Lezen

Dagelijkse aandacht 3 januari 2026

De solden zijn begonnen in Antwerpen. Zodra ik de winkel binnenstap, voel ik het: het gangpad is smaller dan vorige week. Niet omdat de ruimte veranderd is, maar omdat alles naar voren is geschoven. Rekken staan dichter op elkaar, jassen hangen met de mouwen verstrengeld, kartonnen pijlen met “-50%” duwen zich in mijn gezichtsveld. Boven het geroezemoes roept een stem: “Laatste stuks”, schel en opgewekt, alsof haast een gunst is. Het licht komt van lage spots die alles warmer maken dan het is. Wol oogt zachter, zwart niet zo definitief. Ik beweeg mee met de stroom, schouder aan schouder, en merk dat mijn handen sneller zijn dan mijn blik. Een trui wordt losgetrokken, tegen mijn borst gehouden, weer teruggehangen. Naast mij doet een andere klant hetzelfde. We kijken niet naar elkaar. Mijn lichaam reageert automatisch: plaats maken, doorlopen, stoppen, weer door. In mijn hoofd begint een inventaris te groeien die niets met maten of prijzen te maken heeft. Wat draag ik echt? Wat ligt achteraan in de kast, ongedragen maar te duur om weg te doen? Wat zou ik kiezen als hier niemand was die keek? Elke jas is tijdelijk. Elke korting ook. Bij de paskamers staat een rij mensen met armen vol textiel en gezichten die al beslissen voordat de spiegel heeft gesproken. Twijfel hangt hier niet in de lucht, hij ligt opgevouwen over elke arm. Solden gaan niet over geld; ze meten hoe snel je toegeeft, hoe makkelijk “ja” over je lippen rolt en hoe zwaar “nee” in je handen ligt. Ze onthullen hoe dun de grens is tussen wat werkelijk bij je hoort en wat je slechts vluchtig wilt vasthouden. Ik koop niets. Niet uit principe, niet uit verzet. Het is geen overwinning. Het is een vaststelling, zoals merken dat je geen honger hebt terwijl het eten voor je staat. Ik heb genoeg vastgehad om te weten wat ik niet nodig heb. Buiten ligt de stad er onverschillig bij. De stoep is dezelfde, het licht ook. Dat verandert niet — en precies daarom kan ik weer ademen. Mephis (aka) Evelyn Mérida   

Mephis
0 0

De verdwijning van Victorie

Katten sterven niet.Katten verdwijnen. Ze zoeken een plek. Een kier waar niemand kijkt. Onder iets, achter iets, uit de weg. En daar gaan ze zachtjes dood. Dat zeggen wij, omdat sterven te groot klinkt voor iets dat zo weinig ruimte inneemt. Victorie is gisteren verdwenen. Ze had van bij de geboorte iets eigenaardigs.We denken een beperking. Ze wandelde in slowmotion, alsof de wereld altijd net iets te snel ging voor haar. Miauwen kon ze nauwelijks. Meer een poging dan een geluid. Ze was vaak afwezig, alsof ze er niet helemaal bij hoorde. Of al wist hoe je dat doet: een beetje niet hier zijn. Victorie leerde van Rudy wat het was om bij een roedel te horen.Honden weten dat. Dat je gezellig doet als iedereen er is. Dat je blijft liggen waar de warmte zit. Katten weten dat niet vanzelf. Die doen hun eigen ding. Maar zij keek naar Rudy. En leerde. Dat je op oude dagen niet verdwijnt naar boven of onder een bed, maar midden in de kamer gaat liggen. Zichtbaar. Aanwezig. Bij ons. We wisten dat het haar laatste dagen waren.2026 zou een mirakel zijn geweest. En toch: 1 januari was ze er nog. Het huis rook naar eten. Restjes. Overschot. Een beetje alles door elkaar, zoals dat gaat op nieuwjaarsdag. We waren stiller dan anders. We aten, maar keken vooral. Waar ligt ze? Ademt ze nog? Is dit het moment?Ze lag midden op de mat. Niet in de weg — dat deed ze nooit — maar ook niet verstopt. Oud. Stil. Versleten. En toch: erbij. Victorie kwam hier ooit binnen als cadeau.Eerste communie van mijn oudste zoon. Ongevraagd. Nog nooit zo kwaad geweest op iemand met een strik rond een doos.Je geeft geen levend wezen cadeau. Zeker geen kat. Zeker niet aan een kind. Maar qua return on investment: een topcadeau.Noch de fiets, noch de Nintendo — fluogroen, dat was toen mode — haalden de zeventien jaar. Victorie wel. Ze bleef. Door alles heen. Ze zag een huis dat zich vulde.Ze zag feestjes. Chaos. Lawaai.En later zag ze een huis dat langzaam leegliep.Scheiding. Pubers. Gesloten deuren. Stiltes die bleven hangen. Zij keek.Niet oordelend. Niet troostend. Katten doen dat niet.Ze registreerde. Ze was een goed doel op zichzelf. Wat mij het meest fascineert, is hoe een kat verdwijnt.Wij vinden dat zielig. Alsof ze ons achterlaten.Maar misschien is dat net de ultieme consequentie van kat zijn. Foert zeggen. Niet met drama. Niet met afscheid.Gewoon: het is goed geweest. En wat ze nalaat, is klein.Een kattenbak die er nog staat.Een leeg eetbakje.En nog voor een tijdje: zwarte haarplukjes op plekken waar ze graag lag. In een hoek. Op een trui. In het licht. Alsof ze nog even wil zeggen:ik was hier.ik heb gekeken.en nu ga ik. Zoals katten dat doen.

Katrien Daniels
24 0

Hoe je als samenleving met de wereld kan communiceren

Wanneer het licht mijn kamer betreedt, gebeurt dat zonder toestemming. Als regenbogen projecties van Disney waren zou zijn moraliteit verdwijnen voor de aanblik van zijn leefruim. De onderbuik van de Octopus gaat de uitdaging aan: het onbestaande circuleert op zijn eerzucht met het balkon, een briefje van vijf euro valt uit zijn lichaamshouding. De plof van zijn blasé telt de plooien in zijn kinnenbak. Iedere keer als hij bedenkelijk kijkt schuift de morele grens op: de grens waarbinnen mensen mogen verhuizen. De stoet van toekomsthoop stemde de reeds aanwezige zielen gerust: het is de oorsprong. De mageren verzamelen argumenten voor een ontaalkundige handeling. Het volume die een afzonderlijke zwieper van je hersenen waarneemt vormt een achterkuil in de stoel. Het is een leren stoel. Van wie komt die aanblik? Van een universeel scenario: iemand die afbrook van de groep. Zich bezatte zijn gezegden nog steeds hun wapen. Met hun kin leggen ze de betekenis van het nageroep vast. Hun logica is dat veiligheid onschuld uitmaakt. De eerste keer dat ze zich afzonderden waren het stemmen aan mijn hoofd, toen leerde ik dat dat niet mogelijk was. Parijs is de wenteltrap van mijn hemelse gordijnen. Het handkolfje voor mijn asbak blaakt van traditie. Wie naar zichzelf verwijst moet zich niet verstoppen. De ironie van een kast zich keren tot een sater, waardoor je de morgen nadien harder moet trekken. Alleen die spies in het midden is roest voor warmte: twee uiteinden van hetzelfde extreem die zichzelf weerspiegelen in een onregelmatigheid. Het zeilbootje is geen impressie meer, maar een syndroom van de lucht. Een breinscheet. Moedersoep. Opa's beschuit. Gelinkte ledematen van mijn voorgaand korps: verlichaamt u. De toestanden van de conversatie kunnen mijn beugelen doen stammeren. Oploskoffie leent zich om te morsen. De automaat van uw sponaniteit wordt gesloten vandaag, nee, de toekomst is niet zo triviaal. Ik kan er zelfs het patroon onderbreken en zelf het tempo bepalen. Gokken op de tijd is in een nog verdere toekomst niet bikkelhard. Zolang we patroon van periode kunnen onderscheiden zijn we nog mensen. Het belang van zelfreflectie wordt gestolen in een onvermijdelijke draaihoek, hetgeen je moet doen om beter te worden: hetgeen je onmogelijk acht. Daar staat de heer voor u in kerstmis kostuum, het bloed van de ever zal blank lopen bij de overmoed van het tafelkleed, dat zichzelf conformeerde. Het centraal punt op de tafel was de voet van de televisie. De vierde dimensie het gesprek met mijn grootmoeder. Naastenliefde of programmeerfunctie: aan het klavier willen zitten van een familie-avond. Verlegen jongen, zo blijkt, kwam hier vroeger achter kaas. We moeten zwijgen nu. De straat heeft oren als de wind waait. Als! Want zelf op het getijde van uw adem kan u niet rekenen. Ik verdeel de supermarkt onder in wij, zij en meneren. Die zoutpilaren van trots flankeren het beste biefstuk. Het is gewoon hun smaak. Het vermogen van de koffie is beperkt, mijn motor ruist helend. Verkruimel het zout, is het dictaat tegenwoordig. De krant lezen doe je op een denkbeeldig pleintje. Wanneer de meeuw aankomt op Gent-Sint Pieters, is er geen overvriendelijke Thalys-beambte. De telefoon staat roodgloeiend: de catering van de steenkolen komt de redding van onze beugel tegemoet. Toeschrijven, is één iets, niets aanraken iets anders. Nu moeten we onze aandacht verdelen over de bussen in het sfeerbeeld. Ik breek voor herkenbaarheid, geen eeuwig durende innovatie. Ieder twijgje is een manier om ergens mee om te gaan. Elke zwarte vlek wordt met een ingreep benaderd: het biefstuk slentert aan zijn verpakking. Hij gaat hem dan nog opeten ook, zijn broer, Walbert, de kabeljauw van zwembadankers. De cilinders spugen als trots in de branding. De automaat fulmineert prijzen van verschillende draaihoeken. Iedere ontstaansvorm in het station kan ons nu zien. Dat hoort bij avontuur, je leven riskeren, gokken op de tijd mag dan weer wel.  Als je je hand opheft terwijl je iets geks zegt, lijkt het plausibel. Als in: ik heb toch de moeite gedaan om mij uit te rekken, laat ze de inhoud maar spijzen. Wat er naast valt zijn de kurkentrekkers, de aperitief zonder smeulende tanden. "Niet-rokers zijn jaloers". "Niet-rokers zijn niet jaloers." Getuigeverslag van jaloerse man die nooit rookte verbaast wetenschap en wereld. De functie glimlach blijkt een samentrekking van mond en tanden. De grijns blijft zo het enige resterende fenomeen zonder verklaring! Grijns! Grijns, Rubus, naar de wolf die een gedicht induikt en copuleert met ons biefstuk. Ik heb het afgestaan met een meerwaarde, het vlees. Spoedig duik ik weer de boeken in. Dan moet ik mijn onbestaande momenten in het restaurant niet goedleggen. Het 'geheim' was een alleenstaand houten toilet. De plee stroomt in de goot en de borduur veert op: ander leven. Straatstenen zijn er geschreven over het woord 'ankerpunt', mijn weg naar huis was bouwvallig. Een lawine uit communicatieruis verkavelt de hele engte van de 'ontkenningsfase': de onschuld van de wettigen. Ze willen een boor zien, iets dat uit mijn hand komt en van hun is. Mijn werk is hun nageslacht. Met dierenhuiden heb ik mijn opvoeding nochtans niet ingekleed, als ik tegelijk zweette en ademde, schoven mijn voeten uit. Gras ruiken is goed tegen de geur. De geur van vliegenlijken. Als het recyclagepunt zelf de container was, moesten we ons geen zorgen maken. Dat is nu wel gebeurd. Dat de obstakels voor de maan ons laten onthechten met onze pezen: over dimensies praten. Peinzen en pezen zijn nauw met elkaar verbonden, de herkenbare tandknik is hoorbaar voor heel het scenario. De foon stelt zelf zijn pakket samen: oud-nederlands of beschikbaar frans. De perioden ontstijgen de inkepingen van hun praktiserende klok. De wanmoed ontbreekt de kalkoen om kerstmis te ontkennen voor haar kroost. "Nog liever wordt ze het gebraad van vreemden!" Gedachtebelletjes isoleren de gedaante achter het onderwerp van die uitspraak, alsof een zegvorm een buffet was waaraan je zonder zelfreflectie mocht tafelen, nee. Bezem en zakdoek hebben andere kruimels. Oma bergt haar zegvorm op naast mijn mobiele beugel. Als liefde de waardemeter was, konden we wel met elkaar spreken. Die eigendomspaal van de ethiek stevent eindelijk op de ondergrond af: er was geen thesis. Mijn kamer ontvlucht mij, de muren worden boeken. Nu moeten we onze ogen sluiten. Eén voor één met de aangeleerde vinger: volwassen onderwijs biedt kansen aan mijn zelfbeeld, zo moeten mijn ouders dat mechanisme van zelfbevestiging niet ontkrachten. De functies worden verdeeld over de kenmerken, allemaal persoonlijk. Inspectie van de inquisitie van mijn pubertijd: de realisten: "Ik voel mij beoordeeld". Antwoord inquisitie: het leven is een oordeel want het is een toelating. De nachtzwaluwen van het geloof menen het ook; toch menen ze allemaal dat dezelfde tegenstrijd in de omgekeerde uitvouwing bedoeld moet worden. Ze denken dat het leven saai is. "Als je het niet aanraakt wel, dat heb ik onthouden". Een molecule is dan de ruïne van het geheugen: alles wat je je verbeeldt, verdwijnt. Die lens hebben we al gevonden. De opdracht is duidelijker: kies een gedachte en handel ernaar. Vergeet de voorgaande analyse: ze was slechts die ene vrolijke dag van Friets Keulmeester. De dag dat hij naar de fietstocht verlangde. Eenvoud kan je niet bereiken. Mijn eierschaal is niet in de wieg gelegd met een dinosaurus of het gebrek aan wereld. Het parcours vormde een ellips voor de idee van de vader. Wat een moeder is lijkt nu al moeilijker: een soort van continu integrerend geheugen, of een bewijsvoering van een bestaande these. Dat de plaats voor mij al ingenomen was op de bus, moest ik zelf uitzoeken. Dat zeggen ze er niet bij als er geen plaats is: dat je niet mag gaan zitten. Wat beweegt er achter de ramen van de bus die wie niet zien: wie wast er de modder van de korrels, van het element, van de aardkorst, van de oorsprong, van het voortrekken van het universum ten nadele van het concept begin. Dan lijkt het mij inderdaad dat er initieel een vraag gesteld werd: wat ben ik aan het doen, wat ben ik nu al aan het doen? De substantie van inzicht, idee, blijkt marmelade in verhouding met een confituurtaart. Een moeilijke relatie die bovendien zwaar weegt op onze mogelijkheden: wetenschap. Soms is iets dermate onprakisch om mee te denken, dat het je hand wordt. Die gids zal mij nu leiden naar de ondergang. Wanneer we alles terug mogen geloven, geeft de weerbots van de golf aan die het laatst het zwembad verlaat. Als je een gebrek wil laten opleveren, ga je dood. Dan ben je ongewenst voor de voortgang van zaken, alles wat op een rij op een eeuwig balkon ligt aan te schuiven. Roerloos de luchtbank, mijn denkkader, het voetje naar mijn principe. Overwegingen tellen het aantal keer passeren aan de noodcentrale voor stikstof. Wie een plaatsje naar het deelbaar pretpark verzilvert is de postzegel van de bevestigingsbrief niet waard. Er is geen reden tot spreken als je hersenen consumeert, de getijden van je denken voelen zachter met oude haarbalsem. Een Egyptische tovenaar heeft mij geleerd details te onderscheiden: dat een diplomaat in functie een metafoor wordt wanneer de kunsten het overnemen. De hoop van de laatste strekking is het minieme moment dat je achtergehouden saldo in een binair zichtsveld verschijnt. Nu mogen we alles verdelen. Taboes zijn zo repititief dat ze naalden aantrekken, de veren van de oorsprong ontgroeven de weerslag van mijn denkaders. Deze plechtzaamheid bekoort me danig, ik doen een voorstel aan de empereur: vijfduizend handtassen. Merkloos ben ik naar hem teruggekeerd: hij heeft me geholpen. Dit feestje is een sobere mier op een bad vol met maagzuur, het plebs wil terug een rotte schimmel aan de zwembadomlijsting zijn. Wie van een piramide naar beneden valt, landt op het feestje. Onsterfelijke zielen dienen herfstbladeren op aan die ene overweging van de Farao: zwaartekracht. Het motortuig van mijn vader behoeft geen zonnebril, geen spectrum. Het is ruis. Er is een fiets- en zoektocht voorzien voor verloren details; hun laatste adem hebben ze uitgeblazen in een emmer. De badkuip van de borduur ligt in stukken op de grond wanneer de gedaante zich neervleit, hij heeft geen gewicht. Vaas en emmer, zwaan en gans, kerstmis en oudejaar. Tweedracht is een vorm van acht. Gewichtsloze gedachten zijn toegestaan door het licht. Ik verlies mijn vrije wil aan de verkeerde keuze: opgestroopte mouwen. Nu moeten we het aanpakken. Toen de kikker besloot de wolken in te gaan, was hij ook niet welkom. Aan het kruispunt wordt mijn motorkap genageld. Wat ik denk wordt een instructie voor dit vossenhol. Daar ben je niet welkom. Zolang de friezen van associatie mogen aflopen keert de koude niet terug. Daar waar de 'koninging' is gestrand, daar mag je zitten; aan de oever van een kroon: een rugwervel. Die vormt een vin wanneer wij mijn kamer betreden. Een functie zonder doelstelling is als poseren voor boogschieten. Eenvoud is de zelfreflectie van diens enkeling, een overtuiging. Een foltertuig dat wentelt en eet tot het product gevonden is. Die jeugd die zo stug in de vis bijt dat het strand zelf begint te tijden.          

Robijn Bodijn
2 0

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0