Lezen

Caféganger

Hij stapte het café binnen zoals een gladiator z’n strijdperk betreedt zonder iets of iemand aan te kijken, zijn blik gefixeerd op de tapkast recht voor hem. Hij nam een barkruk bekeek deze en fluisterde: “Zij die gaan sterven groeten U.” ging zitten en keek de vrouw achter de toog met een oprechte glimlach recht in de ogen aan. Deze knikte beleefd “ne Goeiendag!” en vroeg wat het mocht zijn. “Een pintje.” Hij was tussen de veertig en vijftig en niet onknap. De vrouw kon hem niet goed plaatsen en haar nieuwsgierigheid was gewekt. “Alstublieft.” “Merci.” Hij dronk de pint in een teug leeg. “Hetzelfde alstublieft.” Ze tapte zijn glas weer vol en kon een glimlach niet onderdrukken; “Da’s den eerste keer dat ik u hier zie?”  Hij antwoordde prompt: “Da’s hetzelfde voor mij” met een brede glimlach om z’n mond” is dit uw café?” “Ja” antwoorde ze met gespeelde trots. “Schoon.” Ze mocht zijn glas nog eens vol doen. “En heb je dat hier al lang ?” “Al vier jaar.” Ze plaatste z’n pint elegant op het bierviltje. “Hmm, niet slecht, niet slecht.” Hij dronk langzamer en keek het café rond. “Fan van den Jazz?” vroeg hij zonder haar aan te kijken. “Yep, nu deze foto’s hangen hier al sinds de vorige uitbater, ik heb ze laten hangen.”  “Ah oké, John Coltrane, Thelonious Monk, Charles Mingus, die anderen ken ik niet. Schoon collectie. Gelijk dat je ze hebt laten hangen.” De vrouw was ondertussen een andere klant aan het bedienen. “Ja, soms moet je de dingen gewoon laten hangen.” Antwoordde ze.  “Dat vind ik ook, soms moet je ’t laten hangen.” Grijnsde de man. Ondertussen was het café aan het vollopen. “Doet ge dat hier altijd alleen?” vroeg hij. “Ik krijg subiet wat hulp! .” Riep de vrouw hem toe terwijl ze met een vol plateau passeerde. Hij deed z’n jas uit en, als een toreador zwierde hij deze over de barkruk. Hij zette zich neer en bekeek rustig de flessen sterke drank op de glazen etagères . Af en toe kwam de vrouw ertussen staan om bier te tappen en dat hinderde hem niet in het minst. Het was een aantrekkelijke vrouw die moest ze hem vragen om met haar mee naar boven te gaan hij zonder twijfel ja zou zeggen. Ondanks deze afleiding dwaalde zijn gedachten af. Een paar dagen geleden was hij met de trein naar Charleroi afgezakt om een of andere vernissage bij te wonen. Toen hij van de trein het station in wandelde zag hij haar zitten tegen de muur naast de roltrap. Ze had helblauwe, haast lichtgevende ogen en hij kon niet anders dan erin verdrinken om er zich daarna, opgeschrikt, terug uit te wringen. Hij wou naar haar toe gaan en vragen wie ze was, waarom ze hier zat, wat haar naam was of ze kinderen had ,haar job was verloren of iets ergers…. Maar hij durfde niet. Ze leek hem vooraan in de veertig en zo mooi ondanks haar te grote overjas, te vuile broek en platgetrapte sneakers. Hij was er zeker van dat ze met een vleugje make up zo op de cover van een fancy magazine kon staan, maar hier zat ze nu. Te bedelen. Hij onderdrukte een golf van pathetiek en liep verder haar latende voor wat ze was, een enigma voor hem, een dakloze voor velen. “Nog een pintje?” de cafébazin trok hem uit zijn gedachten . “Euh, yep, ne laatste.” Hij zat hier goed. Hij had geen haast, moest nergens zijn en de cafébazin was er ook nog. Wat later na zijn vierde laatste deed de alcohol zijn bloed sneller stromen en mocht de bazin zijn baas zijn vanavond. “Tot hoe laat hou jij dat hier open?”  Ze lachte. “Dat hangt ervan af hoe ik me voel, hé m’n beste, maar over ‘t algemeen genomen wordt de laatste geserveerd rond één uur.” “mmm, da’s nog efkes dan, ’t is nog maar negen uur.” De klok boven de deur richting toilet hing hier nog van de jaren vijftig, bedacht hij. Hij keek naar de jonge gast die naast hem was komen staan om te bestellen. “Toffe café hier, niet?” De jongen veinsde verbazing:”Euh, ja… ’t is m’n stamcafé." "Voila zie, vijf pintjes voor de Jelle!” Kwam de bazin tussenbeide.” ”Merci Liliane.” De jongen nam het plateau mee naar zijn tafel. ”Ah, Liliane. Past wonderwel goed bij u en ik wist eigenlijk al van den eerste keer da’k u zag, daarnet, dat ge een Liliane waart. Ik ben Siegfried. ” De vrouw draaide met haar ogen en glimlachte flauw. Hij was zijn troeven aan het verspelen. Alcohol maakt van aantrekkelijke mannen zatlappen met weinig of geen meerwaarde.   

Eugene
11 0

Een potentiële bestseller

Ik beken: ik ben een waardeloze verkoper. Als diëtist weiger ik mijn patiënten vervangmaaltijden voor te schotelen en loop duizelingwekkend vette commissies mis. Ik doe niet aan lichaamsanalyses met dure weegschalen, omdat ik niet geloof in mensen extra laten betalen voor een bonnetje met rode cijfers waarvan ze alleen maar zenuwachtiger  worden. Ik verkoop geen supplementen voor problemen die met normaal eten opgelost raken. Als schrijver ben ik nog een grotere ramp.  Ik schaafde uren aan mijn eerste manuscript. Leurde ermee bij bekende en minder bekende uitgeverijen. In het beste geval kreeg ik een standaardafwijzing dat ik niet in het fonds paste. Enige tijd geleden was er een redacteur die de moeite genomen had en me een met redenen omkleed njet stuurde: ze zag onvoldoende potentie voor mijn roman. Potentie is iets wat ik eerder associeer met carrièretijgers met een indrukwekkend cv. Denk aan een vuilnisophaler die activist geworden is. Of een activist die vuilnisman wordt. Toen viel mijn euro! Zo iemand heeft iets te vertellen. Een schrijver moet vooraleer hij ook maar één letter op papier zet, zelf een verhaal zijn. Hoe verkoop ik mezelf? Ik heb gebrainstormd en opperde tijdens ons aperitiefmoment  op vrijdag om een affaire te beginnen, een vechtscheiding te ensceneren of polyamoureus te worden. Helaas, mijn echtgenoot vindt het teveel gedoe voor een betere flaptekst. Ergens kan ik hem wel begrijpen, want diep in mijn hart wil ik schrijven over ouder worden. Over keuzes die ik maakte en keuzes die ik nog moet maken. Over liefde in tijden van twijfel, maar probeer daar maar eens een acquirerend redacteur warm voor te krijgen. Stel je voor dat ik die op de boekenbeurs aanspreek: ‘Dag, ik ben een witte vrouw van bijna zestig die al eenenveertig jaar met dezelfde man is. Allebei zonder burn-out of bijna-doodervaring. Ik heb wel ervaring met: Alles in vraag stellen. Een trap op lopen en halverwege vergeten waarom. Drie keer per dag vijftien minuten wandelen om mijn bilspieren te rekken. Met een peesontsteking en een brace om mijn pols verdomd onhandig typen. Me afvragen of de kleinkinderen op de eerste plaats moeten komen.’ En dan, als uitsmijter. ‘Ik weet het allemaal niet meer. En al helemaal niet  waarom ik nooit mijn eicellen heb laten invriezen of naar Oekraïne ben gefietst om de oorlog daar te verslaan.’ Die redacteur zal me peinzend aankijken. In werkelijkheid zijn redacteuren doorgaans vrouwen, maar gênant om toe te geven, soms laat ook ik me verleiden door de verpakking. Ik lees hele dagen de kleine lettertjes op voedingsverpakkingen, maar een man in een strak pak, met een knap, zelfverzekerd gezicht heeft bij mij altijd een lengte voorsprong. Bij een vrouw zie ik meteen wat ik liever niet zie: mijn leeftijd, mijn rimpels, mijn onzekerheid. Zo’n jonge redacteur ziet er gewoon goed uit. Dat leidt minder af. Hij zal zeggen:  ‘Ik zal eerlijk met je zijn. Op dit moment ben jij onvoldoende materiaal voor een bestseller. Je moet absoluut eerst aan je personal branding werken. Begin met een  professionele foto voor je website en je auteursprofiel. Liefst tegen een verweerde muur.  In gedachten verzonken, maar niet te ernstig. Je moet eruitzien alsof je iets te vertellen hebt.’ Op het moment dat hij beseft dat hij iets te enthousiast op mijn vervaldatum heeft ingezoomd, zal hij proberen de schade te herstellen met een stortvloed aan advies. ‘Een  Unique Selling Proposition. Dat  heb je nodig! Vermeld in je  LinkedIn dat je zwerfvuil verzamelt. Maatschappelijk geëngageerd. Benadert activisme.Speel je leeftijd uit. De menopauze. Daar kun je zeker een boek uit persen.’ ‘Zonder epidurale,’ zeg ik. ‘Je hebt hem beet. Dat zoeken we. Humor. Storytelling.’ ‘Mijn brace?’ ‘Ook storytelling.’ ‘Mijn bilspieren?’ ‘Daar kan een zelfhulpboek over personal growth in zitten.’ Ik beken vervolgens dat ik tijdens mijn dagelijkse wandeling in mijn hoofd naar Oekraïne fiets om de blikken te ontwijken van de koeien die me aanstaren. En verder dat ik dat wandelen alleen volhoud om mijn fysiotherapeut zoet te houden. De redacteur knikt gewichtig. ‘Relatiemarketing heet zoiets.’ ‘Ik heb kleinkinderen.’ ‘Dat is duidelijk human interest.’ Ik aarzel even. ‘En een roman over een traumatische ervaring? De dag dat ik tijdens de eclips bijna het zonlicht niet meer zag.’ ‘Dat is het! Daar kan een redactie iets mee.’ Dan buigt hij zich naar voren. ‘Persoonlijk denk ik voor jou aan een roman met de titel Het leven van een grijze muis. Daar zit potentie in!’

HildeDS
2 0

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Waardig ouder worden

Elke dag. Elke minuut. Elke seconde gebeurt het. Je wordt ouder waar je bij staat.  Drieëntwintig. Dat is al decennialang mijn gevoelsleeftijd. Dat zit veel dieper dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo schat ik telkens weer de leeftijd in van nieuwe mensen die ik tegenkom. Van een man van pakweg achtendertig zal ik al gauw denken dat hij meer levenservaring of -wijsheid heeft dan ik en soms ben ik er rotsvast van overtuigd dat een jonge vrouw van zesentwintig best wel in mij geïnteresseerd kan zijn, ook op lichamelijk vlak. Je leest het gelukkig niet van me af. Verdorie ja, nu wel natuurlijk. En toch, toch ben ik dezer dagen op bijna onverklaarbare wijze bezig met mijn oude dag. Onlangs droomde ik dat ik zat te kienen in het woonzorgcentrum, in een rolstoel, met een geruit dekentje over m'n krakkemikkige knieën. Toen de getalletjesafroeper '87!' kweelde, sloeg mijn zwakke, soms lichtjes haperende hart twee keer over en trachtte ik uit volle borst 'kien!' te roepen. Ik schrok er zelf van hoe fragiel mijn stemmetje klonk. Het kwam amper boven het geroezemoes in de cafetaria uit. 'Net op 87 dan nog,' mompelde ik tegen Robert, mijn vaste buurman tijdens spelnamiddagen, 'dat is toevallig ook mijn leeftijd.'  Robert trok er zich zoals gewoonlijk niks van aan. Hij was ook bijna gewoon lijk en speelde niet eens mee, omdat hij weer eens vergeten was zijn gehoorapparaat op te laden. Al jaren leefde hij als een plant. In zijn geval als een dovenetel.  Een paar dagen geleden hoorde ik op het radionieuws dat de gemiddelde prijs voor een maandelijks verblijf in een woonzorgcentrum ongeveer 700 euro hoger ligt dan het gemiddelde pensioen. Daar wordt een mens toch een tikkeltje ongemakkelijk van. Woonzorgcentra zijn bijna onrusthuizen geworden. Als het zo doorgaat alleen nog weggelegd voor de happy few, als je tenminste goed verzorgd en voor de rest met rust gelaten wordt, want gisteren nog las ik over kwetsbare bejaarden die er bestolen en zelfs mishandeld werden door het personeel. Dat slaat toch nergens op, zou je verkeerdelijk denken. Ik realiseer me nu dat ik in 2028 even lang in het vorige als in het huidige millennium geleefd zal hebben. Typisch zo'n bedenking die ik vroeger nooit zou maken. Waken moet ik. Waken over mijn geestelijke gezondheid. Focussen op die drieëntwintig dus. Zoals ik dat gewend ben. Rustig negeren hoe ik de lettergrootte van mijn tekstverwerker tegenwoordig twee puntjes hoger moet zetten om mijn eigen schrijfsels nog te kunnen volgen, hoe ik in het fitnesscentrum mijn fietsrecord van twee jaar geleden maar niet verbeterd krijg, hoe de dagen steeds sneller voorbij lijken te gaan, hoe mijn knietjes soms kraken als ik de trappen naar de zijdeur oploop en hoe ik soms van een mug een olifant maak, tenzij het over mijn geheugen gaat, want dat lijkt hoe langer hoe minder op dat van een olifant maar eerder op dat van een mug met jongdementie, terwijl ik instinctief veel minder drink, in die mate zelfs dat ik de voorbije acht weken geen druppel alcohol genuttigd heb en bijgevolg geheelonthouder zou moeten zijn. Wel, allesbehalve! Ik ben een vergetend vergiet. Mijn dokter hint bijvoorbeeld wel eens dat vijftigers baat hebben bij een jaarlijks of tweejaarlijks prostaatonderzoek. Dan denk ik ijskoud: en wat dan nog? Wat heb ik daar mee te maken? Dat zijn zorgen voor later. Veel later! En ik ontken dat het een ontkenningsfase is. 'Hoe voel je je?' Dat vraagt hij de laatste jaren telkens weer als ik 'm zie (als ik onze afspraak niet vergeet). Zomaar. Zonder aanwijsbare reden. Vreemd toch. 'De eerste vijf dagen na het weekend zijn het beroerdst, daarna gaat het wel weer,' antwoordde ik overlaatst. En ernstig kijken dat hij deed! Erg toch, op zijn leeftijd. Hij is ongeveer tien jaar ouder dan ik. Drieëndertig, en nog steeds geen greintje gevoel voor humor. Dat moet erg zijn.  

Danny Vandenberk
0 0

Open brief aan Johan Vandevelde

Helaas is er op Azertyfactor geen mogelijkheid om commentaar te leveren; vandaar dat ik het op deze manier via een open brief doe.  Allereerst wil ik Idha Zadel feliciteren met het feit dat het gedicht Deze ochtend werd ik wakker op 7 oktober als tip van de week in de kijker is gezet door Johan Vandevelde. Een goede keuze en terechte tip.  Toen las ik het commentaar van Johan. Ik ken deze meneer niet, maar ik wil graag iets zeggen over wat je zijn juryrapport zou kunnen noemen. Ik kan mij voor het grootste deel in zijn betoog vinden, maar de volgende passage schoot mij volledig in het verkeerde keelgat. Terwijl we Rusland terecht isoleren omwille van brutale oorlog in Oekraïne, sturen we volop wapens naar Israël, dat een brutale genocide uitvoert tegen net zo onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in Gaza. Meneer Vandevelde, u mag een tip van de week wat mij betreft gebruiken om uw politieke standpunten en morele verontwaardiging te laten blijken, maar had u dat niet beter op een andere datum kunnen doen? Zijn de mannen, vrouwen, baby’s die op 7 oktober zijn vermoord ook niet onschuldig? Hebben die het verdiend om door de barbaren van Hamas willekeurig te worden afgeslacht? Had uit respect even een dag gewacht. U heeft het over de hypocrisie van het ‘westen’ en hoe de onschuldigsten niet ontzien worden. Hoe witte mensen belangrijker zijn dan donkere mensen. Maar de term onschuldigsten geldt klaarblijkelijk niet voor Joden. Die moeten allemaal over een kam geschoren worden. Ik sluit mijn betoog daarom graag af met mijn eigen tekst:    Als men zelfreflectie ontbeert Van de geschiedenis Niets heeft geleerd   Dan is daar altijd weer De Jood De eeuwige zondebok

Elle Hart
21 1

Septembermensen

Stel u voor: Freddie Mercury, Agatha Christie, Sophia Loren, Leonard Cohen, Roald Dahl, Karl Lagerfeld, Tolstoj en ik zitten samen aan tafel. Freddie zorgt voor ambiance. Agatha onthoudt wie er van welk glas gedronken heeft. Sophia hoeft alleen maar te zitten. Leonard filosofeert over schoonheid. Karl zet zijn zonnebril op en Tolstoj is nog bezig aan zijn antwoord op de vraag hoe het gaat. Ik zit naast Roald Dahl. Dat heb ik zo geregeld. Het is mijn column en hij is mijn idool. Ik hoor u al mompelen: waarom dat zootje bij elkaar? Dat is duidelijk: het zijn septembermensen. Allemaal. Wat zijn septembermensen en wat drijft hen? Tijd voor een grondig, geheel onafhankelijk onderzoek. Onder leiding van mezelf. Ik ben er zeker van dat gij er ook minstens één kent: Ge ging maar een halfuur blijven. Twee uur later zit ge er nog, weet die mens iets wat ge eigenlijk niet ging vertellen en ligt er thuis iets in de diepvries dat al lang in de oven had gemoeten. Uw jas hebt ge ondertussen uitgedaan. Zo iemand. Volgens mij hebben die mensen iets meegekregen van hun maand. September is de maand waarin zomer en herfst elkaar de hand geven en dan nog even blijven staan praten. Ze hebben geen haast. De ene heeft nog van alles te vertellen, de andere moet zijn jas nog niet uitdoen. Er wordt nog gezwommen, maar het bos wordt alweer herontdekt. Aan de achterdeur staan slippers naast bergschoenen. Ge vertrekt met blote benen en een pull over uw arm, die ge overdag overal laat liggen en ’s avonds dankbaar over uw hoofd trekt.  Het licht wordt zachter. Het strijkt langs gevels, blijft hangen in kruinen en valt schuin over een tafel waaraan ge eigenlijk allang had moeten opruimen. Zelfs de kruimels liggen daar schoon. De zon moet niet meer bewijzen dat ze de hele wereld kan platleggen. Ze verwarmt uw knieën, uw gezicht, dat stukje nek boven uw kraag.  En dan die geur. Die rijpe, zwoele geur van september, alsof de wereld zelf op zijn zondags is. Gewassen, maar nog warm van het slapen. Ergens hangt was buiten, ergens staat een raam open waaruit de geur van gestoofde appels komt. Onder de bomen ligt fruit in het gras. Sommige appels zijn opengebarsten, wespen zitten met hun hele lijf in het zoet. Ge ruikt aarde, vochtige bladeren, warm gras en iets dat bijna te rijp is. Een geur waar ge trager van gaat lopen, zonder goed te weten waarom. De natuur is hoogzwanger. Alles hangt, zwelt en weegt. Takken buigen onder hun appels, pompoenen liggen breeduit in de moestuin alsof ze daar betaald worden per ingenomen vierkante meter. Ge kunt nauwelijks ergens op bezoek gaan of er moet iets mee naar huis. Courgettes, peren, een zak appels. "Neemt nog wat. Echt, wij krijgen dat niet op." In keukens staat confituur te pruttelen en op aanrechten wachten potten waarvan de etiketten niet helemaal zijn losgekomen. Daar gaat straks de zomer in. Ondertussen geeft september orde. Na twee maanden waarin ‘we zien wel’ een volwaardige dagindeling was, kopen we een schrift. Een agenda. Een balpen die schoon schrijft. We gaan weer koken, op tijd slapen en mails beantwoorden voordat de afzender vraagt of we zijn vorige mail goed ontvangen hebben. Buiten barst alles uit zijn voegen, binnen steken wij papieren in mapjes. Dat vind ik schoon aan september: dat ge nog gulzig aan het leven kunt zitten en tegelijk denkt dat ge het dit jaar misschien eens georganiseerd krijgt. Misschien zit het daarin, bij die septembermensen. Dat ze weten hoe fijn het is als er nog iets bij kan. Nog een uur buiten. Nog iemand aan tafel. Nog een verhaal terwijl de koffie eigenlijk al op is. Ze schuiven wel wat op. Er is genoeg. Dat ik zelf op zestien september geboren ben, maakt mij uiteraard bijzonder geschikt om dat allemaal vast te stellen. Ik zeg ook nergens dat ik al die kwaliteiten voortdurend ter beschikking heb. Er zijn openingsuren. Bovendien heb ik mijn onderzoek uitgebreid naar mensen van wie ik wél weet of ze na het feest de stoelen helpen stapelen. Mijn lievelingschiroleiders: in elke generatie is er zeker één. September. Van die mensen aan wie ge een bende kinderen toevertrouwt en denkt: dat komt goed. Er gaat misschien een schoen verloren, maar iedereen zal mee zijn. Mijn favoriete vriendin? September. Mijn lievelingsverkoopster van jeansbroeken? Ook september. Onderschat dat laatste niet. Iemand aan wie ge uw achterwerk onder tl-licht toevertrouwt, staat behoorlijk hoog in de hiërarchie van de liefde. Mijn schrijfjuf? Ja hoor. Zij ook.  Dat ik uitsluitend mensen heb geselecteerd die ik graag zie, lijkt me geen bezwaar. Ge moet ergens beginnen. In Touché hoorde ik Guido Belcanto zeggen: ‘De twee belangrijkste dagen in je leven zijn de dag dat je geboren wordt en de dag dat je te weten komt waarom.’ Misschien weten andere mensen dat tweede soms eerder dan gijzelf. Die Chiroleider is allang vergeten wat hij voor dat ene kind gedaan heeft. Dat kind weet het nog. Mijn vriendin neemt haar telefoon op. Voor haar is dat gewoon haar telefoon opnemen. Voor mij kan het precies zijn wat die dag nog nodig had. Ik zie die septembermensen zo graag. Ge komt thuis en iets zit wat losser. Ge hebt uzelf horen lachen. Op het aanrecht zet ge een pot confituur die ge bij het vertrekken in uw handen geduwd kreeg. Er zijn ongetwijfeld ook fantastische mensen uit andere maanden. Die mogen mij altijd overtuigen. Ik wil daar gerust eens een halfuurtje voor langskomen.

Katrien Daniels
46 5

STIP IT

Ik vroeg me af of ik er dit jaar nog eens iets over zou schrijven of niet. Want er zijn nog steeds kinderen en bij uitbreiding volwassenen die gepest worden. Men kan er niet langs kijken. De jaarlijkse actie STIP IT staat weer in de kijker. Als kind heb ik zelf die stippen nooit gehaald, ze waren er eenvoudig nog niet en ik werd zelf gepest. Uit ervaring leid ik af dat pesters niet zo bezig zijn met latere gevolgen voor de gepeste. Zijn zij nog bezig met wat ze als kind uitgevreten hebben? Ik schreef er ooit over een aantal jaren geleden. Toen ik droomde van die jongen...   Het betekent vaak dat meneerke of mevrouwtje Niemand beter gezelschap is dan het vermoeiende geblaat van de pesters. Het betekent dat je een antenne krijgt voor andere gepeste kinderen en je niet weet of je moet ingrijpen of niet. Je hebt al zoveel ellende op je - inmiddels door de pesters verfrommelde - boterham liggen. Kennismaken met kinderen buiten de school of buren, op vakantie bijvoorbeeld, verloopt moeizaam. Opgeven in de kennismaking is sneller dan de teleurstelling tegemoet kijken! Een plaats in een groep vinden wordt even benauwend als ergens in het midden aan een tafel zitten waarbij je niet weet welke conversatie je moet volgen; links van je, rechts van je of tegenover je. Dus je zwijgt! Zelf ook een kind pesten, want je denkt dat je dan wél populair wordt, is pas een afknapper. De echte pesters zijn de eersten om je over te brieven. Je bent weer de klos! Je poppen, speelgoed, je fantasie worden je beste vrienden! En alles, echt alles wat je probeert om jezelf te kunnen zijn en dat te tonen lijkt telkens net niet goed genoeg. Nogal wiedes want je durft niet meer!  Veel van die dingen lopen door in het volwassen leven. Als je een pester van vroeger tegenkomt, of zelfs zo iemand uit je volwassen leven, word je bijna fysiek ziek. Enig duidelijk en kordaat gedrag hielp mij om er komaf mee te maken: Me omdraaien en mijn rug laten zien die in hun verte verdwijnt!  ‘Boeit niet!’ en ik ben stiekem blij dat deze uitdrukking in ons taalgebruik is geslopen. Het zegt zoveel meer dan het beleefd blijven en is minder energie rovend. Al word je er niet blij van. Wie ligt daar ook nog van wakker? Hopelijk ouders van kinderen en andere betrokkenen.

Anemos
8 1

Vergissingen

Als kleuter presteerde ik het ooit om na het rinkelen van de schoolbel achter op de fiets van een mevrouw te springen van wie ik abusievelijk dacht dat het ons ma was. Ze droeg dezelfde beige regenjas. Toen ik haar aanspoorde met een "Allez, ju ma", keek ze achterom en viel ik van het verschieten bijna van het stoeltje. Een mens kan zich vergissen. Ondertussen is die lapsus opgeborgen in de nevelen van de tijd en dacht ik alles gezien en gehoord te hebben. Maar ook daarin vergiste ik me. Zo ging ik afgelopen zomer op een warme ochtend nietsvermoedend puffend de deur uit. Met een ovenvers brood in de ene hand en een zakdoek in de andere om het vroege zweet te deppen, liet ik kort daarna diezelfde neusdoek van het schrikken bijna vallen. De oorzaak was een uitroep van een voorlopig verborgen mevrouw. "Doeme, Rudi, luister nu toch." Het kon natuurlijk zijn dat een naamgenoot op dat ochtenduur al naar zijn voeten kreeg. Er bekroop me een gevoel van compassie, want wij Rudi's steunen elkaar. Kort daarna stootte diezelfde stem een tweede reprimande uit. "Zit, Rudi. En wel nu meteen." Dat ging me toch wat ver. Ik besloot de stem van de mevrouw te volgen. Ze kwam van achter het steegje. Maar daar zag ik alleen een mevrouw die in de weer was met haar hondje. Pas toen ik "Allez Rudi, kom" hoorde en het hondje vervolgens traag op gang kwam en me droevig aankeek, alsof het dier ook besefte wat er gaande was, begreep ik het. De hond was een naamgenoot. Dat had ik niet zien aankomen. Daarom een oproep aan alle Eriken, Danny's en Patricken. Verschiet niet, want binnenkort zijn jullie aan de beurt. Al is het van den hond, laat daar geen twijfel over bestaan.

Rudi Lavreysen
12 0

Slecht in overgangen

Hij zegt dat ik slecht ben in overgangen. Overgangen? Ja, blijkbaar kan ik dat niet. Ik had dat nog nooit zo gezien. Er had mij ook nog nooit iemand dat gezegd. Ik wist zelfs niet dat het iets was waarin ge slecht kon zijn. Hoofdrekenen: ja. Achteruit inparkeren: absoluut. Een hoeslaken opvouwen: dat ook. Maar ... Overgangen, dat wist ik niet.  Ik ben slecht in de overgang van wakker worden naar opstaan. Van ontbijten naar kleren aandoen. Van aangekleed zijn naar vertrekken. Vooral die laatste blijkt een dingetje. Ik kan volledig klaarstaan, schoenen aan, handtas gepakt, jas binnen handbereik, en dan zie ik de vaatwasmachine. Nu kunt ge natuurlijk vertrekken en die vaatwasmachine daar gewoon laten staan. Kan. Maar ge kunt hem ook uitladen. Of ik bedenk dat ik vandaag eigenlijk beter voor de dag zou komen met dat nieuwe geurtje waarop ik mezelf zaterdag getrakteerd heb. Waar staat dat eigenlijk? Boven. En als ik toch boven ben, kan ik evengoed andere oorbellen aandoen. Die met dat groen passen eigenlijk beter. Onderweg zie ik dat mijn bed nog openligt. Dat is nu ook geen zicht. En als ik dan toch bezig ben, kan dat kussen ook eens goed liggen. “We moeten vertrekken.” Ja. Dat weet ik. Ik ben bezig. Traagheid, noemt hij het. Ik vind dat een zwaar woord. Ik word wakker maar vind dat nog geen reden om meteen op te staan. Eerst moet ik even bekomen van het feit dat er alweer een dag begonnen is zonder dat iemand mij daarin heeft gekend. Na het ontbijt hetzelfde. Koffie op, bord leeg. In principe is het volgende agendapunt: aankleden. In principe. Er staat ook nog een stoel. En koffie. En niemand is ooit gestorven omdat hij om 8.17 uur nog geen broek aanhad. Denk ik. “We moeten vertrekken.” Voor hem is dat een mededeling. Voor mij de start van een proces. Het vreemde is dat niemand mij traag vindt. Integendeel. De meeste mensen kennen mij als een Duracellkonijn met een lichte afwijking. Ik werk snel, praat snel, denk snel. Ik kan op één dag werken, schrijven, koken, boodschappen doen, een film bekijken, drie mensen bellen, een crisis oplossen die er een uur eerder nog niet was en tussendoor beslissen dat de living anders moet. En uitvoeren. Dat laatste is belangrijk. Maar ergens tussen al die bedrijven door zit een vrouw in een badjas die nog niet van plan is haar sokken aan te doen. Ik mag haar wel. En sinds hij het gezegd heeft, zie ik ineens dat het niet alleen over sokken gaat. Verdomme. Ik ben altijd al slecht geweest in overgangen. Ik vond het bijvoorbeeld behoorlijk ingewikkeld om ineens een werkende mens te zijn. Het ene moment zijt ge iemand die op woensdagavond pinten drinkt en donderdagvoormiddag twee Dafalgans als ontbijt beschouwt, het volgende hebt ge een agenda, een loonbrief en iemand die vraagt of ge dat verslag tegen vrijdag kunt bezorgen. "Tegen vrijdag? Oké, dan". Moeder worden was nog zoiets. Het ene moment zijt ge zelf nog een beetje aan het puberen, het volgende geven ze u een kind mee naar huis. Gewoon mee. Hier. Van u. En vanaf dan zijt gij dus de verantwoordelijke. Ik vond dat een bijzonder gewaagde beslissing. Plots krijgt ge een kind mee naar huis. Succes ermee. Ik heb lang gedacht dat er op een dag een soort definitieve volwassenheid zou intreden. Dat ik wakker zou worden en spontaan zou weten wanneer een brandverzekering betaald moet worden, hoeveel groenten een mens nodig heeft en waarom ge in godsnaam de meterstand van uw water moet doorgeven. Die dag is nooit gekomen. Er kwamen wel kinderen, werk, rekeningen, huizen, verantwoordelijkheden en mensen die mij dingen kwamen vragen alsof ik daar verstand van had. Dus deed ik mee. Vrij overtuigend zelfs. Dat is misschien volwassen worden: lang genoeg doen alsof tot niemand nog vragen stelt. Met mensen heb ik het ook. Daar ben ik misschien nog slechter in overgangen. Ik kan niet zo goed uit een verhaal stappen terwijl het in mijn hoofd nog bezig is. Als iets voorbij is, is het voor mij niet noodzakelijk voorbij. Onpraktisch. Mijn hoofd kent geen aftiteling. Dat blijft nog wat napraten, scènes opnieuw spelen, zinnen herschrijven. Denken aan wat grappig was, wat schoon was, wat anders had gekund, wat ik nog had moeten zeggen. Vooral dat laatste. Drie dagen later heb ik soms een fantastisch antwoord. Daar hebt ge dus niks aan. Ik blijf nog even in het verhaal terwijl de andere personages hun jas al aan hebben. Sommige mensen kunnen een deur dichtdoen. Ik blijf nog even in de gang staan. Niet omdat ik terug naar binnen wil, gewoon omdat ik nog niet helemaal buiten ben. Sinds hij mijn overgangen ontdekt heeft, is hij eigenlijk medeplichtig. Had hij er niks van gezegd, dan was ik gewoon blijven denken dat ik ’s morgens graag koffie drink en soms dringend mijn vaatwasmachine moet uitladen op het moment dat we al vijf minuten weg hadden moeten zijn. Maar nee. Hij moest er een naam aan geven. Overgangen. En nu ik weet dat ik ze heb, koester ik ze. Nog één koffie. Nog twee minuten in bed. Nog even in de auto blijven zitten als ik ergens aankom. Een liedje uitluisteren, ook al staat de motor al af. Een gesprek nog eens door mijn hoofd laten gaan. Nog even blijven waar ik eigenlijk al weg ben. Kleine gestolen stukjes tijd waarin het ene nog niet helemaal voorbij hoeft te zijn en het volgende nog niet begonnen. Mijn tussenverdieping. Ik woon daar blijkbaar. Er staat een stoel. En koffie. De dag is alweer begonnen, misschien moet ik daar maar eens werk van maken. Maar niet nu. Ik moet nog even. Wacht.

Katrien Daniels
83 0

Vliegensvlug

Het leven zit vol plottwists. Een plot is dan een verhaal of een intrige en een twist een omslag, een verandering. Plottwists maken een verhaal memorabel, of een boek verrassend. In het leven lopen meerdere plots kriskras door elkaar heen. Plots die plots kunnen veranderen. Zomaar ineens. Onverwachte wendingen noemen we dat. Klinkt als een contradictio in terminis, want hoe kan je wennen aan dingen die onverwachts gebeuren? Toch is dat de essentie van het leven. Alles verandert. Als ik vroeger iets nodig had van de winkel, sprong ik op mijn fiets en ging het halen. Vervlogen tijden. Mijn kinderen doen dat al lang niet meer. Ze surfen, vinden wat ze zoeken en laten het aan huis brengen. Gelukkig fungeer ik nog als administratieve tussenschakel, al vermoed ik dat mijn bankkaart daar een grote rol in speelt. Als tegenreactie op al dat online shoppen ontstond er hier een paar jaar geleden een nieuwe trend, vooral onder de vrouwelijke pubers. In plaats van vanuit de luie zetel sites te bezoeken, swipend en scrollend speurend naar de juiste productjes voor de laagste prijs, gaan ze, in real life, zoals dat heet, op zoek naar écht avontuur en naar de kick van het realiseren van impulsaankopen. Die toevalstreffers willen ze vooral scoren in winkels met een groot assortiment aan spotgoedkope hebbedingetjes.  Naast betaalkaartenlegger heb ik nu dus ook een flexi-job als chauffeur, want die winkels liggen toch o zo ver en je weet maar nooit wat voor groot of zwaar materiaal je er koopt voor een appel en een ei. Terwijl zij, mijn dochters dus, de adrenaline laten vloeien, kan het mij geen hol boeien. Ze doen maar. Soms blijf ik gewoon in de auto zitten en wacht ik. Soms ga ik mee, al betrap ik er mezelf op dat ik meer naar de mensen kijk dan naar al die grote en kleine bakken vol rommel. En toen gebeurde het. Zomaar opeens. Het overkwam me. Hoewel ik altijd had gedacht dat ik er immuun voor was, dat ik er mij niet aan zou laten vangen. Er ontstond een behoefte. Niet terwijl ik een jong, zwartharig en schaars gekleed mokkel zat af te gapen, zoals je zou verwachten, maar gewoon, tijdens het ... Ja, hoe heet dat? Het snuisteren.  Ja, ik snuisterde. En ineens zag ik 'm liggen. Voor drie euro. Ik zag en ik kocht. Bijna zonder na te denken gaf ik toe aan een behoefte die ik vijf seconden eerder in de verste verte niet had.  En nu zit ik hier. Met een oranje vliegenmepper in m'n poten. Nog steeds geen spijt van. Hij ziet eruit als een degen, een soort sabel, met een goed in de hand liggende greep met zo'n gebogen stangetje. En de steel zelf kan je uitrekken. Net zoals de antenne op m'n oude radiootje. Verrekte handig om die klotekrengen vanop afstand onverwachts neer te sabelen. Niet zomaar een vliegenmepper dus. Een wapen. Nee, ik heb het niet op vliegen. Ik vind ze vies, en vervelend. Al lang voor ik de film 'The Fly' had gezien. Wie zit er graag op een stinkende drol? Een vlieg. Wie kakt er zelf stiekem op je eten als ze de kans krijgt? Een vlieg. Wie komt er op de rand van je bierglas zitten en laat zich welwillend in het schuim vallen? Een vlieg. Wie komt er tien opeenvolgende keren net boven je enkel zitten, net op dat stukje bloot vel tussen je lange broek en je sokken? Juist.  Ze maken me gek! Huisvliegen, fruitvliegen, groene vliegen, aasvliegen, bromvliegen, vleesvliegen ... Doe me een lol! Ik haat ze, die stomme beesten.  Waarom noemen we een vlieg een vlieg? Omdat ze niks anders kan dan vliegen! Daarom! En kakken. En irritant zijn. Jaja, ik hoor je al denken: van die drie dingen kan je er zelf maar twee, dus wie is er dan stom?  Vliegen dus niet. Ze hebben gewoon een heel klein brein. 'Gebruik toch eens je verstand,' moet je tegen een vlieg niet zeggen. Ze doen het ten volle om bliksemsnel weg te vliegen van naderend onheil en om 'vliegensvlug' van koers te wijzigen als dat nodig is. Ze onderscheiden wel 300 beelden per seconde, dat is meer dan tien keer zoveel als de doorsnee mens en ook veel meer dan ik toen ik in mijn jonge jaren op een zomerse zaterdag de Playboycollectie van mijn neef ontdekte. Het probleem is dat ik geen vlieg kwaad doe. Maak daar 'deed' van, want sinds ik mijn oranje sabel heb, ben ik een meedogenloze seriemoordenaar geworden. Ik zoek ze, ik ruik hun angst en ik vermorzel ze. Liefst van al na het uitrekken van m'n steel. Trots ben ik er niet op, maar soms mep ik niet eens met volle kracht, zodat ik na de slag hun pootjes nog even zie bewegen en stuiptrekken vlak voor ik ze met een tissue helemaal plat knijp.  Wat een plottwist. De ietwat saaie huisvader die via het spontane shopgedrag van z'n kinderen en de marketingstrategie van een discountwinkelketen transformeert tot een bloeddorstig monster dat geniet van het lijden van z'n slachtoffers. Niet zomaar een vliegenmepper dus.

Danny Vandenberk
2 0
Tip

Wat ik later worden wil

‘Wat wil je later worden?’ Het is een van de vragen die we graag aan kinderen stellen.  Ik wilde schoonheidspecialiste worden. Geen idee waarom. Misschien omdat ik graag met potjes en crèmes speelde, misschien omdat ik het een bijzonder chic beroep vond. Ik zag mezelf later in een witte schort, met perfect gelakte nagels, in een salon waar het altijd heerlijk rook en waar vrouwen met een gerimpeld voorhoofd binnenkwamen en met een stralende glimlach weer buitenstapten. Ik zou ze allemaal mooi maken. En ondertussen hun levensverhaal aanhoren. Dat laatste zat er toen blijkbaar al in. Het is er niet van gekomen. Van die witte schort niet, van die perfect gelakte nagels evenmin.  Soms vraag ik me af hoeveel levens er eigenlijk in één mens passen. Hoeveel versies van jezelf er onderweg zijn blijven staan, met een boekentas in de hand, een schort om de nek of een diploma dat je nooit hebt gehaald. Niet omdat je er niet goed in zou zijn geweest, maar omdat je op een bepaald moment links bent afgeslagen en rechts sindsdien een doodlopende straat lijkt. Ik ben 49. Ik heb een beroep, een huis, twee volwassen zonen en een redelijk goed idee van wie ik ben. En toch betrap ik mezelf er regelmatig op dat ik in gedachten een compleet ander leven leid. Eentje waarin ik 's morgens opsta, mijn boterhammen smeer en naar een werk vertrek dat ik nooit heb gehad. Juf Katrien van het derde leerjaar, bijvoorbeeld. Dat zie ik helemaal zitten. Ik zou een juf zijn die voorleest met verschillende stemmetjes, af en toe een rekenles opoffert voor een goed gesprek over het leven en op vrijdagmiddag de bananendans doet op Chiquitita van ABBA. Achtentwintig kinderen die zich compleet belachelijk maken. Juf Katrien voorop. De inspectie mag gerust komen kijken. Ik zou ook een lievelingsleerling hebben. Dat mag natuurlijk niet, maar ik zou er wel een hebben. Waarschijnlijk het kind dat altijd zijn turnzak vergeet en bij wie thuis niet alles vanzelf gaat. Of Katrien de masseuse. Van veel te rijke vrouwen. Met een eigen praktijk waar het altijd naar eucalyptus ruikt en waar mijn klanten binnenkomen met een hoofd vol problemen die ik me niet kan veroorloven. Een aannemer die de verkeerde kleur marmer heeft geleverd. Een man die voor de derde keer dit jaar naar Dubai moet. Een dochter die haar paard niet meer graag ziet. Ik zou begrijpend knikken, wat extra olie op hun schouders gieten en ondertussen uitrekenen hoeveel massages ik nog moet geven om zelf eens naar Dubai te kunnen. Ik zou ook boerin kunnen zijn. Met een overall, een paar stevige laarzen en een erf vol dieren die allemaal een naam hebben. Ik zou met mijn handen in de aarde zitten, mijn eigen groenten kweken en iedere ochtend een vers ei rapen. Wellicht zou ik na drie dagen ontdekken dat koeien ook op zondag gemolken moeten worden en dat mijn romantische beeld van het boerenleven niet helemaal strookt met de hoeveelheid stront die erbij komt kijken. Maar ik zou wel een fantastische boerin zijn. Eentje met een grote keukentafel, een erf vol bezoek en een koe die naar mijn moeder genoemd is. Of actrice. Niet noodzakelijk een hoofdrol, maar zo'n heerlijk personage dat in drie scènes de hele film steelt. De excentrieke tante, de cafébazin met een verleden of de buurvrouw die alles weet en haar mond niet kan houden. Ik zou ook bijzonder goed kunnen sterven op een podium. Met een laatste, dramatische zucht en een hand die nog net iets te lang in de lucht blijft hangen. Applaus. Rechtstaan. Buigen. Nog eens buigen. Ik zou het allemaal heel bescheiden ondergaan. En dan zie ik mezelf soms als onthaaldame in een ziekenhuis. Niet zo eentje die zonder opkijken een nummertje uitdeelt en naar de derde verdieping wijst. Nee, ik zou de mensen zien. De man die al twintig minuten voor de ingang staat omdat hij niet durft binnen te gaan. De vrouw die haar uitslag komt halen en haar handtas zo stevig vasthoudt dat haar knokkels wit worden. Ik zou hen de weg wijzen, maar ook een beetje moed meegeven. Ook al staat dat waarschijnlijk niet in de functieomschrijving. Leidinggevende op de dienst burgerzaken lijkt me ook iets. Ik zou mensen trouwen met een persoonlijke speech en een zakdoek binnen handbereik. Bij geboortes zou ik de namen luidop uitproberen en bij overlijdens zou ik net iets langer de tijd nemen. Ik zou wel moeite hebben om professioneel te blijven wanneer iemand zijn dochter Priscilliana-Mercedes wil noemen en bij de derde echtscheiding van hetzelfde koppel. En ooit heb ik een broodjeszaak. Geen gewone broodjeszaak waar je een smos kaas bestelt en er vervolgens een halve krop sla uit moet peuteren. Nee, ik zou broodjes uitvinden. Combinaties waar mensen speciaal voor omrijden. Met namen die minstens even belangrijk zijn als het beleg. De Scheve Schaats. De Grote Verzoening. Het Laatste Woord.  En dan is er nog dat beroep waarbij je geluiden verzint voor auto's. Dat móét toch bestaan? Iemand moet beslissen welk geluid een wagen maakt wanneer je je gordel niet om hebt. Of wanneer je achteruitrijdt. Ik zie mezelf in een studio zitten met een koptelefoon op, terwijl ik voor de zoveelste keer een piepje laat horen aan een vergadertafel vol ingenieurs. Te agressief. Te vrolijk. Te veel microgolfoven. We zoeken iets dat urgentie uitstraalt, maar de bestuurder niet het gevoel geeft dat hij persoonlijk gefaald heeft. Ik zou daar bijzonder goed in zijn. Vooral in het verzinnen van het geluid dat een auto maakt wanneer je de verkeerde afslag neemt. Een diepe, teleurgestelde zucht. Het vreemde is dat ik in al die levens gelukkig zou kunnen zijn. Denk ik toch. Misschien zou ik als juf na drie weken gek worden van de ouders, als masseuse van de schijn, als boerin van de stront en als broodjesmadam van mensen die vragen of de mayonaise apart kan. Misschien zou ik op de burgerlijke stand al na twee huwelijken de bruid willen adviseren om toch nog eens goed na te denken. En misschien zou ik als actrice nooit verder geraken dan een figurantenrol als lijk in een Vlaamse politieserie. En er is het besef dat je, door één leven te leiden, onvermijdelijk een heleboel andere levens niet leidt. Dat je ergens onderweg keuzes maakt zonder te beseffen dat het keuzes voor altijd kunnen zijn. Dat is dus wat de tijd met je doet. Je slaat ergens een weg in, bouwt er een huis, krijgt kinderen, maakt vrienden en voor je het weet, ben je er thuis. En al die andere wegen? Die verdwijnen langzaam achter de bomen. Niet omdat je ze bewust hebt afgesloten, maar omdat je nu eenmaal niet overal tegelijk kunt zijn. Zelfs niet als je heel goed kunt multitasken. En toch blijven ze ergens bestaan, die andere versies van jezelf. Juf Katrien met haar bananendans. De boerin met stront aan haar laarzen. De actrice die al drie keer gestorven is en nog altijd applaus krijgt. De masseuse die inmiddels zelf een villa in Dubai heeft. Misschien open ik op mijn zestigste alsnog een broodjeszaak. Met achteraan een massagetafel, boven een klaslokaal en op de parking auto's die bij het achteruitrijden een klein, tevreden zuchtje slaken. En als iemand me dan vraagt wat ik later wil worden, zeg ik gewoon opnieuw schoonheidspecialiste. Ik ben tenslotte nog lang niet 'uitgeworden'.  

Katrien Daniels
181 5