Lezen

87 Ben je bang om complimenten te krijgen?

Ik ben niet bang om ze te krijgen. Ik ben wel voorzichtig om ze te accepteren, of ze te aanvaarden als een objectieve realiteit. Een compliment is een zoveelste interpretatie van wie ik ben als persoon – en een incompleet beeld ook nog eens. Mensen zijn al vaker fout geweest over wie ik ben als persoon. Ik wil liever niet mezelf vastklampen aan een vertekend, afgelijnd beeld van wie ik ben. Negatief of positief.   Is dat niet wat hard, of kort door de bocht?   Vast wel. Maar het komt uit een plaats van goeie wil. Bovenal, boven alles, ben ik nieuwsgierig. Leergierig. Wil ik groeien en bloeien. Uit ervaring weet ik dat afbrekende opmerkingen, of slecht gegeven feedback, weinig tot niet motiveren. Toch wil ik geen waanbeelden van mezelf ontwikkelen. Ik geloofde te lang dat ik de zaken niet waard was, wat het ene ongezonde extreme is. Ik vrees dat ik opnieuw uit balans zou vallen, maar in de andere richting.   Dragen complimenten dan niet bij aan een gezonde balans?    Toch wel. Ik merk dat het werkt bij mijn vrienden, mijn familie, mijn vrijwilligers en collega’s. Ik benoem hun sterktes, spreek hen moed toe, troost hen en denk concreet en praktisch met hen na over hoe bepaalde zaken anders aan te pakken in de toekomst. Stralen dat ze dan doen! Het zijn die momenten dat ik ervaar hoeveel vitaliteit en kracht een woord kan bevatten. Ik wens hen die kracht en vitaliteit van harte toe.   Wens je het jezelf dan niet toe?   Natuurlijk wel!   Waarom aanvaardt je dan dergelijke opmerkingen niet voor jezelf?   Een dubbele standaard? Misschien geloof ik nog niet dat ik het heb verdient. Een inherente, aangekoekte overtuiging dat complimenten leiden tot stagnatie. Er is dit idee dat complimenten naar mijn kop zouden stijgen en ik geen groeiopportuniteiten kan zien voor mezelf. Of comfortabel blijf met mijn huidig level van vaardigheid. Ik wil graag blijven groeien, en ik heb schrik dat te veel licht me verblindt.   En wat als het licht het pad voor je verlicht?   Dat zou mooi zijn. Een bloem heeft zon en water nodig. En ik wil verdrinken noch verdrogen.

Eden Oscar
0 0

Zorgen

Wat is dat eigenlijk: zorgen? Zorgen begint klein. Met pampers en sussen. Met lange nachten en roze wolken. Met wiegen en fluisteren en doen alsof ge het allemaal onder controle hebt, terwijl ge eigenlijk gewoon moe zijt. Daarna worden het koekjes in de brooddoos, boterhammen met een hoek af, plakkende briefjes en sokken die altijd verdwijnen. Zorgen groeit mee. Het wordt huiswerk en oudercontact, turnpantoffels die ineens vandaag nodig zijn, onderhandelen over hoe laat ze thuis moeten zijn van een fuif. Het wordt hobby’s en engagement, leren hoe ge met mensen omgaat, hoe ge ruzie maakt zonder te breken, hoe ge vriendschappen onderhoudt zonder uzelf te verliezen. Dat is zorgen in zijn eerste, pure vorm: nabij zijn, voordoen, vasthouden. En dan, onvermijdelijk en ook gelukkign wordt zorgen loslaten. Vogels laten vliegen. Stilletjes bidden dat ze hun vleugels niet bezeren. Doen alsof ge niet wakker ligt. Zorgen door ruimte te maken. Door niet te bellen. Door wel te luisteren. Door te vertrouwen, zelfs als dat voelt als springen zonder vangnet. Ge denkt: nu ben ik uitgezorgd! Maar dat is niet waar. Nog voor er een eerste kleinkind wordt aangekondigd—nee, wees gerust, ik heb geen nieuws te melden—komt die andere zorg. De zorg voor zij die voor u gezorgd hebben. En dat is een zorg waar ge geen rekening mee hield. Die stond niet in de handleiding. Vroeg of laat is er die ouder die niet meer kan. En dan wordt ge een zorgende dochter voor een moeder. Dat is zorgen met weerhaken. Met goede bedoelingen die botsen op weerstand. Met echt wel willen, maar op één of andere manier niet kunnen. Met liefde die niet altijd dankbaar wordt ontvangen. Zorgen wordt dan iets ingewikkelds. Ge schuift papieren. Ge herhaalt. Ge onderhandelt. Ge zwijgt. Ge zet door. Ge gaat naar huis met vragen die geen antwoord willen. Ik denk vaak terug aan die korte tijd dat ik in ‘de zorg’ werkte. Animatie in een rusthuis. Een vreemd woord eigenlijk, animatie, alsof ge leven kunt opwekken met een sjoelbak en een cd-speler. Dat rusthuis was een wereld op zich. Mensen die hun dagen kleiner zagen worden tot ze pasten in één kamer. Een kamer die meer weg had van een ziekenhuis dan van een thuis. Een bed, een nachtkastje, een stoel die te recht stond om comfortabel te zijn. Foto’s aan de muur die fluisterden dat er ooit iets anders was geweest: een trouwdag, een zee, kinderen in korte broek. Het rook er altijd hetzelfde. Een mengeling van te lang gekookte spruiten, amoniak en mottebollen. Een geur die zich vastzet in uw kleren, in uw haar, in uw hoofd. Alsof ouderdom zelf een geur heeft. Tijd die te lang heeft staan pruttelen. Ik zag handen die niet meer wisten wat ze moesten vasthouden. Mensen die boos werden om niks en verdrietig om alles. Vragen die telkens opnieuw gesteld werden, niet omdat ze het antwoord wilden, maar omdat ze bang waren voor de stilte die daarna kwam. Sommigen wilden naar huis, terwijl ze al thuis waren. Anderen wachtten op mensen die al jaren dood waren. En toch: tussen dat alles door zat leven. Een lach bij een vals gezongen lied. Een hand die even de uwe zoekt. Ogen die oplichten bij een stukje cake op zondag. Zorgen in zijn meest rauwe vorm: traag, onhandig, confronterend. Na de legerplicht pleit ik trouwens voor een 'zorgplicht'. We zouden allemaal een half jaar verplicht in de zorg moeten werken. Om te relativeren. Om dankbaar te leren zijn. Om te begrijpen hoe fragiel gezondheid is en hoe relatief tijd wordt als ge oud zijt. En ook om te zien hoe we het anders kunnen doen. Hoe we toch allemaal verlangen naar meer dan platgekookte broccoli. En ondertussen zorgen we verder. Voor geliefden, natuurlijk. In ziekte en in gezondheid — dat zeggen we zo vlot, alsof het een belofte is die zichzelf wel zal uitleggen. Maar wat als ziek zijn écht ziek zijn wordt. Niet grieperig. Niet een paar dagen onder een deken. Maar ziek als in: het lichaam dat zijn eigen plannen begint te maken. Als in: afspraken die verdwijnen, woorden die halverwege blijven steken, vermoeidheid die niet meer slaapt. Zorg is thee zetten die koud wordt omdat ge eerst nog iets anders moet doen. Het is fluisteren: ‘het is niet erg’ terwijl ge niet weet of dat waar is. Het is lachen om dingen die eigenlijk niet grappig zijn, omdat lachen soms het enige is dat nog werkt. Zorg is ook ontzorgen. Liefdevol kunnen zeggen: ik zal dat wel doen. Blijf maar zitten. Drink uw kopje koffie. Er zit iets absurds in zorg. In het onderhandelen met het leven. In het prijzen vergelijken van incontinentiemateriaal alsof het over wijn gaat. In trots zijn op een goede dag alsof ge samen een marathon hebt gelopen. Zorg maakt klein en groot tegelijk. Ze schuurt uw grenzen af en rekt ze uit. Ze leert u dat liefde niet altijd mooi is, maar wel volhardend. En soms, heel soms, is zorg gewoon samen zwijgen. Omdat er niets meer uit te leggen valt. Maar laat mij eerlijk zijn: zorg schuurt ook. Het zit in kleine dingen. In vragen die ge al beantwoord hebt. In verhalen die telkens opnieuw beginnen. In het zuchten dat ge inslikt omdat het anders te luid klinkt. In denken: alsjeblieft, niet nu — en u daar meteen schuldig over voelen. Zorg is tanden op elkaar en toch zacht blijven. Elkaar wassen zonder erotiek, maar met vertrouwen. Sokjes aantrekken. Een jas dichtdoen. De hand vasthouden terwijl ge eigenlijk nog duizend andere dingen moet doen. Uiteindelijk is zorg pure liefde. Het is naast iemand gaan zitten, niets oplossen, een kopje koffie inschenken, en blijven. Ook als die koffie koud wordt.

Katrien Daniels
23 2

Sneeuw

De sneeuw kraakt. Na een aantal stappen bereikt het haar binnenste en komt ze tot rust. Ze blijft staan en ontspant. Het is zo mooi. Kon hij dat ook maar zien. Maar hij ziet en voelt niets meer. Hij zei vanmiddag wel “ja” als ze opmerkte hoe mooi het was, maar het was die ja die haar de voorbije maanden steeds weer die pijn in haar buik bezorgde. Emotieloos. Hij, de man die vorig jaar één en al emotie was en haar muur voorzichtig steen per steen heeft afgebroken zodat haar emotie helemaal vrij kon komen. Nu zat hij zelf al 3 maanden achter een muur met hier en daar een kleine opening, net voldoende om te overleven. Het maakte haar intens verdrietig. Dus had ze de rest van de wandeling alleen verder gezet terwijl hij huiswaarts ging. Ze moest nog wat kunnen ademen. Haar hoofd stond onder spanning. Spanning doordat hij stil was. Ze hield van stilte, als kind al. Maar dan wel een rustgevende stilte. En rustgevend was het de voorbije dagen niet. De stilte voelde geladen. Het maakte haar onmogelijk om nog te genieten. Ze wist dat het niet goed zat, dat hij zich niet goed voelde. Ze voelde dat hij alleen wou zijn. Dat hij leeg was. Ze wou dat hij ook leeg bij haar kon komen. Maar dat lukte hem niet. Als hij leeg was wou hij haar niet. En als ze toch probeerde dichter komen verweet hij haar dat ze hem geen rust gaf. Ze begreep het wel, dat ze voor extra druk zorgde. Eigenlijk wilde zij de leegte en emotieloze toestand een stap voor zijn door hem het signaal te geven dat hij over zijn grenzen ging. Maar het lukte haar niet, zodra ze het opmerkte ging hij in de aanval of verdediging. Dus zei ze vaak niets meer. Ze liet hem doen. Ze liet hem afdwalen. En dan als het te lang duurde probeerde ze hem terug te halen omdat ze ziek werd van hem zo te zien worstelen. Soms lukte dat, maar de voorbije maanden had hij steeds meer uitgesproken dat hij een relatie niet meer zag zitten. En daarom liep ze nu alleen door de sneeuw. In de zomer had hij voor het eerst echt open met haar over de bipolariteit gepraat. Hij had uitgesproken dat hij hoopte dat ze op termijn konden voorspellen wanneer het de foute kant op ging om te voorkomen dat het extreem werd. Maar dat was in een helder moment. Zodra die heldere periode voorbij was kon ze zoveel voorspellen of signaleren als ze wou. Hij hoorde het niet. Integendeel, zij werd plots de bedreiging, de oorzaak van alle ellende, de verstoorder van zijn rust. En die boodschap meermaals per week horen had haar onzeker gemaakt. Het had haar adem afgesneden, haar buik verkrampt en haar brein oververhit. De sneeuwvlakte onder een stralend blauwe lucht gaf opnieuw zuurstof. Haar gedachten konden weer rustig vloeien in plaats van de kolken. Ze had echt alles geprobeerd, alles wat hij haar gevraagd had. Maar hij probeerde het nieuwe leven waar hij zo naar uitkeek met haar op te bouwen en tegelijk nog het oude in stand te houden. En dat lukte niet, want die twee levens stonden haaks op elkaar. Ze herkende het. Ze had ook jaren gezocht en geworsteld, maar ze bleef vasthouden aan alles wat ze kende. Natuurlijk lukt het dan niet om je leven een andere wending te geven. Natuurlijk blijf je dan vastlopen. Maar nu had ze wel gedurfd, ze had alles overboord gegooid en de toekomst die ze wou lag voor het rapen. Ze kijkt naar haar voeten die stap voor stap een spoor vormen en die cadans zorgt voor ruimte in haar hoofd. Af en toe roept ze de hond eens terug naast haar om te zorgen dat hij niet te veraf dwaalde. Zo kan ze op tijd ingrijpen wanneer hij onder de sneeuw toch een spoor van een fazant of haas te pakken krijgt. Maanden ervoor had ze voor het eerst gezien hoe een goede jager het was. De parelhoen zat in zijn muil. Ze had even gegruweld bij de gedachte dat het dier dood was, maar hij, de man van haar dromen had in al zijn rust en snelheid de parelhoen vanuit de muil van de hond bevrijd. Wat was ze verliefd op die man. En hij wist het, hij had het gevoeld, hij had ervan genoten, hij had eindelijk hoop op een beter leven. Maar plots was haar liefde een last geworden en had hij haar weggeduwd. Hij had gezocht naar een reden, maar geen enkele had haar overtuigd omdat hij zichzelf tegensprak. Op de duur zocht ze zelf een reden omdat het gemakkelijker zou zijn om hem los te laten. Ze begon zichzelf wijs te maken dat hij haar nooit mooi of aantrekkelijk had gevonden, dat hij haar eigenschappen eigenlijk niet bijzonder vond, dat hij gewoon verliefd was geworden omdat zij verliefd was op hem. Maar ook dat klopte niet, want hij had hààr veroverd. Dus ze wist dat ze niet anders kon dan aanvaarden dat het zijn verleden was die de kloof had veroorzaakt. En dat was moeilijk, want vechten tegen een verleden dat niet het hare was, hoe moest ze daaraan beginnen? Een kleine witte auto met een schattig meisje met bril aan het stuur komt de helling opgeklommen. Ze gaat even aan de kant met de hond. Als de auto zou slippen zouden zij veilig staan. De hond verliezen zou hij niet te boven komen en zij zou het zichzelf niet vergeven dat ze onoplettend was geweest. Ze vraagt zich af of dat meisje naar haar werk rijdt. Zelf mistte ze haar werk enorm. Het was nu bijna een jaar geleden dat ze haar ontslag kreeg. Het museum was haar eerste werkplek die als thuis aanvoelde. Het was ook de plek waar de liefde was ontstaan. Die magische werkplek achterlaten enkele maanden nadat ze haar gezin had in de steek gelaten om met hem een nieuw leven te starten was zwaar geweest, misschien wel te zwaar had ze deze week bedacht. Zelf was ze nooit met de auto gaan werken. Waar ze 45 jaar gewoond had zat ze vlakbij de stad en alles was te voet of met het openbaar vervoer bereikbaar. Maar hier moest ze wel terug leren rijden. En hij was erin geslaagd om haar zelfvertrouwen terug op te bouwen. De laatste weken vond ze het zelfs opnieuw fijn om met de auto te rijden. De angst was weg. Ze stapt verder en kruist een oudere man. Ze zeggen elkaar goedendag. Eigenlijk zou ze wel willen praten, want ze kent hier nog niemand. In haar vroegere thuis kwam ze om de haverklap wel iemand tegen waarmee ze een praatje kon maken. Maar de man ziet er niet aanspreekbaar uit. Dus loopt ze verder naar beneden en dan linksaf en terug naar boven. Die weg hebben ze deze zomer samen gelopen. Ze dacht dat ze het nooit zou uitlopen in die hitte, maar het lukte. Lopen was iets wat ze nooit wou doen. Ze zag het plezier niet. Haar broer, zus en schoonbroer liepen marathons, maar zij was altijd gewoon een wandelaar geweest. Hij spoorde haar aan om het eens te proberen en het beviel haar zo erg dat zij uiteindelijk diegene was die vroeg om te gaan lopen. Maar na een paar keren kwam daar ook een einde aan. Hij schrapte alles: boksen, lopen, culturele uitstapjes, uitnodigingen bij vrienden. Hetgeen overbleef waren verplichtingen: de zorg over de kinderen, het werk, verbouwingen en wat tijd voor de relatie. En dat was wat haar zorgen baarde. Dat tijd voor de relatie de voorbije maanden ook als opgave werd gezien. Dat hij niet meer zag dat dit misschien nog het enige was waar hij evenveel of meer bij terugkreeg dan hij erin stak. Ze wist dat hij te diep was gegaan en ze voelde haar mislukt dat ze het niet had kunnen tegenhouden. Het enige wat ze nu kan doen is zichzelf niet verliezen. Ze is gevoelig aan sferen. Te lang in de buurt van depressieven of nee-zeggers of pessimisten kan het licht uit haar ogen halen. De sneeuw is er echt wel op het juiste moment. Al drie dagen zorgt het steeds weerkerend proces van dikke vlokken en dan weer een helblauwe lucht voor hoop, een houvast. Haar leven had er anders uitgezien hadden haar ouders hun hart gevolgd. Maar haar ouders waren twijfelaars, uitstellers. Ze herinnert zich nog hoeveel keren ze op het punt stonden hun leven om te gooien. Op een avond zat daar een vreemde man met foto's en een kaart aan de livingtafel. De avonden erop werden alle pro's en contra's opgelijst. Zij was een jaar of 14 en probeerde zoveel mogelijk info mee te pikken. Het ging over een huis in Carcasonne. Ze snapte het allemaal niet goed. Waarom zouden haar ouders nu plots naar daar verhuizen en niet naar de bergen? Was het iets zoals een paar jaren eerder toen het aanbod kwam om een functie in Afrika te gaan uitoefenen? Nee, daar had het niets mee te maken. Hoe gingen ze dan werken vroeg ze zich af. De plannen werden van tafel geveegd net nadat zij toch een beetje enthousiast was geworden. Niet veel daarna kwamen de zwarte jaren. Er werd niet meer gesproken over naar de bergen verhuizen. In de plaats daarvan zaten bankdirecteuren aan de livingtafel en werd alles in het werk gesteld om de woonst en het buitenverblijf aan de kust uit handen van de deurwaarders te houden. Ze wou graag verder studeren en ging een studielening aan. In de weekends werkte ze en de eerste maanden loon van haar allereerste job in Antwerpen ging naar de afbetaling van de studielening. Het faillissement van haar vader, de problemen met haar zus en broer en de zorg over haar grootmoeder zorgden er uiteindelijk voor dat haar ouders nooit hun droom waarmaakten. En toen in 2020 haar moeder door een trombose volledig hulpbehoevend werd verdween ook de droom om veel te reizen achter slot en grendel. En nu waren het haar ouders die haar motiveerden om haar hart te volgen. Haar ouders die altijd hard gewerkt hadden en luiheid afgekeurd hadden zeiden nu dat ze op het werk niets moest bewijzen, dat ze er toch niets mee ging winnen. Dat ze haar tijd beter stak in profiteren, verlof nemen waar het kon, niet teveel verantwoordelijkheden nemen en meer voor zichzelf in plaats van voor een ander zorgen. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan als ijverigheid, verantwoordelijkheid en naastenliefde er met de paplepel ingegoten werden of aangeboren waren. Als kind hadden maatschappelijke problemen haar al wakker gehouden. De enige momenten waar ze echt helemaal tot rust kwam waren de twee weken paasvakantie in de bergen en de twee zomermaanden aan zee. Op die momenten kon ze ademen en in alle rust alles verwerken. Ook daarom was ze zo gelukkig toen ze iets meer dan een jaar geleden voor het eerst bij hem thuis kwam. Een huis op een helling met zicht op de lichtjes van de stad, een bos naast het huis en overal in de omgeving weiland en hellingen. De bergen in het klein. Hier zou ze wellicht beter ademen. Haar rondje is uit. Ze gaat het huis terug binnen. De haard brandt. De avond valt. Straks verschijnen de lichtjes in het dal. Morgen is een nieuwe dag. En als ze opstaat en de living binnengaat, dan is daar die geur van 40 jaar geleden in haar favoriete huis in de bergen. Ze begrijpt er niets van, hoe die geur hier geraakt is. Maar waar die geur is, daar is haar thuis.            

Fien SB
9 1

Leven met twee polen

Zij ligt buiten in de hangmat, hij boven in een donkere kamer.Ze krijgt een sms of ze even bij hem wil komen liggen.Hij voelt zich doodop en is bang dat hij doodgaat.Ze streelt hem tot hij weer rustig is.Wat houdt ze van deze warme bijzondere man.En hoe boos is ze op diegenen die van hem misbruik gemaakt hebben.Al weken stroomt de liefde van de ene naar de andere.Teder, intens, echt. Een paar dagen later vraagt hij om een valies te maken voor 3 dagen.Ze vertrekt vol spanning, enerzijds nieuwsgierig, anderzijds angstig.Verrassingen zijn voor haar altijd dubbel.Wat als ze hem teleurstelt? Wat als ze bang is? Wat als ze niet goed genoeg is?Na enkele uren staan ze in de Ardennen bij een prachtig kasteel.Hij is weer zijn schattige onzekere warme zelf bij aankomst en zij is verliefd. Hij staat in de kasteeltuin en staart naar boven, naar het raam, waarachter zij in bad zit.Zijn ogen schieten vol. Ze moest eens weten hoeveel hij van haar hield.Zij zit in bad en geniet van muziek. Haar speels en vrolijk kantje komt naar boven.Samen aan het ontbijt is het alsof er altijd al een wij was en altijd een wij gaat zijn.Ze wandelen en zien een huis te koop.Ze beginnen weer te dromen. Over de zoektocht naar de ideale plek, de juiste spullen voor de inrichting.Ze lacht als ze aan zijn perfectionistisch kantje denkt en ziet het helemaal voor zich.Hij heeft smaak, ze houdt van zijn smaak. Er is een hoekje af, bij hem en bij haar.  Weken later, zonder duidelijke aanleiding, zonder signaal is hij weg. Zijn blik is wazig en op de grond gericht of in het ijle. Als ze vraagt om oogcontact ziet ze alleen die verdomde spoken, hem vindt ze niet.Ze kruipt tegen hem in de zetel omdat woorden nu niet helpen, zachtheid misschien wel.Hij duwt haar van zich af. Ze schrikt. Wat heeft ze niet opgemerkt? Wat heeft ze gezegd? Wat heeft ze gedaan?Weken gaan voorbij. Geen zoen, geen aanraking, geen hand, niets.Ze wordt gek in haar hoofd en stelt vragen, ook aan externen.Ze mist hem, haar fantastische man die haar aanvult, opvult en laat vullen.Ze luistert, probeert te doen wat hij vraagt. Maar niets helpt. En dan plots komt er weer opening, even onverwachts als de sluiting.Hij kijkt naar haar en de liefde loopt over.Nog voor hij zegt hoe graag hij haar ziet heeft ze die woorden al gevoeld.De druk gaat van haar borst en ze huilt vanbinnen.De weken die volgen zitten vol van die echte liefde afgewisseld met afstand. Zij heeft het niet door en reageert soms te intens op beide. Zij wil genieten, vooruit gaan, leven, niet teveel moeten, niet teveel nadenken.Vertrouwen op de liefde en elkaar. Ze gaan regelmatig wandelen en eten. Ze liggen ook af en toe wat langer in bed zacht te praten. Hij beschrijft de verre toekomst, maar maakt ook plannen voor de dichtbije.Zij zit overal in die toekomst en de kinderen ook, dus ze is gerust. Maar hij blijft doodop, doodop van het verlies van zijn vader, doodop van de verantwoordelijkheid over de kinderen, doodop van het werk waar hij vanaf wil, doodop van het verlangen naar een plekje in de natuur met haar aan zijn zijde, doodop van zijn mentale en fysieke gezondheid, doodop van de angst om de liefde weer te verliezen, doodop van het gevoel maar de helft meer te zijn, doodop van het verleden die hem niet loslaat. Het jaar was gewoon te zwaar. De jaren ervoor ook. Dus grijpt hij naar zijn vertrouwde houvast: werken en voortdoen en niet meer aan de toekomst denken, niet meer dromen, niet meer voelen, gewoon dag per dag overleven. Dat zorgt voor spanning en spanning bovenop het diep dal veroorzaakt kortsluiting, rare reacties die haar uit balans brengen omdat ze het allemaal nog niet goed kent.  Eén keer, twee keer, drie keer. Muggen die in olifanten veranderen en teveel olifanten kunnen een ruimte verwoesten.Ze weet dat ze beter kan, dat ze nog wat kennis en ervaring mist om de muggen gewoon dood te meppen zodat de mooie ruimte heel blijft.Ze gaan slapen. Ze omhelst hem, voelt zijn liefde onder die zware last die hij al jaren draagt.Ze staat op en vertrekt met de kinderen, hij naar het werk. Ze krijgt een bericht: ik wil niet dat je terug naar huis komt vanavond.Het is definitief voorbij. Laat me nu gerust.We spreken nog over hoe we het praktisch regelen.Ze gelooft het niet, maar weet dat het nu geen zin heeft te reageren. Ze wil kijken in zijn agenda wanneer hij vrij is om te gaan wandelen of ergens naartoe te gaan zodat ze hem kan terughalen met zachtheid en rust. Maar het paswoord is gewijzigd.Haar buik krimpt in elkaar.Even denkt ze dat ze zich heeft vergist, even komen haar spoken ook boven.Dat hij toch geheimen heeft, niet is wie hij is.Maar al gauw voelt ze dat het niet klopt. Haar man is weg.De spoken uit het verleden hebben hem weer de dieperik in getrokken.Ze is bang.Bang omdat ze niet weet hoe lang.Bang omdat ze weet dat zowel zijn als haar gezondheid ook in gevaar is als hij niet terugkomt.Ze wil hem aan haar zijde.Samen zijn ze gewoon zoveel beter.Ze vullen elkaar aan, laden en ontladen elkaar, lopen in elkaar over, gaan in elkaar op.In alles, overal, elke dag dat hij hij is en zij zij.

Fien SB
12 2