Lezen

Personage

Ik heb mijn personage naar de trein richting dood laten vertrekken. Ruim vijftien maanden droeg ik het verhaal met me mee. Omdat ik weet wat haar te wachten staat, bleef ik het vertrek uitstellen. Ik zocht uitwegen, deed vluchtpogingen of probeerde haar te laten onderduiken. Maar de waarheid is meedogenloos, bovendien is ze te belangrijk om niet verteld te worden. Hier ligt het dagboek van Sura Pessa Lipszyc. Centraal bovenaan op de beige kaft van het schrift, een wit etiket met dubbele blauwe rand, de hoekjes afgekant. Binnen het kader staan drie lijnen voorgedrukt, maar het schrift kreeg geen titel of naam. Het lijkt ongebruikt, maar als je beter kijkt, zie je dat de hoeken licht gekruld zijn, een plooi loopt van boven links tot rechts onderaan over het soepele karton. ‘Lief dagboek’ opent het op 1 juli 1942. Binnenin is het tot halverwege gevuld, geschreven in een keurig meisjeshandschrift. Sura Pessa beschrijft haar leven als vijftienjarige in het bezette Antwerpen. Op 3 augustus van datzelfde jaar schrijft ze haar laatste woord: ‘Adieu’. Het dagboek is in Borgerhout gebleven. De schrijfster koopt een kaartje voor de trein naar Mechelen. Op 5 augustus meldt ze zich met haar oproepbrief in Kazerne Dossin en vertrekt met het tweede transport op 11 augustus naar Oost-Polen. De transportlijst meldt het volgende: 802.  Lypszcik Sura Pessa, –         25.10.25 – Zdunska Wola, – Staatenl. – Nähschule. Handmatig is een rode letter F toegevoegd voor Frau, zoals 9 van de 10 namen op de lijst. En twee blauwe V’s, twee vinkjes die getuigen dat Sura Pessa wel zeker daar aanwezig was. De trein houdt halt aan de zogenaamde Judenrampe, een perron in het rangeerstation, vanwaar ze na lang wachten nog een 800 meter te voet richting Auschwitz II-Birkenau moest gaan. Sindsdien ontbreekt elk spoor van Sura Pessa. Ze kreeg geen kampnummer getatoeëerd, werd dus niet voor arbeid geselecteerd maar rechtstreeks de dood ingestuurd. Net zoals haar twee zussen en ouders ruim een week later op dezelfde plek. Sura Pessa heeft dit laatste nooit geweten, tegen die tijd was ze al niet meer bij de levenden. Het tweede transport waar zij mee vertrok, vervoerde 999 mensen, slechts drie van hen overleefden de oorlog. Sura Pessa’s laatste woorden blijven als een brok in mijn keel steken. De tranen zoeken al geruime tijd hun weg naar boven. Bij het woord ‘Adieu’, dat zowel Frans als ook Jiddisch kan zijn, slik ik. Dan knalt de krop uit mijn keel en loop ik over. Het is een afscheid van een personage maar evengoed van iemand die echt, het grootste deel van haar korte leven, in mijn huis heeft gewoond. Toen de namen een gezicht kregen, was ik diep geraakt door haar indringende blik. Ik wist meteen dat zij mijn personage zou zijn, zocht en vond een reeks sporen van haar bestaan, bewaard in ambtelijke systemen. Eén foto van haar als baby, op de arm van haar moeder met haar broertje erbij. De andere als bozige veertienjarige vrouw, diezelfde foto die op de muur in Dossin samen met al die andere portretten, een gezicht aan de gruwel geeft. Ik leefde met haar mee als tweejarige peuter, net uit Polen gemigreerd en hier wonend in grote armoede. Ik zag haar opgroeien en spelen, als tienjarig meisje haar kleine geheimpjes tussen de spleten van de plankenvloer verbergen. Ik leefde mee in haar dagboek als zestienjarige puber: kwaad op de wereld die haar verbiedt zichzelf te zijn. Een puber die niet beseft dat ze weer richting Polen wordt gestuurd om te sterven in haar geboorteland dat ze als baby ontvlucht was. Ik rouw om iemand die ik nooit gekend heb, maar die me dierbaar is. Ik rouw om alle twaalf bewoners van mijn huis die naar Auschwitz zijn gestuurd. En om iedereen die hetzelfde lot onderging.

Marieke Genard
6 1

Ademloos

Een maand of twee geleden kocht ik een nieuwe agenda, of nee, twee agenda´s om precies te zijn, een persoonlijke en, hoewel ons huishouden nog maar uit twee personen bestaat, een gezinskalender, iets waar lange tijd geen behoefte aan bestond omdat ik alle afspraken van ieder lid van ons gezin kon onthouden, daar zelfs prat op ging, maar spijtig genoeg vanaf het ogenblik dat ik begon te studeren en te schrijven niet meer zo goed functioneerde, immers, studeren en schrijven zijn twee activiteiten die veel concentratie vragen, en geloof het of niet, maar zelfs om je verbeelding te laten spreken moet je je kunnen concentreren en daar hoort afspraken in je hoofd prenten absoluut niet bij, met als gevolg dat ik nu ieder jaar in november een agenda koop, een agenda die aan verschillende criteria moet voldoen: hij hoort in elke handtas te passen, een buigzame kaft te hebben en glad en wit papier, plus een indeling over twee bladzijden zodat je wanneer je hem openslaat meteen een overzicht hebt van de hele week, wat je hele gemoed in één klap kan doen opklaren, alleszins het mijne, zo keurig en net als mijn afspraken in mijn agenda staan, sommige in potlood en andere in de kleur van mijn lievelingspen, gewoon omdat ik maar niet kan besluiten waarmee ik liever schrijf (ofschoon ik me daarover ook wel weer kan ergeren), omdat, tja, potlood heeft iets provisorisch, nietwaar, alsof het nog niet zeker is wat er staat, wat me enerzijds bij het schrijven goed van pas komt, me anderzijds in mijn kalender zo kan spijten voor de afspraak die ik heb gemaakt, terwijl het koningsblauw van mijn pen iets verhevens heeft, edoch niet bij iedere afspraak past, maar goed, in november heb ik dus twee agenda´s gekocht, een gezinskalender waarin mijn man heel af en toe iets schrijft, en een persoonlijke, een duurzame, gemaakt van graspapier, recycleer- en composteerbaar lees ik op de achterkant, in het juiste formaat en met een buigzame kaft, alleen, het papier is niet wit maar beige gespikkeld en ook niet glad omdat het is gemaakt van snelgroeiend en -drogend gras, waarmee ik niet wil zeggen dat ik daarover struikel, duurzaam is duurzaam, nochtans weet ik vandaag niet goed of ik hem nog wel zo leuk vind, hij ziet er zo leeg uit, en hoewel die weinige afspraken die erin staan zorgen voor perspectief, me het gevoel geven dat ik toch nog íets van een sociaal leven leid, confronteert hij me er ook mee dat dat leven zich hoofdzakelijk afspeelt op het internet, op Zoom, FaceTime en Skype, beneemt hij me soms zelfs de adem, met als gevolg dat ik dan weer mijn heil zoek op Youtube, bij Yoga with Adrienne, om op mijn sportmat in de woonkamer samen met acht miljoen andere gebruikers ademhalingsoefeningen te doen.  

ingridvdk
5 0

Ergernissen

Heb je je ook al eens blauw geërgerd aan auto’s die via de pechstrook aan de hitte van een ellenlange file proberen te ontsnappen? ‘He, geldt het niet voor jou dan? Voel je je beter dan een ander?’ De kans is misschien wel reëel dat er iemand achter het stuur zit die zijn macho-instinct laat domineren over de algemene beleefdheid. Maar zou het héél misschien ook kunnen dat op de achterbank een vrouw aan het bevallen is, of iemand een hartaanval heeft en dringend op spoed moet geraken? Dan heb je natuurlijk geen tijd om na te denken over wat de andere bestuurders van je gebrek aan hoffelijkheid vinden. Wij Belgen zitten – in tegenstelling tot wat de Nederlanders misschien over ons denken – niet verlegen om een mening. We spuien ze met gemak rond en bazuinen onze waarheden in de oren van elke kleine muis die het horen wil. Daarbij gaat het nu niet alleen meer over het pijnlijke gebrek aan kennis bij de weermannen of de manifeste onkunde bij leerkrachten of de zielige hebberigheid van verzekeraars. Het gaat ook niet zozeer meer over wat er bij de buren gebeurt of de bakker die er toch zo slecht uitzag en die dus zeker kanker heeft. Momenteel draait veel over wat er verkeerd beslist werd in de coronacrisis. Natuurlijk mag iedereen een mening hebben. Het is prima om naast jezelf ook de wereld rondom je in vraag te stellen. Alleen stel ik me soms vragen over hoe die mening werd gevormd. Want over alles wat je om je heen ziet gebeuren, is er wel iets duister, niet onderzocht of bevraagd, een andere kant van het verhaal. En als je dan alleen dat ene futiele artikel van die ene journalist las, die op een verdoken manier vaak gewoon zijn persoonlijke mening op het verhaal meegeeft, eerder dan de naakte feiten, weet je dan echt heel zeker dat je over alle informatie beschikt om er überhaupt al een mening over te hebben, voor je die als een onvervalste waarheid gaat verkondigen? Dus lieve lezer, wees tolerant, aardig en slim en bedenk eerst dat meerdere scenario’s mogelijk zijn wat betreft hetgeen rondom je heen gebeurt, voor je beslist ‘je lekker dubbel over de pechstrook te gaan zetten om die potsierlijke macho eens een lesje te leren!’.

Vlechtenmeisje
0 0

Slaan we niet een beetje door

Onlangs kwam er belangrijk nieuws voorbij; een studente heeft een gender neutraal kaartspel ontworpen. Het kwam in verschillende nieuwsbulletins en talkshows aan de orde. De dame in kwestie vindt dat een heer niet meer waard is dan een dame. In principe ben ik het daar natuurlijk mee eens. In mijn beleving zijn mannen net zoveel waard als vrouwen. Of andersom. Maar om daar nu een heel nieuw kaartspel voor te ontwerpen, poeh. En eigenlijk is het ook geen eerlijk uitgangspunt. Want hoezo de dame, waarom niet de boer. Want die is toch ook veel waard? Zonder boeren hebben wij niet te eten. Tot op heden komen speklapjes nog altijd van een varken, niet uit een fabriek. Hoewel, soms lijkt het er wel op, maar dat is een andere discussie. Ik besef steeds meer dat ik van een oudere generatie ben. Ik zoek niks achter jodevet, negerzoenen en moorkoppen. Misschien is dat fout, ik weet het niet, het zou best kunnen maar ik ben er mee opgegroeid. Als katholiek gezin uit Tilburg gingen wij in de maand mei naar de Hasseltse kapel. Even een kaarsje aansteken en dan snel naar de snoepkraampjes die in de Mariamaand iedere zondag een enorm assortiment aan snoepgoed aanboden. En inderdaad, we kochten daar jodevet. Naast stroopsoldaatjes, zuurballen en spekken. Heerlijk. Ik voor mij heb die naam nooit geassocieerd met een bevolkingsgroep. Misschien omdat ik eigenlijk helemaal geen onderscheid maakte tussen mensen. Je had mannen, vrouwen en kinderen. Punt. Jaren later leerde ik één van de eigenaren van zo’n snoepkraam kennen. Hij vertelde me dat de naam jodevet in de ban was gedaan. Het heet tegenwoordig borsthoning. Geen idee waar dat nou weer vandaan komt. Gelukkig verkocht hij nog wel stroopsoldaatjes. Dat was dan toch nog gebleven. Ik was ook oprecht verbaasd toen mensen als Sylvana Simons en Akwasi mij gingen beschuldigen van racisme omdat ik geen aandacht besteedde aan dit soort uitingen. Ik was me daar helemaal niet van bewust. En ik denk met mij best wel meer mensen. Natuurlijk zijn er ook mensen die wel onderscheid maken. Maar ook die heb je in soorten en maten. En discriminatie is echt niet iets dat enkel door witte mensen wordt bedreven. En nu komen er dus gender neutrale verkeersborden, een gender neutraal kaartspel, alles moet op de schop. Het lijkt mij allemaal erg geforceerd. Het is buitenkant, dieper gaat het denk ik niet. Het veranderen van een naam gaat volgens mij de oplossing niet brengen. Het is misschien een begin maar het zal nooit het einde van de ongelijkheid zijn. Daar moet nog heel wat meer voor gebeuren.  

Machteld
3 0

Oprechte liefde

Liefde is oprecht als intentionele eenheid aan de basis ligt. Wanneer gedachten en handelingen geen onderscheid maken tussen ik en de ander. Als geven en krijgen naadloos in elkaars verlengde liggen. Zielen kunnen met elkaar versmelten en simultaan ook elkaars eigenheid vieren. Eénwording zonder de authenticiteit te verliezen. Liefde is elkaar eren en bevestigen. Alles kan rationeel gewenteld worden, maar de onderliggende gevoelens zullen blijven primeren. Soms gaat het met kleerscheuren, of zelfs vleeswonden, maar gevoel wint het uiteindelijk altijd van ideeën. Onderhuids herkennen we het gezicht van oprechte liefde als was het ons eigen spiegelbeeld. Al heb ik me wel vaker op illusies blindgestaard. In essentie is alles liefde. Ook elke vorm van destructie en alles dat we verwerpen. Maar daar heb ik het misschien later nog over. Met deze tekst hou ik een pleidooi voor de soort connectie die eigenliefde aanwakkert. Liefde die het gevoel van eigenwaarde vergroot. Waarbij je elkaar optilt en stimuleert om gezonde keuzes te maken. Mijn zelfbeeld beïnvloedt mijn levenskwaliteit en partnerkeuze. Als mijn keuzes en handelingen getuigen van zelfrespect, trek ik mensen aan die mij respecteren. Maar ik heb ook ervaren hoe mijn wankele eigenliefde gereflecteerd werd in een relatie waarin ik het gevoel had niet geapprecieerd te worden. Interacties met anderen interpreteer ik als spiegelbeelden. Iedere persoon weerspiegelt een deel van mezelf. Anderen helpen mij om mezelf te ontdekken. De relatie die mijn ouders hebben, is voor mij een perfect voorbeeld van oprechte liefde. Ik weeg hier dan ook elke uitspraak af, controlerend of die opgaat voor hun connectie. De constructie van hun relatie is de blauwdruk waarop ik mij baseer. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat de liefdesbron oneindig is en we in principe meerdere personen tegelijk innig kunnen liefhebben, verkies ik toch ook een monogame verbinding. Het model waarbij er in de massa slechts één uitverkorene is. Ik heb die voorkeur uiteraard meermaals in vraag gesteld, maar kom steeds tot dezelfde vaststelling: namelijk dat ik vol overgave voor een exclusieve connectie ga. Maar uiteraard niet ten koste van mezelf. Het moet goed voelen. En elkaar graag zien is vaak niet voldoende. In een relatie wil ik intellectueel uitgedaagd worden en gestimuleerd om het beste in mezelf naar boven te halen. Door zijn ogen wil ik naar mezelf kijken op een liefdevolle manier waartoe ik zelf nog niet in staat was. Ik wil me geborgen, gekoesterd en begeerd voelen. En alle liefde op authentieke wijze schaamteloos laten overlopen. Want er is altijd meer dan genoeg. Oprechte liefde hoopt niet, maar weet zeker dat het vertrouwen gefundeerd is. Er is dan ook absoluut niets dat twijfel zaait. Dat geeft rust. En enorm veel vrijheid. Binnen de muren van het liefdesnest wordt het pantser afgeworpen en de kwetsbaarheid omarmd. We helen elkaars wonden en drogen elkaars tranen. Het kleine meisje in mij voelt zich beschermd en ik ben vervolgens ook vertederd door de jongen die ik doorheen zijn mannelijkheid zie schemeren. En ik wil niets liever dan mijn deken van warmhartigheid rond zijn frêle lijfje wikkelen. En zijn volmaakte oorschelpjes strelen met lieve fluisterwoorden. Zo ongeveer, ziet oprechte liefde er voor mij uit. En ja, het mag best klef en melig zijn. Des te beter wat mij betreft. Maar ieder zijn stijl.

KarolienDeman
6 1

Het nieuwe normaal: ‘digitalisering en een team van medewerkers’

In de loop van december plaatsten techniekers van het netbedrijf X een digitale gas- en elektriciteitsmeter.  Nadien installeerde een buurman ‘mijn X-bedrijf’ op mijn pc zodat ik mijn energieverbruik kon opvolgen. In het overzicht van mijn premies vond ik niets terug over de uitgevoerde werken van mijn dakisolatie. Aangezien ik alle puntjes graag op de i zet, nam ik op een voormiddag  hiervoor telefonische contact op met het ‘X-bedrijf’ . Medewerker 1 vertelde mij dat de dienst premies geen aanvraag voor een dakisolatie op mijn naam en adres vond. Wat en hoe ik het nu verder moest aanpakken maakte mij niet blijer ook al toonde de vrouw aan de andere kant van de lijn hiervoor veel begrip. Eens ik terug tot  mijn rust kwam, scrolde ik doorheen mijn administratie. Een aanvraag, aanvraagbevestiging met dossiernummer maar geen mail over een uitbetaling van een premie toonde zich op mijn computerscherm. In mijn gedachte had ik, zonder te weten wanneer, een premie ontvangen. Graag deelde ik deze informatie mee aan medewerker 2. ‘Iemand’ ging terugbellen over mijn dossier. Na een lang telefoongesprek luisterde ik naar mijn voicemailberichten. Medewerker 3 van bedrijf X berichtte niets meer dan dat ik al wist. Nummer 4 en 5 raadden mij aan om opnieuw contact te nemen met hun algemeen nummer. Aan goede wil alvast geen gebrek. Zo gezegd zo gedaan. Medewerker 6 noteerde data en uren van mijn reeds vernoemde mails. Het zoek zijn van gegevens had waarschijnlijk te maken met het ontbreken van een recente update. Een volgende update zou plaatsvinden in de loop van april,  aldus de zoveelste vriendelijke medewerkster. Ik mocht weer een telefoontje verwachten. Haar woorden waren nog niet koud of ik zag in een overzichtsmail een ander dossiernummer opduiken.  Op de valreep voor sluitingstijd kreeg ik medewerker 7 aan de lijn. Hij vond een dossier met een document te weinig. Ook dit document had ik doorgestuurd. En warempel met een paar muisklikken verder onder het tabblad van de naam van de vroegere netbeheerder verscheen mijn volledig afgehandeld dossier. Ik slaagde een zucht van verlichting. De volgende dag vroeg in de ochtend, medewerker 8 aan de telefoon met hetzelfde verhaal als haar collega van de avond daarvoor. ‘Eind goed al goed’, denk je dan. Tot… ik in de late namiddag 'mijn ‘X-bedrijf' online opende: ’dossier aanvullen’ las ik in een kadertje. Is het nu alleen omdat ik ouder word dat ik heimwee heb naar een persoonlijke dossierbeheerder?   Ann Stuckens 10-01-2021         

Ann Stuckens
0 0

De buitenkraan

Ik wandel graag, maar het mag niet tegenzitten. Zeker niet het meest vervelende onder de wandelfenomenen: een afzakkende sok. Het stapt voor geen meter, als die telkens terug in je schoen kruipt. Onderweg naar het woonzorgcentrum moet ik na 100 meter met mijn rechterbeen al een hoek van 90 graden maken en deze op mijn linkerknie leggen zodat ik mijn evenwicht bewaar om die vervelende sok omhoog te trekken. Maar de evenwichtige dagen zijn voorbij. Ik wankel als een dolgedraaide hamster die uit haar loopradje kruipt nadat ze er de hele dag in heeft gerend. Gelukkig staat er vlakbij een verkeersbord dat me recht houdt. Ik twijfel om terug te keren en nieuwe sokken te halen, maar ik denk dat het wel zal meevallen. Helaas. Opvallend is dat er altijd maar één sok afzakt. Alsof ze elkaar afwisselen. Onderweg moet ik regelmatig halt houden bij een verkeersbord of een brievenbus om als een plassend hondje mijn been omhoog te heffen en mijn sok te fatsoeneren. Maar daarmee is de kous nog niet af. Bijna aan het woonzorgcentrum gearriveerd, ben ik het zo beu dat ik mijn sok voel scheuren terwijl ik die voor de twintigste keer omhoog trek. Redelijk hard deze keer. Bij ma op de kamer trek ik mijn rechterschoen uit. Het is meer gat dan sok. Bijna te slecht om in de wintermaanden rond de buitenkraan te doen, zoals pa vroeger altijd deed met een stel versleten kousen, vastgebonden met een touwtje. "Ik zou zeggen, pakt er een van mij", lacht ma. We moeten er allebei mee lachen. Ik zie me de nylon kous al aantrekken terwijl er net iemand binnenkomt. Nee, ik moet het met de halve kous doen. “Maar ge kunt ze nu in de winter wel gebruiken om rond de buitenkraan te draaien”, zegt ze.  

Rudi Lavreysen
17 1

Sommige mensen

Sommige mensen hebben alles en zijn gelukkig. Ze zijn oprecht geïnteresseerd in de ervaringen van anderen en leggen gemakkelijk nieuwe contacten. Maar vriendschap hoeft het niet perse te worden. Want vrienden hebben ze genoeg. Alleen de gedachte dat al die contacten met regelmaat onderhouden moeten worden, bezorgt hen stress. Hun nauwste en trouwste vriendschappen kenmerken zich door een gebrek aan verwachtingen. Er kunnen gerust zes maanden zonder contact voorbij gaan zonder dat dit consequenties heeft voor de hechte band. Ook zijn ze nooit teleurgesteld als er een afspraak wordt afgezegd, integendeel, dit betekent alleen maar extra vrije tijd. Tijd om spontaan te spelen, ze doen niet liever. Verveling kennen ze niet, eenzaamheid evenmin. Want ze vermaken zich opperbest in hun eentje. Sommige mensen staan in een ogenschijnlijke spreidstand waarbij ze anderen oeverloos liefhebben en tegelijk ook ontzettend graag alleen zijn. Het ene sluit het andere niet uit. Ze zijn er zich heel goed bewust van dat ze een oneindige bron aan liefde bevatten. Er kan nooit een tekort zijn, liefde blijft tot in de eeuwigheid stromen. Daarom gaan ze er ook redelijk kwistig mee om en laven onbevreesd dorstigen die hun pad kruisen. Ze respecteren echter de sociale formules en menselijke grenzen, wetend dat velen liefde exclusiviteit toeschrijven en de geschonken liefde niet naar waarde kunnen schatten als ze weten dat er nog anderen zijn die hetzelfde ontvangen. Het is niet omdat ze alles hebben, dat ze niet meer verlangen. Een mens zal altijd verlangen en dat is mooi. Met ‘alles hebben’ bedoel ik niet letterlijk leven in overvloed, het gaat over het gevoel alles te hebben. Sommige mensen zijn zich intens bewust van al het moois dat hen omringt, hoe klein en weinig dat ook mag zijn. Ze beseffen dat alles, hier en nu, gewoon perfect is. En meer dan voldoende. De gedachte aan de kronkelige weg die hen zover heeft gebracht wordt onthaald met een glimlach. Niet goed wetende hoe ze zoveel geluk moeten uiten, wenden ze hun gelaat tot de hemel en prevelen mantra’s van dankbaarheid. Verlies is ook voor hen een moeilijke gewaarwording, maar in hun kern geloven ze eigenlijk niet in verlies. De onlosmakelijke samenhang der dingen, de overkoepelende eenheid, beschouwen ze als een onmiskenbaar feit. Ze zullen treuren, rouwen en missen, maar het zal hen nooit verscheuren. De overtuiging dat hun wezen doorloopt in alles en iedereen dat niet hun naam draagt, werkt zeer geruststellend. Om die reden kunnen ze ook geen kwaad doen, goed wetende dat ze daarmee in hun eigen vel snijden. Sommige mensen houden van zichzelf terwijl ze gebukt gaan onder zelftwijfel. Ze leggen hun groeiproces, reacties en keuzes constant onder de loep. Wat hen anderzijds niet weerhoudt om gedecideerd te blijven bewegen in de richting van hun verlangen. Twijfels zijn de ratelende conserven die achter een met belofte gevuld voertuig slingeren. Alle kletterende vragen en angsten in het kielzog van de beslissing. Intentioneel luide en symbolische nasleep. Wel een mooi gebaar. Wat de ene mens drijft, is wat een ander benijdt, afschrikt of verwerpt. Sommige mensen zijn dan ook fervente aanhangers van de diversiteit des levens. Want al het bestaande heeft zijn tegenhanger nodig. Om tegen te leunen, op te bouwen of af te breken. De veelheid is een succesformule. En de oneindigheid vinden ze gewoon Goddelijk geniaal.

KarolienDeman
10 1

Appelbollen en worstenbrood

“Ik heb nog getwijfeld”, zei ik afgelopen maandag toen ik thuis kwam. Het was Verloren Maandag. “Ik ben zelfs langs de bakker gefietst, maar voor de deur heb ik beslist om geen appelbollen of worstenbrood te kopen.” Ik hoorde jaren geleden voor het eerst van Verloren Maandag toen een collega de maandag na Driekoningen appelbollen bij zich had. “Het is een traditie in Antwerpen”, zei hij. “Thuis deden we altijd mee. Daarom dacht ik vanmorgen: waarom niet?” Ik zei dat hij er goed aan had gedacht, want ze smaakten voortreffelijk. Hij vertelde ons waar de traditie vandaan kwam. “Het komt van Verzworen Maandag. Ambtenaren legden indertijd die dag hun eed af. Dat moest natuurlijk gevierd worden, met worstenbrood, appelbollen en de nodige drank. Later werd de dag bekend als Verloren Maandag, omdat er van werken niets meer in huis kwam.” Omdat we zelf ambtenaren waren, hebben we de traditie jaren aangehouden. Ik liet hem die week zelfs meermaals in mijn koffie soppen. Hij stond bekend als de koffiesopper, omdat hij zelf geen koffie lustte, maar zijn speculaaskoekje altijd in de koffie van een collega sopte. Nu is het op de werkvloer de gewoonte om op de dag van Driekoningen ’s morgens worstenbrood te eten. Ook geen slecht idee, maar ik meende ze dit jaar aan me te laten voorbijgaan. Ik zit immers in een fase van ‘periodiek vasten’. Het idee daarbij is dat je het ontbijt overslaat en meteen aan de middag begint. Niet dat je ’s morgens begint met aardappelen, groenten en vlees. Nee, je eet gewoon niets tussen 19 uur ’s avonds en 12 uur ’s middags. Enkel water, koffie en zwarte thee is toegestaan. Ik moet zeggen, het begint me aardig te lukken. ’s Avonds mag ik wel niet naar Mijn Restaurant of naar de herhaling van Dagelijkse Kost kijken, of ik ben staat om de tv op te eten. Ik heb ook al eens een kauwgom ingeslikt en ’s middags heb ik honger als een paard. Ik ga dan op een drafje en bijna hinnikend naar huis en daar duik ik meteen in de koelkast, waarbij ik zelfs mijn jas aanhoud. Niet vanwege de koude in de frigo, maar gewoon, van de honger. Al mag het niet gaan zoals dit jaar met Driekoningen. De geur van worstenbrood hing werkelijk overal in het kantoorgebouw. Een geur waaraan niet weerstaan is. In de gang, in de lift, ja zelfs in het toilet meende ik het te ruiken. U hoort me al komen. Het vlees is zwak. Ik heb ’s morgens een worstenbrood naar binnen gewerkt. Maar vertel het niet verder. Het zal me niet meer gebeuren. Wedden voor een appelbol?

Rudi Lavreysen
4 0

Klagers geen nood

“Klagers geen nood”, ik hoor deze uitspraak al mijn hele leven. Tegenwoordig niet zo veel meer, maar het lijkt of gezegdes in het algemeen uit de mode aan het raken zijn. Wel jammer, we zouden voor de Corona-periode ook prachtige uitdrukkingen kunnen verzinnen. Wat vooral in deze uitspraken terug zou moeten komen, is dat Nederlanders uitgesproken bedreven zijn in klagen. Verschrikkelijk. Terwijl de meesten van ons het helemaal niet slecht hebben, ze moeten hooguit wat langer wachten op sommige plaatsen. Ik heb het niet over de mensen die zich de benen onder het lijf uitrennen in de zorg. De medewerkers in de ziekenhuizen, de verzorgingstehuizen en overal waar andere, kwetsbare, mensen verzorgd moeten worden. Of over de mensen die hun zaak moeten sluiten en ’s nachts wakker liggen over hoe ze hun personeel moeten betalen. En hun vaste lasten. Of over de mensen die, ondanks hun voorzichtigheid, toch ziek zijn geworden. Over die mensen heb ik het niet. Maar stel je voor, dat je naar een garagebedrijf gaat omdat de linker achterband van je auto een beetje slap staat. Dat kun je natuurlijk zelf even oplossen bij een pompstation maar nee, je besluit naar je eigen dealer te gaan. De mensen daar zijn deskundig. En in deze tijd ook erg voorzichtig. Je wordt vriendelijk verzocht een mondkapje op te doen, ze gaan je auto ontsmetten, rijden hem de werkplaats in, verzorgen de bandenspanning, waarbij ze ook even je andere banden controleren, ontsmetten weer de hele auto en komen dan bij je terug. En dat duurt een half uur. Echt, een half uur! Onvoorstelbaar dat je zo lang moet wachten. Of stel je voor dat je gezellig met een groep vrienden over straat loopt. En dat zo’n vervelende BOA komt zeuren dat je maar met twee mensen mag samenscholen. Samenscholen, inderdaad, maar dit zijn je vrienden. Daar is niks mee aan de hand, we zijn geen van allen ziek, dus waar bemoeit zo’n zanikerd zich mee. Ga weg joh, of je krijgt er één. Hetzelfde geldt voor de vreselijke buschauffeur. Hoezo een mondkapje op, ik zit toch meer dan anderhalve meter van jou vandaan. Schiet toch op man. Het lontje van de mensen wordt steeds korter. Tijdens de eerste lockdown werd er voor de zorghelden geapplaudisseerd. Nu staan er bij sommige afdelingen beveiligers aan de ingang. Onvoorstelbaar. Je zult zelf de hulp maar nodig hebben. Klagen. Ik vind het een nare eigenschap. Ik weet wel dat het in de natuur van ons volk zit, maar laten we dan tenminste net als vroeger klagen over het weer. Daar kunnen we in ieder geval zelf niets aan veranderen. In tegenstelling tot aan de Corona-crisis.  

Machteld
9 1

Kleur

Kleur De slaapkamerwand van onze sympathieke bejaarde buurvrouw die twee huizen verder woont is rood. Dat is een verrassende waarneming die ik doe op het moment waarop ik in het gewone leven in mijn auto zit en de afstand overbrug tussen mijn werkplek en ons huis. Deze verplaatsing gebeurt naar mijn gevoel heel vaak in het halfduister of toch in iets wat op donkerte lijkt. Ergens heb ik nog een vage herinnering aan diezelfde autorit bij monter daglicht of bij ondergaande zon maar die gedachte situeert zich halverwege een lang vervlogen tijdperk en is dus veel moeilijker levendig op te roepen. Misschien heeft mijn voorkeur voor de schemering  ook wel te maken met een onderhuids gevoel van schaamte. Ik besef immers ten volle op welke manier ik doorgaans in mijn wagen zit : luidkeels meezingend met een liedje op de radio of verwoed het ritme aangevend met mijn handen op het stuur als was ik de dirigent van het Wiener Philharmoniker. Het geheel biedt vermoedelijk een zeer vermakelijke indruk. En is dus veiliger zonder daglicht. Voor iedereen. Minder uitzinnige fans die plots hun wegcode negeren. Minder heimelijke aanbidders (waardoor ik mijn wegcode negeer). Oké, ik geef toe : ook minder amusement voor de medemens en meer verdoken genot voor mij ( ik hoop dat jullie een geheim kunnen bewaren ). Maar goed, omdat de afstand tussen mijn tijdelijk kantoor en ons huis op dit moment niet veel groter is dan de neus van Pinocchio hoef ik niet langer gebruik te maken van een gemotoriseerd rijtuig (hiep hiep hoera voor het milieu ) . En kan ik dus ook niet langer ongestoord zingen ( ik deed nog geen familiale opiniepeiling maar ben ervan overtuigd dat er bij mijn huisgenoten geen prangende nood is aan een huiskamerconcert van “la mama” ). Het is een groot gemis voor mijn uitzinnige fans en heimelijke aanbidders. En een nog aanzienlijker gemis voor mij. Bij wijze van alternatief marcheer of kuier ik  (al naargelang mijn gemoedsgesteldheid) in onze achtertuin. Het is tijdens zo’n slentermoment bij valavond dat ik mijn kleurrijke ontdekking doe. Rood. De muur van haar slaapkamer. Zou dat het geheim zijn ? Zou rood ervoor zorgen dat je zo gratieus ouder wordt zoals zij dat doet? Is rood misschien de oorzaak van haar blijmoedig geschuifel door onze straat ? Zorgt rood voor die fonkelende ogen in dat rimpelige gelaat?  Als dat zo is, dan heb ik een probleem. Een omvangrijk probleem. Rood is namelijk mijn kleur niet. Rood is te fel, te opdringerig, te bruusk. Rood betekent fout of gevaar, of stoppen waar je mee bezig bent (en dat wil ik heus niet altijd ). Rood is volgens Wikipedia ( sorry Mr Van Dale , voorlopig vraag ik het even aan iemand anders ) de kleur met de krachtigste symboliek. Het is vermoedelijk daardoor dat rood verkozen werd tot kleur van de liefde. Kleur van de passie en het vuur. Helaas, zelfs die wetenschap kan mijn mening niet wijzigen. Geen rood voor mij. Liefde en passie en vuur uiteraard wel . Mits enig flexibel denken is dit perfect haalbaar. Ware liefde mag een eigen kleur kiezen. Ze hoeft niet te beantwoorden aan de norm. Als ze maar oprecht is en warm. Misschien kan ze dan wel geel zijn (ook al denk ik dan spontaan aan vanillepudding … mmm lekker) of bruin ( die kleur behoort ook niet tot mijn uitverkoren palet maar zonder speculoosje voelt vanillepudding zich zo eenzaam) . Of misschien is de liefde wel groen (van jaloezie) of blauw ( die wijsheid had Willy Derby reeds in 1935 – Twee ogen zo …). Wat mij betreft zijn alle kleuren van de regenboog toegestaan. En maakt iedereen zijn eigen keuze. Onze buurvrouw koos dus rood. En die keuze verwonderde mij. Alsof rood niet past bij haar frêle verschijning op het zebrapad. Niet past bij haar beeld dat ik onbewust al jaren boetseerde. Het leert mij in ieder geval dat niets is wat het lijkt. Dat is geen nieuwe kennis. Waarachtig , ik wist dit reeds ( met een gesloten autoraampje lijk ik  immers ook te zingen als Tina Turner). Alleen lijk ik het af en toe wel eens te vergeten. Tot nu. Ik herschik mijn ideeën en open een nieuw vizier. Omwille van haar. Omdat ze vorige week jarig was en als een volleerde koningin haar zingende familieleden toewuifde vanuit haar raam op de eerste verdieping . Ik had kunnen meezingen maar ik deed het niet. Dat was te gevaarlijk ( teveel uitzinnige fans en het negeren van de wegcode). Bovendien was ik wat overdonderd. Het tafereel ontroerde mij. Ik stond erbij en keek ernaar. En ik zag plots heel helder dat ene moment , ergens in de zomer van 2019 ,waarop ik een korte babbel had met haar. Ze was met haar rollator op weg naar de frituur. Niet omdat ze honger had. Ze had goesting. In frietjes. Op het einde van ons gesprek noemde ze mij “jongedame” . Dat woord liet mijn hart zingen (voor één keer zonder fans). Een hele week. En daarom geef ik rood voortaan een eerlijke kans. Want rood is hoop. En hoop doet leven   MoneG.  

MoneG
0 0

Na corona

In een wereld waar corona slechts een pijnlijke herinnering is, vind je mij terug aan het begin van een opnieuw bruisende Overpoortstraat. Eventjes blijf ik pal in het midden van de straat staan. Ik adem de nachtelijke bries diep in door mijn neus, nu die nog vrij is van bier en overgeefsel, en laat dit moment helemaal door me doorsijpelen. De feestlichtjes achter de namen van befaamde cafés, pruttelen na lange duisternis weer aan.   Ik draag zwart, om in de menigte op te gaan. Maar glinsters in mijn tenue en boven mijn ogen lichten me een beetje op als een eenzame ster in de donkere ruimte. De studenten hebben hun eenzame lockdownleventjes achtergelaten en komen hier allemaal dorstig en bloedgeil samen. Elk heeft zijn favoriete plekje waar de alcohol rijkelijk vloeit en lichamen al dansend één passioneel wezen vormen. En ook ik laat mijn lichaam zijn vrije wil gaan en beaam mijn glas nooit leeg te zijn.   Strevend naar het perfecte dronken zijn, dat voelt als een hartslag die gelijkloopt aan de muziek. De tijd rondom me vertraagt. Duistere silhouetten, die af en toe fel verlicht worden, dansen in slow motion. Enkel de aanraking van een vreemdelings hand op het naakte stukje huid tussen mijn topje en broek, brengt me terug naar de werkelijkheid. Ik kijk op tussen lange wimpers naar ogen achter dikke wenkbrauwen. Het alcoholgehalte in mijn bloed doet enkel zijn lippen scherpstellen.   Dit is een dans. Een dans die niemand me hoefde aan te leren. Een dans die ik kende sinds de eerste keer ik mijn reflectie zag in mijn vaders ogen. Mijn partners waren prinsen en onbekende artiesten, Griekse goden en clowns. En elk van hen ervan overtuigd mij te leiden. Maar het is altijd mijn dans. Ik maak de eerste zet, wat niet eens een zet is. Het is mijn dans en ik heb het uitgevoerd met finesse en verlaten met ontelbare partners. Enkel hun gezichten veranderen.   In de rij naar het toilet word ik beste vriendinnen met het meisje naast mij. Een vriendschap die helaas maar een selfie lang blijft bestaan en wordt afgesloten met een kus op de mond. In de echo van iemands laatste smeekbede naar meer shots, bevind ik me naar de uitgang, om er de eerste zonnestralen aan te treffen. Geparfumeerd met gespilde dranken in mijn kleren, baan ik mij een weg naar huis. Ik plof er neer in mijn stoffen nest, om al lachend in een nog andere wereld op te gaan.

Ari
3 0

Eerste Hulp Bij Liefdesongevallen

Mijn innerlijke ekster trekt me steeds naar diezelfde etalage in een volksbuurt in Gent. Een paar glinsterende oorringen ligt er al maanden naar mij te roepen. Ik beeld me in hoe mijn zwart-wit gekleurde innerlijke vogel een deuntje zingt terwijl ik in het avondlicht richting de kleinnoden waggel. Zo gaat het al maanden. De overdag weinig interessante etalages veranderen ‘s avonds in dromerige sprookjestaferelen. Alsof het avondlicht en het verlaten karakter van de straat de inhoud van achter glas gereserveerde zaken tot leven brengt. De onbereikbaarheid van de spullen doen me de zaken idealiseren. Onbereikbaarheid creëert verlangen en al zeker in het avondlicht. “Je zou die oorringen moeten kopen. Je mag jezelf gerust eens iets cadeau doen” “Waarom?” “Is er een waarom nodig? Je vindt ze mooi en je mag jezelf iets gunnen” De innerlijke ekster vliegt verschrikt op als we op de trapjes vlak voor de winkeldeur een huilende jonge vrouw vinden. Ik heb nooit mijn hoofd kunnen afwenden van ongeluk. Op de achtergrond bewegen een paar schaduwen. Ze lijken op te gaan in de muren van de historische panden, schuiven voorbij, gaan op in de klinkers van de straat. Ze huilt alsof ze alleen in een ruimte zit. Haar fiets staat als een soort dranghekken voor haar geparkeerd. Haar fietslichtjes vergat ze uit te doen, haar gsm houdt ze trillend in haar koude handen. Terwijl ik me nog afvraag of ik niet liever een schaduw zou willen zijn, blijft hij resoluut staan. Hij lijkt de start van onze interactie te markeren. Ik bedenk me dat het gek is, hoe ongemakkelijk ik me voel bij publiekelijke uitingen van gevoelens. Hoe je onopvallende bestaan in de openbare ruimte precies bij de nek gegrepen wordt als je geconfronteerd wordt met uitingen van emoties van de andere. Zeker als het over verdriet gaat. Hoe ik in eerste instantie verstijf en m’n ogen wil dichtknijpen. Freeze or flight? Alvast één vraag waar ik het antwoord op weet. Ik ontdooi en vraag haar aarzelend of alles ok is, wetende dat dat het niet is. Een mens moet ergens beginnen. Ik ben nu betrokken in deze interactie, dus nu moet ik er helemaal voor gaan. Ondertussen zit mijn metgezel met het grootste gemak in boeddhahouding. Alsof de straat zijn kussen is. Ik zucht en ga bij hem zitten, want het maakt van mij een nogal raar figuur om naast mijn zittende vriend rechtop te staan. Bovendien heeft hij de juiste inschatting gemaakt om zich op de hoogte van onze gesprekspartner te bevinden. Terwijl mijn achterwerk de koude straatstenen raakt, herinner ik me mijn Slovaakse vriendin die me in Denemarken waarschuwde. “Darling, you should not sit on this cold bench. You might not get babies. Just saying”. In nog geen minuut zijn we verwikkeld in een diep emotioneel gesprek over de liefde. Voor ons een slachtoffer dat bittere tranen huilt die ze zonder veel omhalen met haar mouw wegveegt. We luisteren en knikken. Geen mens die niet weet hoe het voelt wanneer je emotionele tuin met zorgvuldig gekweekte bloemen door een bulldozer wordt platgereden. Dat die bloemen wel terug zullen groeien, dat is een ijdele troost. Hij zwijgt en laat mij haar af en toe in stiltemomenten vragen stellen. Ze lacht, zegt dat ze zelf haar vriendinnen op die manier zou bijstaan. Maar dat het eventjes erg eenzaam is in de lockdownsituatie. “Zie mij hier zitten, mijn ganse liefdeshistorie uitleggen aan vreemden”. Soms is de vreemde het best geplaatst om eens te luisteren. Ik bedenk me dat we in de lockdown de vreemde in de straat wat missen en dat deze een belangrijke rol opneemt. Dat de grens tussen vreemd en vertrouwd dunner is dan we denken. Flinterdun. De vreemde waar je je even kort intens mee bindt en dan weer loslaat. Het is een beetje zoals dat ene instrument in het orkest. Het is een onopvallend klein ding dat maar af en toe een hoge toon in het stuk brengt. En toch is het een belangrijk aspect van het hele muziekstuk. We spreken haar nog een paar laatste bemoedigende woorden in en nemen afscheid. Ze bedankt ons, staat een beetje wankel op haar benen. Letterlijk en figuurlijk. We kijken haar nog even na tot het rode lampje van haar fiets wordt opgeslokt door de nacht en zetten onze wandeling verder. “Eerste hulp bij liefdesongevallen en andere drama’s. Het gaat ons goed af”, grapt hij. Ik besluit de oorringen te kopen.

svm
5 0

De jaren twintig

Aan tafel lees (en kijk) ik in het fotojaaroverzicht van de krant. "Het beeld van het jaar bestaat niet", zegt een van onze topfotografen. Het waren er veel. Elke avond voor de buis zaten we stil naar de beelden te kijken. Zorgbeelden. De fotograaf in de krant zegt dat het beeld van het jaar wellicht een grafiek is.  We moesten noodgedwongen raamzwaaien met onze coronacoupe.  Vol huidhonger en toekomstverdriet. Ook de ellebogen kregen een voorname functie. Ik kijk naar de foto waarop de Europese notabelen elkaar een elleboog geven. Het 'ellebogenwerk' werd zelden zo treffend in beeld gebracht. 'Op slinkse wijze carrière maken', is de verklaring van het gezegde. Ook in andere talen. Ik zie ze er zelf mee lachen.  Ik sla het boekje dicht. De mannen vragen of we mee naar buiten gaan. Het is een paar dagen voor Kerstmis. We laten onszelf even uit. Inderdaad, zoals enkele hondjes die te lang binnen hebben gezeten. Alleen het plassen tegen een boom of lantaarnpaal laten we achterwege. Al zag je dat wel eens bij het café waar we passeren. Toen het nog kon. Ook al is er een toilet, mannen doen het graag buiten. Lang geleden stond er aan het ouderlijk huis nog een urinoir. Dat zie je niet meer. Marcel Duchamp legde in 1917 een urinoir zijn kop, signeerde het beeld en het werd kunst. Over kunst kan je goed zeiken.   Als we bij de bakker passeren, hoor ik een mevrouw zachtjes vloeken. "Extra sluitingsdag", leest ze het papier op het uitstalraam voor. Misschien is dat wel het beeld van het jaar. De stilletjes vloekende mens. Omdat er weeral iets gesloten werd. Niet de lange rijen wachtenden, zoals je vroeger in het Oostblok zag, maar wel de onheilspellende berichten. Als er iemand ziek werd. Dan verdwijnt de hoop. Je gaat met honger naar de bakker, onderweg al een keuze makend, maar je moet met lege handen terug naar huis. "Ze zeggen dat de jaren twintig terugkomen", zegt onze oudste. “Na een tijd van rampspoed, zoals de Eerste Wereldoorlog, gaan de mensen losbandig leven. Dat ga je nu ook zien”, besluit hij. "Ja, naar het schijnt veranderde toen alles", zeg ik. "Zo leek het toch. De mode, sommige mensen werden schatrijk, anderen leefden boven hun stand. Later geven ze de periode een naam en maken ze er films over. Als je er middenin zit, zie je het waarschijnlijk niet.” Er is geen enkele tijd die terugkomt. Vasthouden is ook een kunst. “Ze zeggen dat 2022 een gigantisch feestjaar wordt”, zegt hij nog. Och, ze zeggen zoveel. Ik vertel het verhaal van de zwemmer. Het speelde zich af na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de jaren ’50 in Amerika. Ook toen veranderde er zichtbaar veel. Het is een fictief verhaal. Een jongeman zit op een feestje aan de rand van een zwembad met een gin-tonic in zijn hand. Hij besluit om naar huis te zwemmen. Van het ene zwembad naar het andere in de rijke buurt. Een drankje hier, een drankje daar. In het verhaal gaat tijdens zijn zwemtocht de zomer stilletjes aan over in de herfst. De lucht kleurt donkerder. Symbolisch. Bij de laatste zwembaden zijn de mensen boos op de zwemmer. Ze vertellen hem over zijn financiële problemen waar hij geen weet van heeft. Als hij aan zijn huis arriveert, blijkt het verlaten te zijn. Met je hoofd in de wolken leven heeft weinig zin. Er komt een zin van een dichter bij me op. Dichters vinden het niet erg als je hun woorden leent. Als je ze maar teruggeeft. "Wat blijft komt nooit terug", zo luidt de dichtregel. Als we terug thuis komen, zien we dat de lichtjes van onze kerstboom nog branden.  

Rudi Lavreysen
2 0

In Rotterdam

Het klinkt u wellicht niet onbekend in de oren. Je gaat een weekend weg en één gebeurtenis overheerst de uitstap. Als je achteraf vertelt hoe het was, begint het relaas met 'we hebben nog iets meegemaakt'. Ook in Rotterdam was het zo. Niet het Museum Boijmans Van Beuningen, de Erasmusbrug of de Kubuswoningen overheersten onze vertelsels, maar wel de man in de bar van het hotel. Ons hotel ligt aan de Oude Haven, een stukje Rotterdam dat overeind bleef tijdens het bombardement in mei 1940. Vanuit de bar kijken we uit op het Witte Huis uit 1897. We zetten ons in de bank aan de boekenkast met klassieke Penguin books. In het hotel verliep trouwens alles in het Engels. Zelfs de juffrouw aan de balie vertelde dat ze geen Nederlands sprak. De wereld verengelst aan een razendsnel tempo. Ik zei voorafgaand dat we uit België kwamen en dat ze gerust Nederlands mocht spreken, maar het maakte geen indruk. We kregen desalniettemin vriendelijk onze kamers toegewezen. Ze zagen eruit als een kajuit. Zo moest ik ’s nachts als een acrobaat over het bed klauteren om naar het toilet te gaan. Net als in een schip stond het bed tussen de muren geperst. Maar terug naar de man in de bar. Ik bestel ‘two drinks’ en begeef me naar de bank. Een deftig geklede man van middelbare leeftijd komt naar me toe en verspert me de weg. Ik draag een T-shirt waarop vrij groot het merk Balr. staat (waarom het punt er staat is me vreemd, maar het is nog hip voor iemand van mijn leeftijd), met daarover een vest. Ik bereid een vriendelijk lachje voor, maar plots opent de man als een overijverige vestiairemedewerker mijn vest. “Oh, ben jij in Bali geweest?”, vraagt hij enthousiast. Ik kan de drankjes nog net in mijn handen houden, maar weet niet zo snel een gevat antwoord te bedenken. Ik stamel zoals Eddy Merckx toen hij over de eindmeet kwam en de microfoon van Fred De Bruyne onder zijn neus kreeg. “Euh, nee, euh, ik denk het niet nee.” Pas dan besef ik dat hij het over het merk van mijn T-shirt heeft. “Oh, nee”, lacht hij. “Er staat iets anders op”, waarna hij snel over de R wrijft en verder stapt. “Bali, Bali”, denk ik bij mezelf. “Ik weet amper waar het ligt.” “Nu heb ik iets meegemaakt”, zeg ik tegen mijn vrouw op de bank, waarmee het verhaal al een eigen leven krijgt, terwijl het zelfs niet afgelopen is. Ik heb mijn wedervaren nauwelijks verteld, of dezelfde man komt naar onze fauteuil. “Het stoort toch niet als ik me er even bijzet”, zegt hij, ons antwoord niet afwachtend. Hij zit al vooraleer we ‘natuurlijk niet’ uitgesproken hebben. Er is amper ruimte voor drie, maar hij weet er zich kundig tussen te wringen. Het gesprek gaat over koetjes en kalfjes, over Nederland en België, hij is zelfs ooit een paar keer in onze thuisstad geweest, en wat we in Rotterdam zeker moeten bezoeken. Tot hij plots nog een vraag stelt. “Zeg, mag ik jullie even iets vragen?” We weten ondertussen dat hij niet de man is die een antwoord verwacht, dus we laten hem de vraag stellen. “Zijn jullie eigenlijk een stel?” Ik ben opnieuw licht verbouwereerd en haal nogmaals mijn beste Eddy Merckx naar boven. “Euh, jawel, euh, wij zijn een koppel ja.” “Ooooowwhhh”, zegt hij. Het gesprek duurt vervolgens niet meer lang. We gniffelen nog even na en besluiten naar onze kajuit te trekken. Ik doe mijn vest dicht en zeg dat het ’s avonds behoorlijk fris kan zijn op het water.

Rudi Lavreysen
2 0

Kleur van huid heeft niet het monopolie op falen.

Er circuleert – alweer – een open brief gericht aan de Vlaamse radio- en televisieomroep in het vuilste café van het internet. De Open Brief aan de VRT van _mainlyfelicia is de zoveelste in de rij die serieus genomen wil worden maar die het doel voorbijschiet. Het zoveelste zelfde profiel: de hoogopgeleide stedelijke en gecultiveerde elite van kleur die de brandende actuele problemen in de maatschappij (racisme, discriminatie, ongelijkheid, dekolonisatie...) alleen maar kan aanschouwen door het prisme van de eigen identiteit. Wie ík ben, wat ík zie en wat ik vooral niet zie, is belangrijker dan voor het maatschappelijk welzijn van mijn medeburgers (van alle kleuren) te ijveren. Meestal komen deze profielen ook met een gebruiksaanwijzing, en dan niet enkel en alleen om hun verengelst Nederlands te begrijpen. De brief stelt dat de VRT op de werkvloer van de omroep niet divers genoeg zou zijn en er wordt met weblinks naar cijfers en rapporten gegooid dat het een lieve lust is maar die helaas de kern van het betoog totaal torpederen. Eigenlijk is het maar een stormpje in een glas water, het is vrij schools ook, een beetje als een timide spreekbeurt voor een klas van gelijkgezinden; maar het trekt wel de aandacht. Enfin, het doet de wenkbrauwen fronsen. “Wij hebben racisme niet uitgevonden, wij moeten het dan ook niet oplossen.” Het is één van de vele holle slogans die afgevuurd worden wanneer je in discussie wil gaan.  Maar in discussie gaan is te vermoeiend. Ook in deze Open Brief staan de barrières zo hoog als een kathedraal en vraag je je af: wil je eigenlijk nog wel in discussie gaan met zoveel voorspelbaarheid? Net zoals haar generatiegenoten is het gezeur van de auteur slechts onderbouwd door beeldvorming en beeldcultuur – wat ze ziet en wat ze niet ziet, namelijk zichzelf - en lijkt zij in de onmogelijkheid verder te kijken dan de huidskleur van iemand en van zichzelf of verder te kijken in de wereld buiten het scherm van de televisie tout court, of het nu gaat over de VRT, VTM of het Woestijnvis en Verhulst Imperium of de geschreven media. Want de realiteit is écht anders. Het feit dat zij of andere mensen van kleur studies in de media niet afmaken of er zelfs niet aan beginnen, is volgens de auteur het gevolg van zichzelf niet te zien op het scherm. De vooringenomenheid werkt hier echter contraproductief en is gevaarlijk voor mensen die zij in safe spaces gaan sturen. Het ontneemt kansen aan mensen die wél getalenteerd en competitief zijn maar die door het conformisme van de social justice warriors gesommeerd worden in de rol van slachtoffer te blijven. Je moet al verdomd sterk in je schoenen staan om tegen zoveel politieke correctheid in te gaan. Maar ik geloof in mensen, ik geloof in de sterkte van mensen, ongeacht hun huidskleur. Haar betoog is een regelrechte belediging naar mensen van kleur die wél te zien zijn in de media, op de voorgrond, in de coulissen maar ook buiten de media en die succesverhalen schrijven zonder dat hun huidskleur een quota, het resultaat van een diversiteitsonderzoek, een klaagzang op Instagram of een akkefietje in een IG-post is. Zou het niet interessanter zijn als mevrouw _mainlyfelicia zich eerder kwaad zou maken over het aantal Vlaams Belangers in onze parlementen? Dat zou iets collectiefs én constructiefs zijn! Kunnen zijn, want je moet het ook willen. Of een collectief statement maken voor burgerrechteractiviste Zhang Zhan die in China 4 jaar naar de gevangenis moet omdat ze feiten over Covid-19 in Wuhan met de wereld deelde. Of voor Ahmadreza Djaldi? Ik ben benieuwd of de VRT gaat reageren. Ik hoop van niet omdat het hier opnieuw over een persoonlijk verhaal gaat. Een kip zonder kop. Een verhaal sans queue ni tête. Het gaat hier helemaal niet over racisme of discriminatie bestrijden maar het is een persoonlijk verhaal (“Als ik vroeger als kind wat meer mezelf had gezien op tv had ik misschien wat meer in mezelf geloofd.”, schrijft de auteur op haar IG). Ik kan haar evenwel geen ongelijk geven in het zichzelf herkennen op televisie of in de media. Als homo die behoort tot de stilzwijgende generatie X – de generatie tussen de boomers en de millenials – heb ik mezelf ook nooit gezien op televisie. In Mister Humphries in “Are you being served”, Steven Carrington in “Dynasty”, Jos Brink in “Wedden dat” heb ik mezelf als homo niet herkend. Paul Codde was niet mijn type en Luc Appermont was de ideale heteroseksuele schoonzoon. Ik keek in 1978 wel op naar Martine Tanghe die als eerste vrouw de hele BRT-redactie platwalste tot haar onlangs gerechtvaardigd pensioen. Martine deed dat alleen, zonder zeuren en kneuten. Daar keek ik naar op, naar de kracht van die vrouw. Naar kracht tout court. En al waren de homo’s op het scherm niet de homo die ik ben, toch heb ik van mijn leven een succesverhaal kunnen maken, met de mannen die ik uit eigen sterkte zelf heb gekozen. Huidskleur, net als homo zijn, heeft niet het monopolie op falen. Ik heb deuren tegen mijn smoel gekregen en ik heb evenzeer zwarte mensen als even competente collega’s aan mijn zij gehad, als gelijke collega, als overste en zelfs als docent. Maar ik heb nooit opgegeven of zelfs maar willen toegeven aan ingebeelde of vermeende boze blikken en goedbedoelde mopjes om en over mijn geaardheid. Ik ben er als mens en deal with it. Welke negatieve boodschap geeft de auteur wel niet aan een generatie mensen: omdat je jezelf niet ziet, heb je geen kansen? Representatie van een identiteit is geen garantie tot slagen. Ik denk dat hiermee de mythe van de woke-cultuur doorstoken is en dat we eindelijk, eindelijk redacties, het onderwijs en de media wakker kunnen maken om zoveel bullshit. Sorry voor het woord. Soms kan ook gewoon een boek lezen muren doorbreken en levens positief beïnvloeden. De auteur wil alles raciseren en zij gelooft niet in de sterkte van een minderheid. Of ze ziet het niet. Dat kan ook. Voor de auteur – en voor alle identiteitsdenkers – is zwart of persoon van kleur zijn gelijk aan minderwaardig, iemand die uit de boot valt, iemand die geen kansen maakt door zijn/haar/hun huidskleur, iemand die niet gezien wordt. Wat een vooringenomenheid. En wat een afrekening voor mensen die het maken als mens. Ik ben zwart, ik zie me niet op tv dus ik besta niet. De slachtofferrol van deze mensen die enkel als referentie sociale media, televisie, Wikipedia en Google hebben, is te belachelijk voor woorden, en toch krijgt het rasiseringsproces telkens weer een platform. Daarom hoop ik dat de VRT hier niet op in gaat. En dat ook de mainstream media hun karren vanaf nu draaien. Een poging om identiteitspolitiek bij de VRT te brengen is ook aan de gang op de VUB. Wat ooit een liberale, vrije en vrijzinnige plek was waar alle ideeën mogen gezegd worden, start ook daar binnenkort de dictatuur van de identiteitspolitiek in de vorm van enkele vooringenomen lezingen. Progressief links kaapt de hele discussie, als dat maar goed komt! Niet te verwonderen dat links in een impasse zit. Ik situeer mezelf in de linkse hoek van de politiek maar zonder deze waanzin van stampvoetende hoogopgeleide zogenaamde feministen die het debat alleen maar verzuren, verdraaien en in de kiem smoren. En met referenties naar Wikipedia verwijzen. Ik dacht dat de VUB beter kon. Het gelijkheidsplan van de VUB daarentegen getuigt in theorie van veel ambitie maar kijkt veel te weinig naar de competenties en laat maar één stem horen: die van de cancel dictatuur en de polarisatie cultuur. Ik hoor daar nog steeds studenten zeggen dat mensen aangenomen moeten worden op basis van hun identiteit, niet op basis van hun competenties. Het wij/zij denken heeft daar ook lelijk huis gemaakt. Bij wie ligt de fout? De fout ligt bij zogenaamde activisten, influencers en opiniemakers zoals _ mainlyfelicia en haar vriendinnetjes en die als lege dozen de kranten vullen en de sociale media domineren zonder ook maar, onder andere, racisme te bestrijden. De fout ligt evenzeer bij de politiek die mensen van kleur in de etalage zetten om hun propaganda te staven. Politiek faalt. Partijen gebruiken de tricks van de reclamewereld door logo’s te veranderen, slogans te herschrijven en in tv-programma’s met hoge kijkcijfers op te treden en waar om ter luidst wordt gelachen. Van politieke daadkracht gesproken. Politiek heeft geen ambitie meer. Politica schrijven boeken over ideale werelden die ze nooit kunnen verwezenlijken omdat de partij vroeg of laat tegenwerkt maar die boeken kunnen wel tellen als stemmen bij volgende verkiezingen. Gelukkig zijn er nog politiekers van kleur die wél daadkracht hebben voor de hele maatschappij, niet in ademnood geraken omwille van hun huidskleur en zijn er ook blanke politiekers die niet aan boetedoening doen en zich scharen met alle collega’s rond een gezamenlijk politiek project. Dat zijn de politiekers die een land nodig heeft. Ook bij de media ligt de fout. Een hele generatie woke millenials beheerst vandaag de grootste kranten in Vlaanderen. Gelukkig zijn er buitenlandse kranten waar échte diversiteit en niet enkel de pseudo-diversiteit van openbriefschrijvers die over zichzelf komen klagen aan bod komen. De journalistiek, zeg maar, is er genuanceerder en meer in balans. Vlaamse media – vooral geschreven media – hebben een tegenwoord nodig want we vallen een beetje in slaap en we kijken meer en meer naar de grotere broers en zussen in het buitenland. Zelfs over de taalgrens heen. De fout ligt ook bij scholen en universiteiten zoals de VUB die niet in staat zijn af te zien van identiteitspolitiek en zo van onze toekomstige studenten brave conformistische vrouwen en mannen maken die nooit geleerd zullen hebben kritisch te denken en misschien ooit scripties met emoji’s zullen afleveren. We klappen in de handjes voor de sterrenstatus van gastsprekers, niet voor een kritische en onderbouwde kijk op racisme, diversiteit, gelijkheid, dekolonisatie. Het extremisme in de maatschappij heeft nog mooie dagen in het vooruitzicht. Onderwijs heeft geschiedenis nodig om de cancel cultuur tegen te gaan bijvoorbeeld maar evenzeer is er nood aan filosofie om het kritisch denken aan te moedigen. Een rondvraag in enkele Franse scholen geeft aan dat leerlingen de dader van de moord op Samuel Paty wel begrijpen. En het zijn niet alleen maar moslims die zo denken. Is dat niet onrustwekkend? Willen we dat, brave conformistische burgers maken die vrije meningsuiting niet kunnen vatten? Passieve Instagram-volgers die klaphandjes, kusjes en hartjes plaatsen in plaats van eens een serieuze vraag op te werpen? Ah ja, woke-mensen gaan met niemand in discussie (emoji met hand op het hoofd). Kunnen dan de mensen die open brieven of open boeken schrijven en open lezingen geven onze ministers van Onderwijs bijvoorbeeld aanmoedigen om op de eerste schooldag iets uit te leggen over wat vrije meningsuiting is, wat een rechtsstaat is, wat een vrije maatschappij is en waar een leerkracht voor staat in plaats van ongelijkheid te schreeuwen in de conformistische mainstream media over oorbellen en jurken voor jongens? Want dat kan je zonder fifteen minutes of fame meteen afdwingen in het begin van een schooljaar. En zeker via de leerlingen en/of studentenraad. We moeten nú de dingen, het debat of hoe je het ook wil noemen terug in elke context plaatsen en het gejank van de gekwetste generatie achterwege laten. We hebben nood aan sterke en kritische mensen die vuisten op de tafel slaan, muren slopen en barrières breken, met woorden en met daden. We hebben geen nood aan jankende millenials die van de tafel wegblijven, muren optrekken en zich isoleren in safe spaces. Het progressieve links is helemaal doorgeslagen en maakt op comfortabele manier de weg vrij voor rechts-extremisme. Marine Le Pen heeft van haar winkel een voor velen aannemelijke en aanvaardbare versie van extreemrechts gemaakt en als eindpunt van haar oeuvre half links weggekaapt dankzij de politiek van de woke-generatie; bij ons begint deze versie ook vormen aan te nemen. In onze parlementen, op onze universiteiten en in onze media. Links is vandaag in een impasse, geblokkeerd door de kneuterige kleutertjes van de woke-politiek en we zien mensen de linkse boot verlaten. Links heeft haar eigen volk verloochend en geruild voor de nachtmerrie van identiteitspolitiek. In de Verenigde Staten zijn Biden en Harris niet de oplossing. Zij vertegenwoordigen wél een overgangspolitiek en kunnen alleen maar de gemoederen bedaren en het fatsoen in de politiek terugbrengen. En dan hopen dat in 2024 Harris president wordt. De Black Lives Matter in België van wie we sinds juni niets meer hebben gehoord, zullen nooit gehoord kunnen worden als zij stuurloos en verloren in identiteitspolitiek blijven hangen. Wie een beetje de geschiedenis van activisme kent – en ik ken die -, dan zien we zo de valkuilen van deze bewegingen. We hoorden meer van BLM tijdens Trump dan onder Obama en binnenkort onder Biden. Trust me, I’ve been there. We moeten nú de dingen doen. Echt, wie zal het doen? Want ’t is nogal dringend.

Erwin Abbeloos
6 0

Het Kleursmeergilde

Alweer een leeg vel dat schreeuwt om vervulling, alsof ik degene ben die het papier een genot moet bezorgen door het dagelijks vol inkt te smeren. Want dat is schrijven gewoon, het is net als schilderen, je neemt een kwast waar verf aan kleeft en wrijft ermee over een oppervlak, dat bij voorkeur glad is. Het oppervlak is daarna niet meer wat het ooit was, en anders dan bij verf en kwast is het proces van inkt en pen onomkeerbaar. Geen schaafmachine, schuurpapier of guts is nog in staat is nog in staat het onderliggende oppervlak vrij te maken. Niet eens met schade. Het oppervlak is zo dun als papier, verrek het ís papier. Vanuit mijn huidige perspectief had ik niet de perceptie van een vel, eerder had de zijkant van mijn hand de gewaarwording van een zacht verende huid, een streling waarbij het glijden van de hand over het papier niet alleen het papier vervulde, maar andersom de hand ook vervuld raakte van het verende en warme oppervlak. Want vele vellen opeen vormen een vaak een verend oppervlak. Alsof de menselijke huid van mijn hand zich al glijdend en strelend beweegt over de menselijke huid van ….. een boom? die toch model heeft gestaan voor de cellulose van het papier, en is dus enigszins aan te merken als streelbaar wezen, al is het slechts in zijn gepulpte en geplette vorm. Daar een boom een levend wezen is, dat bovendien regelmatig door mensen omarmd wordt, zou je dus kunnen vermoeden dat hij (zij?) zelf, of indirect, via haar soortgenoten, bekend is geraakt met aanraking, waarna zij (of hij?) in haar uiteindelijke platte gladde vorm van het vel verder wenst te worden aangeraakt en gestreeld. Eigenlijk is dus niet de schrijvende mens degene die zich met pen en inkt meester maakt van het papier, maar is het het papier dat zich neder vlijt, verleidt om gestreeld te worden, en op de koop toe neemt dat ik het met inkt besmeur. Het proces dat ik als schrijver inga door het bewegen van de hand, arm en pen is dus niets anders dan het ingaan op de uitnodiging van een huidpartner om toch vooral de handeling van het strelen uit te voeren. En de gedachten die ik via hand en inkt aan het papier toevertrouw kun je beschouwen als graffiti van mijn geest, een tatoeage door mijn inspiratie. Zo wordt inspiratie omgebracht, omgevormd naar de aanzet tot het uitsmeren van kleurpasta over de huid-partner. Alle handelingen tot uitsmeren van een gekleurde vloeistof op, aan of in een object of een wezen vat ik samen als het omzetten van inspiratie in een inkt-uiting. Daarom verwelkom ik nu de huisschilder en de kunstschilder in het schrijversgilde. Of is het wenselijk de discriminatie te stoppen? Is het beter om ieder mens dat zich in de trance brengt van het kleursmeren te verenigen in één beroepsgroep? Het ligt in mijn aard om te verbinden, om mensen samen te brengen en zich te laten verwonderen over het wegvallen van de grens, waarvan zij zojuist nog dachten dat die onoverwinbaar was! Een grens is slechts een beperking als degene die de grens ontmoet deze als barriere beschouwt, als hinderpaal, een belemmering om de creativiteit ongebreideld te laten stromen. Daarom roep ik mijn beroepsgroepgenoten op om de ogen te sluiten tijdens het kleursmeerproces en in zichzelf te grijpen, te reiken naar de bron van waaruit de handeling van het smeren aangezet wordt, en zich zo te verbinden met de anderen die ook putten uit die bron, Ik voel me verwelkomd in de wereld van schrijvers, kunstschilders, graffitimakers, huisschilders, tatoeeerders, spraypaintartiesten en ieder die het waagt die grens over te steken, als was zij een katapult die naar de toekomst schiet. Smeer! Glijd! Pen! Klieder! Spuit! Aai! Het is de meest vervullende handeling die ik mezelf vandaag toe kan wensen, smeren van kleur op een plat vlak, tot kleur brengen van mijn inspiratie en genieten van het geboren worden van het schepsel van mijn geest en de inkt. 

Marc Graetz
6 0

Een tienermoeder die houdt van spaghetti verkeerd

Mijn oudste dochter werd tien jaar in 2020. Ik kreeg een kaartje van een vriendin ‘proficiat, je bent nu een tienermoeder’. Van de leeftijd met één cijfer naar de leeftijd met twee cijfers is spannend voor de 10-jarige, maar geen uitzondering. De overgang van twee naar drie cijfers is uitzonderlijker, maar brengt noodgedwongen minder opwinding met zich mee (je niet opwinden Mariette, dat is niet goed voor je hart). Volgens mijn kaartjesvriendin heb ik sinds maart dit jaar een tiener in huis. Tiener ben je immers vanaf je tiende tot je negentiende. Een andere vriendin zag het kaartje: ‘Je bent toch pas een tiener als je der-tien bent? Tot je negen-tien. Vandaar het achtervoegsel.  Oh, en sorry dat ik geen kaartje stuurde, je weet dat ik niet goed ben met verjaardagen.’ Voor mij is ze tien, maar dat maakt haar geen tiener. De leeftijd tussen tien en twintig is geen eenduidige periode, maar één van meerdere overgangen: van kind naar volwassene (juridisch en naar eigen zeggen), van onwetend naar alwetend (maar iedereen gaat naar die fuif), van alwetend naar onwetend (ik heb geen idee van wie die sigaretten zijn). Als tienjarigen geen tieners zijn, wat zijn ze dan wel? Soms worden ze omschreven als prepubers. Ik vind geen fan van het woord puber, laat staan pre-puber. Een foetus is toch ook geen pre-baby en een lid van okra geen pre-bejaarde? Er bestaat niet zoiets als hét tienerdecennium. Iemand vragen diens tienerjaren samen te vatten in drie termen is hetzelfde als een historicus vragen om in drie termen de middeleeuwen samen te vatten. De tienerjaren zijn vaak een samensmelting van meerdere periodes: het einde van de lagere school, het middelbaar en het begin van de studententijd. Mijn studententijd in drie termen? Blokpauze, Bilbo bezoek en spaghetti verkeerd. De eerste twee waren vaak een duo: tijdens mijn studeerpauzes ging ik doorgaans snuisteren in de Bilbo, een cd-winkel (kunnen we situeren net nà de middeleeuwen) in Gent. En die spaghetti verkeerd? Moeders spaghetti gaat in een potje mee naar je kot. Daar gaat de spaghetti omgekeerd – liefst met één vlotte armbeweging – in een bord en in de microgolfoven.   Moeder: Weet je, ik was vijfentwintig jaar oud toen ik jou kreeg. Een jonge mama. Dochter: Vijfentwintig? Dan was je toch al een kwarteeuwer.

Lore Dewulf
15 0