Lezen

Er was eens een... Greta

In een land hier ver vandaan, waar de nachten kouder waren en de dieren nog in de meerderheid, leefde eens een meisje dat Greta heette. Het meisje woonde met haar ouders aan de rand van de stad een eerder teruggetrokken bestaan. Ze was niet zo een prater, maar al sinds ze kon lopen, was ze gefascineerd door de natuur en de wonderen ervan. Wanneer ze ’s ochtends opstond en een karig veganistisch ontbijt had genuttigd, ging ze in de tuin met de vogeltjes praten terwijl ze haar lange, bruine haren vlocht. ‘Fwiet, fwiet, fwiet!’ Een klein bruingrijs vogeltje kwam vrolijk op haar knie gevlogen en pronkte trots met zijn rode borstveren. ‘Hallo Rödie! Hoe vergaat het jou vandaag?’ Greta gaf hem een kruimeltje glutenvrij brood en het flamboyante fluitertje at het tevreden op. Terwijl ze over zijn kopje aaide, kwam haar andere vriend Uggla aangevlogen. Uggla was een ringpootuil en met zijn grijs-witte verenpak vond Greta hem het mooiste dier dat ze ooit al gezien had. Net als zij was Uggla niet zo een prater, hij observeerde liever. Vanop een tak in de oude eikenboom, keek hij door zijn zwarte bril naar het gemoedelijke tafereeltje op Greta’s schoot, waar Rödie nu gezelschap had gekregen van een tiental andere vogeltjes. ‘De school start pas morgen opnieuw, dus ik kan de hele dag met jullie praten,’ zei Greta opgewekt. Haar voorstel werd onthaald op luid gekwetter van de smikkelende smulpapen. Plots werd het plezier opgeschrikt door een luid getik en een schelle kreet, die door merg en been ging, en de vogeltjes vlogen verschrikt weg. Alleen Uggla was niet uit zijn lood geslagen en zat nog onbeweeglijk op dezelfde tak. Enkel zijn hoofd had hij gedraaid, en Greta zag dat hij naar de grote beuk achter hem keek, waar een zwarte specht met rood kopje heftig in het hout drilde. ‘Svartie, wat scheelt er?’ vroeg Greta. ‘Waarom klink je zo opgejaagd?’ Als antwoord kreeg ze een nieuwe lading getik en gegil, deze keer nog dringender. Toen hij even op adem kwam en ze de gruwel in zijn ogen zag, wist ze dat het menens was. Ze liep snel naar binnen, griste haar warme jas en handschoenen van de kapstok, sprong in haar berenlaarzen en liet met een klein gekrabbeld berichtje weten dat ze voor het donker terug zou zijn. Svartie was al richting het bos gevlogen, en Greta had moeite om hem bij te blijven. Bij een open plek trof ze een oude, blinde man aan die zich verwarmde aan een groot vuur. Maar het was niet zozeer de man die haar aandacht trok, dan wel de taferelen die in de vlammen werden geprojecteerd. Gruwelijke scènes van mensen op de vlucht voor grote bosbranden, anderen hopeloos op zoek naar overlevenden tussen het puin na een aardbeving en kustbewoners met doodsangst in hun ogen op het moment dat hun huizen overspoeld werden door torenhoge vloedgolven. Greta zakte door haar knieën en kon geen woord uitbrengen. De gruwel teerde in haar lichaam alsof ze er zelf deel van uitmaakte. Hulpeloos keek ze de man aan, maar die keek glazig door haar heen en glimlachte alleen, terwijl Uggla op zijn schouder landde. ‘Dit is het lot van onze wereld,’ sprak de oude wijze uil, ‘een lot dat de mensen hebben getart door decennialang enkel en alleen aan comfort en winst te denken en blind te zijn voor de signalen die de natuur hen gaf.’ ‘Maar… maar dit is afschuwelijk!’ wierp ze op. ‘We moeten daar iets tegen doen!’ ‘Dat is precies waarom jij hier bent, Greta,’ vervolgde Uggla. ‘Jij hebt een zuiver hart en krijgt een laatste kans. Ga nu en red de wereld van zijn ondergang!’ Als bij toverslag waren ineens zowel de specht en de uil, als de man en het vuur verdwenen. Greta bleef verweesd achter en pijnigde haar hersenen over haar opdracht. De volgende dag ging ze niet naar school, maar nam de trein naar het parlement, waar ze met een spandoek liet weten dat ze in staking ging voor het klimaat. Ook de volgende dag en de dag erop staakte ze. Al gauw kreeg een televisiezender haar in het vizier en haar stille protest ging viraal. Ze liet weten dat ze zou blijven spijbelen tot alle politici in Parijs hun akkoord gaven om het klimaat te redden, en het duurde niet lang of haar actie kreeg bijval in de rest van de wereld. Ze werd uitgenodigd op conferenties en sprak hen met weinig woorden maar een krachtige boodschap toe. ‘Jullie stelen de toekomst van de kinderen waar ze bij staan, en jullie zijn niet eens volwassen genoeg om de waarheid te spreken. Zelfs die last laten jullie aan ons, kinderen, over!’ In de maanden die volgden reisde ze per trein en zeilboot de hele wereld rond en weigerde omwille van de CO²-uitstoot pertinent het vliegtuig te nemen. Haar wilskrachtige engagement en treffende uitspraken brachten de wereldleiders in beroering en al gauw was iedereen het erover eens: de wereld moest veranderen. Iedereen, op één uitzondering na: Meneer Trompet, een geblondeerde narcist die de wereld grootser zou maken door aan alle noden van vandaag te voldoen, maar geen rekening hield met het verwoestende effect daarvan in de toekomst. Jaren gingen voorbij terwijl Greta en de rest van de wereld verwoede pogingen ondernamen om meneer Trompet te overtuigen, maar hij wilde van geen wijken weten. Tot de dag dat er nieuwe verkiezingen kwamen en er terug hoop opflakkerde. Als een volleerde dictator wist meneer Trompet zijn aanhangers zo te misleiden dat het alsnog een nek-aan-nekrace werd, maar uiteindelijk won het verstand en meneer Trompet moest in alle eenzaamheid het paleis verlaten. Op zijn eerste dag als nieuwe president, tekende een oude wijze man – met ogen die Greta erg deden denken aan haar goede vriend Uggla – al het akkoord en kon men eindelijk aan de slag. Het duurde nog vele decennia voor de aarde de jarenlange verwaarlozing te boven kwam, maar uiteindelijk leefden de kleinkinderen van Greta nog lang en gelukkig, op een gezonde aardbol.

Tinkelbel
0 0

De burn-out mentaliteit

Ergens had ik de ijdele hoop dat deze mentaliteit een trage dood tegemoet ging. Er is immers al heel wat gezegd en geschreven over burn-outs, alsook leef ik in de veronderstelling dat de gevoeligheid en zodus het bewustzijn collectief aan het toenemen is. Onzichtbaar traag echter, maar toch. Tot ik mij plots weer in het gezelschap bevind van mensen die met misplaatste trots hun grenzen onder spanning zetten. Mensen die onder het mom van een relativerende grap spotten met hun slaaptekort en wankele eigenliefde. Dan besef ik dat het tij nog niet aan het keren is, maar dat we er nog middenin zitten. In een wereld die een zelfdestructieve werkwijze verheft tot succesvol ondernemen. Het is een valkuil waar ik mij jaren geleden ook in liet meesleuren. Ik ging er verkeerdelijk van uit dat mijn eigenwaarde rechtstreeks gelinkt was aan wat ik presteerde. Dat hoe meer ik presteerde, des te meer ik waard was. In mijn boek ‘Auto-Immuun: van ziekte naar inzicht’ beschrijf ik onder andere hoe ik mezelf uitsloofde bij het runnen van een kunstgalerij. En hoe ik de opening ervan niet fysiek kon bijwonen wegens ziek en overwerkt. Ik heb mezelf heel wat klappen gegeven alvorens het goed en wel was doorgedrongen dat niets, maar dan ook werkelijk niets, mijn gezondheid waard is. Geen ambitie, droombeeld of verlangen is het waard om voor te creperen. Het lijkt erop dat veel mensen zichzelf alleen iets gunnen als ze ervoor door het slijk zijn gegaan. Alsof ze mooie dingen eerst moeten verdienen alvorens ze er recht op hebben. Alsof alles een prijs heeft. Uiteraard is hard werken om daar vervolgens de vruchten van te plukken bewonderenswaardig, maar ik heb de indruk dat het harde werk vaak wordt doorgedreven tot zelfkastijding. Ik hoor mensen pochen met het feit dat ze geen tijd nemen om te eten, want het nemen van een pauze zien ze als een teken van zwakte. Dit wordt niet zo expliciet verwoord, maar hun hele houding predikt een bun-out mentaliteit. Het tekort doen van zichzelf wordt gezien als iets waarvoor men aanzien moet verwerven, als een sterkte. Ik vermoed dat het gaat over een cultureel verschijnsel en dat deze vorm van zelfdestructie typerend is voor een Westerse consumptiemaatschappij. Alles en iedereen is vervangbaar en het moet vooruit gaan. Zogenaamde welvaartsziekten zijn daar een symptoom van. Het onderliggende pijnpunt is, zoals haast altijd, een gebrek aan eigenliefde. Het gevoel niet goed genoeg te zijn, doet een mens overcompenseren. Jezelf overwerken is een statussymbool, want mensen die nergens tijd voor hebben daar deinzen we met respect voor achteruit. Iemand die het druk heeft, die willen we niet storen. En het gebeurt vaak, ik trap daar zelf ook nog geregeld in, dat de drukdoenerij van een ander ons confronteert met onszelf. Dat we ons dan gaan afvragen of we beter ook geen tandje kunnen bijsteken. Want in contrast met een razend werkritme, lijken we misschien gewoon lui. En daar schamen we ons voor. Wie zichzelf consequent voorbij loopt, botst op een gegeven moment wel ergens tegenaan. Als het geen lichamelijke aandoening is, dan duikt er wel ergens een andere problematiek op die de nodige stilstand hardhandig opdringt. Sommige mensen, zoals ikzelf, zijn hardleers. Ze zullen enkel vertragen als ze in het nauw gedreven worden, als het echt niet anders kan. Soms is er heel wat zelfsabotage nodig om uiteindelijk te kunnen inzien dat de mooiste dingen des levens gratis zijn. Dat stilstand paradoxaal genoeg meer vooruitgang oplevert dan heen en weer geloop.

KarolienDeman
4 1

Vormen van landen (6)

Ge zit op de tram en ge kijkt door het raampje naar buiten.De zon schijnt eindelijk helemaal doorheen het mistgezicht van de stad.De lucht heeft alle buien van gisteren uitgewist en is een heldere aanmoediging geworden om op zoek te gaan naar zoveel mogelijk innerlijke veerkracht.Laag in de lucht ziet ge een passagiersvliegtuig voorbij komen.Het toestel zit al volop in landingsmodus. De wielen zijn naar buiten geklapt, in minder dan tien minuten zal het vliegtuig in de luchthaven op de grond staan.Rond u zitten verschillende mensen met een smartphone in de handen. Ze kijken niet naar buiten, maar swipen er op hun schermpje duchtig op los.Hoewel ze met hun lichaam wel op de tram zitten, zijn ze niet aanwezig.Buiten glijden de vertrouwde beelden voorbij: kinderen die op weg zijn naar school, het verkeer dat opnieuw gestremd zit, een doorkijkkantoor dat u onbelemmerd zicht geeft op mensen die verdieping na verdieping schijnbaar onbewegelijk aan een bureau zitten en deel uitmaken van één of andere kosten baten analyse die meer resultaat zal moeten opleveren dan het jaar ervoor en op zijn beurt in de komende jaren telkens opnieuw overtroffen moet worden. De tram begint steeds harder te rijden. Hoe sneller hij rijdt, hoe moeilijker het wordt om datgene waar ge door het raampje naar kijkt écht in uw blikveld vast te houden.Hoe sneller de dingen voorbij flitsen, hoe vlugger ze aan betekenis beginnen te verliezen.Ge weet dat dit fenomeen, méér dan dat ge aan uzelf wilt toegeven, uw leven aan het bepalen is. Dan valt uw blik op een jong koppeltje vooraan in de tram. Ze zijn zonet ingestapt.Omdat alle zitplaatsen inmiddels ingenomen werden, zijn ze recht blijven staan. Hij houdt zich vast aan een lus die uit het plafond van de tram bengelt.Zij houdt zich vast aan hem, haar armen rond zijn middel, haar hoofd rust tegen zijn borst.Af en toe fluistert hij haar enkele woorden toe en dan knikt ze.Bij elke bocht die de tram neemt, wiegt het ene lichaam dat ze samen vormen zacht heen en weer. Het is zo’n zuiver en vredig beeld dat ge uw ogen onmogelijk van hen kunt afhouden.Ge laat u voeden door wat ge ziet. Als ge er voor openstaat, kunt ge dagelijks mini-taferelenvan een dergelijke onverwoordbare schoonheid observeren. Meestal gaat het om gebeurtenissen die zich afspelen tussen twee oogopslagen in: bijvoorbeeld een jonge moeder die onbeschrijfelijk liefdevol een baby uit de kinderwagen tilt. Of, gewoon, iemand die u plots met een heerlijk ontwapenende glimlach tegemoet komt. Maar zoals het wel vaker in het leven gaat: elk tafereel van schoonheid heeft zijn tegenhanger dat vroeg of laat uw pad kruist. Wat uw eigen leven betreft, laat het tegenbeeld gewoonlijk nooit erg lang op zich wachten. Het jonge koppeltje heeft intussen de tram verlaten. Op het bankje voor u is een man komen neerploffen. Onmiddellijk dringt een afschuwelijke geur tot u door: de penetrante stank van iemand die zich al héél lang niet meer gewassen heeft.Met uw hand voor uw mond balanceert ge op het punt dat ge zult moeten kokhalzen, een reflex die ge nog enigszins in bedwang kunt houden door een tijdlang niet in te ademen, maar dan moet ge dat tóch en net op het moment dat ge overweegt om op te staan en uzelf zo snel mogelijk te bevrijden uit deze afgrijselijke damp, komt de man zélf overeind en stapt hij uit.Maar boven het zitbankje is onmiskenbaar de geur van vlees in ontbinding blijven hangen.Een jonge vrouw is nu op die plaats gaan zitten. Nog vóór de tram zich opnieuw in beweging zet, draait ze zich met een verontwaardigde blik naar u om en staat ze op om een andere zitplaats te zoeken, vér uit uw buurt. ‘Ik was het niet!’, wilt ge haar naroepen, maar ge houdt u in en door de inspanning die u dat kost, begint ge luidop te lachen.Enkele kilometers verderop raken de wielen van het vliegtuig, na een eerste vluchtig contact met de landingsbaan, nu definitief de grond.

Andreas Raven
8 1

Collectieve corona-les

  Ik kreeg laatst een mail toegestuurd van een vriend die in Guatemala junglegids is geworden. Hij had gehoord dat de coronapandemie hard toeslaat in de Westerse wereld en wou weten hoe het met me was. Ik deed mijn relaas in het mailtje terug. We krijgen een collectieve les in hoe we moeten omgaan met een bedreigende, zelfs potentieel levensbedreigende situatie. Gelijk wie tot nu toe in het leven heeft gestaan, zal ooit wel eens in een gevaarlijke situatie terecht zijn gekomen. De dreiging voelt dan echt aanwezig aan. En dat hoeft niet persé een ongeval, een brand of een grote ramp te zijn. Soms zijn het net kleine, subtiele dreigingen, voorbodes voor erger zoals een gevoel van onrust als we op een plek ergens in een buitenlands louche hostel aankomen waar de alarmbellen meteen gaan rinkelen. Je kent het wel! De dreiging is dan niet fysiek aanwezig; het voelt aan als iets verborgen in de achtergrond. Je ziet het aan signalen, aan een bepaalde negatieve sfeer die er hangt, aan het vreemde gedrag van de hostelmedewerkers.Toen de corona-pandemie voor de eerste keer in het land was, heb ik het ook zo ervaren. Ik had weliswaar niet het gevoel dat het virus mij persoonlijk kon treffen, maar door een collectieve angst- en paniekhysterie, voelde ik voortdurend de dreiging om me heen uit hoofde van anderen. Uiteraard was ik niet immuun voor het virus. Maar ik had niet de indruk dat ik er erg ziek van zou worden indien ik besmet zou raken. Ik ben in goede gezondheid en verstandig genoeg om paniekreacties en angstzaaierij te onderscheiden van werkelijke feiten. En hoewel ik me door dat besef relatief veilig voelde, deelde ik toch in het sluimerende gevoel van onrust en de angst dat er mij misschien wel iets ernstig zou kunnen overkomen. In de mail die hij daarop stuurde, vertelde hij me het verhaal van een nacht in de tropen, toen hij voor de eerste maal in het land was en een expeditie op eigen initiatief was gestart naar de Inca-stad Tikal ergens in de jungle. "Ik kom er wel! Hoe moeilijk kan het zijn?!", moet hij hebben gedacht. Niet dus!Ik laat hem het verhaal doen. Tropische stormen zijn indrukwekkend. Ineens werd de jungle om me heen haast onzichtbaar door de stortvloed van regendruppels. Ik verloor mijn gevoel voor oriëntatie terwijl ik ergens schuilde onder enkele grote bladeren. Het vallende regenwater verzamelde zich rond mijn voeten en vormde zich tot een stroompje. En een uur later zat ik daar nog terwijl het stroompje een stroom werd. Er schoten schichtig dieren om me heen alle kanten op, op zoek naar een schuilplek. Het werd allemaal zeer bedreigend, beangstigend en overweldigend. Ik wist niet meer wat ik moest doen, hoelang de storm zou aanhouden -ik had gehoord van dagenlange stortbuien-, en of ik mijn weg terug nog zou vinden. Zonder gps, zonder smartphone -ik wou true native gaan- wist ik ook niet hoe ik uit de soep kon geraken. Er bekroop me toen een gevoel van paniek. Nog geen fullblown paniek, maar een soort aankondiging ervan. Elk vreemd geluidje, elke voorbijflitsende schaduw in mijn ooghoeken versterkte de angst, de bevreemdendheid, het gevoel overgeleverd te zijn. Ik voelde dat ik mezelf moest toespreken, moed geven, richting geven omdat ik anders zou weggespoeld worden. Niet zozeer door de regen, maar door een nakende paniekaanval. En als die zou komen, zo wist ik al, kon ik niet anders doen dan die uitzitten, ondergaan. En dat wou ik vermijden. In mijn jeugd had ik het eens ervaren. Ik wist dus dat de doemscenario's die opduiken de vliegende paniek, de harkloppingen en angstaaanvallen geen enkel goed doen. Dat is pas echt desoriënterend, zelfs een beetje dissociërend als ik probeer me los te koppelen van hetgeen ik ervaar, als ik probeer NIET degene te zijn met de paniekaanval, maar een toevallige passant die de emoties van een ander rustig observeert. Werkt absoluut niet! Is zelfs een beetje gevaarlijk, want, hoewel een paniekaanval absoluut geen pretje is, heeft het wel een doel. Het is een psychisch-lichamelijke reactie op een verontrustende verstoring van het persoonlijk welzijn door situaties die (levens)bedreigend zijn en die gedurende een langere tijd aanhouden. Het hoort bij een overlevingsstrategie, bedoeld om erger te vermijden. Het drong tot me door dat ik me niet kon onttrekken van bedreigende omstandigheden in het leven waarmee ieder mens vroeg of laat geconfronteerd zal worden. Ieder van ons moet deze het hoofd bieden, hoezeer je het misschien wil ontlopen, of het het liefste niet wil zien. Steek je kop niet in het zand, want dan komt het gevoel overgeleverd te zijn, dan komen de nachtmerries. Er is geen formule om een bedriegende toestand het hoofd te bieden buiten het te leren kennen en het vervolgens in de toekomst te vermijden. Hoe leuk het idee ook was om in mijn eentje op zoek te gaan doorheen de jungle naar Tikal, een beetje realisme en een tikje minder jeugdige overmoed had me snel kunnen leren dat een onbekende plek een onbekende plek blijft waar vanalles mis kan gaan indien niet goed voorbereid. Daarom mijn advies aan allen met een sluimerend gevoel van bedreiging, van ongemak, van 'het wordt nog erger!' Neem je tijd. Analyseer de spanningen die er nog zijn in je leven en los ze op. Vermijdt situaties die spanningen veroorzaken: al die extra's erbovenop doen geen enkel goed. Laat het tot je doordringen hoe toxisch bepaalde dingen voor jezelf zijn. Bepaalde films, muziek, games, kunst, noem maar op. Laten ze een ongemakkelijk gevoel achter? Ga ze dan uit de weg. Het zit soms in kleine dingen. De vermoeidheid, de geestelijke uitputting, het gevoel van (voortdurende) gespannenheid, alsof je over eieren loopt, alsof er elk moment iets ernstiger kan gebeuren; dat wil je toch niet blijvend ervaren? Dat wil je toch niet nog versterken? Elimineer daarom alle bronnen van spanningen, kwaadaardige invloeden, bedreigingen.Herstel opnieuw het vertrouwen in jezelf, in je eigen gedachten en aanvoelen, in het contact met anderen. Laat de luidste stoorzender in je leven niet voortdurend aanstaan. Als je zelf de bubbelend hete modderpoel steeds opnieuw gaat opzoeken, zal je je vroeg of laat branden. Ruim je persoonlijke rommel op en dit virus zal lang niet meer zou bedreigend aanvoelen. Ik vroeg het me af of zijn persoonlijke situatie wel even makkelijk te vertalen zou zijn naar een collectief appèl. In mijn laatste mail terug vroeg ik nog lachend of hij niet beter een noodlijn zou opstarten. Het bracht hem blijkbaar op ideeën want even later kwam hij met de suggestie om de mail online te plaatsen. "Wat denk je?", vroeg hij nog. "Het proberen waard, niet?"  

Dan Fauré
0 0

Plunged

Commodore Louis has a dream that we all know. A dream that will never come true, fortunately, because what do we still have otherwise. That dream was forced on him and on us as well, what he and we really wanted has been unlearned. That goes for all of us, including those others, you know, the rich and fortunate and all that. No, it's just one of those days again. The weather forecasts don't promise what the sky really looks like. It is as if they are in the eye of Jupiter, calm before the actual storm. Namely, the real storm, not the one in their hearts and minds. The wind is picking up, and the waves are getting bigger by the second. The wooden ship creaks, the rigging tightens. The blocks rattle with each shake, and the swell pounds and pounds against the hull. Billy Budd reefs the sails, reducing the area that catches wind. Then he crawls towards the front through the bowsprit into the jib net and while he is thrown three meters up and down every other turn, he takes out the genoa sail. As nauseous as a crab, he plows his way back down the side deck to the wheelhouse. Nameless, the muskrat, not the ship, gets too cramped, and in his panic wants to gnaw its way through the boat. And so the old sailor wisdom is once again confirmed that rabbits and other rodents do not belong on shaky gaff schooners and relatives. Louis is losing his love for animals, now that Nameless has already bitten himself through the hull to such an extent that he is only attached to the inside of the ship with his tailbone. The seawater flows into the living spaces with starfish and whelks. A dazed electric eel also squeaks in to light a candle. "The pumps, Captain, where are the pumps?" Billy screams. "We have to start with emptying the bilges, for ...".  "For what? Before the free liquid surface compromises stability? There are no pumps, Billy. Everything is in vain. ” "What do you mean, Captain, everything is in vain?" “I threw everything overboard in a mean mood, Billy. I'm sorry, but if it never ends, sometimes you have to lend a hand to fate. If I want to go, let it be on the high seas. With jellyfish feasting of my face, swordfish piercing my skeleton, and sea urchins pinning themselves into my softened skin. Drowning. The last breath nipped in the bud by salt water digesting my lungs. I want to dissolve, as a salt tablet, compost for sponges and coral reef. Because rather that than getting old and yearning. Heartbroken for she who has since  long turned her back. What's worse, she who breaks the divine prohibition and looks back and then turns into a pillar of salt, or she who has never looked back? I've lost her for a long time, but what is the worst evil, Billy, do you think?” “Have you lost your mind, Old Man? I don't want to die yet. Where are the life rafts?” Billy Budd shakes his ass and gives Nameless a death kick against his ass, finally freeing him from the hole he got stuck in chewing it. He lands in the swirling water of a vengeful sea, and the salty water now pours into the sailboat with cubic liters. "Where are those rafts, Commodore?" Billy screams with adrenaline and a zest for life and grabs his long-standing father figure by the lapel. “A seaman's grave, yes, our element will slowly but surely seep into us,” the captain spits in the face of his sailor. "God, the radio ..." Billy hurries to the navigation table, but the water had already paralyzed the electricity. “You will be reunited with your mother, Baby Budd, and I can wait for her. Her. The love that never died. Until death will reunite us. Beyond death ... “  Billy Budd lets Louis rave further, and digs in the ship's chests for useful material. "Madame Nybros," he murmurs, "Baron Samedi, Yemaya, Yemaya, Aguanile, Mai Mai, Aguanile." That's what he remembers about the voodoo of his childhood, and after finding and firing a few flares, he throws the ship's log overboard. "Get rid of it!" But that's reckoned without Nameless, who bites its teeth stuck in this floating swampy role of nautical lore. "Damn rat", Billy thinks as the schooner slowly loses the battle against the leak in his hull. Bright red lights up the sky between two wave valleys. Billy can no longer stand it and slaps his Old Captain into dreamland. He then takes him on his shoulders and jumps into the no man's land of swirling waves. And then the light went out. Commodore Louis has a dream that we all know. A dream that will never come true, fortunately, because what do we still have otherwise. That dream was forced on him and on us as well, what he and we really wanted has been unlearned. That goes for all of us, including those others, you know, the rich and fortunate and all that. No, it's just one of those days again. The weather forecasts don't promise what the sky really looks like. It is as if they are in the eye of Jupiter, calm before the actual storm. Namely, the real storm, not the one in their hearts and minds. The wind is picking up, and the waves are getting bigger by the second. The wooden ship creaks, the rigging tightens. The blocks rattle with each shake, and the swell pounds and pounds against the hull. Billy Budd reefs the sails, reducing the area that catches wind. Then he crawls towards the front through the bowsprit into the jib net and while he is thrown three meters up and down every other turn, he takes out the genoa sail. As nauseous as a crab, he plows his way back down the side deck to the wheelhouse. Nameless, the muskrat, not the ship, gets too cramped, and in his panic wants to gnaw its way through the boat. And so the old sailor wisdom is once again confirmed that rabbits and other rodents do not belong on shaky gaff schooners and relatives. Louis is losing his love for animals, now that Nameless has already bitten himself through the hull to such an extent that he is only attached to the inside of the ship with his tailbone. The seawater flows into the living spaces with starfish and whelks. A dazed electric eel also squeaks in to light a candle. "The pumps, Captain, where are the pumps?" Billy screams. "We have to start with emptying the bilges, for ...". "For what? Before the free liquid surface compromises stability? There are no pumps, Billy. Everything is in vain. ” "What do you mean, Captain, everything is in vain?" “I threw everything overboard in a mean mood, Billy. I'm sorry, but if it never ends, sometimes you have to lend a hand to fate. If I want to go, let it be on the high seas. With jellyfish feasting of my face, swordfish piercing my skeleton, and sea urchins pinning themselves into my softened skin. Drowning. The last breath nipped in the bud by salt water digesting my lungs. I want to dissolve, as a salt tablet, compost for sponges and coral reef. Because rather that than getting old and yearning. Heartbroken for she who has since  long turned her back. What's worse, she who breaks the divine prohibition and looks back and then turns into a pillar of salt, or she who has never looked back? I've lost her for a long time, but what is the worst evil, Billy, do you think?” “Have you lost your mind, Old Man? I don't want to die yet. Where are the life rafts?” Billy Budd shakes his ass and gives Nameless a death kick against his ass, finally freeing him from the hole he got stuck in chewing it. He lands in the swirling water of a vengeful sea, and the salty water now pours into the sailboat with cubic liters. "Where are those rafts, Commodore?" Billy screams with adrenaline and a zest for life and grabs his long-standing father figure by the lapel. “A seaman's grave, yes, our element will slowly but surely seep into us,” the captain spits in the face of his sailor. "God, the radio ..." Billy hurries to the navigation table, but the water had already paralyzed the electricity. “You will be reunited with your mother, Baby Budd, and I can wait for her. Her. The love that never died. Until death will reunite us. Beyond death ... “  Billy Budd lets Louis rave further, and digs in the ship's chests for useful material. "Madame Nybros," he murmurs, "Baron Samedi, Yemaya, Yemaya, Aguanile, Mai Mai, Aguanile." That's what he remembers about the voodoo of his childhood, and after finding and firing a few flares, he throws the ship's log overboard. "Get rid of it!" But that's reckoned without Nameless, who bites its teeth stuck in this floating swampy role of nautical lore. "Damn rat", Billy thinks as the schooner slowly loses the battle against the leak in his hull. Bright red lights up the sky between two wave valleys. Billy can no longer stand it and slaps his Old Captain into dreamland. He then takes him on his shoulders and jumps into the no man's land of swirling waves. And then the light went out. James Carr - Pouring Water on A Drowning Man  

ovlijee
0 0

Sh*t happens

WHEN SHIT HAPPENS Het is me nog eens gelukt. Ik heb nog eens de moed gevonden om een douche te nemen en me aan te kleden. Zeg gerust uitdossen. Kleedje aan, juweeltjes van onder het stof gehaald, vlecht in de haren. Ik heb zelfs de energie gevonden om me nog eens te schminken. Een vaardigheid die ondertussen toch wat verleerd lijkt te zijn (‘hallo panda-ogen’). Maar hé, ik voel het heel duidelijk: vandaag wordt het mijn dag. Geen zetelhangende pyjamadag, maar een fris en fruitige dag. Voor ik de deur uitga om de wereld mijn herboren ik te tonen nog snel even die baby verschonen.  Think positiveOndertussen dwalen mijn gedachten verder af in mijn positieve flow. Vandaag ben ik gewoon ‘the bomb’, ik ben sexy, ik ben mooi. Ik ben in kak getrapt. Mijn blik dwaalt naar beneden om het te verifiëren. Van tussen mijn tenen zie ik een bruine substantie prijken. Ja, ik ben echt in kak getrapt. Op de een of andere manier is mijn baby er in geslaagd om met de snelheid van het licht een drolletje de ruimte in te schieten.   #perfectlifeDit moet mij weer overkomen. Terwijl andere vrouwen op een roze wolk zitten, sta ik zowel letterlijk als figuurlijk met mijn voeten in de stront. “#lovemylife”, ik kon er niet verder van staan. Is het ok om toe te geven dat ik moeder zijn niet leuk vind? Dat ik moeite heb om een band op te bouwen met mijn baby en dat ik me niet verbonden voel met zowel die moederrol als mijn baby? Toegeven dat je verzuipt in tijden van #perfectlife is een hoge drempel om over te geraken. Maar als ik het doe, zal de maatschappij mij dan in een vergeetput gooien om die dan snel weer af te sluiten? Mogen we in onze maatschappij nog toegeven dat we niet genieten, maar dat we echt worstelen? Kan dat wel? Alleen op de achtergrond Ik heb er lang over liggen piekeren. Nachtenlang heb ik er wakker van gelegen, ook al had ik beter geslapen (gigantisch slaapgebrek enzo). Kon ik wel toegeven aan mezelf en aan mijn omgeving dat het niet was wat ik ervan verwachtte? Dat ik moeite had met de nieuwe dynamieken die gepaard gaan met het ouderschap? Plots lijk je naar de achtergrond van je eigen leven te verdwijnen. Mensen zien je schattige baby, vragen hoe het met je baby gaat en vergeten vaak dat jij achter die baby staat. Soms wil je wuiven en zeggen: ‘Joehoe, ik ben er ook nog hoor! Niet die ‘moeder-Ik’, maar die ‘echte-Ik’. Die ‘Ik’ die er eigenlijk eerst was’. En naarmate de tijd verstrijkt begin je te denken dat die ‘echte-Ik’ misschien toch niet zo belangrijk is in het grote geheel. Je past je aan en wordt naarmate de tijd verstrijkt alleen ‘Moeder’. Na een tijd begin je je af te vragen wie die ‘echte-Ik’ ook alweer was? Je begint een soort van rol te spelen hoe je denkt dat je ‘echte-Ik’ zich hoort te gedragen. Je vindt de put en valt er in. Dit was het dan, lijk je wel te denken. vaarwel vergeetput Toegeven dat het niet gaat. Ik denk dat het het moeilijkste was wat ik ooit gedaan heb. En tegelijkertijd is het ook het mooiste. Blijkt dat er geen vergeetput, maar alleen helpende handen bestaan om moeders die het gevoel hebben te falen vooruit te helpen.  Mensen veroordelen niet, maar begrijpen. We zijn uiteindelijk toch ook maar gewoon mensen – met of zonder kaka tussen de tenen.   **Meer lezen? Ga naar www.exitgrijzewolk.com

Nathalie B
5 1

Thuiswerkpa

"Ze vinden toch wat uit hè", zeg ik aan tafel waar ik de krant lees. Ik kijk boven mijn leesbril de huiskamer in. Mijn huisgenoten zwijgen als vermoord. Geen wedervraag. Geen 'wat vinden ze dan uit?'. Ze turen elk naar hun scherm. De aantrekkingskracht van de tv en de smartphone is zo sterk als de magneet die tegen de ijskast allerlei papiertjes verzamelt. "Thuiswerkmoe. Dat is een titel in de krant. Over een moe die thuis werkt wellicht. Dan ben ik soms een thuiswerkpa." Als ik alleen thuis ben, werk ik in de eetkamer. Anders trek ik naar boven, naar het torentje. Driehoog. Daar zie ik door het dakraam bijna het gebouw van mijn werkplek. Ik ga wel eens naar boven met mijn jas aan. Op mijn sokken. "Waar gaat gij naartoe met die jas?", vragen ze dan. "Naar het werk hè schat. Kus. Tot straks." De mopjes worden wellicht flauw van het lang binnen zitten. Het is zoals soep die je te lang laat koken, dan gaat de smaak van de verse groenten weg. Onze pa was geen thuiswerkpa. Zijn laatste job was die van portier in de fabriek. Dat kon hij thuis niet uitoefenen. Al bracht hij zoals iedereen zijn werk af en toe mee naar huis. Zo beantwoordde hij thuis de rinkelende telefoon ooit met 'hallo portier'. De mensen aan de andere kant van de lijn wisten het, dat hij zich soms vergiste. Er werd nog niet zo veel gebeld in die dagen. Al vanaf de eerste zinnen in het artikel over de thuiswerkmoe blijkt dat ik de titel verkeerd geïnterpreteerd heb. Het gaat over mensen die het thuiswerken moe zijn. Die de babbels bij het koffieapparaat missen. Die de gesprekken over voetbalwedstrijden missen. Mensen die thuis een jas aantrekken als ze de trap naar hun bureau opgaan.  

Rudi Lavreysen
3 0