Lezen

Bankje

Ik snapte het niet. Ik snapte gewoonweg niet waarom ze me niet zagen staan. Dag in dag uit stapten ze me voorbij. Niet één keer bleef er iemand stilstaan. Niet één keer koos iemand ervoor om even bij mij te rusten, het zonnetje op te vangen en verhalen hier neer te leggen. Ik was nochtans opgefrist. De bloembakken? Die waren gevuld. Alles was klaar om mensen te ontvangen. Maar niemand keek naar me om. Behalve die ene hond. Die elke keer weer zijn rechterachterpoot hief en mij zonder schaamte besproeide. Zijn baas? Gunde me geen blik. Die keek steevast de andere kant op. Verderop was het anders. Daar zaten de jongeren. Elke dag na school lachten ze, aten ze, leefden ze. Ze zaten op de trap van de kapel, dicht tegen elkaar aan. ‘Ik heb misschien niet zoveel plaats… maar met een beetje inschikken past het hier ook. Ik ben een bankje, weet je wel. Om op te zitten.’ ‘Kom hier… zet je neer,’ fluister ik naar elke passant.‘Dan weet ik hoe het voelt.’ Terwijl ik diep in gedachten verzonken was, stond er plots een oude man met een loopkarretje vlak voor mijn neus stil. Hij keek naar links en naar rechts en liet zich kreunend op mijn planken zakken. Oh, wat een zalig gevoel. Eindelijk iemand die ook blij was met mij! Maar het duurde niet lang. De oude man begon te schuifelen en fronste. “Maar wat is die stank?” Hij draaide zich om, tuurde even en las luidop: “honden toilet”. “Een gekke plaats voor dit bankje,” mompelde hij. “Ik zal een brief schrijven naar de gemeente.” Langzaam kwam hij weer recht. Hij nam zijn karretje vast en schuifelde stap voor stap weg. “Dank je wel, oude meneer… en tot snel!” riep ik hem nog na. Maar hij kwam niet terug. Niet de volgende dag. Niet na een week. En ook niet na een maand. Tot, na twee maanden, er plots vier mannen verschenen. Ik begreep niet wat er gebeurde. Ze kwamen dichterbij, overlegden kort en haalden een machine en kettingen boven. Voor ik het besefte, trokken ze me uit de grond. Oh nee… wat gaan ze met me doen? Word ik weggegooid? Of nog erger… maken ze brandhout van me? Halen ze me door de hakselaar? Help… stop… Ik voelde hoe ik loskwam van de grond. Mijn planken trilden. Ik kneep al mijn ogen dicht en hakkelde een schietgebedje. En dan… stilte Aarde, ik voelde de aarde onder mij. Voorzichtig opende ik mijn ogen. Ik keek om me heen en zag het meteen: De kapel! Ik sta dichter bij de kapel. Mijn planken maakten een sprongetje van vreugde terwijl ik stevig in de grond werd verankerd. Ik sta gewoon… dichter bij de kapel. Sindsdien word ik elke dag bezocht. Jong en oud komt langs om even te zitten, te rusten of te lezen. Of gewoon… om te genieten van mij. Net zoals jij.  

Idha Zadel
1 0

Therapie

Ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Dat klonk aanvankelijk geruststellend eenvoudig. Een column is tenslotte maar een tekst met een mening, dacht ik. Hoe moeilijk kan het zijn om ergens een mening over te hebben? Dat doe ik dagelijks, vaak zelfs ongevraagd. Ik zit al enkele maanden wekelijks aan de schrijftafel, dus in mijn hoofd zou dit het moment zijn waarop alles wat ik daar geleerd heb netjes samenkomt. Theorie, oefening, inspiratie, in een keurige tekst met een begin, een midden en een einde. In de praktijk zat ik vooral naar een leeg blad te kijken alsof het mij persoonlijk had beledigd. Ik merkte al snel dat een column schrijven toch iets anders is dan gewoon een paar zinnen achter elkaar zetten en hopen dat er stijl in kruipt. Het is niet gewoon schrijven wat je denkt. Het is schrijven wat je denkt, maar dan zo dat het lijkt alsof je daar goed over hebt nagedacht. Alsof je je mening eerst hebt gewassen, gestreken en in een mooie zin hebt geplooid. En net daar liep het mis. Want hoe formuleer je een scherpe gedachte of mening als je voelt dat die nog vol kreukels zit? Want een column schrijven is niet gewoon een mening op papier. Een mening mag nog een beetje ruw, halfaf en ongepolijst zijn. Een column moet doen alsof diezelfde mening al een reis heeft afgelegd. Er moet iets bewezen en onderbouwd worden. De schrijver moet een scherpe invalshoek kiezen en er net genoeg ethos, pathos en logos inzetten om de lezer even stil te krijgen. Of minstens zuchtend van instemming zijn koffie doen neerzetten. En net daar begon ik te twijfelen. Hoe onderbouw je iets zonder dat het klinkt alsof je aan het preken bent? Hoe schrijf je iets dat tegelijk slim, grappig en leesbaar moet zijn, zonder dat je meteen in paniek denkt: ik kan dit helemaal niet? Ik merkte dat ik niet alleen aan een column bezig was, maar ook aan een gesprek met mezelf. Waarom wil ik hier eigenlijk zo goed in zijn? Waarom voelt een foute zin meteen alsof ik persoonlijk faal? Ik betrapte mezelf op perfectionisme. Op de behoefte om slim over te komen. Vanaf hoeveel twijfels verandert een column in een therapiesessie? Misschien is dat precies wat een column is: een mening die zich beter voordoet dan ze zich voelt. Een klein stukje tekst dat doet alsof het de wereld bekijkt, terwijl het in werkelijkheid vooral de schrijver zelf ontleedt. Een tekst waarin je probeert helder te zijn, terwijl je ondertussen ook maar aan het uitzoeken bent wat je eigenlijk denkt. En misschien is dat helemaal niet erg. Misschien is dat zelfs het enige eerlijke aan schrijven: dat je eerst denkt dat je iets moet bewijzen, en pas onderweg beseft dat je vooral jezelf aan het lezen bent. Dus ja, ik kreeg de vraag om een column te schrijven. Ik begon eraan, met een beetje lef, en het stille vermoeden dat een goede column soms gewoon begint alsof ze de wereld probeert te begrijpen, maar ergens onderweg bleek het vooral over mezelf te gaan.

Idha Zadel
2 1

Hoger dan ik durfde

Onze moeders zaten gezellig te kletsen en koffie te drinken toen ze onderbroken werden door ons gesmeek. We moesten beloven dat we zeker niet zouden oversteken naar 'het tunneltje'. Het was voor het eerst dat we alleen buiten mochten spelen, zonder dat onze oudere zussen erbij waren. Vanaf het balkon hadden onze moeders zicht op de speeltuin, dus ze konden ons in de gaten houden, had mama nog gezegd. We renden jubelend via het trappenhuis naar beneden. We kunnen niet ouder zijn geweest dan 7 jaar. Ze liep enkele passen voor me en hield plotseling halt op het fietspad. Ze keek naar links en naar rechts om te zien of er een fiets aankwam. Vervolgens keek ze vluchtig achterom om zeker te zijn dat niemand ons zag en stak over richting het tunneltje. Ik volgde zonder te twijfelen. Het tunneltje was altijd al een verboden plek geweest, zelfs als onze zussen erbij waren mochten we er niet spelen. Het was een fietstunnel waarover een trein reed die ons dorp verbond met de grote stad. De tunnel zelf was voor ons een doorgang tussen twee werelden. We waren nog nooit in die andere wereld geweest. Het hekwerk volgde de contouren van de fietstunnel, stevig verankerd in een betonnen boord. Het klom langzaam omhoog, om daarna weer af te dalen naar de stoep aan de overkant. We waren er al vaker geweest, dan klommen we op het betonnen boord, dat laag bij de grond begon en klommen we zo hoog dat we door de spijlen van het hekwerk het duivenkot en de weide met afgedankte materialen van de flodders konden zien. Wanneer we waren uitgekeken liepen we weer terug naar beneden, om vervolgens zo hoog als we durfden van het boord op de stoep naar beneden te springen. Ook deze keer stapte ze direct op de boord en haakte haar arm over de reling. Ik volgde haar en al gauw stonden we op de gekende hoogte van waar we de weide konden zien. Ze stopte even, draaide zich om en zei: "Kom, we gaan verder" . Ik aarzelde maar volgde haar toch verder naar boven, terwijl ik mijn arm steviger vastklemde om de reling. Ze bleef stappen, keek niet meer om en zei niks meer, hoger en hoger... Tot ze bij de brug was. Ik stond enkele passen van haar verwijderd, wachtend totdat ze zich zou omdraaien. Maar ze draaide zich niet om, integendeel, ze reikte met haar linkerhand naar het hekwerk van de brug waarover de trein reed. Ik keek voorzichtig naar beneden, maar de afstand naar de grond was zo groot dat ik me niet meer durfde te bewegen. Zij stond ondertussen al volledig op de brug. Omdat daar geen boord was zette ze haar voeten zijwaarts stap voor stap tussen de tralies en schoof telkens mee met haar beide armen over de reling. "Ko-hom!" riep ze me ongeduldig toe. Ik durfde niet te weigeren en volgde met knikkende knieën haar voorbeeld. Voorzichtig schoof ik mijn voeten tussen de tralies en klemde mijn bovenlichaam tegen de spijlen. Beide armen klemde ik tot aan mijn oksels over de bovenste rand van het hek. Met mijn beide ellebogen naar buiten uitstekend en mijn handen die het koude hekwerk zo stevig vastklemde dat mijn knokkels wit werden, begon ik langzaam zijwaart te schuivelen. Mijn hart bonkte zo hard dat ik amper zou kunnen horen of er al een trein aankwam die ons aan een enorme snelheid en oorverdovend kabaal voorbij zou razen. Ik deed iets wat ik niet mocht doen: Ik keek naar beneden en zag verschillende fietsers onder mij uit de fietserstunnel komen. Het was alsof ik boven hen zweefde. Ik versteende; zag mezelf naar beneden vallen en mijn hoofd en rug zich verbrijzelen op het grauwe fietspad. Ik kneep mijn ogen dicht om mijn blik los te rukken van het bloederige tafereel. Toen ik ze weer opendeed stond mijn buurmeisje op het hoogste punt van de betonnen boord. Het gaf me op de een of andere manier moed om verder te gaan. Daar was in ieder geval beter dan waar ik stond. Terwijl ze iets verder op me stond te wachten, riep iemand ons toe dat we daar niet mochten spelen. We daalden zo snel als we konden, uit schrik dat iemand ons zou verklikken, naar beneden. Voor mij was het vooral pure opluchting dat we weer op veilige hoogte stonden. Na dit gevaarlijke avontuur hebben we braafjes in de speeltuin gespeeld, alsof er niks was gebeurd. Zij en ik hebben het er nooit meer over gehad. Ook niet nadat de nachtmerries begonnen die me nog jarenlang hebben achtervolgd. Tegen mama heb ik nooit durven vertellen wat ik die dag heb gedaan. Sterker nog, het is vandaag pas voor het eerst dat ik dit verhaal vertel.

Idha Zadel
5 1

De colloscopie

Vanochtend om zes uur belt Oma me wakker. Ik neem de telefoon niet op en zet hem op vliegtuigmodus. Een half uurtje later wordt er aan de voordeur gebeld. Vliegensvlug doe ik een onderbroek aan en spurt naar beneden. Er staan twee politieagenten voor de deur. 'Goeiemorgen, iets met Oma?' 'Ja' 'Kom maar binnen. Het is veel te fris.' Oma is verward. Om 05uur30 heeft ze de psychiater gebeld, want ze is ongerust. Ze kon me niet bereiken. Vannacht droomde ze dat ik bij haar was geweest om afscheid te nemen. De politieagenten zijn vriendelijk. Ik vertel hen dat Oma met momenten flipt.  Ik eet tegen mijn zin een witte boterham, want volkorenbrood mag niet. Morgen heb ik een dikke darmonderzoek. Ik ben dus op dieet.  De volgende dag sta ik om kwart na zes op. Ik heb kou. Ik doe pipi. Ik neem mijn pilletjes. Ik rook. Ik drink één tas koffie, want ik moet nuchter blijven. Ik drink toch een tweede tas koffie. Zo'n groot probleem zal dat wel niet zijn. Ik hoest. Ik doe de gordijnen open. De iPhone laadt. Ik drink een glas foud'O. Ik twijfel of ik een Nicotine-klever zou meenemen. Ik twijfel ook of ik er niet naartoe zou fietsen en dan later mijn fiets terug op te pikken. Of toch gewoon te voet? Of toch de bus van de Lijn?  Twintig na zeven beslis ik om te voet te gaan. Daarvoor de informatiebrochure nog een keer doorgenomen. Ik rook nog een sigaret om het af te leren. Ik zie er tegenop om een ganse dag niet te kunnen roken.  Ik wandel via de nieuwe kaai richting steenweg op Merksplas. Het regent niet. Ik wandel op het fietspad. Nu en dan fietst er iemand op weg naar zijn werk voorbij. Aan het bord 'de campus Sint-Jozef is rookvrij.' steek ik een sigaretje op. De bus 43A richting Hoogstraten komt voorbijgereden. Aan de inkombalie neem ik een ticket en meld mij aan voor het daghospitaal. Ik begroet de straathoekwerker die zegt: 'Ik had u niet herkend.' Stipt om acht uur meld ik me aan op het vierde verdiep, route negenentachtig. Een verpleegkundige wijst me mijn kamer en vraagt: 'Heeft u nog papieren ingevuld?' 'Jazeker. Alsjeblief.' Ik geef haar de paperassen die ze snel bekijkt.' 'Gij hebt uw huiswerk goed gemaakt.' Ik krijg een éénpersoonskamer en moet daar niet voor bij betalen. De wandeling tot aan het ziekenhuis viel goed mee.  'Hier is de godendrank van vandaag.' zegt de verpleegster. Ze legt uit dat je elk kwartier twee glazen moet leegdrinken. Het beste is ook om op de gang wandelingetjes te maken, want dan 'zakt alles beter.' Om half negen drink ik mijn eerste glas Colofort. Op één uur is de eerste fles leeg. Ik moet nog niet naar het toilet. Ik doe blokjes rond in het dag hospitaal en kijk door de raam. De verpleegster heeft me ook geprikt en een infuusnaaldje gestoken waarlangs straks medicatie zal gegeven worden. Het volgende wandelingetje, na glas vijf en zes, blijf ik in de buurt van mijn WC-pot, want ik krijg het gevoel dat ik moet urineren. Mijn darmen maken een raar geluid. Het lijkt er op dat er allerhande sappen zich vrij maken. Mijn darmen borrelen, bruisen, pruttelen, knorren en kabbelen. Kortom: het rommelt. Mijn kamernummer is vierhonderd achttien. Glas zeven en acht, de tweede fles dus, gaan al iets moeizamer. Ik zet de timer van mijn iPhone weer op vijftien minuten. De verpleegster, een vrouw van middelbare leeftijd, vraagt: 'Lukt het? Gewoon verstand op nul en drinken, drinken. Daar moet je door.' Ik doe nog een kort wandelingetje op de gang. Ik krijg het gevoel dat die godendrank begint te werken.' Ik voeg het telefoonnummer van de CM-mobiel vrijwilliger toe aan mijn contacten. Om half tien moet ik naar het toilet. Durchfall. Het spuit eruit. Het stinkt naar rotte vis en giftige bospaddestoelen. Het maakt ook een hels kabaal. Ik doe de deur van het toilet toe om de vieze geur buiten de kamer te houden. Vijf minuten later moet ik een tweede maal. Het lijkt of ik urineer langs de aars. Vanaf nu geen wandelingetjes meer. Ik blijf in de buurt van de pot. Ik vermoed dat mijn darmen al leeg zijn. De tweede fles is op. Ik hoop dat de dokter de tijd vindt om me vroeger dan half vijf te onderzoeken. Zo niet wordt het een lange dag. Het is tien voor tien. Ik ga snel een derde fles halen. De verpleegster vraagt of ik de volgende keer niet wil doortrekken, zodat ze even kan komen kijken naar de helderheid van mijn losse stoelgang. Ik heb zin in een sigaret. Seffens ga ik op bed liggen voor een dutje. Het drinken gaat moeizamer en moeizamer. Er komt enkel nog vloeistof uit mijn darmen. De verpleegster komt kijken en zegt: 'Die kleine spetterkes hebben ze ook niet graag. Voor de rest ziet het er goed uit. Drink die derde fles nog leeg. Ik zal dokter Harlet bellen, misschien kan je dan vroeger naar het onderzoek.' 'Merci.' Ik ga op bed liggen. Vijf na elf. Nog drie glazen te gaan uit fles drie. Plots, zo rond vijf voor twaalf, staan er twee juffrouwen aan mijn bed. 'U mag meegaan richting OK' Ik vraag: 'Richting wat?' 'Operatie Kwartier.' 'Ah, uitstekend.' Ik overweeg nog even op het Wc te gaan zitten, maar volg de juffrouwen gedwee. We nemen de lift naar de eerste verdieping, slaan links af, en een keer rechts af. Ze zetten het bed voor een donkerrode deur. 'Ga hier maar op je bed zitten. Dokter Harlet komt zo.' Tien minuten later komt de gastro-enteroloog, helemaal in het zwart, op witte Zweedse klompen, aangewandeld. Hij zegt op vriendelijke toon: 'De verpleegster komt u direct halen.' Ik knik. Ik heb het gevoel dat ik pipi moet doen. In de verte komt een verpleegster op roze crocks met dekens en lakens op de arm naar me toe. Ze zegt dat ik kan binnenkomen in de kleedkamer. Ik moet mijn schoenen, broek, onderbroek uitdoen. Mijn bril heb ik ook niet nodig. Ik krijg een omslagdoek aangereikt en mag, als ik klaar ben binnenkomen. Ik moet op mijn linkerzijde op een laag bed gaan liggen. Dokter Harlet vraagt mijn naam en geboortedatum. 'Dan bent u de juiste,' zegt hij laconiek. Daarna stelt hij een vraag die ik vandaag al drie keer heb beantwoord: 'Neemt u bloedverdunners?' Neen.' Daarna geeft hij de verpleegkundig de opdracht mij de juiste dosis pijnstillende en kalmerende medicatie toe te dienen. Als ik me niet vergis onder andere Fentanyl van dokter Paul Janssen. Erg populair in de achterafstraten in de States. Ik ben suf, maar af en toe kan ik meekijken naar de beelden van mijn dikke darm. De zichtbaarheid is goed. De dokter blaast af en toe koolstofdioxide in de darm, hetgeen lichte krampen veroorzaakt. Ik slaap dus niet volkomen. Af en toe duwt de verpleegkundige op mijn buik om een vlottere passage van het onderzoeksinstrument doorheen de bochten van de darm mogelijk te maken.  Om tien voor één ben ik terug op kamer vierhonderd achttien. Ik doe een dutje van een uur. Er doet niks pijn. Om half twee ben ik nog wat suf. Ik ga eten vragen. Ik krijg twee pistolets en een tas koffie. Dat smaakt. Daarna doe ik mijn schoenen aan. Ik mag naar het kantoor van de dokter route D50. Die is kort en bondig: 'Enkel vier kleine poliepjes. Alles in orde.' Ik vraag: 'Kanker?' 'Neen, helemaal niks.' Hij vervolgt met 'de volgende colloscopie kunnen we over drie jaar doen.' En tot slot: 'U mag terug alles eten.'  In het gazettenwinkeltje in de inkomhal koop ik een bekertje koffie. Ik ga even naar de titels in de zwerfbibliotheek kijken en vergeet daar die koffie. Buiten steek ik meteen een sigaret op en bel de CM-mobielvrijwilliger op. Die me normaal gezien rond vijf uur ging komen oppikken. Hij is op weg naar Rijkevorsel en kan onmogelijk naar Turnhout komen. Ik heb geen keus. Ik wandel te voet naar huis. In de Aldi koop ik nog bakboter, eieren, Knoppers en ijsjes. Rond drie uur ben ik thuis. Drie uur vroeger dan gepland.  De secretaresse van de huisarts belt. Hij heeft het document van zorggroep Orion ingevuld en ik kan dat komen halen. Ik fiets naar de papenbruggenstraat. Daarna richting Oma en de verantwoordelijke van de serviceflat. Die eerste is thuis, de tweede zit niet op haar bureau. Oma is weer erg boos. Ik krijg opnieuw het deksel op de neus. 'Wat doet gij allemaal achter mijn rug?' Haar nieuwe TV heeft ze cadeau gedaan. Ik hou het kort. Om vijf uur drink ik thuis mijn eerste glas rode wijn, een gekoeld glas El Coto. Ik neem een tranxène en de antipsychotica. Ik ben van plan nog een tweede fles te gaan kopen, maar de Pakistani gaat pas om zes uur open. Ik zet Deezer op die klassieke muziek speelt. De Koe van de koestraat, mijn zus is daarstraks bij Oma geweest. Ik fantaseer dat het kutwijf van een rots valt in Portugal. Om half zes is de El Coto op. Ik moet nu een half uurtje vol maken tot de nachtwinkel opengaat. Ik overweeg nog op café te gaan, maar doe het niet want daar kost één glas evenveel als een hele fles. Mijn darmen geven opnieuw een concert. Ze borrelen, bruisen, pruttelen, knorren, kabbelen en worden overspoeld door koude, rode wijn. Eten doe ik niet. Ik doe een kort dutje in de antieke zetel en luister Leonard Cohen. Ik bedenk me dat dokter R. Harlet een competent geneesheer is. Even later fiets ik langs de parking van het station van de NMBS naar de merodelei en koop een fles El Coto. Acht euro en een half kost dat. Plots gaat de telefoon. Joop Plukkel uit Breda belt. Die gaat morgen naar Diest en vraagt zich af of hij bij mij op visite kan komen. 'Zeker Joop, kom maar langs.' Ik fantaseer nog steeds. Mijn darmen zijn gekalmeerd. Mijn brein nog niet. Ik steek een pastaplat in de microgolfoven. Ik ben van plan mijn zus en broer volkomen te negeren. Als dessert eet ik een Knoppers en drink een ayran. Om half elf kruip ik, straalbezopen, in bed.  De volgende ochtend ontwaak ik met een stevige kater. Ik doe pipi in de badkamer. Ik rook. Ik drink koffie. Mijn ingewanden zijn muisstil. Dit keer piept de ademhaling. Na de derde sigaret drink ik nog wat appelsap. Ik zie dat er in de pompbak een grote spin zit, die op mijn gemoed werkt. Ik ga opnieuw naar bed tot tien uur. Ik moet nog het een en het ander opruimen voor Joop komt. Ik rook mijn laatste sigaretje, dus ik moet een nieuw pakje gaan kopen. De zon schijnt. Ik zet de raam open om wat te verluchten. Ik ben moe. Ik eet een klein kommetje Kellogg's K met rode vruchten. Ik rommel wat op in de keuken. Ik vul de PMD zak. Daarna ga ik naar het toilet voor een grote boodschap. Eerst druppelt er wat urine uit mijn penis en dan plots een luide knal, alsof de knalpot van een Flandrien brommertje uit negentienzevenenzestig ontploft. Daarna vallen er geurloze, bruine keutels uit mijn aars. Plop! Plop! Plop! Dit alles wordt gevolgd door een maagkramp, alsof mijn verteringsstelsel wordt vacuüm gezogen. Het doet pijn, dus ik blijf rustig op de pot zitten. Om mijn gedachten te verzetten denk ik aan het bezoek van Joop. Ik hoop dat hij weer boekjes van Deelder bij heeft. Na tien minuten, die wel een eeuwigheid lijken, veeg ik mijn kont af en trek mijn broek op. Ik moet ook aan het Franse woord 'le transit intestinale' denken.  Ik wandel naar het gazettenwinkeltje waar ze ook een uitgebreid assortiment wijn, drank en sigaren hebben. Onderweg krijg ik een idee: 'Ik zou ook een fles Jack Daniels kunnen kopen; niet alleen sigaretten. Lust Joop dat? Schitterend idee.' Ik begroet de arrogante, Hollandse uitbater en koop een pakje Pall Mall red. Daarna informeer ik naar de prijzen van de Jack Daniels, want er staat een hele kast vol van dat merk. Ik twijfel tussen 'Sweet and Oakey' of 'Bold and Spicy'. Met mijn laatst honderd euro van de maand koop ik dan toch de flessen Bourbon Whiskey. Ik ga voor de Gentleman Jack van zeventig centiliter en de 'Sweet and Oakey' van vijftig centiliter. Thuis gekomen zet ik mijn aankoop in de koelkast. De keukentafel is nog steeds een puinhoop. Ik doe eerst een dutje, want ik ban moe van het wandelingetje en de keuzestress in de rook-en drankspeciaalzaak. Ik hoor de Braziliaanse buurvrouw vertrekken met haar zwarte Ford. Ik blijf in bed liggen tot kwart na twaalf. Joop verwacht ik rond één uur. Ik wil net de keukentafel opruimen als er aan de voordeur wordt gebeld. Joop is gearriveerd, drie kwartier te vroeg. 'Goedemiddag Joop. Hoe gaat ie?' 'Dag Felix, uitstekend. Is het hier betalend parkeren in de straat?' 'Geen idee. Ik parkeer mijn auto hier nooit' 'Doet je Saab 900 uit 1989 het nog steeds?' 'Vast en zeker. Die staat ondergronds.' 'Moet je wat drinken?' 'Koffie is goed.' 'Ik zal verse zetten.' Joop kijkt rond in de living en de keuken. 'Het lijkt wel een museum.' 'Neen, het is een puinhoop. Ik zal wat plaats maken aan de keukentafel. Melk? Suiker?' 'Neen, zwart.' We doen een praatje staand in de keuken. Hij begint, zoals verwacht, honderd uit te tetteren. Hij is op weg naar Diest. Hij heeft een tentje en een slaapzak gekocht. Hij wil een muziekgroepje zien en horen spelen op de ridderfeesten aldaar. Ze hebben de merkwaardige naam Roald Omar Oscar Dahl en zijn van Gent. Daarna haalt hij uit zijn armoedige totebag twee boekjes: ‘Gemengde Gevoelens’ en ‘Aforismen’. Eentje blijkt zelfs gesigneerd. ‘Daar ben ik blij mee, Joop. Merci.’ Joop vraagt of ik de monoloog met Bets heb gelezen. ‘Jazeker, ik vond die geweldig.’ Dan laat hij een foto op zijn gsm zien van tante Tettjes. Ja, in Nederland hebben mensen zo’n namen. Hij vertelt twintig minuten over wie er allemaal familie is en waar die allemaal wonen. Middelburg, Rotterdam, Hoorn, Vucht, Breda, Nijmegen, Leiden en ‘een stad in de polder boven.’ komen aan bod. Ik luister aandachtig, maar af en toe dwalen mijn gedachten af naar de flessen Jack Daniels in de koelkast, dus ik vraag: ‘Lust jij een borrel? Ik heb een fles bourbon whiskey in huis.’ Joop antwoordt ‘Ja, is goed. Wel maar eentje, want ik moet nog rijden. Ik wil wel proeven.’ We zijn alletwee de koffie moe. Ik haal twee glazen uit de keukenkast. Ik doe de Gentleman Jack open en giet de glazen vol. Ik ben echt benieuwd of dat goedje gaat smaken. ‘Uitstekend,’ zegt Joop ‘Goed idee ook om dat in de koelkast te zetten.’ Anderhalf uur later zijn de twee flessen op. Ikzelf ben al twee keer van mijn stoel gevallen. Joop is al drie keer tegen de deur van de woonkamer gelopen toen hij terugkwam van de WC. Hij tettert nog steeds. Het gaat over een deurklink in de vorm van een pik (werk van de lokale kunstenaar Ad Sierhuys of zoiets), een episcoop, weggegooide zelfportretten, een aap met een pistool in de mast van een piratenschip, Harry die vanop zijn bromfiets een brandbom heeft gegooid, notitieboekjes, het missiehuis, een kemping in Zuid Frankrijk, waarom je nooit een Renault mag kopen, de onroerend goed handelaar van Zadelhoff, oorlepels en kontlepels, blote-bolle-billen beuken, ‘ik kom hier nog op terug’ van collega schrijver Rob, The Buffoons, Mike Vaandrager, pony’s op de Faroereilanden, colloscopiën, een restaurant waar kinderen met het syndroom van Down opdienen, de laptop van Komrij in Oliviera do Hospital, de kleine gestalte van voetballer Gaston Grünberg, de nadelen van Facebook, de dooddoener ‘wie zal daar ooit het fijne van weten?’, het saboteren van een F16, Zweedse puzzels en Denksport in het algemeen, ‘Zit je te eten met je moeder?’, anagrammen als pseudoniem, titels van boeken voor pubers, een kopieerapparaat in het midden van de kerk, zwieren met een snorrebot uit vierhonderdvijfenzeventig na Christus, een ongeoorloofd wandelingetje op het terrein van de kerncentrale van Borssele met vrouwlief Marianne en de kinderen, het nut van lange opsommingen, de anekdote van Eduardo met tattoo artiest Schifmacher en diens vrouw op het graf van Herman Brood, de conclusie dat Old Number Seven waarschijnlijk toch nog de beste zal zijn, Els Dokter, de ‘S’ van Shell met stenen weggooien, inteelt op lokale poëziehappenings en oude vrouwtjes die Sinterklaas rijmpjes als slampoetry brengen, een gereformeerde die een zoektocht doet in het Antwerps schipperskwartier, hoe een ananas te slachten, de uiteenlopende kwaliteit van de  tandpasta’s in het Kruidvat, de pittige prijzen van passe-partouttickets van Photopfestival Breda, de basset Léon van een meter tien lang en zevenendertig hoog die enkel reageert op het woord ‘kroket’, wat de afkorting BDSM ook alweer betekent, … Aangezien alle alcohol op is, zijn we een beetje gefrustreerd. Ik stel voor een dutje te doen. Joop zet zich in de antieke zetel en valt meteen in slaap. Ik ga op bed liggen. Alles draait. Ik ben misselijk en dronken. Echt slapen lukt niet, maar ik ben enigszins opgelucht een tijdje niet te moeten luisteren. Ik hoor enkel gesnurk uit de woonkamer. Verbazingwekkend genoeg zijn mijn darmen en ingewanden oké. Ik duizel alleen maar. Het lijkt alsof ik op een vervelende kermisattractie zit. Ik blijf wel koppig op bed liggen in de hoop beter te worden.   Dag Joop, hoe gaat het verder?                                      

Hubert Grimmelt
0 0

Villa Pannenkoek en zo

Ge kunt dat! zeg ik tegen mezelf. Ge kunt. Ge kunt, omdat het moet. Ge wilt. La puissance de volonté. Ge wilt en ge moet. Ik ga een kinderboek schrijven. Dat zal wel lukken. Oefen. Experimenteer. Schrijf! Schrijf! Schrijf! Beduvel uw eigen kritikaster.    Villa Pannenkoek In villa Pannenkoek loopt alles fout. Oma is eenzaam en boos. Zoon Toon doet zijn best. Rocky de teckel is doof. Kanariepiet Piet is blind, maar muzikaal geschoold. Kleinkind kolonel Kivit is sterk en slim. Muilezel Nick doet AI in plaats van IA. De Koe van de Koestraat geeft geen melk. Ze werkt als flexi-jobber in de HORECA. De Koe van de Koestraat is ook gewoon een mottige doos. Hoofdstuk 1. Heeft zoon Toon longkanker? De huisdokter zegt: 'Quid?' De radioloog zegt: subtiele dunne bandvormige verdichting rechts basaal. DD atelectatisch, sequelair na eerder infiltraat. Zoon Toon zegt: 'Wat heeft dat te betekenen?' Sinds toen heeft hij een geheim. Hij maakt tekeningen met de letters en woorden 'Van sigaretten ga je dood.' Hij rookt al vijfendertig jaar. Vies. Bah. Hoofdstuk 2. Is Oma in staat zelfmoord te plegen? Neen, waarschijnlijk durft ze zelfs niet op de noodknop te duwen. Inloggen bij de bank lukt ook niet. Ze probeert te telefoneren met een gsm zonder SIM-kaartje in en geeft zoon Toon de schuld van alles. Haar TV en microgolfoven zijn stuk. De juffrouw die zorgt voor de service van de serviceflat heeft vakantie. Hoofdstuk 3. Waarom neemt kolonel Kivit zijn telefoon niet op? Geen idee. Hoofdstuk 4. Is de Koe van de Koestraat ooit verkracht? Ja, op een trouwfeest van een nichtje door een garçon.   Neen, denk ik. Dit snappen de kindjes niet. Het moet anders. Ik begin op nieuw. Vogel en vogeltje Ik ben een vreemde vogel. Ik eet graag vissen en chocolade. Soms verander ik van kleur en gemoed. Ik lust ook graag rode wijn en bloemkool. Vandaag regent het. Meestal schijnt de zon. Die lijkt dan op een pannenkoek aan de hemel. Vaak beleef ik leuke avonturen. Hier is er zo een. Op een morgen kwam er samen met de zon een andere vreemde vogel langs. Hij was moe en had zin in een sigaar. Ik nam de lichtbruine doos sigaren en gaf hem er een. Mijn luciferdoosje kon ik niet vinden. Ik zei: 'We zullen op zoek moeten gaan naar vuur.' Hij zei: 'Ja, is goed. Gaan we samen?' Ik zei: 'Ja, is goed.' We vlogen van de boom naar de dakgoot en terug. En terug van de boom naar de dakgoot en terug. De boom is een grote treurwilg. Plots begon de boom te praten. De boom zei: 'Jullie moeten de grote oceaan overvliegen naar het eiland Lapje LOem. Daar woont Koning Lucifer de lichtontvlambare. Hij kan jullie wel een doosje lucifers bezorgen.  Tot slot zei de boom: 'Het is die kant uit. Z bij ZO. Zuid bij Zuid Oost en hij wees met al zijn takken die kant uit. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot.  Plots begon de dakgoot te praten.  De dakgoot zei: 'Volgens mij moeten jullie de andere kant op. N bij NO. Noord bij Noord Oost.  Vogel en zijn vriend vogeltje keken elkaar verbaasd aan. Ik zei: 'Laat ons opnieuw aan de boom vragen welke kant het op is.' Hij zei: 'Ja, is goed.' En we vlogen naar de boom die ondertussen lelijk keek en zweeg. Ik vroeg: 'Welke kant is het uit?' 'Z bij ZO.' antwoordde de boom nors. Ik zei: 'De dakgoot beweert N bij NO.' 'Da's fout!' bulderde de boom bijzonder boos. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot na eerst een rondje rond de boze boom te hebben gedaan.  De hemel werd donker. Pikdonker. Pannenkoek zon verdween. De wolken werden zwart en het begon te regenen. Donder en bliksem sloegen toe.   Neen, denk ik. Dit boeit de kindjes niet. Het gaat ook te traag. Ik begin op nieuw.   Heleen en Coco in de Zoo of dierentuinen zijn gevaarlijk Heleen, de moeder van Coco, is moe en heeft geen zin. Vandaag staat de Zoo van Antwerpen op de planning. Coco kijkt daar al enkele dagen naar uit. Zoals iedereen weet zijn dierentuinen, net als pannenkoekenrestaurants, kinderlokkers. Allebei zijn ze grote trekpleisters. De olifanten, leeuwen, giraffes, okapi's, koala's, krokodillen, papegaaien, slangen, roofvogels, apen, … trekken de aandacht. Samenvatting: Heleen verliest heel even haar dochter uit het oog. De vierjarige klimt op een laag muurtje en over een plexiglas paneel en stort meters diep in het Gorillaverblijf. De klap is enorm. Coco blijft bewusteloos op de grond liggen. De omstanders kijken toe en Heleen is in paniek en schreeuwt het uit. Gorilla Gust, de grootste en brutaalste van het gorillaverblijf, stapt op het kind af. Het wordt een horrorscenario. Gust tilt Coco op en werpt ze enkele meters verder het verblijf in. Zijn vrouw, gorilla Binti Jua houdt de wacht aan de schuifdeur van de verzorgers, zodat er geen hulp voor Coco binnenkan. Ondertussen is Heleen ook het bewustzijn verloren door de stress. De brandweer en een dierenarts komen ter plaatse, maar zijn radeloos. Ondertussen gooit Gust Coco nogmaals enkele meters de hoogte in, waarna hij zich triomfantelijk op de borst klopt. En zo voort en zo verder. Dit verhaal eindigt met de zinnen: 'Ik zou zo graag pipi gaan doen.' En 'Op het kerkhof ruikt het naar frit.' Ik zei tegen mezelf:’Felix, het kan en moet beter!’ Yumi van de planeet Huppeldepup            Oma Ada rookt een sigaar in haar kamer in het rusthuis en praat tegen zichzelf. Ze is weduwe. Bompa dronk smeer -en lampenolie. Bompa is allang morsdood. “Dit is mijn favoriete pyjama! Ik vind vooral de kleur mooi. Het groen past helemaal niet bij het geel, maar hij is zo zacht.” Dokter Kunstvorlaget en een eigenaardig ding op kleine wieltjes komen plots binnen. “Ada, je mag hier niet roken. Verdomme. Dat weet je toch,” zegt hij boos. De dokter opent het venster. Oma: “Neen, niet doen. Het is veel te koud.” “Er hangt hier rook. Je moet af en toe je kamer verluchten, Ada,” zegt de dokter geïrriteerd.  “Ik heb goed nieuws. Je krijgt gezelschap,” vervolgt hij. Oma: “Ooh, hoe zo?” “Yumi, de robot zal vast en zeker een leuk vriendje worden. Het is een jongentje. Het is een humanoïde robot. Dat wil zo veel zeggen als: hij kan praten als een mens, hij kan lachen zoals een mens, … Alles wat een mens kan, kan deze robot ook. Hij komt helemaal uit Japonnnenland. Zeg eens iets Yumi.” Yumi: “Hallo, ik ben Yumi. Wat heb jij een leuke pyjama aan!” Yumi loopt, of beter, rijdt rond en maakt een piepend geluid. “Dat piepende geluid verdwijnt nog wel. Hij is nog spiksplinternieuw. Als hij bij jou blijft, wordt hij je beste vriendje.” beweert de dokter. “Hoe heet mijn nieuwe vriendje ook alweer?” vraagt oma Ada. De dokter en Yumi in koor: “Yumi!” “Ik heb ook nog slecht nieuws. De verpleegsters zullen minder vaak langskomen. Je kan vanaf nu met Yumi praten, lachen, turnoefeningen doen, tekenen en kleuren, spelletjes spelen, bijvoorbeeld vier op een rij, verstoppertje, Monopoly, klaverjassen, schaken, pingpong, ’schipper mag ik overvaren’, vogelenpik, dammen, tikketje, touwtjespringen, hoelahoepen, voetballen en tennissen, zwarten pieten, potteke stamp, Scrabble, Zeeslag en zo meer. “Yumi kan je ook helpen bij het aankleden, het wassen en als je naar de WC moet. Onze verpleegsters hebben helaas geen tijd meer voor jou.” gaat de dokter verder.   Dokter Vorlaget verdwijnt. Oma Ada kijkt naar de robot en probeert zijn naam te onthouden.   ‘Ja, dit wordt het!’ denk ik. Dit gaan de kindjes leuk vinden. ‘Ge kunt het!’ Ik neem me voor om ’s ochtends free writing oefeningetjes van dertien minuten te doen met ‘Yumi van de planeet Huppeldepup’ in mijn achterhoofd. ‘Dit wordt een prachtig kinderboek’ schrijf ik later in mijn dagboek. Ik ben opgetogen en content.                            

Hubert Grimmelt
0 0

de Startdag SA of DE BLOEMEN ZEIDEN MIJ GEDAG

Ik sta om kwart na zes op. Ik heb vrij goed geslapen. Ik rook. Ik drink koffie. Vandaag is het startdag van de Schrijvers Academie. Een nicht uit de Limburg laat weten dat Oma zich gisterenavond erg slecht voelde. Volgens het KMI en de weer app gaat het vandaag niet regenen. Ik doe mijn mocassins aan. Ik neem mijn pilletjes. Het is redelijk fris in de living. Ik smeer zo dadelijk een lunchpakketje. Vandaag wordt een geweldige dag! Sprankeling! Kwart voor acht vertrek ik. Ik ga toch met de trein. Ik doe mijn stemopwarmingsoefeningetjes onderweg. Er staat nog geen trein in het station, dus ik rook nog een sigaretje op een bankje op perron één. Vanaf het rangeerstation komt er een aangereden. Zestien minuten na acht vertrekt die. De temperatuur in de coupé is goed. Ik zit comfortabel. Ik doe een dutje. Ik zuig op een Ricola lemon mint muntje. Een dwaas met zijn hondje op de arm komt voorbij. Rond tien na negen uur arriveren we in Antwerpen Centraal. Ik wandel door de Chinese wijk richting bibliotheek Permeke. Op het De Coninckplein is er een bakkerijtje open waar ik een koffie en een koek koop. Op het terras rook ik een sigaretje en doe een praatje met een juffrouw van het tweede jaar die ik herken van in het Letterenhuis. Tien voor tien ga ik langs een zijdeur de bib binnen. Ik begroet Katrien en Peter. Ik doe pipi in het toilet en ga naar de foyer in de kelder waar er koffie is. Ik begroet de beroemde en beruchte dichter Peter HOHA. Die iets mompelt van ‘ik ben in staat van ontbinding. Vannacht niet geslapen. Ik weet niet wat ik hier kom doen.’ Hij zet zijn petje recht. De dichter Stijn V. heeft een groot wit kruis op zijn revers. Half elf, een half uur te laat, is er een verwelkoming door de directrice van de bib Permeke. Ze beweert dat ‘geletterdheid’ breder is dan ‘lezen van literatuur.’ Dat de bib boetevrij is, af en toe onbemand en zeven op zeven open. In oktober is er een week van het Nederlands en zijn er allerhande activiteiten. Er is sprake van ‘Slow Down’, ‘Save Humanity’, een comunnityspace en een Bronzen Uil. We zijn welkom. De directrice hoopt op een fijne en vruchtbare tijd. Daarna is het de beurt aan een andere directrice, die van de Schrijvers Academie zelf. An: ‘Welkom! Welkom! Welkom!’ en ‘Ja, ik ga dat doen!’ Ze vraagt je lievelingswoord te bedenken, zodat we een ritueel kunnen bekrachtigen.  (trotinette) Ze heeft een veer en een recipient vast, waarmee ze iets doet. Daarna is het de beurt aan projectleider Christophe die weet dat schrijven een manier van leven is. Er volgt nog een derde welkomstwoord. Katrien V. weet dat er vierentwintig docenten zijn. ‘In mijn hoofd zwemmen vissen’ is het debuut van een alumni die een getuigenis komt afleggen. Tom W. is heel de week ziek geweest en droomde ervan astrofysicus of scheepskapitein te worden. Hij moet dienstdoen als levend bewijs. Hij is geen keynote spreker met inspirational quotes, dus geen foto’s van de Hubbletelescoop bijvoorbeeld. Hij gaat speechen zonder audiovisuele ondersteuning. Hij gaat wel af en toe roepen ‘volgende slide’ en dat moeten wij, het publiek, een geluidje doen. Hij heeft drie lessen geleerd. Les één is de mythe van de afgehakte hand of van ‘zero tot hero’. Ik vind de man best grappig en origineel en denk die kan ervoor dienen. Zes jaar geleden ging hij naar een loopbaancoach waar de gepubliceerde auteur zei: ‘Lieve loopbaancoach ik zou graag schrijver willen worden’. Waarop de coach zei: ‘Dien uw ontslag in. Ga in Parijs onder een brug leven.’ Of ‘ga een opleiding volgen en maak tijd voor het schrijven.’ Even ter zijde, de loopbaancoach geeft ook les op de SchrijversAcademie. Na het toelatingsgesprek, waar Tom vertelde aan het welkomstcomité dat hij een heldenverhaal wilde schrijven, kwam hij terecht bij een dichteres die voorstelde zijn schrijfhand af te hakken. Hij vroeg aan de projectleidster of dat wel een goed idee was. Les twee; schrijf wat je wilt, niet wat je kent. Dus als je intuïtief rechte muurtjes wil bouwen; go for it. Beschouw de SA als een buffet. Er zijn geen examens, geen strafpunten. Doe je iets commercieel oninteressant; go for it. Voor je het weet kom je bij Klara op de radio! Daarna volgt er een onduidelijk iets over ‘reuzen onder de grond.’ Les drie. De mensen die naast u zitten zullen je vrienden worden. Niet meteen, later. De lessen zelf zijn het minst belangrijk. Onthoud dat niemand boeken leest, maar je medestudenten (psychopaten, keine zelfstandigen, keynote sprekers, …) willen hetzelfde als jij. Schrijver worden. Daarna is er sprake van een foto van een bakkersconferentie die de grootste taart ter wereld hadden gemaakt. ‘Jullie zullen naar elkaar toe groeien. Vergeet Tik-ToK en voetbal. Iedereen is dysfunctioneel.’ Kortom, je collega schrijvers zijn een clubje van doodgevroren lotgenoten die warmte zoeken. ‘In het begin waren mijn zinnen te lang.’ Plots blijkt er ook een vierde les te zijn; neem het niet te serieus, alhoewel literatuur uiteraard belangrijk is. Dool door de straten, ga op zoek naar Harry Potter, … en vooral wees niet zinvol of nuttig bezig! Het schrijfplezier vooral niet verliezen. Hoe is Tom W. Hero geworden? Hij had zes honderd pagina's aan kortverhalen en de uitgever vond het goed. Daarna werden het honderd vijfenveertig pagina's en was het af en op. Dit alles dankzij de SA? Nee, maar ze geven wel een extra zetje. Het is snikheet in het auditorium en ik heb zin in een sigaretje. Helaas zijn er nog wel enkele sprekers. De volgende is Thomas M. van de erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Dat is een bewaarbibliotheek waar je dus niks kunt uitlenen. Wel is er een prachtige leeszaal. Hij heeft het over het berkenbos Borgerhout, een man die na een hartoperatie een pintje wil, de etymologie van het woord 'natuur' (alles wat geboren wordt), het aantal boeken in 1481 en het aantal volumes vandaag de dag, een digitale expo, …  Ik ben moe. Ik hoop dat ze gaan afronden, maar dat is niet het geval. Een Limburger gaat het hebben over narratologie. Een oude vrouw over techniek en ambacht, de schrijfpraktijk, de psychologie van het schrijven en de huiswerkopdrachten. Het wordt stilaan tijd voor middagpauze. Eindigen doet ze met: 'Let's eat the pudding.' Daarna is het de aanstellerij van Christophe V. die een half vol en een half leeg glas vergelijkt met optimisme en pessimisme. Goed dat de zeikerd in Gent lesgeeft. Hij voegt er nog iets aan toe: 'alsof David Bowie klein, klein kleutertje zou zingen.' En tot slot: 'opinions are like assholes, everyone has one.' Dirk vB citeert Kafka: 'Ik zal weer schrijven. Ik ben onbekwaam.' De volgende vragen komen aan bod: 'Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Hoe ga ik daar mee om?' Daarna is de beruchte en beroemde dichter Peter Holvoet-Hanssen aan de beurt. Hij geeft literatuurgeschiedenis aan de poeeezie afdeling. Eerst is er reclame voor een poëzie festival dat plaats vindt in de buurt van het geboortehuis van Pol van Ostaijen. Psychologische nazorg is niet voorzien. Je zou op onveilig moeten spelen met je beeldend vermogen tijdens je brokkenparcours. Er komt een paard aan het woord in een bepaald gedicht. Daarna haalt de dichter een banaan uit zijn binnenzak en speelt hij een stukje Bert en Ernie na. 'Ernie?' 'Ja?' 'Er zit een banaan in je oor!' Het laatste dat de grappige man te zeggen heeft gaat over camerastandpunten en werelden die opengaan. Ik hoop nog steeds op pauze, maar er komt alsnog een schrijver aan het woord. Matthijs dR geeft mee dat hij een strakkere timing gaat hebben dan de beruchte dichter. Dat is inderdaad het geval. In het derde jaar komen de zakelijke kanten van het publiceren aan de orde. Hoe zit het literaire veld in elkaar? Het is eindelijk pauze. Op het de Conickplein spreken drie junks me aan voor sigaretten of klein geld. Het is een beetje triest. Rond kwart na één moet ik opnieuw in de bibliotheek zijn voor de lezing van Peter HoHa. 'Het brandend vuur van de poëzie.' Ik drink in een hippe koffiebar een koffie en maak een praatje met de grafisch vormgever van Time Circus, een vriendelijke man. Op de binnenkoer van de bib begroet ik John V. thrillerspecialist van DSL. Ook hij is vriendelijk. Ik eet mijn lunchpakketje aan de picknicktafel. Kwart na één zit ik in de foyer. Peter HoHa heeft weer een hele lading boeken en attributen bij. Hij is goed gemutst. Hij komt naar mij en zegt: 'Gij gaat dat allemaal kennen. Wat is uw rekening in Luxemburg? Dan kunnen we dat regelen.' Daarna doet de beruchte dichter een rondje om zijn lesvoorbereiding te tonen; een volgekrabbelde pagina in een notitieboekje. Het ziet er erg chaotisch en mooi uit. 'Dan kunt ge straks niks zeggen.' Plots roept hij luidkeels: 'We gaan beginnen!' en 'Proficiat allemaal!' en 'Ik heb alleen nog maar een banaan gegeten.' En ‘neem gerust een broodje. Er zijn er nog tien over.' Daarna duwt hij op een belletje en vraagt of er al klachten zijn. Ik moet lachen. Het werkt en het is sympathiek. Hij beweert dat hij visuals had voorbereid en dat zijn dokter heeft gezegd: 'Doe dat niet met uwen rug.' Tegen doktersadvies doet hij het toch. Hij geeft aan dat we twee uur lang zullen praten over poowezie aan de hand van twee intro's en een voordracht. 'Dat is de structuur!' Sommige denken dat Peter HoHa een buitenissige ontdekkingsreiziger is, maar dat klopt uiteraard niet. Hij schets een korte biografie. Zijn grootvader heeft in 1919 per ongeluk de verkeerde trein genomen en drie maanden na zijn rentree in Antwerpen had die al een Bentley met chauffeur, waardoor Peter zijn hele leven lang gratis naar de cinema kon gaan. Hij geeft al jaren lang les aan de SA. Vroeger samen met dikke Freddy die gestopt is toen men Google Classroom heeft ingevoerd. 'Collega schrijvers ik voer jullie nu mee op een zoektocht van de Oertijd tot nu.' Peter leest driemaandelijks de PoëzieKrant, want je moet weten wat er leeft om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken. Oftewel: 'Kan dat ook?' en 'Men vindt het nog goed ook!' Hij vindt zichzelf een oude man. Dichter ben je dag en nacht, ook als je niet aan het schrijven bent. Vroeger waren zijn gedichten niet goed genoeg om 'gedichten' te heten dus gaf hij ze de naam 'baldakijnen' en 'drijvende doodskisten'. Hij had wel geen uitgever. In zijn jonge jaren ging hij vaak naar de zakstraat en café 'de ringeling' om het bruisende stadsleven te kunnen proeven en zien. Redacteurs waren toen erg streng en zeiden: 'Met zulk een titel lezen we het zelfs niet.' Eind jaren negentig schreef hij een toneelstuk dat werd uitgegeven als dichtbundel. Ook is er een keer een bundel verschenen die veel te breed was. Dat mocht toen niet. Daarna heeft hij vijftien jaar gewerkt aan een project genaamd 'De reis naar Inframundo.'  'Enfin'. Plots was hij stadsdichter van Antwerpen, maar hij kreeg geen hulp. Op radio drie van de BRT vroeg men: 'U bent nu negenendertig jaar. Is dat niet té oud om te debuteren?' Welnu, er staat geen leeftijd op. In Engeland is er zelfs een beeldend kunstenares die op drieënnegentig jaar debuteerde. Een dichter is een seismograaf die zelf zijn testament moet schrijven. Denk maar aan François Villon. 'Je weet maar nooit wanneer het gedaan is.' Daarna komen zijn muziekdoosgedichtenverzameling aan bod. Hij heeft een bol bij die muziek maakt. Er dwarrelt sneeuw en een bootje gaat op en neer. 'Libretto' is zijn beste bundel totnogtoe. Een gedicht moet altijd beginnen met een straffe openingszin. Uiteraard kom je dan bij de tweede en derde regel in de problemen. Reus Goleman is een introverte jongen die tot leven komt. Eigenlijk is het een jongetje dat niet in deze wereld past. Het wordt tijd om enkele woorden op te schrijven, zodat je die kan toetsen aan je eigen queeste. We beginnen bij 'wakker worden'.  Leg alles terzijde en kijk! Waar bevinden we ons? Verbreedt uw gezichtsveld, stijg boven uzelf, wordt wakker, heb oog voor de kosmologie, maar ook voor het kleinste, ga op onderzoek,  …    Hij haalt er Walt Whitman bij, negentiende eeuw: 'I celebrate myself. Every atom belongs to me, to you.' Veel van Whitmans gedichten gaan over amputaties. De poëzie stroomt ook na je dood. De Amerikaanse dichter voelde zich een buitenstaander, één die wel een weergaloos landschap zag. Heuvel, rots, bos, … hij schrijft ' de neushoorngrauwe rotsen'. Peter vraagt 'Wat is dit?' 'Bewustzijn? Kippevel? Materie? Is alles bewustzijn? Ik begrijp iets niet, want zonder aanleiding komt plots de echtgenote van de dichter ter sprake; 'je mag de roede niet sparen!' Hij meldt ook dat we nog steeds met Intro één bezig zijn. Als aanstormend dichter moet je dus leren het kleine te zien en dat koppelen aan iets groots. Eén beeld kan een wereld open, dus moet je beter kijken en zien. Humor ook niet vergeten! De lichtheid vindt men soms verdacht. Vraag maar aan Roald Dahl of Annie MG Schmidt. Tweede woord dat we moeten opschrijven is Contrastwerking. 2028 wordt het van Ostaijenjaar. Het laatste gedicht- ge kent het zeker- is het bekende alpenjagerslied. 'Pol was ook erg goed in het bedenken van titels die de lading niet dekken, zodat je een multi-caleidoscopische bril op krijgt.' Vergeet ook de onbehaaglijke humor niet!' De beruchte dichter Peter HoHa vraagt zich ook hardop af 'Waarom zijn wij zo gedwee? We moeten durven grapjes te maken.' Het derde woord dat aan bod komt is Camerastandpunt. Wie komt er aan het woord? Een geliefde? Hij? Zij? Een lichaamsdeel? Een paard? Daarna gaat het terug over zot Polleke en zijn gedicht Melopee. Het is een klagerige, trage zang. Rond 1920 wandelen Gaston Burssens en Pol van Ostaijen langs de Schelde. De laatste moet hoesten en Gaston zegt: 'Pol pas toch op! Heb je TBC?' Pol luistert niet, maar ziet een bootje en de maan. Bij de eerste regel vertraagt de tijd. De klanken hebben ook elk hun effect. De I-klank is lichter. De A-klank vertraagt. De O-klank is de verwondering. Het advies is dan ook gebruik de bezwerende effecten van de klanken en 'zet uw woorden neer'. Speel met ritme en contrast. Je moet ook aan zelfstudie doen. Blijf lezen! Verdiep u passioneel! Simon Vinkenoog zei: 'Poëzie is een vuur.' 'Kijk dus ook buiten u!' De kano, de maan, de zee, de man. Paul pakt zijn eigen metrum, zij eigen regels en de wereld kan ontploffen. Erkenning komt soms pas honderd jaar later. We leven niet zo lang. Plots gaat het over het personeel van de regionale televisie. Een knappe vrouw komt filmen en de beruchte dichter heeft het over schoonheid. Het vierde woord dat erg belangrijk is, is Compositie. Peter zegt: 'Ik geloof in het oraal.' We moeten dus een vorm zoeken met veel klankrijkdom, waardoor het blijft hangen, waardoor de ontvanger wordt meegetrokken in uw wereld. Er komt weer een Nederlandse dichter ter sprake namelijk Remco Campert. 'Het begint met vragen stellen en je blijft vragen stellen,  zodat je ontdekkingen blijft doen.' Daarna wordt het iets filosofischer: 'Tijd; wat is dat in het ruimteveld?' Iedereen moet op adem komen. Vervolgens komen de zeven V's aan bod. Verdieping, Verbreding, Verbeeldingskracht, Verwondering, Verplaatsing, Vervoering, Vorm, Vuur. Peter HoHa wordt even persoonlijker. Vannacht heeft hij bij een familielid aan bed gezeten die een beroerte heeft gehad. Je moet als dichter dus alles op alles zetten. Je moet het beste van jezelf geven. Je moet verbittering en frustratie toelaten, maar je mag daardoor niet afhaken. Soms moet je er dus voor vechten. Gelukkig is het tijd voor pauze. Ik rook een sigaretje op het de Coninckplein en ga naar het toilet. Ik zeg Nico gedag. De beruchte dichter laat de cover van een boek zien. Het is Italo Calvino 'Zes Memo's'. Het boek 'De baron in de bomen' van dezelfde auteur spreekt me onmiddellijk aan. Het gaat over een jongetje dat geen zin heeft in school en in een boom kruipt om er nooit meer uit te komen. In sprookjes zit de ware gruwel. Ik hou net als Peter HoHa erg veel van sprookjes. 'Het is gewoon mooi.' De kernwoorden van Calvino zijn, om te beginnen, Lichtheid. Hij bedoelt 'witty', een sprankel humor. 'In de bibliotheek is de zwaartekracht erger, daarom heb ik ook een caddy mee, zodat ik alle boeken kan meenemen. Vandaar ook dat ik geen Visuals heb. Vergeet Powerpoint.' De beruchte dichter spreekt een jongeman aan. 'Ge ziet er uit of ge twee jaar moogt overslaan.' Daarna laat hij op de computer een filmpje zien van Tommy Cooper. 'Ik ben daar grote fan van. Zijn trucs mislukken ook altijd.' 'Soms vind ik dingen té grappig. Ik moet dan twee jaar later ineens lachen.' Tweede kernwoord van Calvino Snelheid. Dit betekent niet dat je moderne middelen moet gebruiken. De Italiaanse schrijver bedoelt dat de betekenisoverdracht, de woorden en de beelden, als een blikseminslag moeten zijn. Derde kernwoord Exactheid. Dus de woordkeus is helder, indringend, memorabel, op de kop. Je gebruikt precieze taal, desnoods verzin je zelf nieuwe woorden. 'Le bon dieu est dans le détail.' Daarna vraagt de dichter: 'Zijn jullie nog niet moe?' Ja, iedereen is moe. Dus zegt de dichter: ‘goed zo, dan gaan we verder met Intro twee. Of zo.’ Daarna gaat het over de gravin van Carcassonne, vrouwelijke troubadours, het Gilgamesj-epos, kermen als meeuwen, de aanspreking 'Oh, liefste', slavinnen gevangen in een tent, een gedicht dat Peter HoHa niet durft voorlezen, Ierland, 'ik ben de wind!',  sjamanen/ druïdes/ tovenaars/ zieners, de krijger Amergin, vreemde schepen, en de vraag; Wie heeft het vuur aangestoken?, … Daarna doet de beruchte dichter enkele rare klanken opwellen uit zijn longen en roept hij: 'Ik ben de wind. Ik ben de golf. Ik ben het ruisen van de zee, ik zie wat gij niet ziet, die havik dat ben ik, ik ben de dodende speerpunt.' Met minder volume gaat het verder met vragen: 'Waar gaat de zon rusten? Is iemand zo oud als de maan? Heb jij ooit al alle sterren kunnen tellen?' Ik vind zijn lezing leuker en leuker. Ik voel dat we het hoogtepunt gaan bereiken. En dat komt nadat Peter HoHa enkele boekjes heeft uitgedeeld. Hij begint over Arthur Rimbaud. 'Sommige zeggen dat het té moeilijk is, maar luister naar die klanken.' en hij leest prachtige stukjes voor. 'De man had soms geestverruimende middelen nodig, maar luister naar die klanken.' 'Geelgoude munten gezaaid, boeketjes van blank satijn, het was een fonkelend aquarium, de strijdlustige dageraad, … en de fantastische eindregel 'de bloemen zeiden mij gedag'. Bravo. Daarna volgt nog een grap. 'Zijn er nog vragen?' We krijgen niet de tijd en de kans te reageren.  'Aah, da's mooi meegenomen.' Besluit Peter HoHa. In station Antwerpen - centraal zie ik de trein naar Turnhout net wegrijden. Ik stap dan maar op de trein naar Herentals van tien na vier. Ik zit comfortabel. Het is koel op de trein. Ik vond de lezing van Peter Holvoet-Hanssen oké. Ik hou wel van die humor. Het is vrij rustig in de coupé. Misschien kan ik in Herentals een koffie drinken en een sigaretje roken. Een Afrikaan met zwarte  kledij en zwarte pet komt in de coupé zitten. Hij kijkt op zijn smartphone. Voor mijn vertrek in bib Permeke Peter deV nog begroet. Ik vraag me af of die fritchinees in Lier of in Herentals is. Een Afrikaanse vrouw  met dik gat en fluo oranje trui komt langs. Ze ruikt fruitig. Een oma met haar kleindochter die vraagt: waar gaan we zitten? komen langs. Op het plein voor de bibliotheek zag ik veel junkies en daklozen. De conductrice is obees, maar heeft wel een mooie stem. Ik bedenk me dat dit eigenlijk al meteen de eerste les is. Ik vraag me ook af of we de trein naar Turnhout niet inhalen, want die moet nog drie tussenstops doen. Ik probeer dat te controleren aan de hand van de NMBS app, maar dat lukt niet. De zwarte Afrikaan in het zwart spreekt Frans. Hij gaapt. De NMBS wenst me trouwens een fijne reis. Twintig na vier razen we door het station van Boechout. De conductrice heeft ook een neuspiercing. Op de vraag of wij voor de trein van Turnhout in Herentals zijn antwoordt ze vriendelijk: 'Neen, wij komen pas aan om 16uur41 in H.' 'Oké, geen probleem.' zeg ik. Ik zie nu ook dat ze een gigantische tattoo op haar linker arm heeft.  Ik heb dus pas om half zes een trein naar huis. Rond twintig voor vijf steken we het Albert kanaal over.   Ik zit in de Panos van het station van Herentals. Er staat een vrouw met een rugzak met daarop ‘De mens van nu is vrijzinnig humanistisch.’ Ze kijkt wel lelijk. Haar dochter wil een broodje. Een jonge vrouw met purperen legging en een half zwart kindje op de arm dat raar lawaai maakt heeft twee broodjes besteld. Een oudere werkneemster van de NMBS kijkt ook lelijk. Ze koopt voor zes euro frisdrank. De vrijzinnig humanistische, die op het puntje van haar stoeltje zit, kijkt nu alsof de Panos gaat kapseizen en zinken. Een apparaat begint te piepen. De stoeltjes stinken. Ik krijg een chocoladebroodje in plaats van een chocolade cookie. De Panos juffrouw heeft Indiase roots. De koffie is goed, het broodje niet. Ik betaal vier euro zeventig. Ik ga buiten roken. Blue Bike maakt reclame met ‘Altijd een fiets op zak.’ Alle meisjes die langskomen zijn zestien en dragen een spannende legging of hebben een bloot buikje. Roze en purper zijn de favoriete kleuren. De zon schijnt. Een vrouw met een wit hemd staat naast een tas ‘Essential Antwerp’ en haar kleindochter. Ze hoest en is op zoek naar een toilet. Een dikke Audi pikt haar op. ‘Papa, doe jij de koffer open?’ roept de kleuter. Op de achterbank zit een poedel. Op het derde verdiep van een appartementsblok aan het stationsplein staat een vrouw door de raam te turen. Ze heeft rode bloemen op haar balkon. Een zwarte Jaguar toetert. Ik rook. Ik zie nu pas dat er op dat kartonnen koffiebekertje staat: ‘Want je wil een koffie die zich zelf niet te serieus neemt.’ Ik ga naar perron twee. Ik moet denken aan al die keren dat ik hier ’s avonds in de vrieskou op maandagavond heb gezeten toen ik bij Runa in Berchem schrijflessen had. Ik was dan op weg naar huis. De trein naar Mol rijdt niet. Er komt een goederentrein voorbij. Diesel stinkt. De deur van de intercity naar Antwerpen op spoor vijf doet ‘teut’ en klapt dicht. Een man zet het op een lopen. Ik rook op het perron. De trein naar Antwerpen vertrekt. Ik ben blij dat ik mijn Ray Ban zonnebril bij heb. Ik moet nog twaalf minuten wachten. Er waait een aangenaam windje. Een jongetje op tennissloefen rommelt in zijn rugzak. Rond kwart voor zes zou ik thuis moeten zijn. Ondertussen staat er op perron één veel volk. Een wesp is geïnteresseerd in mijn rechter sok. Ik denk aan de hersendode man die alsnog bezweken is aan een steek van een Aziatische hoornnaar. De wesp vliegt naar de MacDonalds reclame, een affiche met ‘voor big goesting’. Aankondiging: ‘de IC trein met bestemming Turnhout komt zo dadelijk aan’. Een mottige doos met een plooifiets struikelt bijna. De onheilspellende wesp is terug. In de verte zie ik mijn trein aankomen. Deze trein maakt pas echt veel lawaai. Hij piept. Hij kreunt. Hij ratelt. Hij zucht. Hij blaast. Hij stinkt ook en staat vol graffiti. Kortom, dit moet die naar terminus Turnhout zijn, vast en zeker. De conducteur blaast drie maal op zijn fluit. De trein zegt: ‘de volgende halte is Tielen.’ Het vertrek zelf is, verbazingwekkend, haast geruisloos, enkel de bagagedrager van de rechter helft van de coupé rammelt. Een man leest een Franstalige krant. De watertoren en de Avevewinkel van Herentals staan er nog. We trekken op. Er staan drie raampjes open. Dat is de airco. Ik heb nu ook terug een tafeltje om mijn notitieboekje op te leggen. ‘Laisser sa place, ça c’est classe.’ is niet van toepassing. Voor mij zit er een zestienjarig meisje in, jawel, een purpere legging. Ik verzin het niet beste lezer. Naast het maïsveld staat een kapel. Ik zie geen koeien, wel een rijtje populieren. Het zestienjarig mormel verplettert een plastic flesje en foefelt het in het veel te kleine vuilbakje. ‘We komen aan in Tielen.’ zegt de trein. Nu trilt werkelijk alles. Boven het het kabaal hoor ik precies een fluitsignaal. Frituur Den Hoek is open. Men heeft het fietspad rood geverfd. De Franstalige man kucht een eeuh-euhm. De prikkeldraad rond het militair domein is verroest of verdwenen. De heide ziet paars. Dit keer moet de man echt hoesten. De zon flikkert door het struikgewas. Het lijkt of er een discobol in de coupé hangt. Home Sweet Home, bijna. Dit keer kraakt de trein, want we remmen. De conducteur roept boven het gekraakpiep van de remmen: ‘Turnhout eindstation. Niets of niemand achterlaten!’ Op het perron zegt de conducteur, in vol ornaat, prachtige kepi: ‘Prettige avond verder.’ De trein blaast. Een Citroën C4 met Parijse nummerplaat probeert te parkeren. Een kleuter op een fatbike ramt bijna een bejaarde. Ik hoor een sirene. De zon schijnt nog steeds. Een man zegt tegen zijn hond: ‘Gedaan nu!’ en ‘Wa dist?’, omdat de hond blaft. Ik begroet de Togoleze buurman met ‘Bonsoir’. Zes uur. Oma belt. Ik neem niet op.        

Hubert Grimmelt
0 0

Kampvuur in september

De zomer lag op sterven. Niet dramatisch. Geen laatste woorden, geen familie rond het bed. Gewoon nog één keer alles geven. Septemberwarmte. Rijp en zacht. Zo’n avond waarop ge zonder jas buiten kunt zitten, maar hem toch meeneemt omdat ge ondertussen oud genoeg zijt om uw eigen moeder te zijn. Er was wind. En ergens stond de herfst al achter het hoekje met haar sjaal te zwaaien. Kom af. Ik zal buiten een vuurtje stoken. Meer moet ge soms niet zeggen. Dus daar zaten we. Bij een vuur. Met wijn en appelsap. We hadden de draad ergens in februari laten liggen. Denk ik. Toen was er ook vuur, maar binnen. Een haard. Cake. Koffie. Winter. Blijkbaar hadden we toen niet alles gezegd. Gelukkig maar. Ik hou van mensen bij wie ge na een half jaar niet opnieuw moet beginnen. Geen samenvatting van de vorige afleveringen. Geen hoe is het nog met uw werk en de kinderen? Ge gaat zitten, kijkt naar het vuur en vijf minuten later zijt ge alweer vertrokken. Zijn hoofd zat vol. Echt vol. Vol dromen, idealisme, plannen en verhalen waarvan ik soms niet wist of ze al bestonden of nog moesten worden uitgevonden. Neem nu die sauna in Zweden. Ge kunt daar blijkbaar een sauna boeken zonder dat iemand u vertelt waar die precies staat. Ge krijgt coördinaten. Een wandelpad van bijna twee uur. Een kruiwagen met hout die ge zelf tot aan de sauna moet zien te krijgen. En aan het einde van dat pad wacht een desolate sauna aan een meer. Helemaal voor u alleen. Geen receptie. Geen badjassen met een geborduurd logo. Geen mevrouw die om het kwartier komt vragen of alles naar wens is. Alleen gij, dat meer, die sauna en de Zweedse wildernis. Ik zag het helemaal voor mij. De stilte. De damp boven het water. Een mens die daar na twee uur stappen zijn hout opstookt en vervolgens tot inzichten komt waar de gemiddelde psycholoog drie jaar voor nodig heeft. Dit moest wel de meest spraakmakende gebeurtenis van de reis worden. Maar het leven had andere plannen met hem. Een klapband. En voor ge het weet, staat ge ergens in Zweden langs de kant van de weg te wachten op een takeldienst die van zeventig kilometer verder moet komen. Daar staat ge dan. Met uw coördinaten. Uw innerlijke rust. Uw verlangen naar eenzaamheid en een kruiwagen hout die ge wellicht nooit zult ontmoeten. En toen kwam er een bandencentrale. En Cola Zero. En een man met wie het blijkbaar zo goed klikte dat er een nieuwe vriendschap uit ontstond. Iemand die niet alleen een lekke band ziet, maar ook de mens die hem gaat vervangen. En die daar vervolgens een verhaal van maakt. Ik vond dat schoon. Ge vertrekt naar Zweden om alleen te zijn aan een meer en ge komt thuis met een verhaal uit een bandencentrale. Probeer dat maar eens te boeken. En zo ging het verder die avond. Over het uitzicht vanop de drieëntwintigste verdieping. Over Pommeline. Over duurzaamheid en of dat allemaal wel zo duurzaam was. Over dingen die nog moesten gebeuren en dingen die misschien nooit zouden gebeuren, maar waar ge toch al eens over kon nadenken. Ik heb niet alles begrepen. Dat hoeft ook niet. Voor ge het weet, zit ge bij een vuur na te denken over Zweden, duurzaamheid, woorden, wat ge wilt betekenen en wat er nog allemaal moet gebeuren na 56. Er zijn slechtere manieren om een avond door te brengen. We spraken over taal. Over de juiste woorden zoeken voor wat ge doet. Voor wat ge wilt doen. Voor dingen die nog niet bestaan maar in uw hoofd al wel. Ik vind dat schoon. Die goesting. Om iets te maken. Iets te bedenken. Iets in beweging te zetten. En ook om soms de regie uit handen te geven en de dingen te laten gebeuren. Want ge kunt nog zo goed weten waar ge naartoe wilt, het leven heeft soms een ander idee. Ge boekt een sauna en ge krijgt een bandencentrale. Ge plant een avondje bij het vuur en voor ge het weet zit ge uren later nog altijd te luisteren. Net zoals water, zoeken verhalen altijd een weg. Misschien geldt dat ook voor ideeën. Voor mensen. Ge kunt een draad in februari laten liggen en hem in september gewoon weer oprapen. Ge kunt maanden niets zeggen en toch niet opnieuw moeten beginnen. Ge kunt denken dat iets nergens naartoe gaat en plots zit ge daar. Bij een vuur. De zomer in haar laatste stuiptrekkingen. De herfst achter het hoekje. Iemand tegenover u met een hoofd vol verhalen. Soms heeft een avond echt niet meer nodig. Een vuurtje. Een glimlach. Iemand die blijft vertellen. En ik die nog niet naar huis wil.

Katrien Daniels
32 2

Heroïne

1968: Ik was 16 jaar toen ik voor het eerst in aanraking kwam met heroïne. Ik had destijds verschillende vriendengroepjes. Een van de groepen waar ik regelmatig over de vloer kwam, was een vriendenclub zoals alle andere: we praatten over nieuwe muziek, politiek, uitgaan en alles wat jongeren bezighoudt. In die groep ontstond er plotseling interesse in drugs; ze wilden weleens experimenteren met heroïne. Na een jaar waren ze onherkenbaar. Het was gedaan met de gesprekken over van alles en nog wat. Het enige gespreksonderwerp dat overbleef, was: waar is het te krijgen, wie gaat het halen en hoe gaan we het betalen? Ze begonnen ook geld te lenen zonder het ooit nog terug te betalen. Vanaf dat moment heb ik iedereen van wie ik wist dat ze aan de heroïne zaten, resoluut uit mijn vriendenkring gegooid. Toen mijn eigen geliefde broer ook wilde experimenteren met heroïne, heb ik direct ingegrepen en iets georganiseerd waardoor hij er twee jaar lang vanaf is gebleven. Na twee jaar heroïnevrij te zijn, werd hij door omstandigheden onzeker. Dat was het perfecte moment om hem terug naar ons geboortedorp te lokken. Hij kreeg een nieuwe auto, een huurhuis dat volledig werd ingericht, en 300.000 frank. De enige voorwaarde was dat hij moest trouwen met zijn vroegere liefde. Zij was toen echter niet meer aan het experimenteren met heroïne; ze was al zwaar verslaafd. Dat heeft geduurd tot zijn dood, twintig jaar later. In die tijd heeft hij een paar pogingen ondernomen om van de heroïne af te geraken. Maar destijds werd hij niet gezien als een zieke, maar als een crimineel. Geloof mij: dat is geen startpunt om van een verslaving af te geraken. Heroïne is nu eenmaal vele malen verslavender dan alcohol. 2026: Onlangs vernam ik iets over een kennis. Hij werkt in de bouwsector, is daar een zeer gewaardeerde werknemer, is 45 jaar oud, getrouwd en heeft drie opgroeiende kinderen. Na zijn werk en in het weekend gebruikt hij echter heroïne – en dat zeker al de afgelopen twintig jaar. Tegenwoordig kost heroïne zo'n tien euro per gram. Dit zette me aan het denken: al die tonnen heroïne die het land binnenkomen, kunnen onmogelijk allemaal gebruikt worden door de groep verslaafden wiens ellende op straat zichtbaar is. Hoeveel duizenden mensen zouden er zijn die normaal functioneren in de samenleving, maar wiens drugsgebruik volledig onzichtbaar blijft voor de buitenwereld? Mischien is het uw kind, uw vader, uw moeder, vriend, famillie, buren?    

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
4 0