Lezen

De zachte dood en de harde rails, tussen infuus en spoor

Het was een van die avonden waarop mijn rijhuis in Heist aan Zee stil genoeg was om de golven in de verte te horen rollen. Ik, Stefan, treinbegeleider sinds een 1  jaar, zat aan de keukentafel met een glas alcoholvrij bier dat ik nauwelijks aanraakte, en keek naar de muur waar nog steeds de oude kalender hing van mijn tijd als thuisverpleger. De data waren allang verlopen, maar de herinneringen niet. Buiten viel de regen zachtjes tegen de smalle gevel, vermengd met de zoute wind die vanaf de duinen kwam aanwaaien, zoals altijd in deze rij van bakstenen huizen die allemaal op elkaar leken en toch elk hun eigen stilte droegen. De zee was dichtbij, je hoorde haar ’s nachts ademen, een laag, constant geruis dat nooit helemaal zweeg, alsof ze de doden die ik had gezien nog steeds meevoerde in haar ritme. Binnenin mij hing dezelfde melancholie die me al jaren vergezelde. Niet de scherpe pijn van woede, niet de koude kilte van oordeel, alleen een diep, drukkend gevoel om hoe dezelfde dood twee totaal verschillende gezichten kan hebben. Euthanasie toen, zelfdoding nu. Zelfde resultaat: een mens die ophoudt te ademen. Maar de weg ernaartoe, de manier waarop, de echo die het achterlaat – dat is een wereld van verschil. Maatschappelijk en menselijk. Vroeger, als thuisverpleger in de straten van knokke en de omliggende dorpen, was euthanasie iets wat ik leerde kennen als een ritueel dat bijna beschaafd was geworden. België had het geregeld, met wetten en commissies en papieren die alles in goede banen leidden. Mensen belden me niet in paniek, maar met een soort rustige vastberadenheid. “Stefan, het is tijd.” Dan reed ik naar een huis in de Dumortierlaan of de Lippenslaan waar de geur van verse koffie al in de gang hing en de familie in de woonkamer zat alsof ze een verjaardag vierden die niemand wilde vieren. Zo herinner ik mij een man van achtenzeventig met pancreaskanker, zijn lichaam uitgeput maar zijn geest nog helder. Hij had zijn testament getekend, zijn kleinkinderen nog één keer geknuffeld, en nu lag hij in zijn eigen bed, met schone lakens en een foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje. De huisarts kwam, de tweede arts voor de controle, en ik bereidde de spuiten voor. Er was geen haast, geen drama. Er was een gesprek. “Ik kies dit,” zei hij, en iedereen knikte, met tranen maar zonder verwijt. De injectie ging traag, de ademhaling werd rustiger, en dan was het voorbij. Geen bloed, geen ravage. Alleen een lichaam dat er vredig uitzag, alsof het eindelijk mocht rusten. De familie bleef zitten, dronk nog een kop koffie, praatte over hoe hij altijd had gehouden van de zee. Daarna belde ik de begrafenisondernemer. Het was netjes. Het was humaan. Westerse waarden, noemden ze het: autonomie tot het bittere einde. De samenleving had besloten dat dit een recht was, geen zonde. En de naasten gingen naar huis met een afgerond verhaal. Ze konden zeggen: “Hij heeft het zelf beslist. We waren erbij.” Geen gapend gat van onwetendheid, geen schuld die als een steen op hun borst lag. Rouw, ja, maar een rouw met contouren, met een begin en een einde dat ze zelf hadden meegekleurd. Ik herinner me een vrouw in heist aan zee, begin zestig, met een neurodegeneratieve ziekte die haar langzaam had opgeslokt. Ze kon nog praten, nog lachen om een mop over de burgemeester van Knokke die de lapnaam Pietje Poep had, maar haar lichaam was een gevangenis geworden. Haar man zat naast haar, hield haar hand vast terwijl ik de medicijnen klaarmaakte. “Dank je, Stefan,” zei ze tegen mij, en tegen hem: “Ik hou van je, tot in de volgende wereld.” De spuit ging in, haar ogen vielen dicht met een zucht van opluchting, en de kamer vulde zich met een stilte die bijna heilig aanvoelde. Geen treinbestuurder die schreeuwde in zijn cabine, geen passagiers die mopperden over vertraging. Alleen een dood die paste in het leven, die de familie een laatste moment van waardigheid gaf. Maatschappelijk was het geaccepteerd, bijna gevierd als vooruitgang. Kranten schreven erover als compassie, artsen spraken erover op congressen, en ik naar huis met het gevoel dat ik iets had bijgedragen aan een zachte uitweg. De naasten droegen het mee als een erfenis, niet als een wond die nooit heelde. Ze konden rouwen zonder de eeuwige vraag: “Had ik het kunnen voorkomen?” Want het was niet voorkomen, het was gekozen. Met getuigen, met handtekeningen, met liefde die nog op tijd was. Nu, als treinbegeleider, is het anders. Heel anders. Zelfdoding – het woord alleen al voelt ruw in de mond, alsof het niet thuishoort in een beschaafde zin. Het komt niet met een telefoontje en een afspraak. Het komt plots, als een klap op een dinsdagochtend wanneer de centrale belt: “Incident op het spoor, chef.” En dan weet ik het. Iemand heeft gekozen voor de rails. Niet met een infuus en een arts, maar met een sprong in het niets, een lichaam dat wordt verscheurd door metaal en snelheid. Hetzelfde resultaat: leven dat stopt. Maar de modus operandi is een breuk met alles wat netjes is. Geen schone lakens, geen familie aan het bed. Alleen bloed op het ballastbed, stukken die de hulpdiensten in zakken stoppen, en een treinestuurder die daarna maanden niet slaapt.  Een jonge vader uit Brugge, net gescheiden, die bij Lichtervelde op de sporen sprong. Geen briefje, geen waarschuwing voor zijn kinderen. Alleen een tas met een portemonnee en een sleutelbos die later aan de politie werd gegeven. De trein staat stil, de treinbegeleider loopt door de rijtuigen met uitleg en excuses, terwijl binnenin hem de melancholie en weemoed opwelde als de regen buiten. En de familie, die kreeg later het nieuws via een politieman die aan de deur belde. Geen afscheid, geen hand die ze vasthielden. Alleen een lichaam dat niet te herkennen was, en de vraag die hen zou achtervolgen tot in hun dromen: “Waarom heb je niet gebeld? Waarom heb je dit gedaan? waarom heb je.....?”  De maatschappij kijkt anders naar zelfdoding. Het is geen recht, het is een falen. Geen wet die het omarmt, geen commissie die het goedkeurt. Het is taboe, het is statistiek in een rapport, het is iets waarover we spreken met zachte stemmen en preventieposters op stations. Oja en dat verdomde nummer van de zelfmoordlijn als het nieuws op VTM uitvergroot triestig wordt gebracht. Maar het gebeurt. 3 keer per week. En het laat sporen na die euthanasie nooit nalaat. De naasten dragen niet alleen rouw, ze dragen schuldgevoel. Een gevoel die de samenleving hen onbewust tracht uit het hoofd te praten: “hij was altijd al een stille, het is juist van dat soort dat ge moet opletten....” Geen laatste woorden, geen “ik kies dit”. Alleen een leegte die schreeuwt. Geen koffie met de familie, geen speeches op de begrafenis over een moedige keuze. Alleen een graf dat te vroeg was gedolven, en kinderen die opgroeiden zonder een vader die nog eens gedag had gezegd. Voor de treinbestuurder was het een trauma dat in de rails bleef liggen, zichtbaar en voelbaar. Ik zit hier in mijn rijhuis in Heist aan Zee, en denk aan het verschil dat zo klein lijkt en toch alles verandert. Zelfde einde: stilte in een borstkas. Maar euthanasie is een gesprek dat eindigt in vrede. Het is voorbereid, het is getuigd, het is maatschappelijk goedgekeurd als een laatste vrijheid. De patiënt beslist, de verpleger helpt, de naasten nemen afscheid met een kus en een bedankje. Ze gaan naar huis met een verhaal dat ze kunnen vertellen: “We hebben hem laten gaan zoals hij wilde.” Rouw met een kader, met foto’s die nog lachen, met een uitvaart waar iedereen zegt dat het mooi was. Zelfdoding op het spoor – of waar dan ook, maar voor mij altijd op die rails – is een explosie zonder publiek. Het is een schreeuw in het donker, een dood die niemand ziet aankomen behalve de bestuurder en de kraaien die later komen. De naasten krijgen geen handdruk, geen “dank je”. Ze krijgen een telefoontje, een identificatie in een koud mortuarium, en daarna de nachten vol “wat als”. Wat als ik beter had geluisterd? Wat als ik die avond was gebleven? Maatschappelijk is het geen triomf van autonomie, het is een symptoom van een samenleving die faalt. We hebben euthanasie getemd tot een medische procedure, maar zelfdoding blijft wild, oncontroleerbaar, en het scheurt de levenden in stukken. Ik vind dat dit anders mag, maar hoe: ik heb geen flauw gedacht. Toch denk ik dat het slachtoffer liever een autonome trein zou nemen als middel dan het leven van een treinbestuurder te hypothekeren.  Soms, in dit rijhuis en de kleine achtertuin die uitkijkt op de buren en verderop de duinen, typ ik ’s avonds op de oude computer wat zinnen die niemand ooit zal lezen. Over hoe ik van thuisverpleger naar treinbegeleider ben gegaan, en toch dezelfde dood blijf tegenkomen. De ene dood is een zachte hand die je begeleidt naar de deur. De andere is een trein die je meesleurt. Bij euthanasie blijft er ruimte voor liefde, voor woorden, voor een laatste blik die zegt: het is goed zo. Bij zelfdoding blijft er alleen de echo van de klap, de schuld die zich nestelt in de harten van moeders, vaders, kinderen. Geen commissie die het voorkomt, geen infuus dat het verzacht. Alleen de vraag die nooit beantwoord wordt, en de melancholie die blijft hangen als de regen op het dak van dit rijhuis, vermengd met het zout van de Noordzee die nooit ophoudt met fluisteren. Ik sta op, loop naar het raam en kijk naar de straat. De buren hebben hun lichten al uit, de rijhuizen staan in het donker als stille getuigen van al die levens die hier aan zee beginnen en soms te vroeg eindigen. De wind rukt aan de luiken, de golven rollen verderop over het strand, en ik denk na. Aan de patiënt die ik had verpleegd, een leraar, die zei: “Ik wil niet dat men mij zo herinnert me in mijn huidige situatie.” Zijn vrouw had hem gekust, de dokter de dosis gegeven, en de kamer was gevuld met een vreemde rust. De begrafenis was mooi, met bloemen en speeches. De kinderen spraken over papa’s keuze. Ze droegen het als een erfenis, niet als een wond. Euthanasie is een gesprek, een handdruk, een einde met getuigen. Zelfdoding is een schreeuw in het niets, een einde zonder publiek, een last voor iedereen die achterblijft. De zee ademt door, hier in Heist aan Zee. Ik drink mijn kop koffie leeg, niet omdat ik dorst heb, maar omdat de avond dat vraagt. En ik denk: misschien is dat het diepste verdriet. Dat we de dood hebben proberen te temmen met wetten en spuiten, maar dat hij zich toch altijd weer losrukt op de meest brute plekken. Voor de patiënt maakt het niet meer uit. Voor ons, de levenden, maakt het alles uit. De euthanasie laat een stille kamer achter. De zelfdoding laat een gebroken trein achter, en families die nooit meer heel worden. Misschien dat  VTM analisten zoals FAROUK NO-GUINNESS en tafelspringers van de TAFEL VAN GERT het debat dat niemand wil voeren, toch eens wil aanraken…. Dit is het verschil dat ik draag, hier in mijn rijhuis aan zee, tussen twee levens die ik heb geleid. Als verpleger gaf ik een zachte uitweg. Als treinbegeleider kijk ik op tegen de brokstukken. En de melancholie? Die blijft. Als de regen die nooit helemaal ophoudt, als de wind die het zout meevoert, en de golven die altijd verder gaan, ongeacht wie erin verdwijnt.  

treinbegeleider stefan
6 0

Kathy D & Godelieve De Vriendt

Ik wil je voorstellen aan twee vrouwen. De eerste: Kathy D.Kathy D is het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt en dat ge automatisch een beetje rechter gaat zitten. Haar haar valt alsof het geoefend heeft, haar kleren zitten alsof ze ervoor gekozen hebben om haar te passen. Kathy D drinkt geen gewone koffie.Kathy D weet alles over single origin coffee. Ze spreekt dat ook zo uit. Single. Origin.Ze heeft het liefst een slow coffee met havermelk, liefst ergens waar ze het water eerst nog even laten ademen voor ze het schenken. Ze heeft geen ontbijt, ze heeft een ochtendritueel.Ze eet geen yoghurt, ze eet een “bowl”.Ze wandelt niet, ze “neemt tijd voor zichzelf”. Kathy D is niet gewoon aanwezig op sociale media. Kathy D is sociale media. Ze post dingen als: “Grateful for slow mornings” met een foto van haar koffie, haar hand, en een boek dat ze niet echt aan het lezen is. Ze lacht op foto’s alsof iemand net iets heel wijs gezegd heeft.Ze kijkt soms weg van de camera, zogezegd spontaan, maar eigenlijk perfect georchestreerd. Ze heeft meningen die klinken als inzichten en inzichten die klinken als quotes die al duizend keer bestaan hebben, maar bij haar toch weer nieuw lijken. Haar agenda is vol. Niet druk — vol.Met dingen die goed voelen. Dingen die kloppen. Dingen die gedeeld kunnen worden. Kathy D is mooi, dynamisch, zelfbewust, grappig.Maar ook… een beetje te. Ze is de vrouw waarvan ge denkt: ja… zo wil ik ook zijn.En tegelijk: amai, dat lijkt vermoeiend. En dan is er Godelieve De Vriendt. Godelieve is 1 meter 61 en weegt 102 kilo. Ze draagt een grijze rok tot over de knie, bruine Marva-kousen die halverwege de dag al beginnen te zakken, en een blouse met een lichtgele gilet zonder mouwen die al zoveel jaren meegaat dat ze bijna erfgoed is. Haar haar…Haar haar ziet eruit alsof ze elke keer aan de kapper vraagt:“Doe maar gelijk Helmut Lotti.”En dat die kapper dan denkt: meent ze dat nu?En dat ze zegt: “Ja, maar niet te modern, hè.” Haar mond ruikt een beetje naar koffie en naar commentaar dat al een paar dagen op voorhand klaar zat. Godelieve zaagt. Niet luid. Niet dramatisch. Maar constant.  Ze zaagt over de zon.Dat die altijd net verkeerd schijnt.“Te fel als ge buiten wilt zitten, en weg als ge eindelijk uw stoel gezet hebt.” Ze zaagt over de politiek.“Ja… die van Brussel allemaal zakkenvullers” Ze zaagt over de jeugd. Natuurlijk over de jeugd.“Altijd maar op hun gsm.” “En werken? Ho maar.” Ze zaagt over de supermarkt.Dat de tomaten geen smaak meer hebben.Dat ge voor een komkommer tegenwoordig precies een lening moet aangaan. Godelieve heeft geen mening. Godelieve heeft een lopende band aan bedenkingen. Ze zit. Ze kijkt. Ze zucht. En ze heeft altijd gelijk.  Godelieve is niet het soort vrouw dat een ruimte binnenkomt. Ze is het soort vrouw waarvan ge plots merkt: ah ja, die zit hier ook. Ik had ze graag aan je willen voorstellen. Of een foto van hen willen tonen. Maar eerlijk… ze bestaan niet echt écht. Ze zitten in mij. Kathy D is de versie die naar voren stapt. Die denkt: kom, nog een beetje beter, nog een beetje mooier, nog een beetje meer. Die gezien wil worden, gehoord wil worden, die haar koffie fotografeert voor ze hem drinkt. En Godelieve… Godelieve is de dag waarop dat allemaal niet moet. Niemand die denkt:“Daarover moet ik met Katrien babbelen.” Niemand die iets van mij verwacht.Geen oordeel over mijn haar.Geen mening over de psyche van het andere geslacht.Geen plannen. Geen “we moeten echt nog eens”. Gewoon ik.Mijn kat.En Netflix. En als ik dan toch iets zeg, is het waarschijnlijk om te zagen. Over de zon. Over Brussel. Over tomaten. Of over de jeugd. Iemand moet het doen.

Katrien Daniels
58 3

stepping stone theory.

In de jaren 70 van de vorige eeuw merkte ik iets op. De overheid, die destijds, en nu, totaal geen idee had, heeft, hoe ze het opkomende drugsgebruik moest aanpakken, opende overal de jacht op drugs. Omdat cannabis sterk ruikt en een groot volume heeft, was de jacht daarop zeer succesvol. Menig burgemeester en politiecommissaris stond destijds glunderend op de foto voor een tafel vol in beslag genomen kruiden — het ultieme bewijs dat hun beleid vruchten afwierp.Door deze harde aanpak verstoorden ze de cannabismarkt zodanig dat er een tijdlang bijna niets meer te vinden was. "Ik wil eens experimenteren met heroïne," zei mijn broer toen. Ik raakte in paniek. Jaren daarvoor had ik een vriendengroep waarin enkelen hetzelfde zeiden; na nog geen jaar was een normaal gesprek met hen niet meer mogelijk. Het enige waar ze het nog over hadden, was waar ze spul konden vinden, wat het kostte en of het van goede kwaliteit was.Ik overtuigde mijn broer om met me mee te gaan naar de grote stad, waar ik een horecazaak runde. Hij stemde toe en sprak niet meer over heroïne. Twee jaar later overtuigde mijn lieve moeder hem echter om terug te keren naar ons geboortedorp. Hij kreeg 300.000 frank, een nieuwe auto en zij zou een huurhuis voor hem inrichten. De enige voorwaarde was dat hij moest trouwen met zijn oude liefde. Wat mijn moeder niet wist, was dat zij inmiddels geen experimenteerder meer was, maar een heroïneverslaafde.Binnen korte tijd was het geld op en begon de ondergang. In 1999 is mijn broer overleden na jarenlang gebruik. Ik heb dikwijls gedacht: had men cannabis toen maar gelegaliseerd, dan was mijn broer misschien bij cannabis gebleven.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
4 0

Controle als tegenreactie

Mijn behoefte aan controle is niet uit het niets ontstaan, hij is gegroeid in een omgeving waarin controle ontbrak, waarin emoties niet werden opgevangen en grenzen niet duidelijk waren, en ergens heeft mijn systeem besloten dat als niemand het overzicht bewaakt, ik dat dan maar moet doen. Waar mijn moeder losliet of afwezig bleef, ben ik gaan vasthouden, plannen, vooruitdenken, omdat onvoorspelbaarheid voor mij geen kleine ongemakkelijkheid is maar een oud alarmsignaal dat direct wordt geactiveerd zodra iets afwijkt van wat ik had verwacht. Controle geeft rust, maar het is een gespannen vorm van rust, een rust die afhankelijk is van het feit dat alles blijft zoals ik het heb uitgedacht, en zodra dat niet zo is voel ik hoe snel mijn lichaam omschakelt naar alertheid, alsof ontspanning alleen veilig is zolang ik de regie behoud. Ik zie het terug in kleine dingen: hoe ik scenario’s vooruitdenk, hoe ik moeite heb met plotselinge veranderingen, hoe ik sneller corrigeer dan misschien nodig is, niet omdat ik streng wil zijn maar omdat ik diep vanbinnen geloof dat als ik het niet bewaak, het misgaat. Het moeilijke is dat controle ooit een oplossing was, een manier om overeind te blijven in een situatie waarin niemand het voor mij deed, maar dat dezelfde strategie nu soms spanning creëert waar die niet nodig is. Ik sla er niet in door omdat ik macht wil, maar omdat mijn systeem veiligheid verwart met beheersing, en loslaten niet voelt als vertrouwen maar als risico. En toch begint er iets te verschuiven, langzaam, niet groots, maar merkbaar, in het besef dat niet alles wat ik probeer te controleren ook daadwerkelijk van mij is om te dragen. Misschien is volwassen worden voor mij niet leren meer grip te krijgen, maar leren verdragen dat niet alles onder controle hoeft te zijn om veilig te blijven.

Onzichtbaarkind
0 0

Systeemproblemen blootleggen

Meneer Ridouani is een soft, een sissy. Leuven heeft nood aan een kordate, strenge burgemeester. Onder het beleid van Louis Tobback was het allemaal niet waar geweest wat nu gebeurt in ons ' rustige vredige centrumstadje '. Veel inwoners zijn gewoon ontevreden. Punt. Dat de heer Ridouani en de zijnen maar leven in hun leugen, hun bel dat alles goed gaat. In plaats van ons belastingsgeld letterlijk te verspillen aan megalomane projecten zouden ze beter zorgen voor meer vergroening, accommodatie en faciliteiten in de stad als ze dan toch aan ' stadsontwikkeling ' willen doen. Waar blijven die openbare toiletten, douches, speelpleintjes,... voor de mensen? Ik dacht: ik schrijf het hier maar op, op dit prachtige platform, want als ik een mail stuur naar de burgemeester zal deze toch waarschijnlijk niet worden gelezen.  Veel Leuvenaars voelen zich gewoon niet veilig. En dan vragen ze zichzelf af hoe het komt.  Ik ben absoluut geen racist hoewel de criminele vreemdelingen dit zo graag in hun mond nemen dat per definitie alle Vlamingen en Belgen racistisch zijn. Maar zij moeten eens gaan beseffen dat ze volop aan angst conditionering doen met hun gedrag en dat ze mensen schrik aanjagen. Als iemand moedig hen hierop aanspreekt doen ze aan omgekeerd racisme en dat mag niet gezegd worden. Nee dat moet doodgezwegen worden. 's Vrijdags in de moskee naar de boodschap van liefde en respect luisteren en buiten de moskee, na het gebed baldadig gedrag stellen. Hey het zijn allemaal zo' n doetjes en lieverdjes nietwaar meneer Ridouani?  Ik krijg er écht schijt van en stenen kloten. Pasklare oplossingen zijn er niet. We worden nu geconfronteerd met problemen en uitdagingen waar van de zaadjes in een ver verleden zijn gezaaid. Als er toen destijds andere keuzes waren gemaakt had het er misschien anders kunnen uitzien. Wie weet? Ik kan er misschien dan weinig aan verhelpen maar ik ben blij dat ik het heb kunnen aankaarten.  P. Claes, 2026©

Canniball
3 0

Niet alles wat in mij spreekt, is van mij

Ik voel me nog elke dag slecht over mezelf.Niet omdat er steeds iets misgaat, maar omdat die stem er nog is.Die stem die zegt dat ik tekortschiet, te veel ben, of het nooit helemaal goed doe. Die stem is niet ontstaan uit zelfkritiek. Hij is ontstaan uit afwezigheid. Als niemand je leert dat jouw gevoelens ertoe doen,ga je vanzelf aannemen dat ze het probleem zijn. Als niemand blijft wanneer het moeilijk wordt, ga je denken dat jij degene bent die niet de moeite waard is om voor te blijven. Zo wordt emotionele afwezigheid een innerlijke waarheid. Ik heb mezelf jarenlang beoordeeld met maatstaven die nooit van mij waren.Ik noemde het zelfreflectie, verantwoordelijkheid, realisme. Maar in werkelijkheid was het aangeleerde afwijzing. Een oude overlevingsstrategie die bleef hangen toen het gevaar al voorbij was. Het lastige is: die stem klinkt logisch. Rustig. Redelijk. Hij schreeuwt niet, hij concludeert. En juist daarom geloof je hem. Maar hoe vaker ik keek, hoe duidelijker het werd: die stem zegt niets over wie ik ben,maar alles over wat ik heb gemist. Je kunt jezelf niet goed leren zien als niemand je ooit heeft gespiegeld met zachtheid. Je kunt geen zelfvertrouwen opbouwen als je innerlijke wereld nooit welkom was. Dat ik me slecht voel over mezelf, is geen karakterfout.Het is een restant. Een vervolg van een jeugd waarin ik mezelf moest dragenzonder dat iemand het overnam. En misschien is dit het moeilijkste om te accepteren:dit verdwijnt niet zomaar. Niet door inzicht, niet door begrijpen. Niet door harder mijn best doen. Maar het verandert wél zodra ik stop met die stem behandelen als waarheid. Niet elke gedachte verdient geloof. Sommige gedachten verdienen context. Soms is vooruitgang niets anders dan dit: dat ik mezelf niet langer veroordeel voor iets wat ooit nodig was om te overleven.

Onzichtbaarkind
0 0