Lezen

De zakdoek

“De poten van de krukken met de rubberdoppen staken uit het achterzijraampje, en mijn vader bond er zijn zakdoek aan vast om andere chauffeurs te waarschuwen.” Ik lees deze zin in een boek en leg mijn bladwijzer op de pagina. Herkenbaarheid. Soms heb je dat. Het fragment brengt me terug naar eind september 2019. Het is nog warm. We ontruimen het appartement van ons ma, die ondertussen in het woonzorgcentrum woont. Ik verwijder de gordijnstokken van de muren terwijl de zon genadeloos op mijn hoofd brandt. De overgordijnen liggen netjes opgevouwen in een doos. We brengen de stokken en de gordijnen naar een vriendin, die er op haar beurt een nieuw Belgisch gezin mee blij maakt. De gordijnstok van het raam aan de voorzijde is zo lang als een polsstok, maar niet zo buigzaam. Daarom moet de gordijnstok door het voorzijraampje van de auto. Mijn vrouw zit aan het stuur en ik ernaast. Het zweet breekt me onmiddellijk uit. Maar mijn zakdoek heb ik – net als in het boek – aan de voorzijde van de stok geknoopt. Ik kijk even naar de doos met overgordijnen op mijn schoot, maar de blik van mijn vrouw zegt ‘niet doen’. Dan maar met mijn pols het zweet afvegen. De polsstok arriveert veilig bij het huis van onze vriendin. Ik ben blij dat ik mijn zakdoek terug heb. "Ma droeg vroeger een rode zakdoek met witte bollen op haar hoofd terwijl we de aardappelen van het veld raapten", vertel ik tijdens de terugrit. “Vader had in de zomermaanden een strooien hoed op zijn hoofd. Die zijn helemaal terug hip. Maar die rode zakdoeken zijn iets uit het verleden.” Ondertussen zijn we acht maanden verder. Het woonzorgcentrum houdt omwille van de coronacrisis de deuren gesloten. Maar goed dat we dat verleden nog hebben. En mijn zakdoek.   

Rudi Lavreysen
1 0

braakbal

Wild Tchoupitoulas Stomp some romp open de poorten hij komt eruit of nee verschans je sluit je op de bitterheid doet kokhalzen je verslikt je in de muizenissen de herhaling van je rijke zielenroerselen de vicieuze cirkel gedachten als kikkerdril zwemmen de muren op van je hersenpan het is wachten op de eerste vogel die ons verlost uit ons warme nest heerlijke nieuwe wereld wat is het jaar 1984? nee de tijd bestaat niet meer enkel de doodsklokken luiden een einde in van wederopstanding het pasen van de wolven die de lammeren van het klootjesvolk verscheuren van de parvenu’s van de nouveaux riches van de eendimensionalen de autostrades zijn ingenomen door krioelende krabben ze zoeken zich een weg naar onze huizen de lucht is buiten zuiverder dan binnen de muren rood van het bloed van onze offers we schrijven er onze nieuwe namen in met vingers die terug hebben leren krabben handen gemaakt om vast te houden en te reikhalzen naar onze moeders de verliezer is de winnaar geworden de opgebrande herbrond de levende dode herboren adem schreeuw ruik de moedermelk het vruchtwater de moederkoek uit de hemel de stilte is een symfonie van engelen die heilzaam onze nieuwe namen in onze open harten blaast de wind staat goed de vossen hebben het voor het zeggen op straat de wereld is een grote uitgestelde ontlading het applaus doet de aarde beven het kippenvel dat ze veroorzaakt slokt verder op wat niet van waarde is er is gelijkheid daarna de vervlakking is onafwendbaar waarop wachten we vervloek hen de dassen de mooie praatjesmakers neem hen te grazen offer hen op het altaar van de lente de tijd is rijp het kleine zegeviert door zijn aantal zijn meedogenloosheid zijn strategie begeef je op straat wees dat beest dat je kind zijn ooit was vergrijp je aan alle klokken en uurwerken verbrand ze op de brandstapel samen met je mobieltjes met je elektrische karren wees een virus heb lak aan verboden je hebt hen niet nodig die je naar dit hoogtepunt geleid hebben dit punt in de geschiedenis om naam te maken te schitteren je ballet te dansen met de sterren het zijn schooiers met hun vliegtuigen hun valse beloftes daar in de grond is de waarheid in de vijver tussen de dikkopjes de bevers de krabbetjes de ziekteverwekkers er zit meer waarheid onder je nagels in het vuil dan in hun maatpakken duik in die poel van slijm en verrotting al die heilige rivieren stromen nog eeuwen na hun afgang hun legendarische lelijkheid komt nu eindelijk boven hun ware aard ze zijn onmondig ze zijn leeg ze zijn hol spiegelbeelden van imitatie waar wij nood aan hebben de eeuwig jonge zoekers de avonturiers de twijfelaars de getormenteerden is verbeelding geen gouden afgodsbeeld een sprinkhanenplaag van hersenspinsels woorden onder het slijk die begraven lagen vergeten eeuwenoude wijsheid geschreven in het perkament van onze gedroogde huid onder het stof er is nog steeds goud in onze harten dat ons pad verlicht de weg is teruggevonden een onbegaanbaar pad overwoekerd door nonsens maar het ligt voor onze blote voeten onze haren zijn ongekamd we ruiken naar dier naar stal zo lang hebben we ondergedoken geleefd hun suprematie geduld hun publiciteit geslikt hen gevoed met ons zweet ons laten temmen laten kneden laten epileren onze lelijkheid geloofd onze zwakheid voor waar aangenomen tot het allerkleinste de kansen gekeerd heeft het meest miniscule levende organisme heeft de rollen omgedraaid een kristal tot leven gedoemd dat de adem ontnam heeft ademruimte gegeven aan een noodzaak niet langer robots te zijn maar terug mensen dat wil zeggen gevoelens niet de rede definiëren ons wij hebben ons opgeofferd voor hen die ons gebruikten het heeft geen naam onze nieuwe namen maar we bestormen eindelijk terug de hemel genezen van onze slavendrijvers we zijn terug onderweg

ovlijee
0 0

jeugd

Hij sliep onvast, droomde hevig en werd vroeg wakker.Ze had zich nog begraven onder de deken en wou blijven liggen.De wekker zeurde. Hij zette hem tweemaal in de  sluimerstand. Als hij een hamer had, zou hij hem voorgoed het zwijgen opleggen. De droom hielde hem nog even bezig. Naar de betekenis kon hij gissen, dat was voer voor psychologen. Aan Freud of Jung moest hij het niet meer vragen. Hij klom uit bed, sloeg de deken van zich af. Slofte naar de badkamer. In de spiegel keurde hij zichzelf. Dat deed hij elke morgen. Daarna gaf hij zichzelf een cijfer, op een schaal van tien.  Voor in zijn rapport. Waarbij de 0 stond voor ellendig en lusteloos en een 10 voor blakend van zelfvertrouwen, de euforie nabij. Hij had ontdekt dat schoonheid evenredig is met geluk, vanuit het standpunt van de waarnemer dan toch. Als hij een 8 haalde voor geluk, dan werd alles mooier.  De tafel, de kast, de facturen op zijn bureau, de keukenrobot. Ook zijn spiegelbeeld. Vandaag gaf hij zichzelf een magere 4. ‘Mijn gezicht is te dun’, dacht hij. Mijn schedel schemert er doorheen.’ Hij deed zijn pyama uit en keek naar zijn ribbenkast. Wreef in zijn oogkassen. Alsof hij oog in oog met een zombie stond. Hij stapte in de douche, de cel waar je muf in gaat en fris weer uit komt. Een soort verjongingsbron. In het beste geval dan toch. Het water spetterde op zijn schouders en klaterde in de glazuren bak. Vandaag kon zelfs koud water hem niet verkwikken.  Hij droogde zich af en ging opnieuw voor de spiegel staan en zag weinig verschil. ‘ Ik verkeer in de eerste staat van ontbinding.’ dacht hij. Plensde meer koud water in zijn gezicht,  sloeg op zijn wangen, trok zijn mond in de lachplooien. De doemdenker in hem verdiende de galg. De wereld is aan de optimisten. De spiegel hield hem niets anders voordan dit zelfportret dat hij zo snel mogelijk wou uitwissen.Hij ademde er tegen en de man verdween achter beslagen glas. Toen hij de spiegel droogwreef, dook hij in dezelfde gedaante weer op. Misschien kwam het door de goedkope wijn op het verjaardagsfeest van zijn schoonvader gisteren? Maar dat zou hem verbazen. Hij had twee glazen gedronken en was hooguit wat beneveld. De gezonde dosis. Terug in de kamer, kleedde hij zich aan. Ze lag nog onder de deken. ‘Ik ga wat bewegen, voor ik naar het werk vertrek.’ ‘Vergeet de zonnegroet niet’ riep ze hem na. Hij lachte bitter.‘Ik oefen voor een marathon.’ ‘Strever’ zei ze spottend. Hij liep over de groene gordel rond de stad. Het was de eerste keer dat hij liep sinds hij herstelde van een hielspoor . Pas na drie, vier kilometer, week de wrange smaak in zijn mond. Hij keek om zich heen of er niemand in de buurt was en hinkelde enkele meters, voor hij verder rende. Hij liep voorbij een oude vrouw op een bank. Knipoogde naar haar.   Ze herinnerde hem vreemd genoeg aan zijn jeugd. Niet alleen om het verschil in leeftijd. Ze deed denken aan een oude vrouw die hij als kind vaak in het park zag. Ze had diepe kerven in haar gezicht, als bij de bast van een boom uit een vorige eeuw. Toen ze naar hem lachte, brak haar gezicht. Haar vals gebit maakte haar kwetsbaarder.Aan haar voeten zat een kleine hond. Oude bomen vond hij op het eerste zicht mooier. Toch lieten oude vrouwen hem niet onberoerd. Hun rug kromt van de geschiedenis die ze zwijgzaam dragen. Toen hij thuiskwam ging hij voor dezelfde spiegel staan.Hij schrok van het verschil. ‘Ik heb een lichaam’ dacht hij. Zijn cijfer was, ruw geschat, gestegen naar een 7. ‘Hoog tijd dat ik mijn baard van vier dagen trim.’ zei hij luidop tegen zichzelf.

Wim Vandeleene
0 0

De coronadagboeken (deel 2)

Vrijdagavond besliste de Nationale Veiligheidsraad onze ‘lockdown light’ met twee weken te verlengen tot 19 april. En eigenlijk mogen we er al vanuit gaan dat er daarna nog eens een verlenging komt tot 3 mei. Het zijn geen leuke vooruitzichten. Toch heb ik het gevoel dat ons land de situatie vrij goed onder controle heeft, en dat stelt me gerust. De regering neemt het advies van de virologen ter harte. Het is de bedoeling om de curve om te vormen: van een korte(re), steile beklimming (geen vrijheidsbeperkende maatregelen) naar een lange, lopende col (wel vrijheidsbeperkende maatregelen). Door het virus uit te strekken in de tijd kan het personeel in de ziekenhuizen de inspanning langer volhouden. En dat is nodig om Italiaanse en Spaanse toestanden te vermijden. De beelden uit andere landen zijn vaak schrikwekkend. In Spanje voeren patiënten hun doodstrijd op de grond in de gangen van het ziekenhuis. Wreed. Soldaten vinden lijken in verlaten rusthuizen, bejaarden sterven er in alle eenzaamheid. Italië staat dan weer eenzaam aan de top in de ranglijst van het aantal coronadoden. In landen als Nederland en Groot-Brittannië zijn ze wellicht te laat in actie geschoten, de verwachting is dat ze hiervoor een hoge tol zullen moeten betalen. In de Verenigde Staten en vooral in New York loopt de situatie nu al uit de hand. Zelfs de president weet niet meer van welk hout pijlen te maken. Zal het hem zijn tweede ambtstermijn kosten? En wat met een land als Syrië, waar de ziekenhuizen door de oorlog vernietigd zijn? Op dagen als deze ben ik blij in een land te wonen met voldoende ziekenhuisbedden. Het is gelukkig niet allemaal kommer en kwel. Deze week plaatste ik een knuffelbeer voor mijn raam. Enkele uren later was het zo ver, mijn beer werd gespot door een uitbundige jongen, hij stootte zijn mama aan en wees met een brede glimlach naar boven. De glimlach van een kind is zo’n klein gelukje dat me zelf even doet glimlachen. De berenjacht heeft wel wat weg van de Pokémon-jacht, een ware hype enkele zomers terug, corona was toen nog sciencefiction. De berenjacht is democratischer en leuker dan dat Pokémongedoe waar ik niet veel van begreep, je hebt er zelfs geen smartphone voor nodig. Ik ging zelf ook op jacht, ik trok lussen door de buurt, een lus van een halfuurtje in mijn middagpauze, een nieuwe lus van een halfuurtje na het werk. Ik zag witte lakens, kindertekeningen, hartjes voor de zorg en knuffelberen in alle vormen en maten. Dinsdag ging ik naar de supermarkt. Een groot bord voor de ingang wees me erop dat ik nog altijd verplicht was mijn boodschappen in een winkelkar te verzamelen. Toen ik de kar wou nemen ontdekte ik dat ik geen kleingeld op zak had. Ik ging dus eerst naar binnen, om een briefje van tien te wisselen aan de kassa, en dan terug naar buiten om de winkelkar los te koppelen. Een vriendelijke man zag me sukkelen, hij sprak me aan en bood me een winkelwagenjeton aan. De komende weken kan ik met een gerust gemoed mijn boodschappen doen. De transactie verliep trouwens veilig, want de man droeg handschoenen om zijn handen te beschermen tegen vieze beestjes op winkelwagens. Gisteren ging ik terug, met jeton, en stonden er flessen ontsmettingsmiddel om de winkelwagens te reinigen voor gebruik. Elke dag ontdek ik iets nieuws. De hamstertijd lijkt gelukkig voorbij, geef mij maar mijmertijd, dat gaat me beter af. Elke avond om 20 uur luiden de klokken van de kerk. Het sein voor heel wat dorpsgenoten om uit hun raam te hangen of even de straat op te gaan en in hun handen te klappen. Een mooi symbool van samenhorigheid. Er zijn zoveel mensen die een applaus verdienen in deze moeilijke tijden, omdat ze zich inzetten voor anderen, omdat ze ervoor zorgen dat de economie blijft draaien, omdat ze gewoon hun werk blijven doen, ook in moeilijke omstandigheden. Een vrouw uit de buurt trakteerde ons op cupcakes, ze lachten me toe vanuit een afgesloten bakje aan mijn voordeur. Ondertussen worden er plannen gesmeed om iets te doen voor het rusthuis wat verderop in de straat. De warmste week valt dit jaar in maart. De Olympische Spelen zijn ondertussen uitgesteld naar volgend jaar en volgens de virologen moeten we ons ook over de zomerfestivals geen illusies maken. De kans dat we een kruis mogen trekken door ons weekendje Brussel in mei, en onze reis naar Italië eind juni, neemt met de dag toe. Gelukkig kan ik nog altijd reizen in mijn hoofd, en dat is vandaag al heel wat. Meer dan ooit voed ik mijn honger naar kennis en cultuur. Ik reis door boeken, kranten en tijdschriften. Maar ik kan ook ontspannen met een puzzel die me naar het New York van voor de crisis brengt. Nu ik mijn werkplek niet meer hoef te delen, kan ik de hele dag door naar mijn favoriete muziek luisteren. Ik probeer positief te blijven, niet verder te kijken dan 19 april en te focussen op wat er echt toe doet: zorg dragen voor mezelf en voor de mensen van wie ik hou, ook al moet ik ze op afstand houden.    

Ine Moreels
7 1

Thuis werken

Ik was al wel gewend om af en toe een dag thuis te werken. Mijn werkgever heeft dat heel goed ingericht, hardware en software maken dat ik eigenlijk nooit problemen ondervind. Of het moet door ons eigen wifi-netwerk zijn. Niks dat een simpele versterker niet kan oplossen. Zo’n thuiswerkdag is ideaal om een grote klus te klaren, geen afleiding, niet even kletsen bij de koffie-automaat maar gewoon doorbuffelen. Geeft aan het einde van de dag een heel tevreden gevoel. Dat tevreden gevoel lag toch wat anders, afgelopen dagen. Natuurlijk, het thuiswerken gaat prima. Mijn maatje voorziet me van alles wat ik nodig heb. Voor hem is het ook wel even wennen, constant iemand die hem op de vingers kijkt. Gelukkig hebben wij geen stress door het de hele dag bij elkaar zijn. Maar de achterliggende gedachte geeft een heel bevreemdend gevoel. Ik hoorde het ook terug van veel mensen, het lijkt alsof het niet echt gebeurt, heel onwerkelijk. Zo lang je zelf niet geconfronteerd wordt, zelf of in je omgeving, met besmetting, voelt het alsof er niks aan de hand is. De statistieken zijn wat het zijn, statistieken. Cijfers. En tot op heden is dit, gelukkig, in mijn omgeving het geval. De enige die het helemaal gezellig vindt is Stef, hij heeft heerlijk de roedel de hele dag compleet. Hij probeert op gezette tijden lekker op schoot te kruipen. Dat ik dan niet meer met mijn handen bij het toetsenbord kan, deert hem weinig. Tenslotte moet hij er van profiteren, het vrouwtje is niet altijd thuis. Hij krijgt niet veel mee van de crisis. Ik doe mijn best voor zijn boontjes en als dat niet lukt, krijgt hij iets anders. Wat hij volgens mij ook helemaal niet erg vindt. De natuur gaat sowieso zijn eigen gang. De zon schijnt en ondanks dat het fris is, kun je merken dat de lente in aantocht is. Het ruikt ook zo, buiten. Tulpen, narcissen en hyacinten zijn er in overvloed. Overal lopen struiken en bomen uit. Het feit dat de mensen binnen moeten blijven heeft daar geen invloed op. Mensen zijn daar niet voor nodig. Integendeel. Die maken over het algemeen meer kapot dan dat ze bijdragen. Misschien ook eens iets om over na te denken, als deze crisis straks achter de rug is.

Machteld
0 0

Wie beweerde dat eenzaamheid bestaat?

Ze staart naar zichzelf in het smalle raampje van de treindeur. De troosteloze buitenwijk van de stad glijdt aan haar voorbij. Haar blik zoekt een andere horizon. Ze is het moe om steeds zichzelf te zien. Nu merkt ze de vrouwen op, net als haar gevangen achter glas, in neonlicht en bijna naakt. Ze vraagt zich af of ook zij soms naar zichzelf staren, en hoe zij hun eigen blik kunnen verdragen. Mocht het kunnen, dan zou zij hen dekentjes bezorgen en het leed sussen met warmte. Het station doemt op en neemt het uitzicht weg. Van zodra de deuren van de trein openen, loopt ze het perron op, naar de trap. De traphal is smal, je kan er met moeite met twee naast elkaar lopen. Overal zijn mensen. Ze geeft zich over aan iedereen om zich heen. Straks zal ze zoals immer alleen over haar stad waken. Dus nu is het moment. Nu moet ze voelen. Onder het aankondigingsbord in de stationshal dat steeds meer rode cijfers toont, zoekt ze strategisch haar plaats. Er ontstaat een kleine groep van wachtenden: zij die verlangen naar huis, en zij die niet goed weten waar ze heen moeten. Bij mensen uit deze laatste groep gaat ze dichtbij staan. Ongemerkt kan je hen benaderen, dat heeft ze ondertussen al geleerd. Voor hen ligt elke weg open en maakt het niet veel uit wie dicht in de buurt blijft, of wie hen verlaat. De geur van gebrande suiker drijft nu om haar heen en doet haar honger krijgen. Ze kijkt voorbij de geur en ziet hoe een man net voor haar komt staan, met in zijn hand een warme Luikse wafel. Ze zou zich naar voren kunnen buigen en zacht in de warme wafel bijten. Maar dat doet ze niet. Ze observeert de man, en voelt medelijden. ‘Jij zou ook liever nog elke zondag op bezoek willen gaan bij grootmoeder. Ik weet dat je haar mist’, dat zou ze willen zeggen. Ze wil dieper voelen en zich overgeven aan de man. Ze snuift opnieuw de geur op die ver tot in haar longen trekt, en duwt daarmee de weemoed weg die zich in haar borst opstapelt. En dan vervolgt de man zijn weg. ‘Nee, doe het niet’, fluistert ze onhoorbaar. Er zijn maar weinig mensen die weten waar ze naartoe moeten. Er zijn weinig mensen die hun thuis al vonden. Die man gaat niet naar huis. Hij gelooft van wel, maar zij weet beter. Ze begon ermee toen ze een jaar alleen was. De warmte in haar lijf begon steeds sneller te verdwijnen. In deze groepjes mensen kon ze het opnieuw voelen. Het was de enige manier waarop ze kon gloeien. Dus sloot ze zich aan bij elke kleine bijeenkomst in stations of op straat om iemand anders te horen ademen, om stemvibraties te onderscheiden, om alle oogkleuren te leren lezen. Ze werd iedereen en ze kon niet begrijpen dat niemand anders dit voelde. Hoe mensen elkaar kunnen zijn. Hoe warmte glijdt en zoekt naar meer. En nog. En nog meer. De dagen na de man met de suikerwafel veranderen in snel tempo. Één voor één vallen mensen weg. Elke dag bereiken minder mensen het station. De groepjes worden kleiner en plots vallen ze uit elkaar. Er sluipt een onzichtbare vijand doorheen de straten. Zij heeft hem echter in het vizier. Elke dag ontneemt hij haar meer en meer warmte. Elke dag duwt hij haar schouders een tikje dieper. Elke dag zet hij de tijd stil. Eerst was het haar nog niet opgevallen, de stilstaande tijd. Het geluid van de seconden die verstreken was nog steeds hoorbaar. Ze merkte het pas op toen ze zag dat de klok op half acht stond terwijl het bijna middag was. Dat vertelde de honger haar. En sindsdien bleef de klok dit doen. Elke ochtend, om half acht staat de wereld stil en moet zij steeds weer de nobele taak op zich nemen om de tijd op gang te duwen. De fragiele zilveren wijzers hangen stil naar beneden. Met haar wijsvinger duwt ze hen op de juiste plaats. Ze houdt telkens opnieuw haar adem in en laat de lucht weer los wanneer de wijzers zich op gang trekken. Het lukt haar tot nu toe steeds weer en heel even voelt zij zich de behoeder van de hele mensheid. Het is haar een raadsel waarom net op dat uur de tijd even geen zin meer heeft. Ze vraagt zich af of het op dat uur gebeurt. Dat mensen sterven. Dat mensen verdwijnen. Gegrepen door de onzichtbare vijand. Hij houdt zijn greep op de wereld. Ze ziet hem grijnzen, terwijl iedereen hem met man en macht bestrijdt. Toch moet ze naar buiten, elke dag, naar het park dat haar zachtjes wenkt en met de vijand in haar kielzog. Tijdens haar wandeling merkt ze hoe mensen bochten maken, opzij schuifelen, grote passen nemen, lichtjes opzij springen. De groepjes zijn verdwenen, maar in de plaats ziet zij iedereen plots dansen. De spontane choreografieën betoveren haar. Iedereen om haar heen golft, voortgestuwd door een frisse lentebries. Er vormt zich een zachte gloed, gevolgd door de warmte waar ze zo vaak naar zoekt. Getroffen blijft ze staan. Eindelijk, na die dagen waarop de tijd haar in de steek liet. Daar. Hoe verder iedereen van haar weg danst, hoe warmer zij het krijgt. Ze ziet het in angstige, maar begrijpende blikken. Wij kunnen elkaar zijn! Mensen kunnen elkaar zijn! De kleine stem juicht. We zijn elkaar, we worden elkaar. Eindelijk. Eindelijk is er hoop dat iemand haar na al die jaren voelen kan. De warmte barst uit haar voegen. 

Jolien Van de Velde
27 0