Lezen

HOE ZELFS LINKS MIJ DISKRIMINEERT ALS HOMO

Toen ik op veertienjarige leeftijd verplicht werd op de fabriek te gaan werken had de maatschappij al een kiem gelegd van ontevredenheid. De ongelijkheid was mij al duidelijk geïllustreerd tijdens mijn schoolperiode: er werd geen enkele speciale moeite gedaan om mijn interesse te wekken voor de leerstof. Ik werd enkel, met veel straffen, uit een analfabetisme gehaald, niet meer of minder. Want de traditie eiste, dat de mensen die in mijn arbeidersbuurt woonden, op veertienjarige leeftijd gingen werken. De nonnen trachten er dan ook geen intellectuelen van te maken. Tot grote spijt van mijn omgeving, vond men mij terug in de politieke middens van mijn stad. Mijn interesse was gewekt door een lieve jongen uit dat milieu, waarop ik onbewust verliefd geworden was. Ik vond er mijn eerste verwoording (ik meen begrip) voor mijn onderdrukte positie als arbeider. In die omgeving was iemand die mij,als enige arbeider, interessant genoeg vond om deel te nemen aan de Derde Wereld-beweging (die later Amada werd en nu PvdA), die toen actief was. Nadat ik enkele vergaderingen had meegemaakt, werd ik voor de eerste maal geconfronteerd met het volstrekt onbegrijpelijke taalgebruik dat ze ten opzichte van mij als arbeider gebruikten (het was de eerste maar niet de laatste maal), en ook met de afstandelijkheid op emotioneel gebied. Alles mocht als men maar de taal van Marx sprak. Doch dat belette niet dat ik bewuster werd van mijn positie als arbeider. De kiem kreeg wortels. Doch de spanning veroorzaakt door mijn marginalisering als arbeider tussen intellectuelen, en de inconsequente houding in het dagelijkse leven maakte dat ik me daar niet meer thuis voelde, en de weg opging naar het apolitieke milieu. Op negentienjarige leeftijd verhuisde ik naar Gent (later Leuven, Brussel, en nu Antwerpen) en men vond mij terug in tal van groepen die met elkaar gemeen hadden dat men zocht naar een nieuwe maatschappijvorm. Het was echter duidelijk dat mijn bewustzijn als arbeider en mijn bewustzijn als homo niet gelijk evolueerden. Als kind had ik uitgebreide sexspelletjes met mijn vriendjes (die nu opeens hetero's schijnen te zijn), zodat ik volop mijn homo-erotiek kon uitleven: maar ik kreeg in mijn jeugdige situatie ook de indruk (over sexbeleven werd niet gepraat, het werd belachelijk gemaakt) dat alle mensen, ook in andere milieus, homo-erotische gevoelens hadden en die op een of andere manier naar buiten brachten, het fijn vonden, maar belet werden om die openlijk te beleven. Toen ik ongeveer twaalf jaar was had de gevestigde macht onder de vorm van de kerk en mijn opvoeding een zodanige invloed op mij, en werkte zodanig aan mijn schuldgevoel dat ik werd gedwongen slecht te vinden wat ik fijn vond. Daardoor briefde ik in de biechtstoel mijn sexspelletjes over met een jongetje waar ik ontzettend veel van hield, en die mij dat prachtige gevoel van spanning gaf. De pater bedacht mij niet met een bedevaart naar het G.O.C., maar met een bidprogramma van een week. Hij verbood mij nog zo'n dingetjes te doen. Ik moest hetero worden. Ook de linkse beweging waar fallokratisch gedoe als een normaliteit werd gehanteerd sterkte mij in het idee van de hetero-van-zelfsprekend heid. Dus klasseerde ik mezelf als hetero. Dus werd ik hetero. Op twintigjarige leeftijd kon ik dat niet meer aan. Ik voelde me genoodzaakt (verplicht)de bars in Brussel te gaan bezoeken. In mijn dagelijks leven werd ik hetero en 's avonds homo. Mijn verhuis naar Leuven, mijn werking in de werkgroep Marginaliteit en mijn verblijf in de "Pimpel" zijn erg belangrijk geweest voor mijn evolutie als homo. Daar kon ik voor de eerste maal mijn homo-zijn verwoorden. Daar buiten echter ging mijn schizofreen leven verder. Op een dag, in de enige bar die Leuven rijk was, ontmoete ik een lieve jongen die in de Leuvense Studentenwerkgroep homofilie (LSWH) bleek te werken. Als goed militant sleurde hij me mee naar een van hun vergaderingen. Ik wist maar heel vaag van hun bestaan, daar hun werking toegesplitst was op studentenbevolking. De rest van de onderdrukte homo's die geen bindingen hadden met de universiteit, konden het bestaan ervan rieken. Alleen voor de toekomstige dokters en intellectuelen werd de loper van de hulpverlening gelegd. Maar ja, eens erin werd je wel getolereerd. En toen ik hoorde wat ze allemaal deden, opvang, wekelijkse vergaderingen, gespreksgroepen, dacht ik dat mijn leven ging veranderen. Niet meer die ellendige bars, die constante uitbuiting van onze gevoelens, het ellendige gevoel naar de hoeren te moeten lopen als je behoefte hebt aan affectie. Weg ermee: leven. De LSVH betekende voor mij een lichtpunt. Daar dacht ik mensen te vinden die net als ik naar buiten wilden komen. Ons homo-zijn niet meer verbergen. Ik hoopte bij hen de sterkte te vinden om op straat te kussen, gearmd te lopen, mijn homoseksualiteit te tonen. Ik dacht binnenkort geen problemen meer zou zijn. Ik hoopte op mensen die achter mij zouden staan om mij te leren in verzet te komen tegen die constante vernedering te worden beloerd, bespot, uitgescholden.Maar de droom was kort. De teleurstelling pijnlijk. Er werd zoiets gezegd als "dat we de mensen niet moesten shockeren, want we moesten die hetero's de tijd gunnen en vragen ons te tolereren".En hoe die het dan moesten leren met ons te leven, bleek uit de vele gespreken over "hoe leg ik het aan boord gelukkig te leven in deze heteromaatschappij", wat zoveel betekent als "hoe leer ik mijn homogevoelens onderdrukken voor de hetero's". De heteronormaliteit werd nooit in vraag gesteld, alleen wij homo's werden constant betwijfeld. Geen dromen meer over het naar-buiten-komen. Ons bed, onze kamer, de bars, de werkgroep: afgebakende plaatsen waar ik mijn homo-zijn mocht beleven, daarbuiten was op eigen risico. Daarbuiten was er niemand die mij hielp. De maatschappij werd niet in vraag gesteld, hooguit soms gecorrigeerd. Na een aantal vergaderingen vervloog de droom en zat ik terug in de bar. Daar kon ik vinden waar het mij om ging: mannen. Door de hele dag mijn homogevoelens te verdringen, zat ik zodanig in de knoei dat ik nog maar één idee had: de bar in en een lekkere man opscharrelen. Wie of wat hij was had geen belang. Dat kon ook niet, want meestal was de sfeer zo vervreemdend en de decibels zo luid dat zelfs denken onmogelijk was.'s Morgens werd de man na een tas koffie gewoon op straat gedropt. En zo ging het verder tot ik op een dag op een van die "intieme homofuifjes" een vriendje opscharrelde die bij de ROOIE VLINDER bleek te zijn en die zei dat ze de volgende dag samen zouden opstappen in de 1-mei-betoging. Dus 's anderendaags ik mee op straat, wat meteen ook mijn aansluiting werd bij de ROOIE VLINDER; de vergaderingen waren leuk. Er werd gelachen en gepraat en vooral: er werd iets ondernomen tegen mijn,onze onderdrukking. Hier mocht ik zeggen dat niet ik alleen het was die mijzelf niet aanvaardde, maar dat de maatschappij me daar geen mogelijkheid toe gaf. Na de vergadering werd er meestal een pint gedronken in een'gewone'kroeg en die hetero's waar het eerst wat aan wennen was, vielen ook mee, kwamen ons ook kusjes geven (niet altijd met evenveel overtuiging, maar ja, beter iets dan niets). Daar heb ik terug de draad opgenomen van mijn verzet tegen het conservatisme. Ik wist dat ik niet meer alleen stond. We beseften dat we elkaar nodig hadden als steun in de dagelijkse realiteit. En het werd mooi flikker te zijn. Mijn schuldgevoel maakte plaats voor een zelfbewuster houding (die me nu soms verweten wordt). Gedaan met het steeds maar rekening houden met hetero's: van nu af moesten zij ook rekening houden met ons. Janet zijn is mooi, en zou steeds mooier worden. De vakantie stond voor de deur, ik naar Zuid- Frankrijk naar een alternatief Janetten-kamp. Daar veertien dagen samen met homo's uit heel Europa, ondervonden we die solidariteit, die alleen onder verdrukten mogelijk is. Ook het feit dat mensen mij mooi, lief en erotisch vonden bevrijdde mij van tal van complexen opgedaan in het heterogetto. En weer kwam ik sterker terug. En na een jaar ROOIE VLINDER heeft de boom bladeren gekregen. Hij is nu sterk genoeg om in het verzet te blijven. De bloemen zullen echter alle vruchten krijgen als de solidariteit van de progressieve beweging groot genoeg is en steunt op het consequent in-vraag-stellen in de dagelijkse praktijk van het eigen fallokratisch gedrag. De fallocratie is een dynamiek van de conservatieve beweging en de oorzaak van de onderdrukking van zowel vrouw als man. Er resteert geen andere keuze dan de consequente afbraak van die dynamiek. Iedere stap in die richting maakt mijn homoseksualiteit mooier, vrijer. Deze tekst verscheen in de rooie vlinder krant 1975 FOTO gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/

verf ed
0 0

Traag is tragisch mooi

Het zal wellicht geen toeval zijn, maar ik heb een zwak voor slome dieren. Ze hebben een air van goedaardigheid. Een luiaard bijvoorbeeld lijkt onophoudelijk te glimlachen terwijl hij uit zelfbehoud meestal ergens onopvallend in een boom hangt te hangen. Op de grond is hij kwetsbaar, want zijn topsnelheid bedraagt amper 2,5 meter per minuut. Over een afstand van een kilometer doet hij meer dan 6,5 uur. Lijkt wel mijn moeder vroeger in het Wijnegem Shopping Center tijdens de zomersolden. Ook koala’s zijn snoezig en rustgevend. Ze slapen 20 uur per dag en bewegen langzaam om energie te sparen. ‘t Is een excuus dat ik bij mijn vrouw ook weleens gebruik bij vervelende werkzaamheden. Veel begrip leverde dat vooralsnog niet op, integendeel. Koala’s komen ermee weg omdat ze er schattig uitzien. Zij zullen bijvoorbeeld lang niet zo gauw een natte dweil in hun nek krijgen tijdens het gezamenlijk poetsen. Voor schildpadden heb ik het minder. Als reptiel zijn ze weliswaar sympathieker dan de meeste slangen en hagedissen, maar ze kunnen desondanks onverwacht en ploertig uit de hoek komen. Sommige exemplaren zijn verbazingwekkend snel, ondanks hun reputatie van laksheid. Ooit heeft zo’n Duitse helm zelfs op Blitzkrieg-achtige wijze pijnlijk in mijn wijsvinger gehapt. Ik mijd ze. Ten slotte zijn er nog de momenteel alomtegenwoordige slakken. Wereldwijd zouden er ongeveer 70.000 soorten beschreven en benoemd zijn. De meeste tuinliefhebbers haten ze, omdat ze ware verwoestingen kunnen aanrichten bij sla-achtige planten en rozen. Zelf vind ik het boeiende beestjes. Ik kijk trouwens ook weleens graag naar jonge, frisse groene blaadjes, dat geef ik grif toe. Daarenboven zijn ze, net als ondergetekende, dol op bier. Vul ‘s avonds eens een paar kommetjes of bakjes met gerstenat en graaf ze in op enkele plekken in je tuin. De volgende ochtend zullen de bakjes vol zitten met slakken. Ze zouden er zich in verdrinken, zo graag lusten deze weekdieren dagschotels. Bij mij gaat het nog net niet zo ver, maar als je me op een zwoele zomeravond in je tuin uitnodigt en je brengt me regelmatig bier, dan is de kans groot dat ik het ook tot ‘s ochtends volhoud.  Naast de bekende huisjesslakken zijn er natuurlijk ook de exhibitionistische, dakloze naaktslakken. Grosso modo is dat het enige onderscheid dat ik maak. Een eigen huis, een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die van je houden kon. Alles kan een slak gelukkig maken. Toch lijken ze bijzonder gefocust op bier en seks. Niet alleen de naakte. Van ver voel ik een verwantschapje.  Slakken hebben echter zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Er bestaan soorten die zichzelf kunnen bevruchten, maar eigenlijk hebben ze veel liever seks. Ze zullen er zeker de tijd voor nemen, hen kennende. De paring is dan in elk geval wederzijds en beide bedpartners worden bevrucht.  Waar ik ze precies moet plaatsen binnen het LGBTQIA+ gebeuren is me niet geheel duidelijk. Non-binair? Genderqueer? Hermafrodiet? Ik opteer voor ‘genderfluïde’, vanwege het slijm dat ze afscheiden om zich makkelijker voort te bewegen. Mits wat oefening op choreografie en een minimum aan stemtraining zie ik er volgend jaar eentje het Eurovisie Songfestival winnen.        

Danny Vandenberk
0 0

DE POLL (ODE AAN)

Procentueel gezien heeft een kleine twintig procent van de Belgische bevolking last van pollen. Jeuk aan de ogen, een loopneus of zelfs hoofdpijn. Naast berkenpollen of graspollen die rond deze tijd voor veel hinder kunnen zorgen, krijgen alle medewerkers van het Stedelijk Onderwijs, althans de leerkrachten, sinds dit schooljaar ook andere pollen voorgeschoteld, namelijk vragenlijsten waarin ze tweewekelijks de kans hebben om hun mening te geven over een bepaald thema dat hen aangaat of zou moeten aangaan. Dat kan gaan over het gebruik van de smartphone in de klas of hoe tevreden ze zijn over de infrastructuur. Onlangs mochten we onze voorkeur nog kenbaar maken over het wellicht heetste hangijzer in het Vlaamse onderwijs vandaag: het al dan niet inkorten van de zomervakantie. De resultaten waren, hoe zeg je dat, niet significant? Net 51 procent, waaronder ondergetekende, zou een kortere zomerperiode prefereren boven de huidige situatie. De resultaten zijn dus een goede reflectie van hoe verdeeld de Vlaamse leerkrachten zijn wat betreft hun heilig zomerverlof. Die Poll is voorts een erg nuttig ding. Het is in vele opzichten het tegenovergestelde van het onderwijs: praktisch, efficiënt en glashelder. Je krijgt een vraag, klikt een van de mogelijke antwoorden aan en bam, meteen zie je de resultaten verschijnen. Allemaal niet zo noemenswaardig, maar ik wil het graag hebben over de zestiende poll in de reeks, die me vooral met vragen achterlaat. Ik ben sindsdien benieuwd naar de mysterieuze figuur achter deze poll, die ik volgaarne Pol (of Paul) noem en dus tot een man bombardeer (excuses mocht het alsnog om een vrouw gaan). Het is ook niet helemaal lukraak gekozen, daar deze polls als afzender ‘De Poll’ hebben en worden verzonden naar, u raadt het, ‘De Poll’. De manier waarop de ondertussen voorlaatste poll schijnbaar onbeschroomd tussen alle andere polls is verschenen, alsof het een grap betrof, stemde mijn gemoed vrolijk, meer nog omdat ik wist dat het aan de meeste collega’s voorbij zou gaan. Deze poll peilde naar onze wil om de poll in te vullen. Zo’n kafkaiaanse toestanden worden op zich al door mij gesmaakt, maar het neusje van de zalm vond ik in de antwoordopties. Naast enkele voor de hand liggende antwoorden zoals ‘de antwoorden van mijn collega’s zien, ‘mijn steentje bijdragen’ stond er als laatste keuzemogelijkheid: ‘ik vul het niet in’. Kijk, van zulke zaken word ik dan even erg gelukkig. Dan denk ik, we mogen onze pollen kussen dat er nog van die geniale grappenmakers te vinden zijn in het team Communicatie.

Lennart Vanstaen
0 0

Mijmerweer

Het is magertjes gesteld met de beleving voor het Europees Kampioenschap voetbal, lees ik in de krant. Dat is buiten ons gerekend. De tricolore vlaggen liggen klaar. Tijdens delaatste huishoudelijke vergadering (er waren geen verontschuldigen) werd de datumgoedgekeurd waarop we ze tijdens een plechtig moment ophangen. Wachtend op de start van het EK bereiden we ons op een woensdag al een beetje voor meteen Europese wedstrijd op tv. We zitten klaar in onze korte broek (nog een ritueel) en kijkennaar het journaal tot de match begint. Terwijl het op tv over de onveiligheid van onze hoofdstad gaat, horen we buiten een schot.Geen schot op goal, maar een geweerschot. Ik stap met onze oudste naar de openstaandeterrasramen en we speuren de omgeving af. Ik ruik nog even alsof ik de kruiddampenprobeer te ontdekken, maar er valt niks te zien of te ruiken. Enkel de geur van de frituurhonderd meter verder. Het was wellicht een bommetje van een jonge snaak. Mijn vrouw vraagt of we zin hebben in een 'rotske'. Het zijn chocolaatjes die op een rots lijken. We kopen ze op de woensdagmarkt. Geen idee wat de officiële naam is. "Of een frisco?", vraagt onze oudste. Een merknaam die later uitgegroeide tot een productnaam.Zoals kodak, matchbox of frisbee. Het ijsje werd in 1935 uitgevonden in Turijn, maar in Brussel was later een bedrijf met denaam Frisco, zo zegt mijn telefoon. Later werd het opgekocht door Arctic. Het allereersteijsje dat omhuld werd door echte chocolade - de Magnum - is een Belgische uitvinding uitde jaren ’80. De match gaat beginnen. Het begint opnieuw te regenen buiten. Ideaal mijmerweer, als uhet mij vraagt. Maar binnenkort mag de zon toch gaan schijnen. Zodat we buiten kunnenals we Europees kampioen worden.

Rudi Lavreysen
0 0

Opnieuw treinperikelen

Na een verkwikkende dag in de stad van Rubens en Jordaens lazen we een minder verkwikkend bericht op het stationsbord met de vertrektijden. “Deze trein rijdt niet”, gevolgd door “Vertrekt wel vanuit Berchem”. We hadden die dag twee stadsfietsen gereserveerd en we hadden nog twintig minuten tijd, dus ik stelde voor om met de stadsfiets naar Berchem te rijden. Mijn telefoon leerde me dat het negen minuten zou duren. Mensen die ons zagen moeten zeker gedacht hebben: “Die twee proberen het werelduurrecord fietsen met de stadsfiets te breken.” We vlogen langs het spoor. Waar de Belgiëlei op de Mercatorstraat uitkomt meende ik even te stoppen, want daar staat het herdenkingsmonument voor de gedeporteerde Joodse bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik ben immers van mening dat je bij dergelijke monumenten altijd even moet blijven stilstaan, hoe vaak je er ook voorbijkomt. Maar nu hadden we echt geen tijd. Omdat we ook geen tijd hadden om over te steken moesten we een stukje tegen de rijrichting fietsen, wat tot boosheid leidde van een speedpedelecer die uit de andere richting kwam. Ik riep sorry, maar hij was al aan het centraal station. Die dingen gaan snel. Bij het station van Berchem aangekomen moesten we onze tweewielers parkeren en dat Velo station staat redelijk ver van de ingang. Daar vroeg een maatschappijbewuste jongeman of we een minuutje tijd hadden voor enkele vragen, maar hij zag meteen dat we gehaast waren. Op spoor 1 stond de trein ons op te wachten. Net als de conducteur. Hij zei meteen, alsof hij wist wat we gingen vragen: “Jawel. Lier, Herentals, Mol, Lommel enzovoort. Dit is hem.” Ik meende nog te vragen waarom de trein niet tot in Antwerpen Centraal reed, maar ik besloot het zo te laten. Je moet ook niet alles willen weten in het leven.

Rudi Lavreysen
12 0
Tip

We need to talk about bindingsangst

Relatie-experte Rika Ponnet vertelde op de radio dat een vrouw soms voor een bindingsangstige man valt omdat ze vroeger hard moest werken voor de liefde van haar ouders. Ze moest hoge punten halen en de afwas doen, en dat wil ze nu voor die kerel ook. Dat hij haar niet wil, trekt haar onbewust aan. Hoewel het een logische verklaring lijkt, helder als water, knaagt het. Omdat zoveel teleurgestelde vriend(inn)en vertellen dat hun relatie, of poging tot, afsprong. Het passe-partoutwoord: bindingsangst. Soms benoemt de relatiemijder dat zelf zo, soms diagnosticeert de afgewezen partij het als een soort stoornis bij de verloren geliefde. Misschien stoort de verklaring van Ponnet me omdat ze de verantwoordelijkheid alweer bij de vrouw legt, die sinds mensenheugnis te horen krijgt dat ze te snel met een man naar bed gaat, dat ze beter moet selecteren en het uitverkoren exemplaar vervolgens moet laten jagen. Het is ingewikkelder dan voetbaltactiek of het ontmaskeren van de Mol. Goed voor avonden analyses. En ook niet erg eervol voor de man, die als een willoze zombie verstrikt raakt in de strategie van de vrouw. Vandaar misschien zijn bindingsangst. Toen ik een keer aan een vriend, geen amoureuze, vroeg waarom hij bindingsangst had, zei hij: ‘dat idee dat ik elke dag om half zeven thuis moet zijn voor het avondeten. Vreselijk.’ Ik zag generaties mannen voor me uit lang vervlogen tijden. Ze werkten uren in hun volkstuin of zaten op café om te ontsnappen aan de praatjes van hun vrouw. Zij kenden het toverwoord bindingsangst nog niet. Of bindingsonwil, zoals mijn vriend het noemt. Pleasen, te veel aan verwachtingen willen voldoen, daaronder lijden, en vervolgens alle lijnen doorknippen om net als vroeger in de wasbak te pissen en met je kleren aan te slapen. Ik begrijp dat ergens wel. Maar wat dan nog als je een avond om acht uur thuis komt en je maaltijd opwarmt? Zit je partner eigenlijk wel op jou te wachten? Was die niet gaan padellen of naar een lezing over het existentialisme in Duitsland? Ik bedoel, met wat ‘subtle art of not giving a fuck’, lukt het misschien wel om je leven te delen. Een andere vorm van bindingsangst komt aan bod in een hilarische uitzending van de podcast Boeken FM over ‘fuckboys’ in de literatuur. Over de mister Darcy’s of graaf Vronski’s, die een vrouw de indruk geven in haar geïnteresseerd te zijn, maar enkel op iets fysieks uit zijn of haar snel beu raken. Auteurs Marja Pruis en Joost Devries gaan helemaal op in een discussie over Anna Karenina: liet ze zich verleiden door graaf Vronski door op elk feest te verschijnen waar hij ook zou zijn? Pruis detecteert een soort sadomasochisme bij Karenina. Klinkt als een literaire Dag Allemaal, maar de discussie legt een onderliggend dilemma bloot: ben je, zoals de relatie-experte aanhaalde, zelf verantwoordelijk voor het gedrag van de ander, en is je leven dus maakbaar als je van strategie verandert? Of ben je overgeleverd aan de grillen van de ander? En moeten we dan niet een heel klein beetje kwaad zijn op mensen die steeds hetzelfde patroon herhalen ten koste van de andere? Kunnen we dat in tijden van seksuele vrijheid aankaarten, of zijn we dan niet ‘openminded’ genoeg? Op een feestje wisselden vriendinnen uit van welke profielen op datingsites je fuckboygedrag mag verwachten. Waarschijnlijk schieten ook die 2 interpretaties te kort om de vele motieven achter bindingsangst te duiden. Het is therapiespeech geworden, net als ‘mijn man is een beetje autistisch’ en ‘mijn vrouw randje borderline’. Misschien was je geliefde niet overtuigd of verliefd genoeg. Misschien gaan sommige bindingsangstigen gebukt onder een slechte jeugd, een nare scheiding of een seksverslaving. Een tv-programma met 30 bindingsangstigen in plaats van 30 maagden, ik kijk ernaar uit.

Pons
166 3

Tweedaagse

“Nu ben ik toch die tekentang vergeten!” Ik wilde de tweedaagse met mijn gezin in de wilde Zweedse natuur met gemoedsrust inzetten, dus maakte ik een lijstje op mijn smartphone, controlefreak als ik ben. Het is mijn manier om ondernemingen aan te durven en m’n hoofd even te parkeren. Ik had dus een lijstje, er kon niets misgaan. Onze eerste stappen tussen de mossige rotsen, en ja hoor, ik was al iets vergeten. “Te laat, we gaan niet terugkeren”, zegt mijn man, waarop hij de angst in mijn ogen snel aanvult met “We zijn maar 1 nachtje weg, en zitten dicht bij een camping moest het nodig zijn”. De nood in mij elk mogelijk scenario op voorhand in te schatten, weerhoudt me te gedijen in ‘wat komt, dat komt’. Een zoveelste (weliswaar dit keer kleine) oefening in loslaten dus, waarin ik gaandeweg probeer te slagen, maar niet voor ik waarschuw dat een tocht van 15 km een uitdaging kan zijn. Gestaag geef ik me over aan de ruis van het zachtmoedige soort, gespiegel van water, gekraak van takken in vlijtige wind, zompig terugveren van stapvoeten op een naaldige ondergrond, vergezicht zo ver als je kan kijken, en meer van die dingen die je vergeet te missen als je thuis in de zetel hangt. Het verwondert gelukkig nog; hoe we hier vrij snel een oerplek vinden waar we ons nog alleen wanen, ver van de drukmakerij in onze maatschappij. Nog deugdelijker hoe mijn boys (die stoer het meeste gewicht dragen) af en toe omkijken zoekend hoe mama het er vanaf brengt. Twee zonen lopen met goesting én een overnacht-rugzak op kop (niet altijd evident onder hormonale verstoring). Een liefhebbende papa deelt ervaring en kennis, en ik neem alles in me op achteraan; zonder opgejaagd wild te zijn. Het had weinig nodig, en toch voelde het zo waardevol hoe we in korte tijd wat dichter naar elkaar toe groeiden tijdens deze ondernemende tocht (inclusief de puber). 30 km ontdekking van woeste natuur, enkel wij, en een frisse lucht overnachting brachten ons verbinding, en binnenin verstilden goed bedoelde stemmen zoals ‘ik ben de tekentang vergeten’.

LivLot.Writer
16 1

Un jour à Hannut (Nederlands)

Betta   Betta nam niet op. De regengod, die al de hele middag op de loer lag, had tien minuten geleden de stop uit zijn bad getrokken en het fietsende wij naar een overdekte inrijpoort tussen de huizen gedreven. Ik besloot nogmaals het rode verbodsteken bij de tuin van het kasteel te negeren, want Betta vinden was een must. We hadden daarvóór eerst aangebeld bij het kasteel zelf, maar Milo, de hoorbare viervoeter, wou niet opendoen. Het is geen zicht om te overleggen voor een kasteeldeur in de gietende regen, dus zoek je maar een schuilplaats. Maar daar stond natuurlijk bed noch magnetron. We móesten wel actie ondernemen!   Ik reed Dons park terug binnen. Don zelf had ik nog niet ontmoet, en ik wist evenmin dat Don daar zou rondlopen en eigenlijk al helemaal niet dat ik hem later op de avond Don zou noemen. Maar Don was wel de papa van Betta. Dus het kon in principe. Dus reed ik Dons park een tweede keer in, en deze keer was mijn penetratie van het park gevoelig dieper, omdat de regen mijn denken had gestimuleerd dat castle view cottage echt wel in dat park móest liggen.    Ha, daar zag ik het. Het leek op zo’n knus oud treingebouw waar je vroeger via de kaartjesknipper aan de uitgang van de loketten toegang tot het perron kreeg. Enkel de kaartjesknipper ontbrak. En zijn hokje. En het spoor. Nou ja, bijna alles ontbrak, maar toch blijf ik vinden dat daar perfect een kaartjesknipper had kunnen zitten.    Er was een afdakje voor de fiets. Er was een bel. Ik dingdongde. Niets. Maar de klink ging naar beneden en ik was binnen. Het was mooier dan verwacht. Ruim. Er lagen boekjes over de deelgemeenten waar alleen geotechneuten als ik superwarm van werden. Toch weerstond ik de verleiding van het lezen. Mijn vriendin diende immers nog uit haar netelige situatie geëvacueerd. Ik had uit vorige relaties geleerd dat je maar beter prioriteiten kon stellen, en een vrouw was zoiets.    Zíj nam gelukkig wel haar mobieltje op. En toen ze de halve kilometer overbrugde moet de regengod nog een eitje met haar te pellen hebben gehad. Ja, ze is knap, maar ze viel voor mijn charmes. Pech voor hem.    We trokken onze bagage op het droge binnen. Omdat het sluitingsuur van de supermarkten naderde, zwom ik nog snel naar de dichtst bijzijnde. Onder druk verzamelde ik wat lactosevrije diepvriesmaaltijden en sap, maar de snacks bleken onvindbaar. Het licht werd gedoofd en ik vreesde de toorn van mijn eega: ze had heel grote, en diverse, honger.   Vlaamse spraak trok mijn aandacht, en ik zag twee charmante gezichtjes. Ze schoven aan om netjes te betalen. Ze hadden kwaliteitschips gekocht. En ja, ze waren bereid me tegen een mooie glimlach te verklappen waar ze waren verstopt. Ik zou het alleen nooit gevonden hebben.    Terug thuis monsterde mijn vriendin de buit. Ze apprecieerde zeker mijn inspanningen om ons niet te laten verhongeren, en was ontzettend dankbaar dat ik het enige paar schoenen dat ik bij had, had willen verzuipen daarvoor (ik had nu enkel nog zeesloefen om de komende fietsritten af te werken). Maar wist ik na anderhalf jaar nog steeds niet dat appelsap drinken echt alleen gebeurde als het niet anders kon? En of ik al eens aan de geur van de rijst en noedels had geroken?   Dan denk je, maar je zegt het niet: 1. “Het was een noodsituatie, liefje!” en 2. “Ik had geen schaar bij om in de winkel eens te ruiken”.    En om haar aandacht af te leiden haalde ik dan maar de zakken witmerk-chips boven. Ze kwam me kussen, en ik denk dat ze me probeerde te paaien en te zeggen: “Jij kan daar toch wel tegen dat ik een beetje commentaar geef, hé?”    Toen stopte er een suv in kakkleur vóór onze cottage. Het was niet Betta, tenzij ze samen met twee dames en een jongen de incheck deed. Neen heus, het waren de Vlaamse studentes van de chips.   Toen hoorde ik mijn vriendin op de achtergrond mompelen: “Zoeteke, dat huisje hier lijkt toch eigenlijk niet zo goed op wat wij boekten...”   Ah nee?   Daar stonden vier Vlaamse twintigers voor de deur. En dus geen Betta.   “Zijn jullie Betta?”, klonk het in koor. “Wij zeiden van niet, en keken elkaar voor de zekerheid toch maar eens aan. “Zijn jullie hier... ook?”, vervolgden ze. “Nou, daar lijkt het wel op,” probeerde ik te grapjurken, terwijl het lachen steeds groener werd.  “Wij zitten vast verkeerd”, probeerde mijn vriendin de situatie te vatten. “We dachten al dat we een upgrade hadden gekregen, maar dat lijkt nu wel niet meer zo. Toch, zoeteke?”   Ze liep kwaad weg, haar boeltje inpakkend, toen ik haar met mijn dwingende blik duidelijk maakte dat dit niet de goede strategie was. Ik wou niet terug naar die onderdoorgang in de hoofdstraat waar we hadden geschuild. Ik zou mijn eerlijk veroverde cottage niet zonder slag of stoot opgeven! Hier moest onze verwijdering politiek en diplomatiek slim gespeeld worden!   “Maar allez, dan slapen we hier gewoon met zijn zessen,” kwam de dikste van de bende zich moeien. Ik bedacht dat ik nog geeneens wist welk bed het beste was en waar ik nu snel heen moest voor een slaapclaim – had mijn liefje niet net iets gezegd over een kingsize bed? “Nou, met de chips lukt het wel,” zei ik. “Je weet wel,” knipoogde ik naar de twee slankere versies,” deze die ik in de winkel dankzij jullie vond.”   Op de een of andere manier was mijn vriendin intussen toch naar buiten geslopen en had ze een eigen zoektocht ondernomen. Een vierde deur in het gebouw ging wel open. Ik zag de idee van het sextet binnen de minuut oplossen toen ze met een dikke grijns wenkte en me bij mijn revers vastpakte: “Jij gaat daarheen,” zei ze poeslief maar ik voelde heel goed de weerhaakjes van haar spinnenpoten op me. En tegen de dames: “Ik verkas heel even mijn vriend met bagage, dames, en breng een verse vervanghanddoek. Het spijt ons zó van deze vervelende situatie!”   Ik wuifde nog eens zwak naar de tweede smalste, maar werd ruw voortgetrokken. Gelukkig klopte het wat ze beweerde: er was wel degelijk een tweede, iets soberder cottage, maar voor een man met honger naar streekinfo was het een mager beestje: buiten een folder voor het West-Vlaamse Bulskampveld en wat lokale pizzeria’s, was er niks voorhanden. Ik zou het echt met mijn vriendin alleen moeten doen.      Don   Er kwam ter hoogte van halftien ’s avonds plots onverwacht een kleine kink in de kabel van de relatie met mijn vriendin. Plots stokte een conversatie, of misschien was het wel eerder een discussie. Hoe dan ook kon ik dit keer niet teren op mijn relationele ervaring; soms heb je van die momenten dat ze je in de steek laat, of dat je net de leerstof van dat hoofdstuk van die levenscursus nog niet verwerkt hebt. Ik besloot dus zonder communicatie de benen te nemen om ze even te strekken in Dons park. Dat was foute boel, bleek later. En ik ben zover geraakt dat ik het ook nog helemaal ging snappen. Maar dat was dan alweer ná mijn babbeltje met Don.    Ik slofte dus op mijn slippers door het park. Een van de Vlaamse meiden zat op een bankje, ineengepakt tegen de natte koude. Ik besloot echter éérder rechtsaf te draaien dan mijn weg langs haar bank te vervolgen, en me volop te concentreren op het park. Bovendien was ik in overgangsmodus: ik moest onder het bladerdak volop nadenken hoe ik mezelf weer aan de praat kreeg tegen mijn partner. Maar het is een beetje zoals twijfelen op de snelweg: als je verkeerd zit, kan je alleen maar verder verkeerd blijven rijden. Want vóór me zag ik jandorie Don, wild plukkend tussen zijn klimop. Een gesprekje met Don paste evenmin in het concept! Maar het was onvermijdelijk. Ik wandelde gewoon recht op Don af. Die bleef maar maaien met zijn handen als zeisen.   “Als je ze laat staan, dan zijn dat volgend jaar zo’n bomen,” begon hij vol overtuiging, terwijl blijvend oorlog voeren met zijn handen om zich heen slaand. Stukken volledig en half uitgetrokken nieuwe paardenkastanjeboompjes dwarrelden rond hem neer. Het verwonderde me dat hij me in zijn concentratie had opgemerkt. Ik besloot hem te kalmeren door hem op andere gedachten te brengen. Ik kan dat goed, naar het schijnt.   “Waar kom je vandaan?” vroeg ik hem rechttoe-rechtaan. “Amerika, Cincinnati,” en hij keek schuin naar me op. Ik schrok aangenaam. Dit was een lookalike van mijn favoriet acteur Woody Harrelson, besefte ik plots!   Hij bleek hier nu zeven jaar te wonen na doortochten in Monte Carlo, Milaan en Brussel. Dit was perfect, zijn château, hier in Hannut – een stadje waar hij alles had wat nodig was. Vooral rust. Alleen had corona mist geschapen in zijn hoofd. Hij vreesde dat het nooit meer zijn zou zoals voordien. “Testen, vaccins, weet je wel. Allemaal gedoe om te kunnen reizen.” Het leek erop alsof zijn wereld aan het vergaan was. Het werd allemaal zó ingewikkeld voor de globetrotter die hij placht te zijn. “De wereld gaat op slot,” bekende hij mij zijn diepste angst. Ik dacht: “Nou Don, te veel Armaggeddon gezien, jong?”   Hij vertrouwde me toe dat hij op een breekpunt stond in zijn leven: teruggaan of hier blijven. Ik fronste mijn ogen (en oren, want dat kan ik). Hoorde ik hem daarnet niet zeggen dat dit kasteel zijn álles was? Zijn plekje waar hij thuishoorde? En zette hij de eenheid van zijn gezin op het spel om met de helft van zijn kinderen terug te gaan naar Cincinnati, en de helft ervan achter te laten bij zijn (Amerikaanse) vrouw, die hier wou blijven?   Terwijl ik becijferde hoeveel kinderen hij dan mogelijks moest hebben (minder dan vier kon niet, rekende ik uit; ik hoopte dat het er geen vijf of zeven waren; stel je voor dat een kind half mee moest en half blijven moest!), kreeg ik plots medelijden met deze selfmade kasteelheer/filmster lookalike. Het leek me dat deze man naar iets op zoek was wat hij al had gevonden, maar dat zich niet meer herinnerde. Omdat mijn therapeutische gave in het verleden al zijn beperkingen had getoond en meer kwaad dan goed had gedaan, in het bijzonder ten aanzien van vrouwen die mijn echte ik als de emanatie van ‘perfecte vriend’ niet scherpgesteld kregen en me lieten zitten, begon ik over zijn grasperk. Ik zei dat ik het mooi egaal en proper afgereden vond, maar dat er ook... andere manieren waren om het af te rijden – of net niet.   Ik verwees hier heel even naar mijn Vlaamse vrienden van groen- en parkbeheerders, gezien ik de Waalse praktijk onvoldoende kende. Of Don er al eens aan gedacht had om meer bloemen in zijn gazon te krijgen?  “Yeah, de biodiversiteit, jaja dat ken ik wel,” beaamde hij. “Heel belangrijk, maar... Ach,” bekende hij, “weet je dat ik niet kan rondlopen met mijn hemd úit mijn broeksriem?” Ik keek hem vragend aan. “Het moet erin, mijn hemd. Ín mijn broek. Altijd.” (Het stond hem wel, vond ik, en ik vroeg me af of Harrelson dat ook zo deed) “Anders voel ik me, je weet wel, zo...” Ik knikte heel hard zodat hij zeker wist dat we elkaar verstonden.  “Wel, zo is het dus ook met dat gras. Weet je, daarbóven (en hij wees naar een slaapkamer in zijn kasteel), als ik opsta, dan wil ik een biljartvlak grasveld zien – dat gaat niet anders. Biodiversiteit is belangrijk, for sure, maar niet hier in mijn gras...” Ik zei opnieuw dat ik het wel begreep en dat ik de discussie heel fijn vond. Dat ik zijn argumentatie ernstig nam en blablabla.   “Soms maak ik weleens een foutje in mijn grasbeheer”, besloot hij zalvend. Hij wees op kale plekken. “Ach, het verkeerde gif,” bekende hij. Ik bedacht dat zijn type beheer toch echt wel enkele pijnpunten kende, maar gaf geen kik. “Gewoon terug gras zaaien, daar,” zei ik als een kenner, waarop hij zei: “Is al gebeurd.”   Maar toen moest hij dringend zijn trouwe viervoeter Milo gaan zoeken – die zwierf ergens doelloos door het park (dat hij al zeven jaar kende) en dreigde niet bij het avondmaal te kunnen aansluiten. “Ik kom graag in mijn park,” besloot hij samenzweerderig. “Dat komt omdat Milo drie keer plassen moet, en dat doet hij enkel als ik in de buurt ben.” Ik wenste hem veel succes in zijn zoektocht toe, en dacht aan de inbreng van mezelf in het volgende gesprek met mijn vriendin, die vast heel erg in Don geïnteresseerd zou zijn. Ik dacht ook aan Dons vrouw, die hij af en toe leek te moeten ontvluchten. Blijkbaar was zijn kasteel daar nog niet groot genoeg voor.    Ik keek nog even om, maar Don was al verdwenen.      Terug Betta, en terug Don   We weten in elk geval dat Betta bestaat, alive and kicking. Met haar glimmend bolzwarte Dr. Martens-boots en jasje met print erop van vast een heel chique school, stond ze plots in de keuken van ons treinstation. Ik was blij dat mijn vriendin de honneurs waarnam. Ze kon goed onze opgelopen ergernis van het zoeken wegstoppen en tegelijk een punt maken dat het toch allemaal wel een beetje onduidelijk was, een diplomatieke gave die ik soms heel hard ontbeer.   Het kwam er op neer dat het volgens Betta allemaal zo’n beetje een samenloop van omstandigheden was geweest. Het kind – volgens mijn vriendin net haasje over de achttien, ik schatte haar zes halve jaren jonger (zo gedroeg ze zich toch, al gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat ik niet weet hoe een vijftienjarig meisje zich gedraagt) -   was één lange stralende glimlach van tien dikke minuten; je zou haar net niet nog een beetje zakgeld geven daarvoor, tot je zou beseffen dat ze jou drie uur daarvoor in de gietende regen voor haar voordeur had laten staan.   We vermoedden dat onze centen voor het logeren in de B-coupé van het treinstation, naar Betta’s spaarvarken werden afgeleid. Dochterlief die wat kan bijverdienen, zolang ze de onzichtbare moeder en de parkplukkende vader maar niet te veel benaderde voor logieskwesties. En toch was de eerste praktische vraag (de tweede eigenlijk; de eerste was het huisje vinden, en daarvoor had ze al een slecht cijfer laten optekenen) al meteen een onvoldoende: hoe zette je die uit een 19de-eeuws huis verloren gelopen gaskachel toch ook al weer aan? Want mijn vriendin begon een koutje te pakken.    Don zou het komen fixen.   De wegen van Don en de gaskachel slaagden er het hele weekend eigenlijk niet in om samen te komen. En toen we hem dan toch eens zelf uit zijn park plukten, kreeg hij het ding ook niet aan de praat. Plots rinkelde zijn mobiel: hij werd dringend bij het avondmaal op het château verwacht. Don sprintte naar het huis. Mijn vriendin keek hem achterna, draaide haar hoofd om, en pruilde haar mond tot een zacht goedkeurend en waarderend geklik met haar lippen. Dat moest ik onthouden.    Op zaterdagavond, nog voor mijn terreinbabbel met hem, was Don nabij ons treinstation gepasseerd met enkele esdoornscheuten in de hand die hij ergens kwijt moest. Milo volgde met een lege pindakaaspot in zijn bek. De oude hond, genre golden retriever waarvan alles tot bijna tegen de grond hing door de levenszwaarte der dagen, vormde een uitstekend duo met zijn baasje. Wat voor Milo opging, ging eigenlijk ook op voor Don (en omgekeerd). Wie wie naäapte, was niet duidelijk, maar wat we wel wisten was dat ze elkaar doorheen de jaren hadden gevonden; ik hoopte dat hij meemocht naar Cincinnati, met Don, zijn levensmaatje, en niet gevierendeeld werd en Don alleen twee poten en een kop meekreeg in zijn vlucht terug naar de States.    Zondagmorgen begon met een lekke band. Dat vond ik fijn, want het was de beloning voor het meesleuren van een grote fietspomp en herstelgerief. Later bleek de beloning dubbel. We gingen nogmaals samen als koppel herstellend aan de slag. Een nieuwe ervaring! Toen ontdekten we ook de boosdoener: een scherp steentje dat zich genesteld had in de band van vrouwlief. We keilden het achteloos weg op de oude trambaan even buiten Hannut. Van dan af werd het saai: we fietsten enkel nog.    Toen we het park uitreden, grofweg te situeren tussen bandhersteloperatie deel I en deel II, dreven we de bende Engelse kippen en hanen uiteen op de kasteeldreef. Ik kon niet nalaten naar de derde verdieping te kijken, of Don al wakker was. De gordijnen waren in elk geval nog toe. Maar toen we later die middag terugkeerden om de bagage op te halen, was er nog geen verandering. Volgens mijn vriendin had Don die nacht gewoon op de zetel moeten slapen.    En zo eindigt dan ons piepkleine fietsavontuur in de coulissen van een château met bijzondere bewoners. Het is fijn toch even een kijkje te kunnen nemen in de wereld van de rijken. Al herinneren we ons vooral een sympathieke man in witte kleren met het hemd ín de broek, werkend in zijn parktuin, vol raadsels, die in een veranderende wereld nog steeds naar zijn eigen plekje op de wereld op zoek is.    Het had mijn maat kunnen zijn. We gingen elkaar zeker verstaan. Behalve dan over gazonnen.     Ik ben vergeten zijn naam te vragen. Maar misschien maar best ook. Voor mij blijft hij Don. Altijd. Waar hij ook heen gaat. 

Jeroen V
0 0

Gedoogbeleid voor een kat

Sinds een half jaar heb ik een kat geadopteerd. Enfin, het is meer een stilzwijgende overeenkomst tussen kat en man in die zin dat ze er mag zijn onder een aantal voorwaarden.   De eerste is dat ze haar eigen haar opkuist. Nou, dat doet ze niet. Overal waar het warm óp zitten is, is een potentiële pleisterplek. Ik zou het fijn vinden als ze altijd op de zetelrug van mijn oma zaliger zou rusten en slapen, onder mijn palmboom, maar de oude doos versmaadt ook mijn éigen zetel niet. Gezien ik een punctuele haarvermijder ben, is een klein aandeel haartjes dus al ruimschoots genoeg om een paar keer na elkaar heel diep te zuchten. Ik kijk haar dan aan, maar meer dan wat gespleten oogblikken gunt ze me niet. Alsof ze wil zeggen: “ik had het veel erger kunnen maken – weet je nog hoe ik het vroeger deed?”   Dat weet ik nog. Tijdens haar puberjaren en nog lang daarna, krabde ze kale plekken op haar rug. Een jaar of twee terug hield ze daarmee op. Ik besloot dat zelfs katten het op hun eigen zenuwen kunnen krijgen.   Dus ik verdraag ze. Zolang ze maar aan voorwaarde twee voldoet: ze dient proper te eten. Brokjes eet ze mooi volledig op en spatten niet bij elke kraak van het bordje af. Ze maakt er helaas een potje van. Je kan altijd zien wanneer ze gegeten heeft. Onlangs heb ik haar een kommetje gegeven met hoge randjes. Ik denk dat ze me dat al de hele tijd probeerde wijs te maken – dat ze nood had aan extra structuur. Ze klaagmiauwde altijd zo vaak. Maar nu het experiment met het diepe potje lijkt te lukken, merk ik een vredige rust opduiken in de zone van haar eetbak. We hebben elkaar begrepen.   Toch zijn er nog voorwaarden. Ik had misschien met deze moeten beginnen, want het is een basale: ze zit ’s nachts binnen als het koud is. Maar ze heeft dat eigenlijk al van voor de winter begon, een beetje heel breed geïnterpreteerd. Die “’s nachts” heeft ze geschrapt uit onze overeenkomst. En “koud” vond ze ook te eng geformuleerd: ze is wel een elfjarige kat, en geen jong kneusje meer voor wie een beetje koude geen zorg is! Kan ik ze ongelijk geven? Durf jij dat? Had jij dan geen bomma die met zo’n vintage gehaakt dekbed als sjaal rond haar hals geslagen zat te koukleumen bij 23° kamertemperatuur in zo’n zetel die de kringwinkels nu steevast weigeren?   Wel, ik denk dus dat ik me in de derde leeftijd beter moet inleven (telkens ik mijn lief-met-kinderen zie smeekt ze me dat ook te doen voor de eerste leeftijd – werk zat dus!). Dat zal me niet slecht uitkomen, want met mijn 45 lentes sta ik ook al zowat op die poort te kloppen. Nou nou.   Voorwaarde vier is momenteel compleet ontspoord en ik heb bij de minister van Dierenwelzijn om een bemiddelaar gevraagd. Áls ze binnenzit, houdt ze haar plas óp. Ik had gedacht dat dat een heel duidelijke regel was (bij hondjes lukt dat toch!), maar gaandeweg is ze beginnen gaan als ze goesting had. Ik zou echt niet in de voeten van mijn mini-yuca willen staan. De plant hangt troosteloos met de oortjes naar beneden en dat zou wel eens door een overdosis kattensappen kunnen komen. Mijn grote palmboom stalkt ze ook. Vooralsnog blijft hij groeien – misschien heeft hij al die pis wel net nodig. Beneden de enorme pot verraadt een hoop bloemaarde haar zondige actie. “Een kattenbak zetten?”, hoor ik je opperen? Neen, daar begin ik niet aan. Dat trekt alleen maar andere katten aan, als die horen dat je je etablissement van te veel faciliteiten voorziet. Ik wil mijn poezenonderdak voorbehouden aan slechts één gedoogkat. Trouwens, ik heb maar één omazetel om op te zitten. Het is mijn week hartje dat de deur heeft opengezet voor die bejaarde kat. Bij de buurvrouw kwam er een jonge knappe kater en twee stevige honden. Maar Simba, want zo heet ze, had geen zin om op haar oude dag nog nieuwe maten te maken. Weet je wel: dat is zoals een bommaake in het appartement boven de bank aan de overkant van de kerk: soortgenoten zien vanuit het raam één hoog is best voldoende, als de seldersoep met vermicelli maar op tijd wordt geserveerd. En  dus ben ik, dierenliefhebber in de theorie, maar in de feiten eerder een dierenafstoter, al ongeveer zes maanden een liefdadigheid aan het doen: een dakloze kat van haar basisnoden voorzien. O, we hebben al eens woorden, redelijk vaak zelfs: ik wil bijvoorbeeld dat ze haar bord leegeet. Maar steevast blijft nog een kattenportie liggen en vraagt ze nieuw voer. Dan gaan we in discussie. Ik win altijd, behalve als ze heel zielig begint te doen. In feite wint zij dus altijd. Het is een ros-wit-zwarte kattin. Het is nog steeds een schoonheid, maar katers heeft ze nooit rond zich geduld. Elegantie is haar vreemd; daarvoor heeft ze te veel marginale straatmaniertjes. Neen, Simba is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken – al is het veel geblaas en eerder tandengeknars. Want als de nieuwe jonge buurkat haar opzoekt, blijkt ze toch hulpeloos en in het nauw gedreven. En laat ik haar binnen. Ook al is het niet koud, en is het nog geen nacht.

Jeroen V
0 0

De mol is dood

De mol is dood. Jaja, hij is echt dood. Het was een mannetje. Toen ik hem daarnet een struikenbegrafenis gaf (want hij is gevallen op een grassig slagveld), zag ik zijn piemeltje. Het was redelijk indrukwekkend voor zo’n beestje, en dan was ook dat piemeltje al dood. Mijn buurvrouw met wie ik de tuin deel, heeft me verteld over de veldslag. Ze is trots op haar hond en kat die in een gezamenlijke alliantie tegenover het leger van de mol stonden. De samenzweerders hadden eerst heel lang stilgelegen rond een plek waar de mol (overdag, de domkop) aan het graven was. Ze hadden naar elkaar gekeken en samengespannen voor een hinderlaag. Plots was de hond opgesprongen en beginnen graven. De mol had zich er laten instinken! Hij heeft nog gekrijst, naar ik hoorde zeggen, terwijl hond en kat hem zijn nederlaag zo lang mogelijk wilden herinneren. Ik weet niet zo goed of ik nu mijn blijdschap mag tonen. Per slot van rekening reken ik me bij de groene jongens. Geen donkergroene versie, maar ook geen appelblauwzeegroene. Ooit horen zeggen van een opportunistische politieker met een hoofdstadnaam dat hij groenrechts was. Ex-coryfee Jan Peumans heeft die gladde jongen eens goed uitgelachen waar hij bij zat. Ik wil niet uitgelachen worden door Jan Peumans, die tot mijn kennissen behoort als hij eens een goede dag in zijn herinnering heeft, weet je wel. Als redelijk groene jongen zou ik deze lafhartige aanslag moeten veroordelen. Hond en kat zijn exoten die al vele slachtoffers maakten in de tuin. Vooral de kat is een echte moordmachine. Dat hij nu ook de dociele hond voor zijn kar spande op zijn seriemoordenaarspad, kan enkel op mijn gemeende afkeuring rekening. Zo hoort het, als politiek correcte groenling. Behalve als het een mol is. Want die mol daagt me al jaren uit. Een drietal jaar, als ik precies mag zijn. Mijn leven van die tijd, herinner ik me, zwiept van de ene emotie ten gevolge van de terreinrealisaties van de mol, naar de andere. Het is zo’n beetje de lijm geweest van mijn leven in die tijd, denk ik. Het is ook een beetje een vreemde mol. Zo wou hij niet in winterslaap. Dat vond ik straf! Zelfs dan groef hij mijn ecologisch beheerde pelouse om! Ik lees vandaag dat een mol geen winterslaap houdt. Dus mijn mol is dan toch al een beetje minder vreemd dan ik dacht. Maar toch niet helemaal on-vreemd ook, hoor. Zo groef hij heel oppervlakkig. Zijn gangen liepen echt aan de oppervlakte – zo’n gevaarlijk spel speelde hij! Ik sneed PET-flessen middendoor en stak ze in een mollenpijp. Ik drenkte vodden in benzine en stak ze eveneens in zo’n gat. Ik stak een mollenvangkoker tussen twee gangen. Ik stond ’s morgens vroeg op om hem uit te graven waar hij aarde naar boven duwde (maar hij tekende nooit present). Het hielp allemaal niet. Mijn mol was een doorgewinterd strateeg: míj kreeg hij klein. Soms verhuisde hij voor een paar maand. Een andere keer ploegde hij in de winter een kwart van mijn bos om. Toen dacht ik: zo kunnen we samenleven, vriend. In mijn bos mogen ook de honden schijten; dus jij doet hier ook maar je ding! Toen er honden kwamen, dacht ik: die zien we niet meer terug. Twee maand terug boekte hij opnieuw voor een paar maanden, met open optie. Ik vond dat sneu, dat hij geen plannen had om definitief weg te gaan. Je zou toch denken dat mijn mol intussen die hondenstront moet geroken hebben, en zijn lessen had getrokken. Maar neen. Ik zie op het gras van mijn gedeelde tuin een volwassen mollenlijk. De doders hebben hem vanbuiten intact gelaten, je ziet geen wonden. Het opbaren in een molllenkist zou dus niet veel moeite hebben gekost. Toch heb ik hem ledemaatloos in de struiken gekeild. In oorlogstijd ben je wat harder, wat nijdiger, wat minder begaan met sentimentele zaken zoals een mollenbegrafenis met gepaste teksten en muziek. Nu de begrafenis achter de rug is, de eerste emoties gezakt, de hond en de kat een ereteken kregen opgespeld (wat de kat heel vervelend vond; de hond liet begaan, de sukkel), denk ik terug aan het tragische leven van de mol. En dat van mij. Nu de mol er niet meer is, me geen richting meer geven kan, moet ik op zoek naar een nieuwe levensbegeleider. Elk probleem schept dus een nieuw. Al moet ik het misschien relativeren: mensen struikelen niet over bergen, maar over molshopen. Als mens dien ik de gezamenlijke traditie van spreekwoordelijke wijsheid te onderschrijven. Dus doe ik dat maar: we maken iets niet erger dan het maar is. Ik lees dat mollenpoten geluk brengen en helpen bij het dóórbreken van kindertanden. Mijn zus heeft nog peuters lopen en een baby maakt zijn opwachting. Het wordt een goedkoop cadeautjesjaar.

Jeroen V
2 0

Een Eiffeltoren op een top

“Dáár”, wees mijn jongste de hoogte in, vanop de schaars romantisch verlichte Karelsbrug, boven de donkere schaduw van de beboste Petřínheuvel. “Zie je dat, Jeroen?” Mijn kinderen vinden het leuk hun vader met hun voornaam aan te spreken. Dat voelt soms wat raar aan, maar voor hen is het een spel. Dus spelen we mee: “Ik luister, zoon!” “Daar wil ik morgen graag heen,” zei hij. Ik knikte. We hadden iets om onze Praagse vierdaagse mee te beginnen. Tegen dat we boven aankwamen, waren we al een uur verder, en als ik er nog een leuke omweg vóórzette, misschien al twee. Dan nog drie andere dagen vol zien te krijgen. Het zou wel loslopen. Er was immers nu al één idee, drie uur na het landen en na de tweede van uiteindelijk zeven overtochten over de lange Karelwandelbrug.  Wat boven de heuvel uitstak leek op een moderne uitkijktoren. Het was roze en paars verlicht, toch wel bijzondere kleuren voor een toren die in het donker daardoor dildo-uitstraling had. We wisten van een typisch Oost-Europese TV-toren in de stad (steevast te beklimmen), maar deze op Petřín zei ons (mij dus) nog niets.  Op woensdagmiddag, kort na enen, bereikten we de top waarop een kleine Eiffeltoren stond. We hadden inderdaad ruim twee uren van ons beperkt lichturenaantal (het werd al donker rond halfvijf) besteed aan een omweg via de Praagse Burcht en het Strahovklooster. Er stond best een lange wachtrij die ontmoedigender leek dan hij was. Na nauwelijks tien minuutjes wachten konden we naar boven met een familieticket, dat tot puberale, en dus momentane ontgoocheling leidde bij mijn jongste zoon omdat het niet geldig was om daarmee de lift naar boven te nemen. We moesten met de trap, 58 meter hoog. De trappen liepen buitenom en liepen vlot, perfect gemaakt voor wie tussen 1,70 en 1,90 meter groot was. Daar pasten we alle drie tussen, ik tussen mijn twee bodyguards. Het trappenprotest werd daarmee door de feiten gesmoord nog voor het enige proportie had kunnen aannemen. Gelukkig had mijn oudste zoon de jongste kordaat tot de orde geroepen: “Zaag niet, doe gewóón.” Ik knikte goedkeurend, zo doe je dat. Van dichtbij wás het inderdaad een stijlvolle kleine replica van de drie jaar eerder gebouwde echte Eiffeltoren. Alhoewel. Mijn vriendin was het daar grondig mee oneens toen ze een foto zag. “Dus je vindt de echte Eiffeltoren dan ook maar niets?”, vroeg ik verwonderd, want buiten size zag ik niet echt het verschil. Ik herinner me niet meer wat de grote Eiffeltoren nu net tot een schone Eiffeltoren maakte en deze kleine opdonder tot een lelijke, maar de schone mocht blijven en de lelijke niet. Ik berustte.  Boven was het uitzicht natuurlijk spectaculair. Dat was het al zonder de toren. Onder mij speelden geel, gelig, geliger, bruin, bruinig, bruiniger, oranje, oranjeachtig, vuilgroen, geelgroen – enfin verzin het maar – in het patchwork van boomkruinen. Enkel rood ontbrak. Geen roodkleurende bomen in Tsjechië, toch niet op de vier begindagen van november. Tussen de bomen verrees nog het Spiegelpaleis van diezelfde wereldtentoonstelling die de Petřín-Eiffeltoren in 1891 had gebaard, gevat in de vorm van een houten kasteel met ophaalbrug. We haalden er ons neus voor op want we hebben zelfrespect.    We daalden af naar onze wijk Malá Strana terwijl het bos een uitgestrekte boomgaard werd. Mijn ene zoon verkoos op eigen kracht uit te bollen tot ons appartement voor een broodnodige pitstop op de Karelsbrugappartementensofa, de ander kon ik overhalen vier kilometer boodschappen te dragen. Hij wou koekjes – tja, dan ben je met corvee gejost.  

Jeroen V
2 0

Finn McCool

Op een dag was Schotland voor Benandonner te klein. Hij wou expansie! Benandonner ging op de kust staan van het North Channel dat hem scheidde van Noord-Ierland, en ging wat schelden, tieren en roepen op die onderontwikkelden aan de andere kant van het water.   We zijn 2023 en het ging toen ook al niet anders.   Op die andere kant van de zee wist Finn McCool zich uit zijn geriefelijke schommelstoel gelokt, tooide zich in oorlogskleed en wette zijn dubbele aks. Dat varken zou hij wel eens wassen! Bovendien had hij nu eindelijk een aanleiding om Schotland aan te vallen en in te lijven. Hij had gehoord dat daar wel nog erwten en bonen te kweken waren - broodnodig als die waren voor zijn dagelijkste stew die sinds de bonenpest op zijn eiland nooit meer dezelfde was.   Oonagh, zijn vrouw, vulde twee ossenbesparde karren met picknickmanden, en Finn vertrok voor actie.   Ter hoogte van Aird Snout ging hij basalt uit de rotsen houwen. Dat ging makkelijk: de zes-, zeven- en achthoekige platte stenen die kolommen vormden tegen de kliffen leenden er zich uitstekend voor. Hij gooide ze gedecideerd in zee en creëerde een heuse dam richting Schotland. Benandonners tirades zorgden intussen voor een ritmische cadans in zijn werk en elke dag kwam er een mijl nieuw vasteland bij.   Toen er nog twee mijl te gaan was, was het ook tijd voor de ossen om te gaan. Het oppeuzelen ervan gaf Finn de energie om de laatste blokken te hakken en uit te spreiden over de zee. Benandonner was dat wachten op Finn wat moe en laste een break in. Omdat Finn voor de laatste mijlen haast had gemaakt, had hij hem niet zien komen.   Finn trof een tien meter lange, snurkende reus aan in zijn enorme hangmat op Islay Mountain. Eensklaps werd hij door angst overmand. Die Benandonner was goddorie twee meter groter dan hem!   In paniek vluchtte hij zijn dam over, terug naar Ierland. En waar ga je dan zitten grienen?   Juist. Bij je vrouw.   En dus ving Oonagh hem op, sprak hem toe met koosnaampjes à la 'hottie', 'peppie', 'beerke' en 'spetter' en woelde door zijn lange, blonde lokken. Het hielp een heel stuk, maar al snel daarna blokkeerde Finn alsnog. Hij kwam niet tot een oplossing hoe Benandonner aan te pakken en te verslaan.   En dus schakelde Oonagh een versnelling hoger. Ze diepte een oude wieg op, verpakte Finn in kinderkleding en maande hem aan met opgetrokken knieën erin te gaan liggen. Een reuzenfopspeen maakte het helemaal af.   Wakker geworden, stoof Benandonner de volgende dag op Ierland af. Oonagh stond intussen in moederschapskleding onderaan Aird Snout en wiegde de kindermand.   "How you are doing, son?", zei Oonagh, die met aangebonden kussens ook nog eens een volgende zwangerschap simuleerde, "wanna see my new baby?"   Benandonner schrok zich een hoedje en vergat elk beleefd fatsoen. Zonder de vrouw te groeten vielen de schellen van zijn ogen. Als dít al de zoon was van die Finn die hij zo graag als beleg op zijn sandwichen zou leggen, hoe reusachtig moest die vader dan wel niet zijn?   In geen tijd verbrak hij het wereldrecord damlopen-tussen-Ierland-en-Schotland en gooide daarna vanaf de Schotse oever met rotsblokken de dam stuk.   Finn klom nu uit de wieg en zou zes maanden lang de afwas doen en om de drie dagen stofzuigen. De dam verdween in de plooien van de vergetelheid.   Maar toch bestaat er nog een klein stukje van die dam! Nu is het vredevol gebied, en zeker 's morgens vroeg, is het er goed toeven. De platte stenen zijn goede stoeltjes om te beseffen dat roepen en tieren hier helemaal niet passen en dat het fijner is te luisteren naar de geluiden van golven en meeuwen.   Pas omstreeks de negentiende eeuw ontdekt het grote publiek de basaltformaties. Een stoomtram erheen vanuit een badplaats maakt het plaatje compleet. Een Noord-Iers Han-sur-Lesse is geboren. Vandaag is het de drukst bezochte plek in Noord-Ierland.   Het is avond en beneden me zijn alle toeristen al even vertrokken. De Causeway is van bovenaf een vinger van de kust die de zee insteekt en erin verdwijnt. Enkele locals rijden met hun auto's tot tegen de dam. Ook dat is Ierland.   De ondergaande zon en dreigende doch regenloze wolken realiseren een zeldzame harmonie boven de Dam van de Reus. Een border collie, los van de lijn, komt zijn natte snoet in mijn hand steken en gaat dan verder, snuffelend zijn krant van de dag lezend. Een jonge vrouw volgt enkele seconden later met een werkloze leiband. Nergens meer dan in Ierland zag ik al zoveel bordjes hangen met 'honden aan de leiband'.   Maar als ze beginnen fietsen, die Ieren, dan gaan ze vast ook merken waar leibanden voor dienen!

Jeroen V
0 1

Mussenden Temple, Derry

Heer-bisschop Hervey was naast een man van de Kerk, zeker ook een man van deze wereld. Of beter van een wereld uit lang vervlogen tijden. Want de man zou de toestand van zijn paradijs vandaag maar matig kunnen appreciëren.   Helemaal anders is het gesteld met het gemoed van ondergetekende. Die was in de wolken van zoveel vergane, maar desondanks blijvend indrukwekkende schoonheid, en dat op Downhill Demesne.   Het landgoed rijst vandaag op uit een boomloze boterbloemenberg boven het landschap van Downhill op de noordkust van Ierland. De perfecte plek om zijn wereldlijke ambities in de praktijk te brengen, had Hervey omstreeks 1780 bedacht.   U hebt vast lak aan architecturale beschrijvingen - ik bespaar ze u. En als dat niet zo is, dan is dat omdat ik daar zeer zeker zelf lak aan heb. Bovendien is het nu toch een ruïne. Dat zou toch een beetje dubbel op zijn - u beschrijven hoe het wás, om dan doodleuk te zeggen dat men het gebouw na de Tweede Wereldoorlog gewoon gestript heeft en het aan de overheid verkocht?   Soit, mede daardoor is het nu toegankelijk en kan ik me een beetje inleven in die mijnheer Hervey. Al is dat inleven relatief: de lord bishop kon immers uit een soort vaatjes tappen waar ik zelf slechts alleen kan van dromen (en helemaal niet zeker of ik dat ook allemaal wel zou willen). Hervey had veel geld om de steentjes van zijn huis te leggen zoals hij wou. Hervey was getrouwd (perfect combineerbaar met een mandaat binnen de anglicaanse Church of Ireland) en had nageslacht maar kon zich tegelijk vrijelijk op glad ijs begeven om goed scheef te gaan schaatsen. Hervey liet zijn ondergeschikte geestelijken haasje-over doen op het strand beneden om titels en postjes te verdelen. Maar bovenal kon Hervey een grote ronde, maar lage, tempelachtige toren bouwen van waaruit hij de wedstrijdjes beneden kon volgen. In de begintijden kon de heer-bisschop er met zijn koets rondjes rond rijden - iets wat nu zou eindigen met een onvervalste crash op de klippen vijftig meter lager - gezien die afkalven.   En hier komt dan dat lieve kind Frideswinde Mussenden op de voorgrond. Hervey had een zwak voor zijn nicht, die zelf een deplorabele gezondheid meezeulde. Speciaal voor haar was Mussenden Temple opgericht (en dus naar haar vernoemd): een ode aan de klassieke kunsten. Ook dáár was Hervey als kunstverzamelaar mee bezig - je zou je afvragen wanneer hij de tijd vond voor spirituele arbeid. Binnenin de tempel waren de ronde wanden bekleed met schappen vol boeken. In de kelder werd gestookt en een schouw verdeelde de warmte zodat de geschriften niet vergeelden.   Maar Mussenden Temple was bovenal ook wat ze in het Engels zo mooi benoemen en waar West-Vlamingen alleen al van smelten als het woord hun oorholtes streelt: a dovecote. Hoewel er maar één prijsduif getolereerd werd: zijn nicht Frideswinde (Jazeker, het kon zelfs de naam van een vredesduif geweest zijn).   Hoe dan ook, lang heeft Frideswinde niet van haar tempel kunnen genieten. In de kronieken valt te lezen dat ze zwaar afzag van de vernedering der geruchten als zou ze ook lekker van bil gegaan zijn met haar oom. Of híj met haar - gezien de lord bishop eerder in de positie was om zaken te willen waar anderen niet noodzakelijk voor openstonden.   Maar dus: de kronieken. Ik probeer gewoon neutraal een stuk boeiende geschiedenis voor u, naar objectiviteit snakkende facebooklezer, toegankelijk te maken.   De tempel overleefde, waar het landgoed sneuvelde. En om dan toch al eens wat persoonlijker te gaan: ik heb mij hier een halfuur op mijn gat gezet. Kijkend over de zee, tussen de wuivende grashalmen, vanaf mijn klip. Links van mij de tempel, waarvan de fundering nu een duivenkot is geworden voor boerenzwaluwen die er kinderkamers in maakten.   Ik zie in een flits Frideswinde voor het raam staan, die vanuit haar paleisje/keurslijf naar me staart, worstelend met taai Lidl-stokbrood en koude, gemarineerde lapjes kip, later in de maag geshaked met melk en mangosap.   Frideswinde-het-arme-kind stierf twee jaar na de bouw van de tempel. Maar haar verhaal en dát van Hervey sterven echter nooit. Excentrieke rijke mensen oogsten dan wel kritiek met hun zotternijen zoals het landgoed met zijn tempel - maar vandaag is het van iedereen: gratis en een inspiratieplek, verpakt in een immense schoonheid. Hier heb ik mijn hart voor Noord-Ierland gevonden, hier klopt het stevig op de golven van de wind. Dit gevoel van dankbaarheid, dat gaat écht nooit meer weg.

Jeroen V
0 0

Een morgen in een hostel

De eetplank was gemiddeld vijftig centimeter breed en golfde langs de zijkanten. Links vóór mij zat een blond krullende dame in bloedoranje jas in stilte en voor zich uit kijkend haar toast naar binnen te werken. Rechts vóór mij zat een gedrongen Spaansachtige jongere vrouw haar smartphone te koesteren. Recht vóór mij zat niemand; dat kon ook niet, anders zaten ze met hun benen in mijn kruis.   Als je de plank naar links en naar rechts volgde, zag je gelijkaardige taferelen, maar dan met mannen. Gezegd werd er niet. En dus typte ik maar.    Plots werd de stilte verscheurd door een uiterst compact gehouden conversatie tussen de twee vrouwen die enige sociale betrokkenheid op elkaar verraadde, minstens opgebouwd de voorbije dag. Ik kon het moeilijk verstaan. Het was Engels met haar op, het ging snel en ik was bovendien verrast door de snelheid waarmee het gesprek startte en ook weer eindigde.   ‘Met haar op’ bedoel ik zeker niet dat míjn Engels haarloos is, wel integendeel. Deze dames waren het gewoon hun harig Engels dagelijks te spreken, vermoedelijk van kleinsaf. Dat kon je niet zeggen van het gros van de andere gasten in dit backpackershostel. Het Engels niveau onder de tijdelijke bevolking van het hostel bleek gisteravond (toen er nog gesproken werd) van een dermate amateuristisch gehalte en goedaardige simpliciteit. Dat was ik van hippe, jonge anderstalige mensen niet zo gewoon. Om maar te zeggen: veel van dat Engels was eigenlijk gelijkaardig aan mijn Engels. Maar je beseft pas hoe erg je eigen Engels is als je het herkent bij een ander. Dat is wat ik zo een beetje bedoel te zeggen.   Maar dus temidden van die Noord-Ierse stilte vraagt de ene (oudere) vrouw van boven haar toast aan de andere dame wat ze in godsnaam vandaag op de planning staan heeft. Ik begrijp niet wat ze antwoordt (omwille van ‘dat haar’ dus), maar wel dat ze zéker de Titanic Experience wil doen. Ze zegt het alsof ze dat aan haarzelf verplicht is. Gevolgd door:”En jij?” Zegt de krullenbol: “De straten afdweilen en wat shoppen”. Het klinkt spannend maar het is vooral de meelijwekkende toon waarop ze het zegt. Alsof ze gevangen zit in een kakstad waar haar man haar pas na veertien dagen terug wil uithalen. Intussen kamperend in slaapzakken tussen luid snurkende jeugd, zweetvoeteigenaars, nachtelijke schetenlucht en een bijna-vijftiger die zijn spullen uit zijn valies haalt rond halfzeven ‘s morgens.   “Klinkt goed”, zegt de jongere griet nog tegen haar, en dan is de praatbatterij van beide vrouwen voor deze ochtend alweer op. Ik wens de krullenbol veel shoppingplezier toe om kwart na acht ‘s morgens.   Intussen kan een van de vele buitenlandse jobstudenten die het management van dit hostel overeind houden, het serene karakter van het ochtendgebeuren niet meer aan en zet de radio op. Nu hebben we zeker geen reden meer om te beginnen met praten, want anders horen we de muziek niet meer.    Het is acht juni, op een donderdagmorgen in Belfast. Dertig jaar geleden had ik kunnen gewekt worden door een bom. In zekere zin gebeurde dat vanmorgen ook. De bommendropster was een Rubensiaans geproportioneerde jongedame die ik vanuit mijn stapelbed op ooghoogte op een ander bed zie liggen en die omstreeks zessen snurkgeluiden maakte waar die binnenin een Kempense megavarkensstal bij verbleken. Het was écht indrukwekkend, toch op een bepaalde manier. Ik hoop dat ze later een vriendje vindt.   En dus ging ik maar wat in mijn valies rommelen, plastic zakjes nodeloos verfrommelen - om mijn punt te maken, maar het kind vertrok geen spier. Behalve die van haar kaken.

Jeroen V
2 0

Groeisteen

Haast en spoed zelden. Geduld een zeldzaam. Goed, door alle technische vooruitgang vinden we snelheid vanzelfsprekend. We zijn er immuun voor geworden. Razendsnel internet, bluetoothverbindingen, snelkeuzetoetsen, webwinkelen … Bijna alles gaat snel en automatisch. Traagheid voelt aan als een fout in het systeem, een situatie die niet onder controle is, een bijna akelige afhankelijkheid van anderen. Woede is niet veraf. Ik hoef mij dit gewacht niet te laten welgevallen, lijkt de ongeduldige mens te denken, want ik verdien beter. Ik kan naar betere plaatsen en heb betere dingen te doen! Klinkt zo arrogant, zo … uit de hoogte. Wist je trouwens dat het aantal verdiepingen van een wolkenkrabber mede wordt bepaald door de wachttijd die mensen kunnen opbrengen om op de lift te wachten? Vijftien seconden is aanvaardbaar, veertig ondraaglijk. Tijd is geld. Veel meer nog dan vroeger.  Handelaars zijn geen wandelaars, eerder topsprinters. Gisteren las ik langzaam, zomaar ergens, op een bijna tijdrovende manier, dat er fastfoodrestaurants bestaan die beloven dat je je eten binnen de anderhalve minuut geserveerd krijgt, anders krijg je je geld terug. In Tokio is er een all you can eat-restaurant waar je afrekent per minuut. Hoe sneller je eet, hoe minder je betaalt. Kan het nog gekker? Of halfgaarder? Volgens mij ben je als mens van nature geduldig en hoe meer je die deugd behoudt, hoe gelukkiger je bent. Weet je wat ik denk? Dat de (commerciële) wereld en de gemaksmaatschappij ons zo ongeduldig maakt. Wachten behoort allang niet meer tot de kern van ons bestaan. We zijn het bijna verleerd, het wachten op goed weer om te kunnen planten of op het einde van een plaag. Ongeduld maakt gespannen, overambitieus, competitief en vijandig. Denk even terug aan de voorbije coronatijd met de lockdowns, de enorme toename van het huiselijk geweld en de doodsbedreigingen aan het adres van epidemiologen … Geduld heb je van nature, maar ‘geduld oefenen’ is geen loze uitdrukking. Ben je het verleerd, dan kan je geduld gemakkelijk trainen. Hoe? Door aan een drukke kassa even te dagdromen over Honolulu of te kijken wat anderen in hun karretje hebben liggen. Door je horloge een dag niet te dragen. In winkels vind je bijna nooit klokken, zodat mensen meer op hun gemak zijn en langer binnen blijven. Door met aandacht te eten, je bestek neer te leggen tussen de happen door en goed te kauwen. Door meer te kijken naar wat je al hebt gedaan dan naar wat je nog moet doen. Die benadering van het halfvolle glas doet geduld gestaag groeien.  Je kan ook eens een klein steentje in je broekzak steken. Zodra je irritatie voelt opkomen, verplaats je het van de ene naar de andere zak. Op die manier kan je woedeopbouw doorbreken. Of je keilt het tegen het hoofd van een toevallige passant, dan weet je dat je nog groeimarge hebt. Rome werd ook niet op een dag gebouwd, wel met massa’s stenen. En geduld. 

Danny Vandenberk
1 0

 DIE MAN DURFT ZICH SOSIALIST TE NOEMEN.

"Waarom schrijft ge altijd over den bruin?" vroeg iemand mij onlangs. "Omdat den bruin in de verdomhoek zit," zei ik. "De allochtoon bedoelt u," zei hij. Ik zuchtte eens bij zoveel onbegrip. "Ik bedoel wel degelijk den bruin. Neem nu de witte allochtoon, de Oost-Europese allochtoon. Buiten een laag loontje - dat ernstig onze sociale zekerheid belast, want dat lage loontje is meestal zwart - wordt die man niet bespot, niet dagelijks vernederd. In tegenstelling tot mijn bruine vrienden, die dagelijks vuile, kwade blikken moeten trotseren. Neem nu een van mijn beste vrienden, in Antwerpen geboren en getogen, maar hij is bruin. Hij moet nu al heel zijn leven vernederingen ondergaan, niet alleen op school en op straat. Uit angst heeft hij zichzelf herschapen in een halve Italiaan. Weet u hoeveel geld hij betaald om er netjes uit te zien? Het ontkroesen van zijn prachtige haar kost hem maandelijks een fortuin. En dan is er nog de druk van de familie die het idee heeft dat wie de beste is niet wordt vernederd. Dus wordt hij dagelijks onder druk gezet om te presteren. Alcohol heeft hij afgezworen, daar wordt hij rapper agressief van. Zijn redding is zijn joint. Na een haaltje staat hij weer lachend en blij in de samenleving. Iedere pipo die hem agressief benadert, wordt onthaald op een lachsalvo. In die mate dat de agressor van verbazing zijn agressie staakt. Wanneer hij alcohol gebruikt, zou hij wel wat rapper niet verbaal agressief uit de hoek komen. Weet u, hij kan daar ook niet veel aan doen. Hij wordt dagelijks zo onder druk gezet dat ik het wel kan begrijpen, maar hij moet er mee ophouden. Hij doet er alleen zichzelf pijn mee. Hij wordt daarmee gestraft, niet de agressor. Als ik hem dat zeg, zucht mijn vriend, en met tranen in zijn ogen zegt hij: "Ik weet het, ik weet het, maar als er dan weer een in mijn gezicht spuwt of weer een mijn dure jasje besmeurd, en ik heb wat gedronken, dan wordt het mij te machtig. Trouwens, niks doen is voor een agressor een teken om verder te doen. Op de goegemeente hoef ik niet te rekenen. Een grote bek wanneer ik agressief uithaal, maar de blanke agressors mogen gewoon hun ding doen. Weet u, ik doe mijn uiterste best op school, ik ben bij de beste. Op een dag vierden we met mijn toenmalige klas ons eindfeest. We hadden wat gedronken en stonden aan een bushalte toen twee oudere kerels mij begonnen uit te schelden. Eerst reageerde ik er niet op, maar de doodse stilte die neerdaalde over ons zonet nog vrolijk groepje was duidelijk. Iedereen was sprakeloos. Door de grofheid ervan, en alle kwetsende woorden. Het overviel ons als een koud bad. Daardoor dachten de agressors wellicht dat we een gemakkelijke prooi waren. Ze besloten ons fysiek aan te vallen. Kan ik het helpen dat ik een getrainde atleet ben? Op school probeer ik de beste te zijn. Ik sport, en daar word ik bij de beste gerekend. Door veel te trainen sta ik zeer scherp. Toen ik uithaalde dacht ik niet aan dat onnozel jasje. Ik dacht aan de tranen van mijn moeder die straks dat jasje in ontvangst zou nemen. Ik sloeg. Ik sloeg zeer geconcentreerd twee keer. Het was zeker niet de bedoeling dat het zo erg zou aflopen. Een gebroken pols, en ook een gebroken been, niet door mijn slag, maar doordat de tweede gevallen was. Alle omstanders kozen partij voor die brave witte jongens die zaten te kermen. Alleen mijn schoolvrienden verdedigden mij. Daarna was er de politie. Uiteindelijk zei de rechter dat ik als getrainde atleet mijzelf beter moest leren controleren en dat ik een gevaar betekende. Hij stuurde mij voor een paar maanden naar een jeugdinstelling. Op dat moment zag ik weer het huilende gelaat van mijn moeder. Ik beet mijn lippen kapot om niet in huilen uit te barsten, het lukte. In de krant stond dat ik emotieloos overkwam, maar mannen huilen niet heb ik geleerd. Begrijp je nu waarom ik van alcohol overgeschakeld ben op wiet? Van alcohol word ik veel te rap agressief, het zullen de genen zijn," zei hij. De tranen stonden hem in de ogen. "Genen?" zei ik verontwaardigd. "Daar bestaat geen enkel bewijs voor. Kan het niet door de dagelijks vernederingen komen," vroeg ik. "Nee," zei hij. "Het kwam door die ogen. Ik had iedere keer het gevoel dat ik haar teleurstelde. Weet u hoeveel pijn het mij deed? En iedere keer werd de pijn erger. Het enige wat hielp was een goeie stevige joint. Daar word ik kalm van. "Ik stond sprakeloos te luisteren. "Maar geraak jij dan zo gemakkelijk aan wiet?." "Dat is wel een probleem," zei hij. "Ze hebben al verschillende keren mijn wiet in beslag genomen." "Word je dan niet kwaad?" vroeg ik. "Kwaad wel, maar agressief, nee. Voor ik de trein opstap heb ik paar flinke toeters op. Ik word heel vrolijk van wiet, en dan kan ik erom lachen. Het pijnlijke is dat als ik niet veel geld heb, ik een week niks kan roken. Ik vrees de dag dat ik me terug aan de alcohol vergrijp." "Heb je nu iets om te roken?" vroeg ik." "Nee," zei hij bedeesd. "Wel, tast toe," zei ik hem. Mijn toehoorder was eventjes sprakeloos van mijn woordenvloed. "Wat is er verder met uw bruine vriend gebeurd? " klonk het, en hij vermeed het woord allochtoon. door verf ed Mijn bruine vriend werd opgesloten in een zaal. Mijn bruine vriend moest slapen in een bed, die naast een bed stond waar een zwaar getatoeëerde man sliep. De meeste tattoo's waren hakenkruisen. De gehele nacht moest mijn bruine vriend de racistische kreten aanhoren, van een man die al 25 jaar opgesloten zat. Een bewaker zei mijn hoog intelligente bruine vriend dat teveel boeken lezen slecht is voor de hersenen. Een patiënt die in een crisis terecht kwam werd door drie HULK'S met baseball bats kalm geslagen, met een verdovend product ingespoten en naakt vastgebonden opgesloten in een kale cel. En het gebeurt nu nog in, achterlijk conservatief België. De enige arts die voor honderden patiënten beschikbaar was, werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn patiënten.   Door de politiek van louis tobback werden armen, bruin, en alternatieve mensen die een joint verkozen boven alcohol, louis tobback had de grootste alcohol plas ter wereld onder zijn hoede een vorm van corruptie kan niet uitgesloten worden, in vergeetputten opgesloten. In vele gevallen zieke mensen die in de smerigste gevangenissen van Europa werden opgesloten.  Vergeetputten. Honderden vonden er de dood.    DIE MAN DURFT ZICH SOSIALIST TE NOEMEN.  In een boek geschreven door Jan lippens zegt de super socialist dat hij cannabis wil legaliseren? Van een idioot gesproken.  FOTO GALLERY VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed
0 0

2050. België houdt op te bestaan.

  Laten we aannemen dat door ernstige stammentwisten Europa, Brussel verlaat. Het is veel rustiger in Straatsburg. Vlaanderen vervalt tot armoede. België houdt op te bestaan we worden ingelijfd bij de Nederlanders. Albert, Flip en de hele familie worden de deur uitgeschopt. Er wordt gezegd dat Fabiola in de meest armoedige omstandigheden moet overleven dat ze haar gehele hoedencollectie heeft moeten overhandigen aan de vrouw van Bdw. In de anders zo drukke straten is het stil, maar de stilte wordt nu en dan onderbroken door een knal. De heer Bourgeois trekt in het kleine huisje in het Brusselse park; het doet hem denken aan het platteland. Hij is dol op tuinieren. In wat ooit het parlement was, heeft zich een geitenboer gevestigd. Het toerisme is volledig stilgevallen en elk monument staat te verkommeren. De gevangenissen zitten vol. De situatie in Oost-Vlaanderen is minder gunstig, aangezien de haven van Antwerpen sterk is gegroeid en het vroegere landbouwgebied tussen Antwerpen en Gent bijna volledig is omgevormd tot een havenzone. Na het vertrek van de Europese instellingen uit Brussel is de haven de enige bron van inkomsten geworden en de laatste hoop voor de steeds armer wordende bevolking. Religieuze sekten hebben hier de overhand. Er wordt ergens een beeltenis van een heilige gezien in de vorm van een beschimmeld brood, wat leidt tot een golf van religieuze activiteit en daaropvolgende aanvallen door de oproerpolitie, met dagelijks doden tot gevolg. Er is een wirwar van torengebouwen gebouwd om de vele werknemers van de Antwerpse haven te huisvesten. Het nieuwe Europa was de stammentwisten beu en had er met harde hand een einde aan gemaakt. Er werden afspraken gemaakt met de heerser over de fermettes, BDW, hij mocht hij de baas spelen. Een andere groep opstandelingen, de racisten, werden levenslang opgesloten in Melkplas, waar ze drugs kregen  hun beweging doofde uit. Ondertussen werden er grote bals gegeven in de Parijse en Berlijnse salons. Heel Griekenland werd opgekocht, waar eeuwenoude spelen, zoals vroeger, werden voortgezet In de Parijse salons waren de Vlaamse mannen zeer populair, vooral bij de vrouwen die hun gespierde billen mateloos bewonderden. Ze waren de best betaalde lustmannen groep, hun jarenlange sporten hadden billen opgeleverd die de begerige ogen van velen trokken. Wanneer ze ouder werden, werden ze gedumpt in de fermettes. Na vertrek naar Straatsburg heeft LA TOUT EUROPE voornamelijk Parijs als bestemming gekozen. Dit plan werd decennia geleden in werking gesteld, waarbij het centrum van Parijs armenvrij werd gemaakt. Tijdens de eerste ronde van de Franse verkiezingen jaren geleden, op een warme zonnige dag, lag links in de zon en kwam niet opdagen om te stemmen. Bij terugkomst bleek Le Pen de tweede grootste politicus te zijn. Tijdens de tweede stemronde hadden ze de keuze tussen Chirac of Le Pen, waarbij conservatisme hoogtij vierde. Sarko is hiervan een uitvloeisel, dankzij die ene luie dag in de zon. De conservatieven hebben ervoor gezorgd, door hoge huurprijzen, dat alleen de zeer rijken nog in Parijs konden wonen, terwijl alles wat arm was naar de buitenwijken werd verdreven. Straatsburg werd het middelpunt tussen Berlijn en Parijs, terwijl Brussel snel vergeten werd in de hoofden van de twee sterkste landen van Europa, alsof Brussel nooit had bestaan. Traditioneel gezien is de regio Vlaanderen een belangrijke leverancier van varkens voor de Parijse tafels. De vele boerderijen in west-vlaanderen de regio dient als kweekplaats voor deze varkens. De West-Vlaamse regio is relatief welvarend. In 2050 zal Noord-België voornamelijk worden gedomineerd door de haven, en de eens drassige weiden tussen Gent en de Schelde zullen de enorme bevolking die afhankelijk is van de haven moeten opvangen. In datzelfde jaar zullen de babyboomers hun soms enorme fortuinen overdragen aan hun nakomelingen, wat zal leiden tot een nieuwe klasse in het noorden van België die zal werken in de bloeiende IT-industrie. Deze klasse zal worden bediend door de nazaten van diegenen die de trein van fortuin en kennis hebben gemist, en ze zullen worden ondergebracht in enorme wooncomplexen op het voormalige Waasland. Naast deze klasse zullen er ook arbeiders zijn die met beperkte contracten werken en slechts tijdelijk in deze steden zullen wonen. De dienstverlenende industrie zal de bevolking voeden, kleden en verzorgen. Van de voedselkeet die fastfood levert aan de havenarbeiders tot de eerste hulpdiensten en de koeriers van banken en bedrijven, ze zullen allemaal te vinden zijn in  megasteden. De verbinding tussen de gebieden zal worden verzorgd door de Schelde, die de ader zal zijn die de meanderende megasteden zal bevoorraden. In de oude steden van wat eens Vlaanderen heette, zal het verleden bewaard blijven. Sommigen zullen echter betreuren dat deze exclusieve historische gronden niet langer bewoond zullen worden door wat eens Vlamingen werden genoemd. Er zijn zelfs mensen die beweren dat veel bedienden van de nieuwe rijken oorspronkelijk Vlamingen waren. Als er geen inspanningen worden geleverd om deze bevolking te overtuigen van de hedendaagse cultuur en kunsten, zullen ontevreden en ontgoochelde bewoners van de megasteden teruggrijpen naar de eeuwenoude woorden van vertroosting. In 2050 zullen de eeuwenoude steden overspoeld worden door enorme golven, er zal geen oplossing meer zijn. In 2050 zullen de kusten worden overladen door een steeds groter wordende bevolking en zal er een beperking zijn van woongebieden. In Brugge stortte het ene huis na het andere in, de waterspiegel stond zo hoog dat het water tot in Brussel kwam. Vlaanderen spoelde weg... In de salons werd er verbaasd en verontwaardigd gereageerd op het bericht dat het eerste Europese handelshuis, dat in Brugge was gelegen, door het water was overspoeld. De dienst geschiedenis werd op het matje geroepen en er werd een commissie opgericht. Het idee om de verhoging van de waterspiegel tegen te gaan, werd verlaten. Alleen tussen Berlijn en Parijs werd een gigantische brug gebouwd waarop geleefd kon worden. Alles onder de brug werd ten prooi gegeven aan het water.. foto verf ed foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed/   Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed
6 0

De gepamperde, zeurende, corrupte, vlomse middenklasse .

  De titel is er al het verhaal volgt  Misschien moet gezuiverden er nog bij. Iedereen is al vergeten dat met de termen zuiverheid en gezondheid de nazi's miljoenen mensen hebben afgeslacht. Terwijl de toenmalige kleinburgerij er, goedkeurend, stond bij te kijken.  De nazi's hadden het ook heel graag over de gezonde hardwerkende mens. Die zoals in het verleden van geboorte tot der dood als slaaf werkt, in het verleden voor de niet hardwerkende meesters. Tegenwoordig noemt men ze aandeelhouders en zonen.Het enige verschil met het feodaal systeem is dat na de Franse revolutie de meesters niet meer uit bloedbanden bestaan maar uit diegenen die zich op een of andere manier heben opgewerkt. Al dat nutteloos gewerkt en gezwoegen uit  "arbeit maakt vrij."Het resultaat de planeet die helemaal opgewerkt is. Vernietigd door de werketos ons voorgesteld door het oude testament in het zweet uwer aanschijn zult ge uw brood verdienen.  De enige oplossing is massale meditatie.  Moeilijk voor een opgefokte mensenmassa.   Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werkenAlle individuele en sociale ellenden zijn geboren uit zijn hartstocht voor de arbeid. Twaalf uur arbeid per dag, dat was het ideaal van de filantropen en moralisten uit de achttiende eeuw. De moderne werkplaatsen zijn ideale verbeteringshuizen geworden, waarin men de werkende massa’s opsluit, waarin men ze gedurende twaalf en veertien uur tot dwangarbeid veroordeelt, niet slechts de mannen maar ook de vrouwen en kinderen. Christus predikte in zijn bergrede de luiheid: ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze? (Mattheus 6:29). Jehovah, de baardige en afstotende god gaf zijn aanbidders het verhevenste voorbeeld van de ideale luiheid: na zes dagen van arbeid rustte hij voor de eeuwigheid uit. De Grieken van het Grote Tijdvak hadden ook slechts minachting voor de arbeid; slechts aan de slaven was het toegestaan te werken: de vrije mens kende alleen de lichamelijke oefeningen en de spelen van de geest. Dit was dan ook de tijd dat men wandelde en ademde te midden van lieden als Aristoteles, Phidias, Aristophanes; dat was de tijd waarin een handvol dapperen te Marathon de horden verpletterde uit Azië dat Alexander weldra zou veroveren. De wijsgeren van de Oudheid onderwezen de verachting voor de arbeid, deze vernedering van de vrije mens — de dichters bezongen de luiheid, dit geschenk der Goden: ‘O Meliboe Deus nobis haec otia fecit’  foto gallery VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen."Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig.   http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e      

verf ed
9 0