toe benauwd wie had DIT nu verwacht rustig en geduldig en lief tegen iedereen nog voel ik me bedrogen dat hij zo abrupt verdween   Longkanker was de diagnose toen dus niet van vandaag op morgen en hoewel ik zo sterk hoopte bleek een middag in de zuurstoftent extra kwelling voor mijn kleine vent was er niets meer aan te doen dan hem nog voor de nacht te verlossen van pijn en zorgen   en een volgende morgen…   lieve Werner je twaalfde verjaardag ging niet ongemerkt voorbij juist vandaag voelde het als was je heel dicht bij mij alsof je niet al maanden lag onder een stralend wit viooltjesbed   (P.S: Voor het geval je het niet door had -dit gaat over mijn Perzische Kat) 

Edith E (©Inspiratiewater)
2 1

Het mooiste in het leven

  Vele mensen vragen zich af wat het mooiste op aarde is. Er bestaan verschillende antwoorden op. Antwoorden die geen antwoorden zijn. Op zo’n vraag  kan niemand een eenduidig antwoord geven. Meningen verschillen, antwoorden verschillen. Als we toch iets zouden moeten kiezen, merken we vrij snel dat het geen simpele keuze is. Het is dan ook moeilijk om één specifiek iets aan te halen, aangezien het misschien samenhangt met iets helemaal anders. Een ander obstakel waar we mee te maken krijgen, is het feit dat iedereen anders denkt. De ene persoon heeft bepaalde waarden en normen, terwijl die van een andere persoon er misschien lijnrecht tegenover staan.    Toch ben ik er van overtuigd dat er iets bestaat dat even mooi is als andere zaken in het leven, maar daarnaast al die andere dingen overstijgt. Wanneer men het woord dankbaarheid hoort, kijkt men soms vreemd op. Het is immers niet makkelijk om er een definitie aan te geven. Toch blijft dankbaarheid iets van alle tijden. Ook is het iets dat op bijna iedereen toepasbaar is. Mensen met financiële problemen kijken naar wat ze wél hebben in plaats van het omgekeerde te doen. Daar zijn ze dankbaar voor. Maar niet alleen mensen met moeilijkheden doen dat, ook personen die succes ervaren in het leven drukken hun dankbaarheid uit. Dit doen ze weliswaar niet allemaal even opvallend, maar ze doen het wel. Denk maar aan een voetballer die na het maken van een doelpunt naar de hemel wijst. Of een persoon die een geschenk krijgt en daarvoor ook dankbaarheid schenkt.   Het is niet alleen belangrijk om dankbaarheid te schenken. Het is minstens zo leuk om dankbaarheid te ontvangen van een ander. Daarmee kunnen we een connectie maken naar iets anders wat men hoog in het vaandel zou moeten dragen: behulpzaamheid. Er is niets zo leuk als mensen kunnen helpen. Dat geeft een gevoel dat onbeschrijfelijk verklaard zou moeten worden. Desondanks kunnen we er toch twee belangrijk elementen uit halen: voldoening en rust. Mensen helpen geeft ons een gevoel van voldoening; het gevoel van iets te betekenen voor een ander. Daarnaast ervaren we een gevoel van rust nadat we iemand geholpen hebben. Innerlijke rust. Iemand anders helpen zorgt ervoor dat we een bepaalde rust binnenin ons lichaam creëren. Zeker als die persoon daar bovenop dankbaarheid in de plaats geeft. Dat is de sleutel waarmee vele deuren in het leven open gaan.  

Wout Debast
0 1

Te hoge corti-wat??

Naar aanleiding van het moderne woord burn-out en de kans van te hoge cortisol daarin:    Na een nacht eindelijk goed slapen, waar ik eigenlijk al maanden op zat te wachten. Stond ik met een glimlach op. Voor het eerst in weken voelde het goed aan om gelukkig te zijn. Voelde het geluk van blij zijn als een wereldwonder.   De zon scheen en zo bleek de natuur ook mee te voelen met mij. Het was een koude dag, maar zonnig. Want we deelden de kracht van geluk door de zonnestralen. Maar nog niet zonnig genoeg om het zomergeluk te delen. Het is nog een lange weg, maar dit is een begin. Het begin om niet uit een diep dal te klimmen. Maar een fysiek dal waarbij het mentale ver weg verborgen zat. Mentaal zat ik goed in mijn vel. Veel zin in al mijn dromen waar te maken, veel levenslust. Ik zal en wou iets van mijn leven maken. Maar dat was niet van mij af te lezen. Slapen, weinig eten en stilte. Dat was het enige wat ik deed. Het was te zien aan mij dat mijn lichaam uitgeput was. Maar alles wat ik alleen maar wou was leven, gewoon bezig zijn en dromen waar maken. Want ik was effectief gelukkig, wat vele dachten dat ik weer een depressie nabij was voelde ik me gelukkiger dan ooit. Maar door al die periodes van ongeluk was mijn lichaam uitgebrand. Het vuur dat me kracht gaf om door te gaan, om geluk in de assen te zoeken, was uit. In de assen was inderdaad geluk gevonden, maar de energie van het vuur, de warmte dat ervan af kwam was weg. Geen warmte voor energie aan te maken voor mijn cellen. Geen voeding voor mijn hersenen om mijn concentratie de volle loop te laten gaan. Maar mijn ziel (de assen) was eindelijk wat ik altijd wou.   Maar is dit nu echt de oplossing? Geluk vinden door fysiek er onder door te gaan? Toen ik terug warmte van de zon kreeg, voelde ik me terug fysiek aanbranden. Ik vond terug die kracht om de warmte in mijn cellen te laten gloeden. De zon gaf me terug kracht. Kracht om persoonlijk het vuur met de hand aan te steken. Maar aangezien ik geen geleerde campeerder ben, vraagt dit tijd. Ik weet nu de handelingen om het vuur aan te krijgen, maar ik geef mezelf leertijd om dit effectief te laten branden. En het vuur terug te laten branden. Zodat ik mijn leven terug normaal, maar anders kan leven. Zodat het vuur nooit meer uit gaat en ik een geleerde campeerder van mijn leven wordt. Dat mentaal en fysiek hand in hand gaan bij wandelingen en natuur mijn leidraad wordt. Ik ben er klaar voor om de weg vol natuurlijke obstakels te doorstappen en na verloop van tijd de berg omhoog te klimmen en de vlag van mijn leven te plaatsen. Met besef dat ik het heb bereikt, ik heb de grens van mentaal en fysiek beklommen en heb het gehaald. De berg van mijn lichaam, een zware tocht maar het is het zo waard.

DePauwLynn
0 0

Jij, superheld!

Sterke vrouwen. Sterke papa's. Sterke ouders. Ik heb er vandaag één ontmoet. Fulltime mama van twee, zo goed als alleen. Dag en nacht. Respect en bewondering zijn hier op hun plaats. Het ouderschap wordt vaak als vanzelfsprekend bevonden. Dat is het niet! Ieder gezin heeft zijn eigen rugzak, waarop het soms moeilijk om dragen is. Ik kijk dan naar bewust ongehuwde moeders. Alleenstaande vaders. Ouders die geen keuze hebben, een dubbel leven opvoeden moet. En meer... elke andere situatie die zijn of haar bewegingsruimte mist. Laten we even stilstaan. Over het leven vóór kinderen en erna. Over het veel te vroeg ontwaken en de verhaaltjes voor het slapengaan. Over de onderbroken nachten. Het waken. Over de vrijheid die je mist, de drang om het "goed" te doen. De verantwoordelijkheid die we dragen. Over de liefde die we geven en omarmen. De glimlach die we lezen. Ons eigen geluk dat we op handen dragen. Over ons eigen bloed, ons eigen leven, die we nu in tweeën delen. Over de kleine zorgen en de grote. Het ziek zijn, het beschermen. Het gemis naar dat deel van ons leven als ze logeren gaan. De hunkering om even alleen te zijn wanneer dit nodig is. Het niet meer kiezen, er gewoon voor gaan. Onze intuïtie achterna. En hopen op het juiste resultaat. Over de keuzes die we moeten maken, voor hen, soms hartverscheurend. Wonden die we moeten helen, traantjes om te drogen... Te luisteren, te begrijpen en te leren. Te spelen. We doen het allemaal. Het is één pakket. Geen proefperiode, of bepaalde tijd. Constant en altijd. Allemaal op 24uren tijd. Vanzelfsprekend? Ik dacht het niet! Laten we erover praten. Het bespreekbaar en niet vanzelfsprekend maken. Alstublieft!?

Kelly Buysse
0 0

Een bocht naar rechts, een bocht naar links

Als je door mijn raam kijkt, zie je een baan die donker kleurt onder windwolken. Regenvlagen spoelen dagen weg, maar de straat geeft niet op. Die zal er altijd blijven. Naast de klaprozen die zich verspreiden over de velden rondom. Vanuit mijn raam, zie je de weg twee bochten nemen. De eerste is naar rechts, de tweede naar links. Alsof het weet dat het fout zit, maar er niets aan kan doen. Het moet die mogelijkheden nemen, die ervaringen van beweging opzoeken. De wandelaars moeten proeven van het leven, maar ook niet al te veel. Te links of te rechts en je komt uiteindelijk op hetzelfde punt terug terecht. En een straat weet dat het leven zo niet in elkaar zit.   Na de eerste bocht naar rechts, herinneren kleurrijke paaltjes dat er een gasleiding onder de grond zit. Je kan maar beter op de baan blijven, ook al spoort de straat je aan om af en toe de zachte grond op te zoeken. Aan beide zijden van de baan is er geen voet- of fietspad. Het asfalt helt wat naar beneden en groet daar het gras. Wandelaars kunnen gerust zijn, ook al komt er een wagen aan, ze hebben steeds een plek om veilig te staan.   Tijdens mijn jeugd werd de straat ooit opengebroken. Een geraamte slingerde maar wat voort. Het gezicht verdwijnt onder voortdurend gestamp van gemeentewerkers. Na verloop van tijd komt het terug. Het slingert niet meer, het waadt door het landschap. Terug de bocht naar rechts, daarna de bocht naar links en hup, verder naar het volgende dorp. Over het kruispunt, maar daar eindigt een kleine wereld.

Simon Sileghem
0 0
Tip

Koel bewaren

Het is waar wat ze zeggen. Dat de tijd plots stilstaat wanneer er iets ergs gebeurt. Alsof de wereld stopt met bestaan en alleen jij er nog toe doet. Zo voelt het. Tien minuten geleden was ik nog gewoon onderweg naar het werk, nu weet ik niets meer. Alleen dat ik het koud heb, ook al is het buiten bijna dertig graden. In een roes zie ik hoe de tram zijn deuren opent en mensen uitstappen. Het signaal van de deuren piept. Ik kan niet blijven zitten. In een impuls neem ik mijn tas van het zeteltje naast me en haast me door de openstaande deuren. Net op tijd. Ik sta verdwaasd in een tramhalte die ik niet ken, op een plek waar ik nog nooit ben geweest. Het felle zonlicht doet pijn aan mijn ogen. In mijn linkerhand houd ik nog steeds mijn telefoon geklemd. Ik moet dit aan iemand kwijt. Iemand moet me helpen. In een reflex druk ik in mijn contactenlijst op haar naam en breng het toestel naar mijn oor. De telefoon gaat over, maar neemt niemand op. Natuurlijk. Ik probeer mijn vader. Na amper een tel hoor ik zijn zware stem aan de andere kant van de lijn. ‘Dag jongen.’ ‘Papa.’ Mijn kin trilt. Ik voel dat ik huil. ‘Ja?’ Ik hoor hoe hij van zijn koffie slurpt. ‘Papa, ze is er niet meer.’ ‘Rustig. Wat bedoel je?’ ‘Lisa.’ Mijn stem slaat over. ‘Ze is er niet meer.’ ‘Wat wil dat zeggen?’ ‘De politie heeft haar gevonden.’ Dat is het moment waarop ik breek. Mijn ademhaling schiet de hoogte in en ik begin ongecontroleerd te huilen. Dit gebeurt allemaal echt. Ik beeld het me niet in en ik zit niet vast in een droom. Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. Mijn tranen lopen dwars over mijn wangen naar mijn lippen. Met het puntje van mijn tong lik ik aan mijn lippen.  Ze proeven zout.             ‘Zeg me waar je bent, ik kom je halen.’ Ik hoor de ontsteltenis in zijn stem en begin nog harder te huilen. Ik dacht dat vaders alles voor hun kinderen konden oplossen.     **** Welke douchegel ik wilde gebruiken. Dat is het laatste wat ik me kan herinneren van mijn oude leven. Ik had het rode en het witte busje geopend om afwisselend aan beiden te ruiken. Harde stralen stroomden over mijn kruin. Ik weet nog dat ze allebei zoet en vrouwelijk roken, net als Lisa. Ik koos uiteindelijk voor de rode en zeepte me grondig in. Ik weet niet meer juist hoe laat het was, alleen dat ik nog tijd genoeg had om rustig te douchen en te ontbijten. Ik was die ochtend nog in een halve slaaptoestand geweest toen Lisa was vertrokken. Ze zou naar een congres in Nederland gaan en was heel vroeg opgestaan. Ze had me niet willen wekken, maar ik was wakker geworden van de dichtslaande deur. Tot straks lieverd, had ik nog geroepen. Ze had niet meer geantwoord. Toen ik wist nog niet dat straks nooit meer zou komen. Achteraf bleek dat er helemaal geen congres was, maar dat ze een dag vakantie voor zichzelf had genomen. Ze had alles tot in de puntjes geregeld. Zoals altijd. Ik had al die tijd geen idee waar ze mee bezig was. Hoe ze zich gevoeld moet hebben. Hoe en wanneer ze dit allemaal was beginnen plannen. En waarom. Papa zegt dat we dat nooit zullen weten en dat ik mezelf niet verantwoordelijk mag voelen. Ik wou dat ze me had betrokken. Of dat ze me desnoods mee zou genomen hebben. Alles om maar niet alleen te moeten achterblijven.   ****   Op de poster staat een knappe oudere man met een brede glimlach.  Zijn haren zitten onrealistisch perfect in model. Hij steekt zijn rechterhand naar me uit. ‘Wij geven u het bijzondere afscheid dat u verdient’, staat in vette letters boven zijn hoofd gedrukt. Ik heb zin om over te geven. Er zitten nog vier andere mensen in de wachtruimte. de jonge vrouw links van me heeft haar blik strak op de punten van haar pumps gericht, de corpulente man in een trainingspak over me bladert door een magazine dat hij van de tafel heeft genomen. Zijn luide ademhaling vult de hele wachtruimte. Ik kijk naar mijn eigen handen terwijl ik zacht met mijn vingers op mijn dijbenen tokkel. Mijn billen plakken door mijn broek heen tegen het stalen zitvlak van wannabe design stoel. Ik heb het koud.             ‘Meneer De Bruyn?’ Mijn naam wordt afgeroepen door een knappe jonge vrouw in de deuropening. Geen idee waar ze plots vandaan komt. Ik knik en loop achter haar aan een smalle glazen gang door, tot ze me een kantoorruimte binnen leidt.             ‘Gaat u rustig zitten, meneer. Kan ik u iets te drinken aanbieden?’ Alweer diezelfde smakeloze stoelen. Ik schud geluidloos mijn hoofd en neem plaats aan haar bureau. Ze schenkt toch een glas water voor me uit.   ******* Binnen 4 minuten is de tram er. Er staan nog een hoop andere mensen te wachten op het perron. Ik heb het onbehaaglijk warm in mijn jas, ook al schijnt de zon vandaag niet. Het handvat van het plastieken zakje snijdt in het vel van mijn vingers. Mijn handen zweten. Ik open het zakje en neemt het donkergrijze potje in mijn linkerhand. Het voelt koel aan. Of ik graag een beetje van haar assen mee naar huis zou nemen, hadden ze gevraagd. Als aandenken. Ik vond dat een raar idee, maar durfde geen nee zeggen. Het aanbod afslaan zou onverschillig overkomen, dacht ik. Dus sta ik hier met een plastieken zakje in mijn linkerhand. Links van mee zijn twee zwarte mannen hevig in gesprek. Ze praten luid en gesticuleren met veel animo, zonder op te merken dat ik naar hen kijk. Aan de overkant van het perron staat een jonge vrouw met een volle boodschappentas te wachten. Ze heeft een draagdoek om haar buik gebonden en kijkt verveeld naar de stoep terwijl haar hand op het hoofdje van haar baby rust. Nog wat verder staat een jong meisje, hoogstens een jaar of tien. Zouden ze aan me kunnen zien hoe ik me voel? Zou mijn gedrag verraden dat ik een dode in een plastiek zak draag? Het lijkt alsof ik elk moment betrapt zou kunnen worden op iets waar een flinke straf op staat. Alsof ik net een bank heb overvallen en de volledige buit in mijn tas draag. Terwijl de wereld om me heen nietsvermoedend en meedogenloos verdergaat, weegt de kostwaarheid van het zakje zowel op mijn lijf als mijn gemoed. Ik moet extra voorzichtig zijn. In een flits zie ik mezelf struikelen struikel en de assen van mijn overleden vriendin per ongeluk over het voetpad heen strooien. Mijn overleden vriendin. Dat klinkt onwezenlijk. En toch is het waar. Ze is overleden. Ze is ook mijn vriendin. Tenminste, ze was mijn vriendin, tot ze besliste dat ze dat niet meer wilde zijn. Tot ze besliste dat ze helemaal niets meer wilde zijn. Een paar dagen geleden kroop ze ’s avonds in bed nog tegen me aan met haar warme lijf. Ik had haar billen en haar buik geaaid en haar goedenacht gekust. Ik dacht dat alles ok was. Nu houd ik haar in mijn linkerhand. Een koud stalen doosje in een verfrommelde plastieken zak. Zou ze zeker een minachtende opmerking over die zak hebben gemaakt, moest ze hier zijn geweest. Maar ik was niet op de vraag voorbereid geweest, en iets anders had ik niet op zak. De tram komt aan met piepende remmen. Het is een oud model, met harmonicadeurtjes en een vuil trapje. Ik wandel door tot de achterkant van het perron, neem de laatste ingang van de tram en loop naar de achterste zitbank. Er loopt niemand meer achter me. Op de stoffen bekleding van het zitje plakt een vlek van een uitgesmeerde kauwgom. Ik sla mijn jas dicht en ga toch zitten, met het zakje op mijn schoot. Het stalen potje heeft de grootte van een koffietas en weegt verrassend veel voor zijn omvang. Ik heb geen idee wat ik ermee moet. Waar ik het moet zetten. Misschien is het beter de assen uit te strooien in de tuin en er een boom op de laten groeien. Kersen, dat at ze graag. Maar zouden haar ouders dat wel op prijs stellen? Of hebben die hun eigen potje meegekregen? En als ik haar uitstrooi in de tuin, gaan de assen dan niet gewoon vliegen in de wind? Er zit een krop in mijn keel. Mijn linkerhand glijdt werktuigelijk in het zakje en sluit zich als een bankschroef om het potje heen. Het gladde, koele staal heeft iets erotisch. Ik moet het openmaken. Ik heb een aanwijzing nodig. Dat dit werkelijk is wat er van haar overblijft. Dat dit alles is wat er van haar overblijft. Ik moet het voelen. Misschien kan ik me dan bij haar beslissing neerleggen en verdergaan waar ik gebleven was. Of opnieuw beginnen. Zouden ze me het daarom hebben meegegeven? Als bewijsmateriaal. De enige manier om de realiteit te vatten en de waarheid onder ogen te zien. Om haar in leven te houden of te herdenken. Het lijkt wel een rekwisiet uit een Harry Potter-film. Traag draai ik het deksel open en breng ik het potje naar mijn neus. Ik had ergens gedacht een verbrande geur te zullen herkennen, maar het ruikt helemaal nergens naar. Voor ik het goed en wel besef, verdwijnt de wijsvinger van mijn linkerhand in de donkergrijze massa. De aanraking van mijn vingertop met de as voelt fluweelzacht, bijna sensueel. De fijne samenstelling kraakt tussen mijn vingers als verse sneeuw. Een koude rilling kruipt langs van mijn staartbeen omhoog langs mijn ruggengraat en nestelt zich in mijn fontanel. Een nieuw soort opwinding maakt zich van me meester. Ik duw mijn wijsvinger opnieuw omlaag in het potje en blijf die hypnotiserende handeling herhalen tot ik zeventien haltes later plots besef dat dit mijn stop is.     Thuis zet ik het potje met een metalige klik op de tafel. Het past hier niet. Het strakke staal past niet in ons warme, huiselijke appartement. Het appartement dat we samen zo zorgvuldig hebben ingericht. Dat doordrongen is van haar aanwezigheid en van haar geur. Het klopt niet. Met mijn jas en schoenen nog aan ga ik aan het bureau zitten en probeer een paar keer tevergeefs de krop in mijn keel weg te slikken. Ik sla mijn laptop open en google ‘Hoe menselijke assen bewaren’ Blijkbaar kan ik een diamant laten maken van het stoffelijk overschot. Of in een dildo bewaren, moest ik een urne te saai vinden. Ik staar enkele minuten voor me uit, op zoek naar een passende oplossing. Zelfs het internet kan me niet helpen. Ik zucht, wandel naar de keuken en schenk een glas frisse cola voor mezelf in. En dan weet ik het. De enige plek waar ik minstens drie keer per dag met haar aanwezigheid geconfronteerd word, maar waar ze niet de hele kamer naar zich toe zuigt. Ik neem het potje van de tafel, bekijk het een laatste keer langs alle kanten en zet het dan in de deur van de ijskast, naast de eieren.  

Annelies Leysen
2 1

Free to choose?

Zaterdag 19 januari 2019 was een dag om nooit te vergeten. Na lange, donkere maanden klaarde het firmament op. De prille voorjaarszon verblijde de kakelwitte wintergezichten van de uitgelaten soldenshoppers. Mijn moeder vierde haar zestigste verjaardag in een poepchique restaurant in mijn Kempische Heimat op de purperen hei. En ik werd wakker met het vaste voornemen om een rolmeter te kopen in het centrum van Antwerpen. Een ijdele onderneming, want in onze shopzieke Metropool is is alles te koop, behalve wat je echt nodig hebt.   De eerste halte van mijn queeste was de Delhaize. Maar nog voor ik de Grote Supermarkt aan de Meir bereikte, werd mijn zoektocht danig in de war gestuurd door een ge-automobiliseerde colonne marktgangers en soldenshoppers uit het vlakke Vlaamse land die een file veroorzaakte op de Antwerpse ring, de Leien, het Theaterplein en zo tot aan Hopland, waar ook mijn eerste bestemming lag. Minstens drie dozijn keer werd ik op mijn bescheiden tweewieler opzij getoeterd, neergebliksemd, plat gescholden of simpelweg dood gestaard door imbecielen, wier abominable rijgedrag merkwaardig genoeg wordt aangemoedigd door het politieke uitschot dat het ooit raadzaam vond om een paar hectare ondergrondse parking te graven in het historisch centrum van Antwerpen, op slechts een paar honderd meter van een station, dat zo groot is dat het in de volksmond wel eens de Spoorkathedraal wordt genoemd.   Toen ik na eindeloos getoeter en gescheld eindelijk mijn fiets had vastgeketend in een fietsenstalling kon de eigenlijke zoektocht beginnen. Die helletocht bracht me niet enkel in de Delhaize, maar eveneens in de Action, Kruidvat, Hema, Blokker, MediaMarkt, Ava en nog een stuk of 26 andere winkels, waar ik kon kiezen uit 96 verschillende soorten inpakpapier, 35 merken parfum, 38 pas uitgebrachte kookboeken van steeds hetzelfde handvol TV-koks die elke Vlaming lijkt te kennen behalve ik, 346 variëteiten iced tea, 391 soorten thermisch ondergoed,13 varianten zoutkristallen uit de Dode Zee, en minstens 5.000 verschillende dieet, proteïne- en vitamineshakes.   Elke menselijke onlust werd op zijn wenken bediend tijdens dit festival van de overdaad. Moeren, hamers, schroevendraaiers en rolmeters schitterden echter in afwezigheid in dit zelfbenoemde centrum van de wereld. Blijkbaar zijn duurzame werktuigen te banaal voor het terminaal hippe Antwerpen.   Vier uren na het begin van mijn queeste was ik tientallen euro’s armer, maar een rolmeter had ik nog steeds niet. Mijn hersenpan implodeerde onder de constante druk van de penetrante parfumlucht, het eindeloze geleuter, de verkeersopstoppingen, de krijsende mensenlarven, de hondenstront, het afval, het fijn stof, de ozon en de kleinburgerlijkheid van de consumerende kudde die zich op zaterdagen als de deze op Antwerpen stort als een Pruisische bezettingsmacht.   Ik keek op mijn horloge, beschouwde de stand van de zon, overliep de resterende opties in mijn hoofd, en keerde vervolgens verslagen huiswaarts — zonder geld en zonder rolmeter. Overmaatse winkelzakken van Benetton, Fnac, Vans en Ici Paris XL bengelden in mijn handen. De avondlijke soldenzon doofde in mijn gezicht als assen in een dikke laag sneeuw. En toen ik even later mijn voordeur opende werd ik verteerd door een intens verlangen naar een wereld zonder keuzes, naar de Sovjet-Unie — het Land van Ooit, het Rijk van Juist Genoeg, waar een mens in alle rust en vrede kon shoppen, al was het maar omdat je al blij mocht zijn als er iets in de rekken lag.

Pieter Van der Schoot
0 0

Verbondenheid in de ziekenhuiskamer

De vrouw naast mij op de kamer was 71 jaar oud. Ze was bang en had pijn. De dokters bevestigden twintig nietjes in haar onderrug. En wanneer ze pijn had, deed het deugd om te praten. Ze vroeg of ze met mij kon praten. Ik had daar absoluut geen probleem mee. Want ik kon ook best wel wat afleiding gebruiken.   We waren allebei geopereerd door dezelfde dokter. Alleen kon ik al na een nacht terug uit bed en zij niet. De eerste nacht was voor beiden de moeilijkste. Ik hoorde haar soms huilen in haar bed. Ze schaamde zich en ik vertelde haar dat het niet hoefde.   Het gordijn tussen onze beide kamerdelen was gesloten voor de nachtrust. Dat had de verpleegster gedaan. Toen het ochtend was, vroeg ze me of ik al wakker was. "Ik moet je iets vertellen" zei ze. "En je zal waarschijnlijk lachen maar dat geeft niet." Ik schoof het gordijn opzij en beloofde plechtig om niet te lachen.   "Ik kan niet slapen als ik niet heb gebeden. Ik heb gisterenavond voor iedereen die het nodig heeft gebeden. Ook voor u zodat je snel terug voor je kinderen kan zorgen." Haar gebaar ontroerde me. Ik vertelde haar dat ik nooit met zoiets zou lachen want dat ik die avond ook had gebeden. En ook voor haar, dat ze niet teveel pijn zou hebben die nacht. Het was mooi om in die kamer te liggen met haar. Geloof komt in de media en het dagelijks leven vaak voor als iets wat ons uiteen drijft. Maar daar, die negende februari in die ziekenhuiskamer, zorgde het voor verbondenheid tussen ons. Tussen jong en oud, twee tot voor kort onbekenden. Iets wat me, ondanks de pijn, heel dankbaar stemde.

Alice Bremt
0 0