Lezen

De verdwenen kunst van het bijten en de anti-school

Mijn dochter is net vijf geworden. Ik mag haar haar niet kammen. Zelf doet ze het ook niet. Tanden poetsen is ook een hele lange onderhandeling. Soms wilt ze geen verse onderbroek aandoen, en enkel bij mama gaat ze in bad, of in de douche bij Bonnie en Pep. Die van mij vindt ze te klein. Nagels knippen moet ik bijna stiekem doen: als ze Ketnet jr kijkt, of net niet als ze slaapt. Ze kleurt met haar stiften meer op zichzelf dan in haar kleurboeken, en in de speeltuin gaan schoenen en sokken zonder pardon uit, en soms de broek ook, als die te strak zit. Wildheid. Ik mis het. Ik mis het bij mezelf. Mijn dochter is langs de andere kant evengoed een meisje, met prinsessenjurken, lippenstiftjes, hakjes, ballerina’s, oorbelletjes. Maar wat wil dit allemaal zeggen in deze fluïde tijden? Als vader wens ik dat ze zich vooral vrij voelt en veilig, nu en later. In een ideale wereld zou een vrouw (maar evengoed een man) naakt over straat moeten kunnen lopen, zonder dat dit een afwijking is. Dit zou geen steen des aanstoots mogen zijn, of een vrijgeleide voor seksuele intimidatie. We zijn tenslotte geboren in ons Adam en Eva-kostuum, maar zo werkt het spijtig genoeg niet. Is het schaamte? De angst om ongewild uit te dagen? Juist door kleren te dragen is bloot sexy geworden. Naar ’t schijnt zou in de zigeunercultuur het tonen van blote borsten geen probleem zijn, enkels daarentegen … Vandaar de sokken die je bij hen onverwachts ziet. Wat de vrijheid van de vrouw betreft, kunnen we ook eens kijken naar het andere uiteinde van het spectrum: in een ideale wereld zou een vrouw een niqab of boerka mogen dragen. Als westerling begrijpen we dit misschien niet zo goed, maar puur ideëel gezien, zou dit een recht moeten zijn. Het argument van herkenbaarheid is, laten we eerlijk zijn, in covid-tijden volledig weggevallen. Het is nu eenmaal eigen aan de mens dat we experimenteren met het volledige spectrum van hoe we creatief kunnen zijn met ons uiterlijk. En door ons niet te laten zien, als vrouw meestal, komen we vaak tot een essentie: ‘ik wil niet beoordeeld worden op mijn uiterlijk maar op mijn innerlijk, of nog beter op mijn daden, niet op mijn praatjes, of andere oppervlakkige zaken.‘ De mythe rond Homeros spreekt boekdelen: hij was naar ’t schijnt blind, en kon zo de ware wereld ‘zien’. Het gevaar schuilt erin als je zelf denkt dat je die gave hebt, dat je door de huichelarij kan kijken. Door te zeilen op zee heb ik gemerkt dat er situaties zijn dat je niet kan bluffen, dat je je niet beter kan voordoen dan je bent. Daarom hou ik van de zee. Ik ben geneigd om te schrijven dat ik in één oogopslag genoeg heb om te zien wat voor vlees ik in de kuip heb, maar dan ga ik voorbij aan mijn eigen fundamentele feilbaarheid. Maar dat in Game Of Thrones het juist een piraat is die stelt: ‘There is only one true religion, and it is between a woman’s legs!’, legt iets bloot over onze binaire wereld. Ik vind het geen louter vrouw-onvriendelijk aforisme, het zegt meer iets over masculiniteit, die tragisch is, en toxisch als ze slachtoffers maakt. Wat voor mijn dochter opgaat, zou niet voor mijn zoon opgaan. Meisjes mogen stilletjes aan jongens zijn, maar jongens meisjes? In theorie zou zachtheid niet alleen met moederlijkheid mogen geassocieerd worden, maar ook met vaderlijkheid, en ik heb al eens gelezen dat Afghaanse grootvaders een ongelooflijke tederheid aan de dag leggen met hun kleinkinderen, wat geen conditio sine qua non is in een kansarm land. Heel die genderverwardheid uit zich in de stereotypen: ik vind het niet erg, na de Claudia Schiffers en Kate Mosses van de jaren ’90, maar de curvy Kim Kardashian is nu zowat het schoonheidsideaal geworden. En de mannen is het niet beter vergaan: welke jongere wil er nu geen Cristiano Ronaldo-lijf? Je moet niet alleen gespierd en sterk zijn, je spieren moeten ook nog eens getekend zijn, als houtvezels: ieder detail is van belang. Extrapoleren we naar gevechtssport: volgens Joyce Carol Oates ‘de laatste viering van de mannelijkheid’. Ook vrouwen zien we nu in kooien vechten, en los van hun seksuele geaardheid, verloopt dat volgens regels. Een cat fight is ooit anders geweest. Ik weet niet hoe het eraan toe gaat bij free fights, maar het meest extreme dat ik gezien heb in een ring waren kopstoten: geen flauw benul welke bond dat was. Maar wat je niet ziet, dat zijn de ‘taboewapens’ van het eigen lichaam. Bruce Lee had het erover, en ook in kung fu komt het ter sprake. Ik raad ten stelligste aan van te gaan lopen als je in een gevechtssituatie terechtkomt die je niet kan winnen. Maar als je niet kan vluchten, gebruik dan dat dierlijke arsenaal dat je ter beschikking hebt, of je nu een man of een vrouw bent. Let the beast go: trek aan de haren, krab die ogen uit, pits venijnig in dat vel, en last but not least BIJT! We hebben een gemeenschappelijke voorouder met chimpansees, gorilla’s en oerang oetangs. BIJT! Als je je verdedigt weliswaar, niet als agressor. Je zal het wellicht nooit zien in MMA of UFC, maar het is wel het totale gevecht. En de vraag is, wie is de lafaard? Als je aangerand wordt, bijt die halsslagader over. Zoiets. Maar nog beter zou het zijn als er geen seksuele agressie meer was. Maar kun je het hen kwalijk nemen, de zogezegd zwakkeren? Als in de jaren ’80 een Sovjetpiloot neerstortte in Afghanistan maar zich kon redden met zijn schietstoel, wou hij dat hij al dood was als hij de vrouwen van de Moedjahedien zag aankomen met gewette messen … Vrouwelijkheid en wildheid dus, of hoe je zachtheid niet moet verwarren met zwakheid. Het laat me aan iets anders denken, aan een concept dat ik anti-school wil noemen. Ook hier weer idealiter. Het idee heb ik van de anti-psychiatrie van de jaren ’60. De zachte zielenknijperij: geen gedwongen opnames, niet teveel medicatie, niet teveel Freudiaans seksueel reductionisme. De humanistische psychologie die over gevoelens ging en niet over gedrag, over ontplooiing en jezelf zijn. Michel Onfray heeft zo ook een anti-boek geschreven: Anti-handboek voor de filosofie. Zo’n anti-school zou een antwoord moeten bieden op de excessen van het kapitalisme en de meritocratie. Want laten we eerlijk zijn, hoe groot is die schoolefficiëntie eigenlijk? Hoeveel jongeren verslijten er hun broek niet op school? Ondanks het engagement van het onderwijspersoneel is er niets zo moeilijk als kinderen en jongeren te begeesteren. Een anti-school zou moeten bewerkstelligen dat jongeren die tijdens de vakanties geen ad(h)d hebben, dat ook niet hebben op de anti-school. Voor een stuk heb ik het schoolvoorbeeld (pun intended) van hoe een anti-school er moet uitzien: Guppie. Zo heette het zeiljacht van Laura Dekker waarmee ze op veertienjarige leeftijd de wereld rondreisde. Toen ze zestien werd, was ze nog onderweg. Zo zou een anti-school eruit moeten zien. Het leergeld dat ze betaald heeft aan boord, die leerschool, kan je toch geen verspilde tijd noemen? Dat is toch geen verkwisting? Laura Dekker zou ik ook niet gepriviligieerd noemen. De Guppie was een onderkomen yacht dat haar vader met haar gerenoveerd heeft, want dat kon die wel: hij was een keukenbouwer. Meer dan het geld of de opportuniteit was er de droom, de roeping. Toen ik als achttienjarige eerder klassieke filologie wou gaan studeren omdat ik zo graag Latijn deed en teksten vertaalde, en gefascineerd was door de antieken, hebben ze mij dat afgeraden omdat ik geen klassiek Grieks had gevolgd op het middelbaar. Nochtans boden universiteiten die optie aan. En, laten we eerlijk zijn, bij Japanologie en Sinologie, starten we ook van nul. Het werd uiteindelijk Germaanse en een flop. Het was geen keuze van het hart. Nog vroeger, toen ik een jaar of zestien was, en Point Break gezien had, wou ik een surfer worden. Dit was allemaal pre-internet. In de jaren ’90 lag ik toen al als één van de eerste met een body-boardje in de bruine baartjes van Blankenberge. Een golfsurfer was toen nog nooit gespot aan de Noordzee van de Lage Landen. Het is er nooit van gekomen, al had ik als ex-skater potentieel. Maar het netwerk was er gewoon niet. Mijn ouders kenden er te weinig van, en ik was op een bepaalde leeftijd gewoon niet meer ambitieus. Mijn drive was volledig weg. Toen het er eindelijk van begon te komen, had ik ofwel geen werk en geen geld om te reizen, of ik was te bezadigd door de anti-depressiva die ik moet slikken voor mijn dwangstoornissen. En nu ben ik te oud: de laatste keer in El Palmar scheet ik in mijn broek bij een wipe-out in een golf van twee meter. Maar genoeg zelfmedelijden. Als je één ding moet onthouden van deze verschrijving, laat het dan het volgende zijn: koester je wildheid en de wildheid van je kinderen, denk eens na over mannelijkheid en vrouwelijkheid, vergeet niet dat je kan BIJTEN, en brainstorm eens mee over een anti-school. P.S.: Deze quote zegt alles over onze vervreemding: “I have always found it interesting that white children take so quickly to Indian ways, while Indian children, when brought to be raised in white families, never take to it at all.” (Philipp Meyer, The Son) Een boek over Comanches geschreven door een witte Amerikaan. Geen idee over de publieke opinie en of de Comanches dit ‘cultural appropriation’ vonden. En waarom zou de zoon niet The Daughter kunnen zijn? Ik wens het die van mij alvast toe ... PJ Harvey & John Parish: Pig Will Not (live)

ovlijee
12 1

Een dag zonder zin

Vandaag heb ik er geen zin in. Er lijkt geen einde te komen aan de regen en de lage temperaturen. Een vriend post een bericht: “Maak deze natte dag maar een beetje natter (zelf in te vullen hoe). Geniet van je dag. Laat je maar eens goed verwennen!”. Op alle andere dagen was deze post voldoende geweest om weer zin te krijgen -op vlak van goesting en (zelf)verwennerij hoor ik blijkbaar eerder bij de mannelijke stereotypen die om de zeven seconden aan seks denken- maar vandaag niet, ik overweeg het wel even, maar bedenk dan dat vandaag gisteren nooit kan overtreffen. Vandaag ben ik terug Edouard Péricourt uit 'Au revoir là-haut' van Pierre Lemaître -de gekheid nabij- en wil ik met een masker met pauwenveren op mijn kop, helemaal naakt, de Kortrijksesteenweg op. Niets anders dan die zotte euforie kan het heden en verleden draaglijk maken. Daarbij wil ik me echter niet laten omverrijden zoals Edouard. Nee, ik heb niet al die energie gestopt om met de gevolgen van mijn non-comformisme te leren omgaan, om me dan op een hoogtepunt ervan te laten omverrijden. Ik wil gewoon wat naakt rondlopen en zo net genoeg energie en zin krijgen om terug met de illusies te kunnen omgaan en naar een volgende euforisch moment toe te werken. Mijn verjaardag, volgende maand. Die periode rond mijn verjaardag is best wel moeilijk. Hoe ik het ook draai of keer, rond die tijd komt het verleden en de totale onzin van gisteren en vandaag weer boven. Misschien moet ik dit jaar een verjaardagsfeest voor collega’s organiseren om eindelijk werk te maken van die door corona uitgestelde teambuilding? Een echt feest, geen beleefde bijeenkomst, maar total losgehen. Vandaag ben ik immers in het stadium van de verfijnde Ines uit de film Toni Erdmann wanneer ze net voor de start van haar feestje beslist dat ze naakt de deur gaat openen en de genodigde collega’s er enkel naakt wil inlaten. Gedaan met de hypocrisie, het slaafse bestaan, terug naar de essentie. Terug naar mij, die naakte met veel levenslust en zin. Dat het maar verder regent, vanavond ga ik die verdomde slakken te lijf. Geen respect meer voor die veelvraten die de energie van een hele gemeenschap in één nacht verwoesten. Ik, de tuinier, die uren tijd heb gestoken in het ideale klimaat waarin de zaadjes konden groeien, de zon die haar kracht heeft afgestaan en de kracht die het zaadje uit zichzelf heeft geput om blaadjes te vormen. Dat allemaal verloren zien gaan, dat leidt tot een dag zonder zin en dagen zonder zin tot waanzin.

Fien SB
8 0

Devoot taboe.

“Ik moet jullie iets vertellen!” Anja zat net aan tafel met haar ouders. Ze heeft zich gehaast om op tijd te zijn voor de koffietafel op zondagnamiddag. De dampen van het bruine goedje prikkelden haar neus. De geur alleen al gaf haar een boost en ze rechtte haar rug. Ze heeft zo lang gewacht maar vandaag zou ze de knoop doorhakken. Ze nam haar kopje dat bijna weggleed uit haar klamme handen, nipte ervan en wilde net van wal steken toen haar moeder haar een bordje met een aardbeientaartje voorzette. “Proef nu eens eerst, Anja. Jij bent altijd zo gehaast. Ik ben voor deze taartjes speciaal gaan aanschuiven bij de banketbakker.” Ze peuterde een stukje af met haar vork en at het op, traag kauwend haar woorden kiezend. Ze zouden zich vast en zeker verraden voelen, als ik ze het vertel, dacht ze. “Lekker mama, dank je wel.” Een beetje vleien kon geen kwaad. Zeker niet over zo’n oppervlakkige dingen als een duur taartje op zondagnamiddag. Daar voelde ze zich niet schuldig over. Neen, de gedachte aan wat ze gerealiseerd had, dankzij de financiële steun van haar ouders, zat haar dwars. Al  had ze veel talent, alleen had ze dit nooit verwezenlijkt. Ze had immers twee studies mogen afmaken. Daar bovenop mocht ze een specialisatie volgen. Van verpleegster-vroedvrouw werd ze dokter en nu wilde ze zich specialiseren in de gynaecologie. Daar had ze haar redenen voor, die haar ouders nog niet wisten. “Wat zit je nu te treuzelen? Neem nog een hap!” “Zo dadelijk, mama. Ik wil jullie wat vertellen. Ik, euh…” “Anja, heb je er al eens over nagedacht welke stage je wil lopen in mijn ziekenhuis?” onderbrak haar vader. “Ik kan je wel even een duwtje geven. Niemand hoeft het verder te weten.” Daar heb je het, dacht ze. Het lijkt wel of ze ruiken dat ik iets anders wil. Maar ik wil niet afhangen van de noden in zijn ziekenhuis. Ze moest doorzetten als ze het leven wilde leiden dat haar als kind geïnspireerd had. Vanaf het moment dat ze in een kerk stapte om de eerste communie van haar neefjes te volgen, voelde ze het. Het leven was meer dan mooie poppen, Nintendo, snelle Polaroid foto’s en uitmuntende cijfers op school. Elke gelegenheid greep ze aan om een kerk binnen te gaan waar ze zich, gezeten op een te hoge stoel, liet overdonderen door de beelden en de schilderijen die haar verhalen vertelden. Ze wilde zelfs veranderen van zedenleer naar godsdienstlessen en in haar kamer zong ze zachtjes hymnes en psalmen mee van onder haar koptelefoon. Later in de universiteit – ze koos voor de katholieke – zonderde ze zich altijd af na de lessen. Ze zat op peda voor vrouwen, niet op kot, studeerde hard en was niet vies van handenwerk tijdens haar stage. Een lijk, een zwaargewonde, een uitterende zieke, ze bleef er rustig onder en prevelde onverstaanbare woorden. Zelfs  de meest ongelovige Thomassen of de uitzichtloze terminale zieken kalmeerden onder haar bedrijvige handen. “Anja! Luister je wel? Wat wil je doen na je afstuderen? Er zijn twee openstaande betrekkingen voor nieuwe stagiaires.” “Ja, het zit zo, papa, ik heb eigenlijk ergens anders gesolliciteerd. Ik zou graag eerst … ” “Wablieft? Waar dan? Wat wil je eerst? Hoe kóm je erbij om zo plots te veranderen?” bulderde hij. Ik moet doorzetten, dacht ze. Nu! “Ik wil eerst naar het klooster. Ik zal mijn gelofte van armoede en kuisheid afleggen en als het God belieft, zal ik na mijn opleiding naar Afrika reizen om daar meisjes en jonge vrouwen te helpen die…” De woorden zaten in haar hoofd. Ze kreeg ze niet over haar lippen. Was ze maar een eeuw eerder geboren. In die tijd was het een hele eer voor een familie om minstens één kind in een klooster te hebben. Dat gaf aanzien in een katholiek dorp. Haar familie, hoe dankbaar ze hen ook was, geloofde enkel in carrière en achting.  Ze vonden het gedachtengoed van de bedelende kerk en hun naïeve goedheid van het delen diefstal. Daarom mocht Anja nooit naar een katholieke school. De universiteit die ze gekozen had, was prestigieus, de enige reden voor haar vader om haar daar te laten studeren. Ze was bijna dertig, maagd, gemotiveerd, geroepen – hoeveel jongvolwassenen beleefden dat nog?  – en devoot, geïnspireerd door de Blijde Boodschap die zij mee wilde uitdragen. Hadden haar ouders nooit wat opgemerkt? “Ik wil zuster worden!” zei ze plots rechtstaand. “Ik ga naar het klooster en als het God belieft, dan ga ik naar Afrika…” De rest van haar zin ging verloren in het gerinkel van het zondagse koffieservies tezamen met het doffe ploffen van de taart op de vloer en de gil van haar moeder…

Anemos
0 0

Verrassing!

‘Iedereen op zijn plaats? Dan gaat nú het licht uit en denk eraan, pas als het licht weer aangaat komen jullie tevoorschijn!’ Albert had alles minutieus voorbereid. Brigitte, zijn vrouw was jarig en ze zou dit jaar een feest krijgen dat zij zich nog lang zou heugen. Het was waar, hij had de laatste verjaardagen niet voldoende aandacht aan haar besteed. Hij had er wel zijn redenen voor maar toch, dit jaar zou ze niet te klagen hebben. ‘En we roepen: SURPIIIIIISE!’ riep Marietje, zijn dochter nog enthousiast. ‘Jaja, wijsneusje,’ antwoordde Albert, ‘Verstop je nu maar achter je poppenkast.’ Ze verdween, zacht pratend, achter de gordijnen van haar poppenkast. Haar vader maande haar aan tot zwijgen. Ze mocht pas poppenkast spelen als mama er was. Bea, Brigittes zus stond vlak achter de deur als die zou openzwaaien. Twee goede vriendinnen zaten onder de tafel. Zij waren het lenigst om er gezwind onderuit te springen. De partners van de drie vrouwen hadden zich aangesloten bij de gasten buiten. Monica, Brigittes allerbeste vriendin zou niet komen. Daar had Albert wel voor gezorgd. Hij rilde al bij de gedachte dat ze hier zou zijn om hem de hele avond op stang te jagen. Dat mocht ze morgen weer doen, wanneer hij alleen thuis was en de deur op een onzichtbaar kiertje open liet voor haar. Alberts vrienden en hun vrouwen verschansten zich met hun drankje in en achter het tuinhuisje. De andere gasten, vrienden, vriendinnen en de collega’s waarmee ze nauw samenwerkte, verstopten zich achter de hagen, de struiken en de tuinstoelen. De gedekte tafel op het terras zou pas opvallen wanneer de lichten daar aangingen, als Brigitte aan de achterkant van het huis weer naar buiten stapte. Ze zou op een lang surprise-salvo getrakteerd worden vanaf de voordeur tot op het terras. Het geluid van een aanrijdende auto die vertraagde en op de oprit tot stilstand kwam, deed het geroezemoes verstommen. Een autodeur sloeg open en weer dicht. Eindelijk, dacht Albert. De voordeur ging open. Er klonken voetstappen in de hal. De deur zwaaide open maar het licht ging nog niet aan. De voetstappen gingen nog een halve meter verder. Een jas viel ritselend op de grond. Schoenen werden uitgeschopt en toen ging het licht aan. “SURPRISE!” klonk het luid. De roep verstomde snel bij het zien van… Monica slechts gekleed in negligé in het midden van de living, haar mond nog halfgeopend in ‘Surprise!’ Was dat dan niet vandaag dat hij alleen thuis was? dacht ze met koortsrode wangen…

Anemos
0 0

Verdacht veel vakantie

Eerlijk? Echt onaangenaam zijn ze niet, die eerste dagen werkloosheid. Ja, de postbode brengt nog wel je C4 per aangetekende zending, maar daarmee is ook een pagina definitief omgeslagen. De ontgoocheling raakt stilaan verbeten, de klap verwerkt en met het veel te langzaam ontwakende lentezonnetje lijkt deze periode verdacht veel op vakantie. Met mijn eerste portie herwonnen energie begin ik thuis een grote schoonmaak. Alles wat me ook maar enigszins aan mijn oude werkgever, de spoorwegen, doet denken, moet onder mijn ogen uit. De cursussen, waar ik me het afgelopen halfjaar een ticket op werkzekerheid tot aan mijn pensioen mee had willen bezorgen, gaan de kelder in. Alle administratieve rompslomp is gearchiveerd en elke stofpluk die ik verwijder lijkt me een extra energieshot te geven waar geen Rode Stier tegenop kan. In de keuken moeten cola, chocolade en chips plaats maken voor gezonder spul. OK, de afgelopen weken waren héél stresserend en dan durft de Bourgondiër in mij al eens om verzadiging vragen, neen sméken, maar vanaf nu wordt het anders. Ik wil me herpakken! Dus laad ik in de supermarkt mijn winkelkarretje vol met versgeperst sinaasappelsap, magere yoghurt, rauwe groenten en méér van dat lekkers met NutriScore A of B. “Kan het zijn dat uw kaart leeg is?” de caissière kijkt me van achter haar mondmasker vragend aan. “Ah, ja, dat kan,” flap ik er quasi nonchalant uit, maar ik besef plots dat al mijn maaltijdcheques opgesoupeerd zijn en er de komende maand of maanden geen bedrag op mijn kaart bijgestort zal worden. Ik neem snel mijn bankkaart en besef dat ik ook mijn aankopen in de supermarkt voortaan zal moeten betalen van de som die ik van de RVA uitgekeerd krijg. Een bedrag dat naarmate ik werkloosheidsanciënniteit verwerf, alleen maar kleiner zal worden. En plots bezorgt dat ontslag me toch weer een pijnscheut. Eén blik op dat kassaticket en mijn vakantiegevoel is helemaal over.

Paul Dewilde
4 0

Honger

Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje. Lastig. Het hotelrestaurant is dicht. Ik ben te verlegen om op straat elk menu naast de deur te lezen en ter plekke te beslissen. Bang wat mensen denken. Als de ober naar buiten komt, móet ik naar binnen, als vegetariër stapte ik zelfs een Steakhouse binnen.    De enige optie voor een onafhankelijk antwoord op de eetvraag, staat voor de deur. Ik haal diep adem en repeteer in mijn hoofd “waar kan ik iets eten?” Hup, door de draaideur en ik sta op straat. Ik draai om naar de portier. De portier heeft een imponerende snor, zo’n Oostenrijksekeizerssnor. Kraaienpootjes geven ogen vaak vermoeidheid. Dit is bij hem anders, de kraaien hebben vriendelijkheid en vrolijkheid rond zijn ogen gepoot. Zijn geur van Old Spice doet aan mijn vader denken.   Wat denkt hij van iemand die om half elf ‘s avonds nog wil eten? Precies een half uur nadat de keuken van het hotel dicht is? Is dat niet vreemd? Een voorverpakte sandwich bij roomservice kan toch? Of chips, pinda’s en cola uit de minibar?   ‘Weet u … misschien … waar ik… op dit tijdstip …’   De portier knipoogt en zegt: ‘Geen probleem, mijnheer.’ Uit de zak van zijn lange, rode jas haalt hij een mobiel en smoest erin. ‘De taxi rijdt binnen vijf minuten voor, mijnheer. Waar gaat de voorkeur naar uit, als ik niet te onbeleefd ben om het u te vragen?’   Ik stamel wat over geen voorgerecht en iets lichts.   ‘Begrepen, mijnheer. En bent u van de rechtopenneer? Als ik weer niet te onbeleefd ben.’   Waar heeft hij het over? Hij ziet mijn twijfel aan voor ontkenning.   ‘Meer van de bal in de mond en plets op de kont?’ Hij knipoogt. ‘Weten we wel raad mee, mijnheer.’    Ik hoop niet dat hij gehaktballen op het oog heeft, zoals gezegd: ik ben vegetariër.    Hij monstert mij als een paardenhandelaar en zegt: ‘Ik bespeur een bepaalde klasse, daar houden we wel van.’   De taxi stopt, hij duwt mij kordaat op de achterbank en zegt tegen de chauffeur: ‘Peter, deze is voor Rooie Mien, special treatment. Zeg dat ze de kelder eerst een sopje geven, deze heer is niet van de straat. Laat Mien de rekening naar ons sturen.’ Hij klopt geruststellend op mijn schouder. ‘We zetten het op de rekening als diner, dan zeurt de boekhouder niet over de bonnetjes.’ Hij licht zijn hoed en sluit de deur. Weg zijn we.   Ik heb honger, en niet zo’n klein beetje.

MCH
0 0

De voorraad weer op peil gebracht

Mijn schoonmoeder vond mij niet direct een goede huisvrouw. En eerlijk is eerlijk, als je de ouderwetse standaarden bekeek, was ik dat ook niet. Mijn linnenkast was een rommeltje, natuurlijk had ik voldoende handdoeken en theedoeken maar niet dat ik niet iedere week moest wassen. Mijn schoonmoeder kon geloof ik wel een maand zonder een keer naar de wasmand te kijken. Niet dat ze dat deed, ook op dat gebied was haar huishouden altijd keurig op orde. Alles netjes gevouwen op kleur en grootte in de kast. Ik geloof wel dat dit een generatiedingetje was. Mijn moeder heeft nog handdoeken in de linnenkast liggen die stammen uit de eerste jaren van haar huwelijk. En dat is toch alweer een tijdje geleden. Wij plagen haar er wel eens mee. Ze ondergaat dat goedmoedig en wijst er fijntjes op dat wij, haar dochters, dat straks erven. Nou gaan wij er van uit dat mijn moeder 120 jaar oud wordt, dus dat duurt gelukkig nog even. Wat de generatie van onze ouders ook belangrijk vond, was een goed gevulde voorraadkast. Toen wij mijn schoonouders gingen verhuizen van hun eengezinswoning naar een senioren-appartement, vond ik in de grote kelderkast doosjes van Honig met een logo dat ik niet kende. Zo oud was het al. Conserven die al vijf jaar over de datum waren, we hebben heel wat weggegooid. De koelkast was ook altijd goed gevuld. Ook later, toen mijn schoonvader alleen achterbleef, zorgde hij altijd voor een uitgebreide voorraad. Waar mijn koelkast aan het einde van de week wel wat gaten vertoont, zag die van hem er altijd goed gevuld uit. Als hij ’s avonds ergens trek in had, was er altijd wel een stukje kaas of worst voor handen. Mijn wekelijkse boodschappenexercitie met hem zorgde altijd weer voor veel vermaak. Omdat twee van mijn zussen altijd voor de boodschappen van mijn moeder zorgen, heb ik me eigenlijk nooit gerealiseerd hoe dat bij haar was. Natuurlijk kom je tijdens een bezoekje niks te kort maar ik heb me nooit afgevraagd of zij ook weken vooruit kan. Tot laatst, mijn zus die belast is met “de grote boodschappen” was geblesseerd. Ze vroeg me of ik een keer voor haar wilde invallen. Nou, geen enkel probleem natuurlijk. Ik haalde mijn moeder op en samen togen we naar de Appie. Ik heb mijn ogen uitgekeken maar me ook kostelijk vermaakt. Mijn moeder houdt van lekker eten, dat heb ik wel gezien. Ze krijgt ook veel koffievisite en bij koffie hoort een koekje. Dus daarvan gingen ook verschillende pakjes in de kar. Toen ik bij de kassa de berg spullen overzag, realiseerde ik me dat mijn maatje en ik daar twee weken van kunnen eten. Met zijn tweeën.

Machteld
5 0

Viktor 2

Viktor voelde het onzachte asfalt onder zich niet toen hij uit de bus stapte en het uitgestrekte, haast verlaten terrein verliet. Zijn hersenen namen hun tijd om de hele rit en de ontknoping ervan te verwerken, als een oude computer die je pas na een schijnbaar ongestructureerde stroom van witte, hoekige cijfers en letters, weer kan besturen. Het bijhorende gepiep, getuut en geblaas kwam nu ook uit Viktor, alsof het hem wilde afkoelen. Aan de uitgang van de stelplaats liet hij zich harder dan verwacht op een koude, donkergroene bank ploffen. Het zwarte scherm in zijn hoofd verwelkomde nu op volle toeren al wat in hem opkwam. Hij zag zijn vaders kin opnieuw dreigend naar hem wijzen als de bajonet van een geroutineerde, uitgedoofde soldaat. Hij zag de loerende wollen sokken héél even zachtheid brengen, hem teder toedekken alsof zijn vader nooit was gevlucht, hij zag hem héél even warmte strooien op de rand van zijn bed, zorgzaam aaiend over zijn onschuldige, even donkere kruin. Nu de frisse lucht weer vrij spel had, rukte het besef op. Hij voelde zich als een van de twee mogelijke uitkomsten die hij voor en tijdens de busrit voor ogen had: gefaald. Waarom had hij de man niet gewoon kunnen zeggen dat hij een zoon had die nu voor hem stond? Of hem enkel de brieven toestoppen die zijn vader naar moeder had gestuurd? En hoewel hij op zoek ging naar kleine lichtpuntjes, wou vluchten van het zwarte scherm der overpeinzingen, naar de Esc-toets graaide in een poging huiswaarts te keren, besloot hij het mistroostige te omarmen. Daar op die kille bank huilde Viktor in twee golven van zacht naar hard, om te besluiten met enkele diepe ademteugen. De hoop van de laatste weken stroomde, condenserend op zijn koud geworden ik, zijn lichaam uit en leek tussen zijn witte sneakers een plas vers regenwater aan te lengen. Misschien bleef alles beter hoe het was. Enkel zijn moeder en hij. Soms vergezeld door zij die in een opwelling van morele verantwoording even meesurfen op golven van medelijden. Kleefkruidigen noemde hij ze weleens. Maar altijd waren er de oprechte tantes en nonkels, neven en nichten die hun kleefkracht níet verloren, of beter, die het zuidgerichte klimrek waren waar hij tegenaan kon groeien. Misschien was deze hele onderneming een gladde wilde scheut. Hij knipte. Stond op. (dit is een vervolg op eerder werk)

Dieter Desmet
0 0