Lezen

The Dragon Spell

De as van zijn verbrande dorp zat nog aan Kaels kleren, maar zijn blik was strak op het Fluisterwoud gericht. Een reusachtige groene draak, Ignis, had zijn ouders meegenomen. Kael was pas veertien, ongewapend en doodsbang. Toch zette hij door. Een ritselend geluid tussen de struiken deed hem naar zijn zakmes grijpen. Er stapte geen monster tevoorschijn, maar een das met een felle, gemberkleurige baret op zijn kop. "Je loopt de verkeerde kant op, mensenkind", sprak het beest een schorre stem. Kael deinsde achteruit. "Je... je spreekt?" "Natuurlijk spreek ik," snuifde de das. "Ik ben Barnaby. En als jij Ignis wilt verslaan, heb je meer nodig dan een schilmesje. Je hebt de Dragon Spell nodig. De enige spreuk die in staat is om zijn schubben te doorboren."  Vanuit de boomgrens boven hen klonk het schrille gelach van Pip, een eekhoorn met een glanzende vacht. Zij liet zich langs een stam zakken. "En die spreuk ligt verborgen in de Ruïne van de Eerste Meester, Kael. De boze tovenaar die ooit het Gouden Astrolabium stal van de smid uit jouw dorp." Kael friste zijn geheugen op. "De smid vertelde altijd over die schat. De tovenaar wilde hem omsmelten tot het Almachtig Amulet" "Precies," knikte Barnaby ernstig. "Maar de magiër maakte een fout bij zijn duistere ritueel. Zijn eigen laboratorium ontplofte en hij verdween in het niets. De draak die hij als waakhond hield, nam de grot over. Nu bewaakt Ignis zowel de schat als jouw gevangen familie. Wij helpen je." De drie trokken urenlang samen op. Barnaby bleek een meester in het vinden van veilige paden, terwijl Pip van boomtop naar boomtop sprong om de omgeving te verkennen. Kael voelde voor het eerst sinds de ramp weer hoop. De dieren waren niet zomaar gidsen; ze deelden hun schaarse bessen met hem en hielden hem warm tijdens de koude nacht. Er ontstond een hechte band. Kael begon hen als zijn eerste echte vrienden te beschouwen. De volgende middag bereikten ze de magische doolhofmuren van de ruïne. Grote, levende klimplanten met scherpe dorens versperden de weg. "Mijn taak zit erop, Kael," zei Barnaby plotseling met een weemoedige blik. "Doolhoven zijn niks voor dassen. Maar ik leid de vleesetende planten af zodat jij erdoor kunt." Voordat Kael kon protesteren, groef Barnaby zich met razende snelheid onder de wortels door, waardoor de planten luidruchtig begonnen te trillen en te happen naar de grond. De weg was vrij, maar Barnaby was diep in de aarde verdwenen om niet meer terug te keren. Kael slikte de angst weg en rende samen met Pip de ruïne in. In de ijskoude centrale kamer vonden ze een stenen altaar met een blauw gloeiend perkament. "Lees het hardop," fluisterde Pip, terwijl hij alert op Kaels schouder sprong. "Zodra de woorden je lippen verlaten, nestelt de magie zich in je geest." Kael las de hoekige letters op het eeuwenoude document: "Ignis vincere, vincula abrumpere." Een warme schok golfde door zijn armen. De letters verdwenen, om zich vervolgens in zijn geheugen te branden. Net toen Kael Pip wilde bedanken, klonk er buiten een angstaanjagend geluid. De draak was in aantocht en landde pal voor de smalle uitgang van de ruïne. "Ik leid hem af. Zorg dat je zo snel mogelijk de kooi opent!", riep Pip vastberaden. "Nee, Pip, het is te gevaarlijk!" riep Kael, maar de eekhoorn schoot al als een bliksemschicht door de spleten van de muur, vlak langs de neus van de draak. Ignis sloeg een kreet en zette de achtervolging in, verder en verder van het labyrint. Pip lokte het monster weg, maar Kael wist dat de kleine eekhoorn niet meer terug zou kunnen komen. Hij was nu echt alleen. Met een zwaar hart maar vol vastberadenheid rende Kael naar het hol waar de gevangenis moest zijn. De temperatuur verstike hem. Achterin de grot zaten zijn ouders in een ijzeren kooi. Naast hen glinsterde de gestolen schat van de smid: het Gouden Astrolabium. Plotseling verduisterde de ingang. Ignis was teruggekeerd, met goudgele ogen die brandden van woede. Er was geen das meer om de weg te wijzen, en geen eekhoorn om de aandacht af te leiden. Kael stond er alleen voor. "Een kind," morde de draak, terwijl de grond trilde. "Dacht je echt dat je mijn buit kon stelen?" Ignis sperde zijn muil open en spuwde een huizenhoge muur van vuur. Kael sloot zijn ogen niet. Hij dacht aan zijn familie, en de geofferde zielen van Barnaby en Pip. Hij hief zijn handen en riep met alles wat hij in zich had: "Ignis vincere, vincula abrumpere!" Een ijsblauwe lichtstraal schoot uit zijn handpalmen. De straal spleet de vuurzee doormidden en trof de draak recht in zijn borst. De ondoordringbare groene schubben begonnen te barsten als glas. Met een laatste knal die alle oren verdoofde stortte het reusachtige beest ineen. De kooi van zijn ouders sprong open. Kael rende naar hen toe en viel in hun armen. Hij had zijn familie gered en de dorpsschat heroverd. Terwijl ze de grot verlieten, keek Kael nog één keer om zich heen in het Fluisterwoud, dankbaar voor de vrienden die hem tot aan de drempel van zijn overwinning hadden gedragen. 

Deejay
0 0

Par Ody Goes to a Magical School (working title; Harry Potter parody)

Before I begin; I've decided to try my hand at parody writing. Parodies are some of my favourite things in the world and I've honestly always wanted to create some of my own based on my own favourite novels and movies. This is merely the first, un-edited draft, of the first few pages.            Par Ody was a 37 year old unemployed loser who seemed to attract bad luck his entire life. From falling off a cliff while learning to ride a bike, because his father was drunk off his ass. To being arrested for trying to warm himself while being homeless. All the way to being sentenced to 6 months in jail for writing a book. Par was just that guy no one really wants to see succeed, and everyone loves to see fail. Was he mean-spirited? Cruel? Lazy or stupid? Not at all. Par was actually the nicest guy you’d ever meet. In fact, he was so nice that people instantly hated him. An odd thing, Par always thought. But it never stopped him from being nice all the same.  We begin Par Ody’s story at 37. Why? Because I’m 37 and I’m the author. Don’t ask stupid questions.  Anyway; We begin Par Ody’s story at the ripe age of 37. Though you wouldn’t know by looking at him, or by observing his behaviour and personality. He looked, and acted, like a man at least a dozen years younger. He had just been released from prison for having written, and self-published, a novel. The thousandth and third attempt of the young man to try and make something of his life. But little did he know that it was forbidden for the unemployed to work in the arts. At least, in his country.  Having no family, being completely friendless and penniless; Par was walking home that night. Though, he did not really know where home would be. He had lost his appartment, a broom closet under the stairs in the home of an angry old woman, her husband and their spoiled fat son. After all, the poor guy had been locked up in prison for 6 months and had been unable to pay them rent. As he was walking he contemplated on where to go. Back to his home village, where all knew him, but also hated him. Or would he go somewhere new? Perhaps the neighbouring village? Or maybe, just maybe, he could finally leave the country and go to a whole new place? Meet new people, and have a new life. A fresh start.  The idea intrigued Par just enough for him to decide to turn around and walk in the other direction. He would go however far his feet could take him. It didn’t matter how far, it didn’t even matter where. As long as it was a place where no one knew who he was, or where he came from. He walked so long that morning had turned into midday and midday into evening. Nighttime fell and the stars coloured the sky with their bright and shiny hopefulness. Par had always loved the night sky. He had arrived in a small rundown town that seemed to be completely vacated; ‘Patrick’s Hollow’ it was called. There stood a small church in the middle, and about a dozen houses formed the entire town around it. It almost looked like a movie set. Several of the homes seemed to even have holes in their roofs, giant holes where snow seemed to trickle in.  Odd, Par thought. Because it was summer, last he checked.  The deeper Par walked into Patrick’s Hollow, the more eerie it seemed to become. As if the little quaint town did not want him there. There was even a wailing, in the wind. A voice, a female voice. Ghostly and scary; gnarly and demanding. “Leave this place!” The wailing voice whispered loudly in Par’s ear.  “But I need a place to rest my head”, Par exclaimed. “Please, just for the night”, he begged the invisible voice.  “Okay, fine. But I want you gone first thing in the morning”, the wailing voice said as it drifted away in a sudden gust of wind.  When morning came the very next day Par was awoken by a large and hairy man spooning him. He swung his arm around our middle-aged hero and pulled him closer just before he could escape.  “Yer, mi spooning bud, friend”, the man said in a deep baritone voice. His warm stinky breath fell on Par’s neck, sending shivers throughout his entire body.  “Please .. I .. I must be going. I promised the wailing voice I would leave first thing in the morning”, Par said in a panicky voice.  “Hold yer worries, friend” the hairy man told him. “Beargrit’ll protect ya”, and he pulled Par closer once more. As he did, Par felt something poke his back, and felt it search its way even lower.  “No, what are you doing? What is that? Please, don’t rape me .. I  … I just came out of prison..”, Par said, with a sad voice.  “I ain’t gon’ rape ya, friend”, the baritone voice of the man named Beargrit said. “That’s jus’ mi umbrella”, he giggled and pulled out a pink umbrella with kitten ears on them. “See?” he said as he released Par from his clutches and our middle-aged hero quickly scurried to the other side of the room. “The name’s Beargrit”, the man said. For the first time Par could get a good look at him. He was tall. Taller than tall, even. The tallest man Par had ever seen. And hairy, so hairy you could barely see his face. Only a big fat nose popped out of his hair and beard covering his face. And a belly so huge it looked as though someone was hiding underneath his coat. “I is the groundskeeper of Porcus Verruca, the magical school for misfits and outcasts”. He said it like it meant something. With such pride that it intrigued Par, even if only a little.  “I .. Porcus what now?” Par asked rather confused.  “Porcus Verruca”, Beargrit said proudly. “We couldn’t use the H word, after all”, he joked and was met with a confused and blank stare from Par. “It’s THE magical school! Best in the world!”  “A magical school?” Par said, sarcastically. His eyebrow raised. “Really?”. “Oh, a non-believer, eh? Classic Fuggles”, the big man shrugged.  “..fuggles..?” Par asked. His confusion grew with every minute and every word Beargrit told him.  “Non magic folk”, Beargrit told him. “Like yous .. although”, he leaned in closer and removed the hair from his eyes. Revealing two larger than life green eyes filled with wonder. “Ya did hear the wailing voice .. so there must be some magic in ya”, he chuckled. “What’s yer name anyways?”. “I .. My name is Par Ody”. “Okay, Parody. Where’s yous from? Where’s ya goin” The big friendly giant asked.  “It’s Par Ody, and I .. I guess .. I guess it doesn’t really matter anymore where I’m from. Because I’m never going back. As far as where I’m going, I have no idea. Away from where I came, I guess?” “So .. homeless is ya?” Beargrit his the nail right on the head.  “Y..yeah, I guess”.  “How’s ‘bout yous come with me, I’ll hire ye ta be mi assistant”, Beargrit smiled a bushy hairy smile as his beard mixed together with teeth. Par tried to look away, but could not divert his eyes from this new horror he had unwillingly discovered. But, as he had no other options, he meakly said;  “Ok”. “Good, good! We’ll leave in a jiffy”, Beargrit replied. “I’ll go prepare mi bike before we’s leave, ey?” “O..Okay”, Par said. And he watched the large man walk out of the room. “Why does his accent keep changing?” Par mumbled to himself.   

K.L. Runaya
0 0

De Verloren ridder

Hoofdstuk 1 Het is een hele, koude maandagavond in kasteel Loevestein op 24 januari 2024. De overstromingen na weken van hevige regenval als gevolg van de klimaatveranderingen die het omringende Munnikenland het einde van vorig jaar teisterden, hebben Loevestein geïsoleerd van de buitenwereld. En nu vriest het dat het kraakt. De slotgracht om het kasteel en de wateren daarbuiten hebben een harde laag ijs gekregen na wekenlange, strenge vorst. Ook het ondergelopen Munnikenland, het resultaat van een nijvere ontginning door monniken rond het jaar 1000, is hard is door de bevriezing. Een pientere voorbijganger kan in deze omstandigheden makkelijk en zeker in het donker ongezien tot bij het kasteel komen.  Daar denkt Wim Spits, de beheerder en enige bewoner van het kasteel, op dit moment niet over na. Deze morgen stond het stoere slot er onder de opkomende ochtendzon tegen een helderblauwe hemel er ook nog heel vredig bij.  Dat was wel wat anders in het jaar 1358, toen een zekere heer Boudewijn, Godefriet, ridder van Loef aan de bouw van het kasteel begon en toren na toren en zaal na zaal na tientallen jaren op het stuk grond, precies op de splitsing van twee rivieren, tot een stoer en stevig gebouw had laten samensmelten. De tachtig jarige oorlog met de Spanjaarden zou spoedig beginnen. Maar de Nederlanden waren al verscheurd in allerlei strijdtonelen tegen elkaar en andere bedreigers van hun gronden en bestaan. Loevestein kreeg de eeuwen na zijn ‘geboorte’ te maken met vele veldslagen belegeringen en overleefde dat allemaal. Op wat kogelgaten na en een brand in de zolder boven de grote zael. Die zo in het toenmalige Nederlands dialect heette, omdat het de grootste kamer van het kasteel was.  Sinds de prachtige, koude ochtend vol kou en ijs leek er echter na eeuwen van relatieve rust toch weer iets in het ongenaakbare Loevestein te broeien. Niet dat iemand dat al had opgemerkt. Ook de lange slanke Wim Spits niet. Met zijn lange zwarte haren in een staart gebonden en gehuld in een zwarte jeans met daarop een donkerblauw hemd, is hij de hele dag al bezig de paden in en buiten Loevestein begaanbaar te maken. Zijn donkergroene ogen onder de stevige wenkbrauwen turen over de steel van de grote schep waarmee hij het ijs loswrikt. En ook in de talloze, grote en kleine kamers en in de grote zael heerst de rust als Wim voor het avondeten nog even zijn dagelijkse rondgang door het kasteel doet. Over een paar dagen gaat Loevestein na een wekenlange kerstvakantie weer open. Dan stromen er weer honderden bezoekers over de plavuizen vloeren en galmen weer de uitspraken van verwondering zoals ‘wow’ en ‘aaah’ door de gangen en ruimten van het kasteel bij Woudrichem aan de Waal en Maas. De avond kleurt de hemel donkerblauw. Hier en daar trekt een sliert grijze wolken voorbij en onttrekt daarmee de wassende maan nog een deel uit het zicht. Zodra de enige zichtbare heldergele helft van de maan vol aan de hemel staat, valt zijn schijnsel op de bakens van het kasteel: de rechthoekige, stalen gouden vaandels op de spitse daken van de twee robuuste, trotse torens die door dat uiterlijk ook steeds de meeste aandacht van het verdedigingsslot vragen.  De beheerder kijkt door de kleine, vierkante ramen van zijn poortwachterswoning aan het beging van het soldatenstraatje dat naar het kasteel loopt. Hij ruimt ondertussen de afwas van zijn avondeten op. De schemering zet het straatje in een grijze gloed die steeds donkerder kleurt en vermengd is met het halve maanlicht. De kerstverlichting die nog in het straatje hangt zorgt nog voor wat kleur en levendigheid op het ijskoude terrein. Wim twijfelt. Normaal gesproken doet hij voor achten nog een laatste ronde door Loevestein. De sleutels liggen al op de kleine, ronde beukenhout eettafel aan het raam klaar. De kou weerhoudt de trouwe dienaar van Loevestein er eigenlijk wel een beetje van. De hele dag is de man buiten de strijd met het ijs aangegaan. Wim loopt naar de achterkant van zijn kleine poortwachterswoning en trekt zijn kast met dienstkleding open. Nu zijn pas gedragen kleren te drogen hangen boven de radiator bij het achterraam is er niet veel keus meer uit warme kleding Dan toch maar even in de kast met zijn eigen privé-kleding kijken. De beheerder loopt op zijn sokken over de smalle trap naar de slaapkamer. Als hij de deur opentrekt kijkt hij recht in de ogen van zijn vriendin Sterre die meteen van schrik een schreeuw slaakt. De was die ze net aan het opvouwen is, valt daarbij pardoes uit haar handen. ‘Ik had je helemaal niet naar boven horen komen’, zegt ze tegen haar verwonderde vriend. ‘Gek want normaal hoor ik je altijd naar boven komen, zelfs al loop je op jouw sokken.’ Wim Verontschuldigt zich. ‘Misschien was ik deze keer sneller dan anders naar boven gekomen. Ik zoek even wat andere warme kleding voor mijn laatste ronde door het kasteel. Mijn dienstkleding is nog te nat.’  Sterre kijkt hem strak van beneden naar boven aan. Het verrast de man. ‘Het is net alsof daar iemand anders naar me staat te kijken’, denkt hij. ‘Die blik in haar mooie, donkerbruine ogen verraad iets van angst of zo’. Sterre vervolgt. ‘Zou je nog wel naar buiten gaan na zo’n lange dagen werken?’, vraagt ze. ‘Je ziet er ook zo vermoeid uit. Wim zoekt intussen naar een passende broek in de kast. ‘Tja, ik twijfel ook wel om nog naar het kasteel te lopen, maar ik heb het ook nog nooit overgeslagen dus ga ik toch maar kijken daar.’ Hij kijkt even achterom en ziet dat Sterre zich intussen heeft omgedraaid en de was in de laden van de kast naast de slaapkamerdeur stopt. Daarna strijkt ze met haar rechterhand gracieus door de donkerblonde lokken van haar weelderige haardos die net boven haar slanke schouders stoppen. ‘Wat is ze toch een prachtige vrouw om te zien’, denkt hij. ‘Eigenlijk moet ik haar wat meer aandacht geven. Doordat ik altijd zo ijverig bezig ben de boel in en buiten Loevestein op orde te houden, zou ik bijna gaan vergeten dat ik aan Sterre veel liefde en steun krijg en dat ze ook wel meer van mij verdient.’ Wim fronst even en op zijn altijd smetteloze gladde voorhoofd rekken zich een paar rimpeltjes uit. ‘Als we vanavond eens samen een lange avond in bed delen. Dat is misschien een veel beter idee’ mompelt hij zacht, zonder dat Sterre het hoort. Maar zoals veel voor vrouwen nu eenmaal niet verborgen blijft, raad Sterre zijn gedachten. Ze ziet niet alleen de rimpeltjes op het hoofd van haar grote liefde, maar ook zijn ondeugende ogen die haar stiekem gadeslaan. ‘Ik zie wat je denkt Wim’, zegt ze, maar ik moet je teleurstellen. ‘Zoals je wellicht nog weet moet ik over twintig minuten met het pontje naar Woudrichem varen om daar, zoals gebruikelijk, met ons dameskoor voor de mis van volgende week te oefenen. Je zult dus nog even moeten wachten.’ Wim pluist verder in zijn kast naar een coltrui en warme sokken. ‘Jij ziet ook alles hé’, zegt hij tegen Sterre. ‘Vooruit dan maar. Als je dan toch weggaat, dan zoek ik mijn heil maar in het kasteel. Wie weet wie ik daar nog tegenkom’, lacht hij ondeugend.  Als Sterre wat later de deur achter haar dicht trekt en het lege soldaten straatje uitloopt, op weg naar het pontje 400 meter verderop aan de oude Maas, heeft Wim zich intussen warm aangekleed en trekt zijn gevoerde, zwarte laarzen aan. Hij voelt in zijn jaszak naar de sleutel van hun huisje, steekt die in het sleutelgat en draait de sleutel. Terwijl Wim dat doet, klinkt er heel zacht geneurie. Hij schrikt op en draait de deur snel op slot. ‘Hoorde ik dat nu goed’, denkt de beheerder. ‘Dat leek wel echt of iemand aan het neuriën is.’ Hij spitst zijn oren. Nu hoort het weer! Wim luistert gespannen met de deurklink nog in de hand naar het liedje dat hij in de verte hoort’. Het lijkt veel op een versje, dat hij in zijn kinderjaren zelf veel zong en dat als volgt ging: ‘Al die willen te Kaapren varen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Piet-Joris en Korneel die hebben baarden, die hebben baarden en varen mee.’  Wim kijkt om zich heen. Niets dan duisternis en wat gekleurde kerstlampjes in het straatje. Dan is het doodstil. Hij hapt opgelucht naar adem. ‘Ik verbeeld het me allemaal’, denkt hij. ‘Ik moet nog wat harder werken hier dan ben ik straks helemaal de kluts kwijt.’ Wim pept zichzelf op. ‘En nu naar Loevestein vooruit! Even een snelle rondgang en alle spoken daar wegjagen.’ Met een rustige pas loopt de man het straatje uit en draait dan rechts de hoek om waar honderd meter veder de ophaalbrug naar het kasteel over de gracht ligt te wachten op zijn laatste voetstappen vandaag. De kettingen van de brug bungelen flink heen een weer en daaruit kot een knarsend en krakend geluid. Wim stopt op de brug en kijkt naar het bungelende en ‘zingende’ gietijzer. ‘Zelfs de kettingen zingen hier vandaag’, grijnst hij. ‘Heel bijzonder.        Dit stuk tekst is voor verderop in het verhaal: Alleen in de stilte hoor en zie je de gedaante soms die Loevestein sinds kort lijkt te bewonen. De man die net doet of hij hier al altijd was is niemand minder dan ridder Vlegel. Hij is uit de geschiedenisboeken van de lage landen vooral bekend door zijn vele gevechten met zijn sterke, grote zwaard. Maar hij lijkt te zijn teruggekomen of was Vlegel hier altijd al? Dan gaat het verhaal beginnen met de geboorte en geschiedenis van de ridder en wordt langzaam maar zeker duidelijk wat hij hier en nu op Loevestein te zoeken heeft. Ook nog een stuk tekst wat ergens in een achterflap of voorwoord gebruikt kan worden: Vlegel doet ongezien alles wat een ridder in zijn tijd deed. Dus gevechten voeren, een kameraad ridder opzoeken, te paard de strijd aangaan met andere ridders op andere kastelenen veel meer van die dingen. Dat wordt nergens in het kasteel opgemerkt. Althans zo lijkt het, want er is wel degelijk iemand in het huidige kasteel die merkt dat er iets aan de hand is tussen de kasteelmuren. En ook buiten die muren en zelfs buiten de hoofdpoort. Hij ontdekt, dat het kasteel op een of andere manier verandert. Zo hangen er ineens geen schilderijen meer.

Dreschrijft
5 1

The Flameman whose heart shivered

Everyone of the village of Evol would abandon their homes on the coldest day of the winter. For just one night they would flee and sleep out in the snow. For that night the Flameman came to the village. And everyone of the village Evol deeply feared the Flameman. They feared his presence so much they would leave everything except for their clothes and hearts behind so Evol would look like a ghost town the night he visited.The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.On the coldest day of winter he would come to Evol looking for warmth. The Flameman was always cold and shivering despite being made of orange and yellow and red radiant flames.Every time he came he found a dark, abandoned and silent village of black and blue and grey.The Flameman would snuggle up in all the blankets and cushions of Evol. Just before he fell asleep, he felt something pull on one of the blankets. He threw everything off him and saw a little girl and her husky. The Flameman stared at her.The little girl stared back. ‘My mama is very cold sleeping in the snow. She won’t stop shivering,’ she said.The Flameman stared at her. ‘Could I please have just one of these blankets for her sir?’The Flameman wiped some snow off the husky’s hair. ‘These blankets haven’t made me warm at all. So I guess you can have them, sure.’The little girl felt the tremble in his hand as he wiped snow off her strawberry hair. ‘You’re also shivering,’ she said. ‘It’s winter. What to do about it?’ the Flameman snorted. ‘Well, the people of my village all go sit back to back in one big circle when we try to sleep.’‘And how’s that working out for your mama?’‘Well, your hand is pretty warm. Why don’t you join us?’ ‘My hand is warm?’ The Flamemans eyes lit up. He nodded to the little girl and they went to the people hiding from him. They were all asleep next to each other. Shivering.Together, the Flameman and the girl covered every one of them with blankets so they would shiver less.The little girl thanked the Flameman and went to sleep in her mother’s arms.The Flameman stared. The husky was the only one left without a blanket. So the Flameman let him snore and sleep in his lap. He could here the breaths of everyone around him. Their heartbeats. Soon as he tried to sleep his longues breathed with theirs.His heart burned with theirs.In that moment his fires flamed a color they had never flamed before. Pink.And every villager stopped shivering. When the villagers woke up they were pleasantly surprised by the blankets. Having survived the night they hugged and cheered while the little girl and the husky searched for the Flameman.But they couldn’t find him.Everyone walked back to the village in the morning air.The snow was as white as the clouds and sky was orange and yellow and red.There was another surprise waiting for the villagers of Evol.From that day forth every day was a warm one, because all their torches were lit with radiant pink flames that burned forever. The crackling of the fire in rhythmic sync with the heartbeats of everyone.  

Émile K.
0 0