Lezen

Ze zingt en zwerft

Haar haar gloeit goud door het licht. Haar ogen glanzen helderblauw, beschermd door haar sprekende wenkbrauwen. Haar wangen zien rood van geluk en haar neus is een blokje. Dat is wat haar moeder zegt. Zoals ze daar staat, heeft niemand ooit gestaan. Ze draagt een zwarte hoed, haar witte jurk fladdert in de wind. Ze zou een vlinder kunnen zijn, zonder moeite. Haar lach tsjilpt en lelieblank trillen haar vingers als bezeten. Om haar heen is het zwart, donker, schaduw, nacht. Alleen zij licht op, helder als de open hemel boven wit zand. Helder als haar stem. Getroffen door eigen geluid, veranderen de stralen die ze uitzendt. Ze treft echt iedereen. Haar hoed staat nu scheef. Ze lijkt het niet te merken. Nee, ze merkt het niet. Alles wat ze doet, doet ze goed of doet ze niet. Haar doorzettingsvermogen overtreft zelfs haar wil. Uit een droom komt ze voort en in die droom leeft ze nu. Ze maakt kennis met wie ze zal zijn. Nooit meer dezelfde en toch nooit veranderd. Waar ze staat, precies daar, zal niemand meer durven staan. De kracht uit haar breekbare houding, brekende stem, bereikt de andere kant van het universum. Daar weten ze nu dat er leven op aarde is. Aan haar oren hangen twee pauwenveren. Ze weet zeker dat ze echt zijn, al heeft ze ooit die weddenschap verloren. Om haar pols verzamelen parels zich tot een eindige, oneindige cirkel. Haar nagels zijn groen. Het groen van groeiende bomen en slingerende lianen. Het groen van het gras, achter de school. Ze loopt van het podium af. Haar voorhoofd glimt van succes. Haar succes stapelt zich boven de Eiffeltoren. Onder de brug in Parijs wacht het schaap op haar. Ze is weer een zwerver.

Aya Sabi
22 1

Vluchten is voor verliezers

Ze zeggen dat ik een Franse naam heb. De arbeiders proberen te fluisteren, maar mijn oren vissen onbewust de scherpe woorden uit het gezoem van machines dat door de fabriekshal echoot. 'Haar vader is Fransgezind', zeggen ze. Ze halen hun schouders op, fluisteren niet meer en gaan verder met hun werk. Ik ben rijk. Zij zijn arm. Maar zelfs nu ik vloeiend Frans spreek en niets liever hoor dan 'la langue de l'amour', zal ik nooit een Franse zijn. Ik ben Brugser dan Brugge. Ook de Leie draagt de letters uit mijn Brugse naam: Julie. Ik ben hun brood, hun melk, hun aardappelen en af en toe een extra rode spaarcent. Voor mij zijn zij vrijwel niets. Ik wil over de Leie varen naar de Noordzee. De golven zouden me naar het Beloofde Land kunnen dragen. Ach, ik ben maar een zwaan, schrik terug voor de zee, hou me koest op de Leie. Zo denk ik jarenlang. Ik wil weg om niet hier te zijn, maar vooral om te tonen dat Brugge niet zal draaien zonder mij. Julie, de Franse, dochter van een krankzinnige moeder en van de van een brug springende vader. Ze zouden vervallen in verveling en armoede, totdat iedereen weg zal trekken uit de Brugse ruïne. Maar weggaan is weggelegd voor de dappersten. Vluchten voor de verliezers. Ik vervolg mijn weg langs de Leie. Moederziel alleen doemt het groot huis voor mij aan de horizon op. Grijze wolken verschijnen ongevraagd. De wolken lijken zwaar. Elk moment zouden ze uit de hemel kunnen vallen. De regen wast de gedachten van mijn lichaam. Ik zie ze drijven in het regenwater, dat weldra zal verdampen, zich tot wolken zal vormen die allemaal mijn gedachten dragen. Ik nader de brievenbus van het huis, laat de brieven in mijn tasje glijden, zwart leer. Ik loop naar binnen en zonder mijn tas te openen, schuif ik mijn rok naar beneden. Ik ga op zoek naar mijn pyjamabroek die ik uiteindelijk op de stoel achter mijn bureau vind. Het zachte stof omhelst me gretig na een lange dag. Ik neem mijn tas van de eettafel en loop ermee naar buiten. Ik laat me zakken in de oude tuinstoel. Hij kreunt onder elke beweging die ik maak, daarom moet ik me wel stil houden. Hartje zomer regent het grijze gedachtewolken. Uiteindelijk wast de regen mij alleen uit de noodzaak me voor te bereiden. Om plaats te maken op mijn huid, in mijn hersenen en in mijn hart voor andere gedachten. Zwaardere gedachten, die nooit meer weggewassen zullen worden door grijs regenwater. De letters trillen in mijn handen. Ik vervlieg naar een toekomst, veel te zwaar om de mijne te zijn. Een wijdverspreide opstand in Parijs zal weldra ook Brugge treffen. Ik had je willen helpen, maar ik geloof in je. Leonard Verstraelen Mijn adem stokt, de brief valt uit mijn handen, de tuinstoel kraakt. Weggaan is weggelegd voor de dappersten. Alle opstanden eisen levens. Papa sprong van de brug. Vluchten is voor verliezers.

Aya Sabi
12 0

Een schlagermuzikant

Ik sta als klein jongetje op een tafel. Worsten, bier en afwachtende mensen verzamelen zich om mij. Ik kijk ze aan en zij kijken terug. In de verste hoek staat mijn moeder. Ze knikt bemoedigend naar me. Mijn ogen vullen zich met tranen, mijn wangen met schaamte en mijn knieën met leegte. Ik werp nog een laatste blik op haar zachte trekken. Ze lijkt alle vertrouwen in me te hebben. Mijn neefje, vandaag vijf jaar, rekt zich uit om een glimp van mij op te vangen. Ik wil zijn feestje niet verpesten. Ik wil mijn moeder zien stralen, roepen dat ik haar zoon ben. Ik wil de mensen niet langer laten wachten. Ik wil mijn vader doen verhelderen, nadat hij zich straalbezopen heeft. Dus doe ik mijn ogen dicht en begin ik mijn carrière... Mijn vader begroef zich in de aarde. Zo noemde mijn moeder het. Ik wist alleen dat het zwaar was. Ik mocht vooral niet om geld vragen, want op geen enkele rug kon geld groeien. Hij kwam zwart terug. In de late uren zag ik met moeite door het zolderraam de contouren van zijn lichaam. Later, toen mijn ogen genoeg geoefend hadden te speuren in de nacht, zag ik dat hij vaak wankelde. Mijn moeder vertelde me dat het moest. Hij moest zijn angst verdrinken in de drank om te dalen, want zo zwart als het daar was, zo zwart zou het hier nooit zijn. Tot de tijd de antwoorden zachtjes influisterde. De steenkoolmijnen, de schulden, het verleden dat hem inhaalde, de toekomst steeds onbereikbaarder. Dat liet hem drinken tot elke cent opwas. En dat liet hem zichzelf weer in de grond begraven. De schaamte. Maar ik had een gave. Ik zag plaatsen waarvan ik het bestaan niet kende. Ik ontmoette mensen die ooit ver weg leken. Mijn vader moest zich in die tijd niet meer in de grond begraven. Mijn moeder lachte en lachte. Het was makkelijk. Veel makkelijker. Ik luisterde alleen naar mijn muzikale voorouders. Ik zette me aan mijn schrijftafel en maakt de volksmusik die heel het land op stelten zette. Ik was de schlagermuzikant. Niemand deed me dat na. Met mijn voeten stampte ik op de ondergrondse gangen. Dat dacht ik. Tot de man aan de macht kwam. Hij was een genie. Hij had een gave. Hij was een wereldwonder die de wereld liet rollen. Niet alleen Duitsland. Ik moest me aan hem overgeven. Ik moest de God in hem aanbidden. De ideale wereld zou zich onder mijn voeten uitstrekken. Duitsland zou de wereld worden en de wereld Duitsland. Overal waar je komen zou, zou je mijn schlagermusik horen. De mensen zouden dansen en dansen. Het deed me dromen en dromen. Ik gaf geen optredens meer. Als Duitsland de wereld zou worden dan zou ik zingen en zingen. Nu had ik een groter doel voor ogen. Ik zou me naar de top werken. Ik zou niet tevreden zijn met minder. In ons vliegtuigje staan tien soldaten. Iedereen controleert zijn uitrusting. Op de vraag of ik die beroemde schlagermuzikant ben, antwoord ik 'nee'. Het doel lonkt naar me, mijn eindbestemming. Ik maak deel uit van een machtig geheel. Het is nu mijn beurt. Ik laat me gaan, laat alles los, hou alleen mijn ziel vast en voel de sterke luchtstroom langs mijn broos lichaam glijden. 'Nu', denk ik. Ik open mijn valscherm. De krachtige wind doet mijn valscherm bol staan. Ik zweef naar beneden. Zet mijn voeten aan de grond. Nu ben ik een echte soldaat. Nu kan de oorlog echt beginnen. Ik plooi mijn valscherm en tril van opwinding en trots.

Aya Sabi
0 0

Koffiekringen

Het moet inslaan als een bom, dacht Marc koortsachtig. In zijn witte overall, besmeurd met artistieke vegen olieverf, zat hij over het canvas gebogen dat hij twee weken geleden in Antwerpen had aangeschaft. De goegemeente moet gechoqueerd zijn, vervolgde Marc zijn gedachtegang, terwijl hij zijn penseel uit ponyhaar over het doek bewoog - op een paar centimeters erboven - in gedachten de grote lijnen van een toekomstig meesterwerk trekkend.   Hij likte hierbij aan het rechtertipje van zijn snor, dat af en toe in zijn mondhoek kroop. Hij wilde zijn tube Rembrandt cyaan pakken en een kort kwakje op zijn pallet uitsmeren, om het te mengen met wat kwikwit en de twee kleuren vervolgens met zijn plamuurmes open te smeren. Een sensuele ervaring, een beetje zoals lookboter maken, met je vingers door die hoeveboter ploegen, hemels! De gedachte een begin te maken aan het werk, er als het ware de conceptie, de coïtus van aan te vangen! Het zou Improvisatie nr. 1 heten (je moest toch ergens mee beginnen) en de conceptie vond plaats op de vibrerende broeierige kopertonen van de altsaxofoon van John Coltrane in het nummer Africa dat zijn vriend Dirk voor hem had overgetapet op cassette. Dirk was een echte jazzliefhebber en probeerde er ook zo uit te zien. Hij droeg een Amerikaanse vilthoed, een lange rode sjaal en een zwarte regenjas. Zijn snor was zorgvuldig bijgeknipt en zijn stoppelbaardje getrimd. Hier en daar scheen wel een beetje eczeem door, een zenuwaandoening te wijten aan de eeuwige financiële problemen van een jazzjournalist met een voorliefde voor single malt met buitensporige namen als Lafroaig, Glenmorangie en Bruichladdich. De metaalcassette van het merk TDK (een duidelijker geprononceerd hoog, enkel het allerbeste voor Coltrane) begon plots een langgerekte uithaal van Coltrane uit te rekken en kunstmatig te verhogen tot er een plop volgde, het geratel van een vastlopende cassettetape, geruis in de luidsprekers en daarna een droog gekraak, dat het einde van de geluidsgolven aankondigde.   Marc legde onverrichter zake de tube cyaan neer en voelde de inspiratie voor Improvisatie nr. 1 uit zijn vingers wegstromen, als water uit een gebroken fles. Had het een tintelend gevoel? Zat het er nog in vandaag? Zijn handen lagen op zijn knieën en de stof van zijn overall drukte op zijn handpalmen. Marc keek wazig voor zich uit en liet zich met een zucht van zijn barkruk zakken, op de betonnen vloer van het Kunsthuis.   Het Kunsthuis was een open atelier dat hij met zijn vriend Herbert twee maanden geleden had opgericht. Het was geen slechte plaats. Het had een loft in Soho of in Greenwich Village kunnen zijn: een oude opslagplaats op de eerste verdieping van een gewezen brouwerij, met gewelfde plafonds, gestut door drie rijen van telkens vijf gietijzeren pilaren, een ruwe betonnen vloer en witgekalkte bakstenen muren. Het enige minpunt was het tekort aan licht. De enige lichtbron was een houten doorgeefluik op het einde van de ruimte, maar dat was de helft van het jaar dicht wegens de kou. En de ligging. Lokeren was nu eenmaal geen New York. Geen bruisende kunstscene. Eerder een bruisende middenstand.   Binnenkort werd Marc er veertig. Wat had hij bereikt? Een paar schilderijtjes bij zijn familie op de muren en een halfbakken leventje in de slagerij. 'Voor de boter op de boterham,' had zijn vader gezegd. Tegen de tentoonstelling in de Kunstkring moest hij absoluut iets op doek hebben, zodat iedereen zag wat hij in zijn mars had.   Hij pikte opnieuw zijn penseel op en zette een voorzichtige streep op het canvas. Het licht van de tl-buis weerspiegelde in de natte verf en Marc kreeg het gevoel dat hij straks klaar zou zijn om een tweede streep te zetten. Het was nog niet helemaal duidelijk in welke kleur of welke vorm het uit zou gaan, maar het was een begin. Hij boog zich achterover en sloot zijn ogen tot dunne spleetjes om er hoogte van te krijgen.   Iets in de stijl van David Hockney zou wel mooi zijn. Een zwembad en een plons.   De geur van terpentijn en olieverf, scherp, vuil en romantisch, drong zijn neusgaten binnen.   Montparnasse! Misschien meer de weg op van een Karel Appel of een Alechinsky? Die deden het goed in hun streek. Wanneer hij 's avonds langs de Durme ging wandelen met zijn Ierse setter Mira, kon  hij het nooit laten binnen te kijken bij de villa's aan de waterkant. Zeker als ze grote terrasdeuren of muurbrede vensters hadden. In een witte villa had hij eens een Alechinsky opgemerkt, even breed als de muur. Een paneel vol witte slierten op een rode achtergrond, als een groot bord spaghetti, maar dan spaghetti die vierkante hoeken beschrijft, een spaghettilabirint. Daar had ik kunnen hangen, dacht Marc toen, en hij gooide een stok het jaagpad op en Mira ging erachter aan.   Marc pakte zijn gitaar op, een Fender Telecaster '57 Anniversary Edition die steeds naast hem op een staander stond en speelde een paar geïnverteerde akkoorden en bluesladdertjes. Zijn vingers pulkten aan de ijzerdraad van de snaren. Zijn vingerkussentjes wilde niet mee, de snaren leken er aan te plakken en de ijzerdraad wilde niet zingen, rinkelde enkel vals. Met afgrijzen zette hij de gitaar weg.   Alles was zo onecht vandaag. De flow was ongetwijfeld verdwenen.   'Met de poepers voor de Kunstkring?' klonk het van achter in het atelier. Dat was Walter, de gewezen bajesklant met artistieke ambities die zich als eerste kandidaat had gesteld toen Marc en Herbert in café het Karrewiel aan de plaatselijke cafégangers de opening van het Kunsthuis aankondigden. 'Ik ben een schilder, ' had Walter zich toen voorgesteld. Hij had vettig haar tot op zijn schouders, het hing in slierten van zijn gezicht. Ook had hij een walrussnor en mogelijk een ontwapenende glimlach, ware het niet dat zijn twee voortanden ontbraken. Hij zag er ook een beetje zielig uit en had de hele avond naar zijn Duvelglas zitten staren, gelukzalig en niet deelgenomen aan de verhitte discussie tussen Marc en Herbert over het reilen en zeilen van de moderne kunst, zoals ze wel vaker deden wanneer ze vijf pinten op hadden. Marc zei toen tegen Walter: 'Uitstekend, de huur is 1500 frank per maand, we zullen je een reservesleutel maken. De hoek aan de deur is van mij. Die aan de overkant van de deur van Herbert. Jij mag die aan het luik hebben.' Marc had er niet bijgezegd dat het in die hoek vreselijk tochtte, waardoor Walter al op de tweede dag van zijn verblijf snotterde en om de haverklap moest niezen.   'Kom eens kijken naar mijn schilderij,' zei Walter, die de hele tijd stilletjes in het schamele licht van een bureaulamp had zitten werken aan zijn inzending voor de Kunstkring. Marc ging achter Walter staan en keek naar het schilderij. Hij werd aangekeken door de kop van een snoek die zich verborg achter de algen, een kopie van een foto uit het tijdschrift Karper die met twee wasknijpers aan de schildersezel was vastgemaakt. In tegenstelling tot de foto keek de snoek echter scheel. Marc vroeg zich af welke mate van onkunde je moest bereiken om zoiets te presteren. 'Hm,' gromde hij neutraal. 'Wat vind je ervan?' vroeg Walter. Hij draaide zich om op zijn barkruk en keek vragend naar Marc, waarbij het gat waar ooit zijn voortanden hadden gezeten te voorschijn kwam. Walter keek een beetje scheel. Dat maakte dat iedereen medelijden met hem had. Hij was natuurlijk niet moeders mooiste. Maar ja, zoveel kunstenaars had je niet in Lokeren. Als ze dan ook nog eens adonissen moesten zijn ... 'Mooi. Ik denk dat je wel een kans maakt,' zei Marc. Walters gezicht lichtte op. 'Vind je dat?' Meteen daarna werd hij echter opnieuw somber en vroeg hij: 'Maar vind je niet dat er iets mis is met het oog? Volgens mij kijkt het de verkeerde kant op.'   Walter keek Marc argwanend aan. De manier waarop zijn ogen kleiner werden, leken toch dit gevoel uit te drukken. Marc werd een beetje bang. Je wist maar nooit met een gewezen bajesklant. 'Dat oog? ' Zei Marc, 'dus dat was niet de bedoeling?' 'Natuurlijk niet!' 'Daar valt gemakkelijk een mouw aan te passen,' zei Marc en pakte een van Walters goedkope schoolpenselen en het deksel van een mayonaisepot, dat Walter als palet gebruikte, en begon er wat kleuren in te mengen. 'Als je hier ...' en met een snelle en feilloze beweging tekende hij de iris van het vissenoog bij, 'en hier ...' en meteen paste hij ook de proportie van de kieuwen aan, '... een klein streepje zet.'   Walter zat er als verstomd bij. Hij krabde zijn achterhoofd en zei: 'Jij kunt er wat van, daar heb ik zeker nog tien jaar voor nodig. Die snoek is zo realistisch, net of hij me gaat bijten.'   Tien jaar, dacht Marc. Negen levens zouden nog niet voldoende zijn voor jou. Je houdt die kwast vast als een chimpansee.   'Maar waarom heb je zelf nog niks geschilderd? Je gaat toch meedoen aan de Kunstkring? Jij kunt dat winnen, met jouw talent!'   Wat maakt het allemaal uit, dacht Marc. Wat maak ik mezelf wijs?   'Bedankt dat je me een hart onder de riem wilt steken,' zei Marc tegen Walter. 'Om een goed kunstenaar te zijn, is echter meer nodig dan wat kneepjes onder de knie te hebben. Er is een verschil tussen deuren verven en schilderijen maken. Daarom bestaan er ook twee werkwoorden: verven en schilderen. Wat jij doet, dat is verven,' zei Marc, 'en wat ik doe, ja wat ik doe, dat is...' maar hier stokte Marc zijn stem. Was hij nu echt een schilder? Wat deed hij hier eigenlijk? Hij keek rondom zich. Dacht hij nu echt een oase in een woestijn te kunnen scheppen? Het tl-licht in het atelier scheen hem plots te schel in de ogen en dan was er nog dat domme schildersgerei dat hij zich had aangeschaft. Die setjes penselen, dat overmaatse palet, de verstelbare en plooibare schildersezel leken hem plots zo vals, zo onecht, zo aanmatigend, zo ... Voor hij er erg in had, gaf hij een gefrustreerde schop op de vuilnismand met lege bierblikjes, sigarettenpeuken, klokhuizen van appels en sinaasappelschillen. De projectielen volgen alle richtingen uit. De blikjes vlogen tegen de muur en de as van de peuken veroorzaakte een stofwolk die pas een minuut later ging liggen.   Herberts hoekje was afgeschermd met een paar witte lakens. Het was een soort niche waar hij zich afzonderde om aan kunst te doen. Marc had hem gezegd dat ze een loft hadden gekocht om samen aan kunst te doen, maar Herbert zei dat hij geen pottenkijkers nodig had terwijl hij schilderde en dat hij niet kon presteren wanneer hij er iemand over zijn schouders meekeek. Herbert was vandaag nog niet langsgekomen. Een half leeg blikje bier had de langste weg uit de vuilnismand (een kartonnen doos uit de Colruyt waar de pindanootjes en chips voor hun openingsfeest in hadden gezeten) afgelegd en een lelijke vlek gemaakt op een van Herberts lakens.   'Is Herbert bijna klaar met zijn inzending voor de Kunstkring?' vroeg Marc aan Walter. Marc had het Herbert zelf al een tijdje geleden willen vragen, maar het leek hem zodanig gênant te moeten toegeven dat een kunstenaar als hij, die boven alles staat en zeker boven regionale kunstorganisaties, zodanig begaan is met zijn deelname eraan.   'Ik denk het wel,' zei Walter. 'Zouden we eens een kijkje nemen?' vroeg Marc. 'Mij niet gelaten,' antwoordde Walter, die zijn handen aan zijn broek afveegde en van zijn barkruk kwam.   Ze deden de lakens open, gingen Herberts niche binnen en staken een spot aan. Overal, op de vloer, de drie wanden in de niche, waren grote vellen tekenpapier geplakt, allemaal bedekt met op het eerste gezicht toevallige patronen van koffiekringen.   'Vandaar die geur van koffie de voorbije weken!' riep Walter uit.   Marc stond er met open mond naar te kijken. Zo eenvoudig en ... zo kosmisch. Al die ringen, die uitvoering. Zo simpel: de koffie, de afdruk van de glazen koffiekan en het koffieapparaat dat in de hoek stond, samen met een pak dessertkoffie van Douwe Egberts ...   Walter begon te grinniken. 'Die kerel is rijp voor het gesticht.'   Marc keek hem boos aan. 'Je begrijpt er de ballen van,' zei hij.   Herbert liet lang op zich wachten. Marc zat op de trap van het Kunsthuis en had zeker al een half pakje sigaretten opgerookt. Walter was een uur geleden naar huis gegaan. Zijn snoek was af en morgen zou hij er een laagje vernis op zetten. Iedereen was klaar met zijn inzending voor de Kunstkring, behalve Marc. Hij had nog twee weken. Zelfs Herbert was er al klaar mee, dat vond Marc nog het sterkst van al.   Hij kwam ten eerste maar om de drie dagen naar het Kunsthuis, alhoewel hij beloofd had vaker te komen, en bleef nooit langer dan een half uur. 'Marc,' had hij in het begin gezegd, 'ik ben een kunstenaar, je hoeft daar niet aan te twijfelen, maar ik ben zot op de vrouwen. Ik zal er dus af en toe niet bij zijn. Maar als Marianne dat te weten komt, dan doe ik mezelf een ongeluk.'   Herbert kwam dus maar twee keer per week naar het Kunsthuis, na zijn werk als kleurterleider, trok zijn witte overall aan en verdween achter zijn lakens, waar hij vroeg hem niet te storen, want hij moest zich concentreren. Daarna klonk meestal het geluid van de percolator, een fluitende Herbert, en een half uur later verscheen Herbert opnieuw, ditmaal in een scherp outfit, een spannende jeans die zijn kloten in de verf zette en een oud jeansvestje. Meestal was hij daarna direct weg, af en toe dronk hij nog een pintje en maakte hij wat grapjes met Marc en Walter. Wanneer hij 's avonds terugkwam, wist niemand. Walter was 's avonds altijd vroeg weg, want hij was een visser (om zijn aangeboren agressie te kanaliseren) en stond elke ochtend om vijf uur op. Marc had zijn beenhouwerij en moest voor de dagelijkse voorbereiding ook vroeg uit de veren.   Marc keek op zijn horloge. Het was bijna middernacht. Hij had nooit vermoed dat Herbert zoiets in zijn mars had. Hij had gedacht dat Herbert een geilaard was die alleen maar blote vrouwen kon schilderen in allerlei standjes, het ene nog meer beschamend dan het andere, en dat hij daarom zijn stukje atelier afsloot met die lakens, omdat hij zich er eigenlijk om schaamde of dat hij niet wilde dat zijn vrouw Marianne die schilderijen te zien zou krijgen, mocht ze ooit op bezoek komen. Marc had er overigens nooit aan gedacht om zelf eens een piepje te nemen achter die lakens, zodanig was hij ervan overtuigd dat hij daar dezelfde leegte zou aantreffen als in Herberts obsessie met seks.   Maar was  dat wel zo? Ging hij wel naar die vrouwen? Ging hij niet mediteren, of nam hij geen lessen bij een mentor, een gevestigde moderne kunstenaar bijvoorbeeld, die hem tips gaf hoe hij zou kunnen epateren op de Kunstkring? Marc was er allemaal nog niet zo zeker van.   Eindelijk zag Marc Herbert komen aanwandelen, fluitend en in een opperbeste stemming. Het was een warme, zwoele avond, het was juni en overal hingen de geile geuren van bloesems en pollen en er stond een licht maar heet windje. Waarschijnlijk van Afrika, dacht Marc. Herbert had zijn tot op de draad versleten jeansvestje over zijn schouders geslagen. Zijn witte hemdje met korte mouwen schitterde in het licht van de straatlantaarns. Herbert liep op zijn dooie gemakje.   'Aan het nagenieten?' riep Marc naar Herbert. Herbert sprong op van het verschieten. 'Moet jij niet in je bedje liggen?' vroeg Herbert. 'Ik wil met je praten,' zei Marc. 'We hebben je inzending voor de Kunstkring gezien,' zei Marc terwijl ze samen de trap op liepen. 'Shit,' zei Herbert, 'nu val ik door de mand'. Hij hield stil op de trap, concentreerde zijn dronken blik op Marc en zette een ernstig gezicht. 'Kijk,' zei hij, 'ik kan het allemaal uitleggen. Ik ga door een moeilijke periode met Marianne en Tina is zo een heet ding, je zou eens moeten weten ... al mijn tijd en energie kruipen erin. Ik ben een uitgeperste citroen. Ik heb absoluut geen inspiratie. Eerst dacht ik dat het de aanwezigheid was van derden tijdens het creatieve proces, dus heb ik die lakens opgehangen, maar het zit dieper. Vol goede hoop had ik vijftig vellen tekenpapier gekocht. Ik kwam aan op het atelier, legde een vel tekenpapier op de grond, zette een pot koffie - de laatste tijd slaap ik zo weinig dat ik twee liter koffie per dag nodig heb om op mijn benen te blijven staan - en keek naar dat papier zonder iets te voelen. En vroeger zat ik vol ideeën! Ik dacht iets te doen in de stijl van Jackson Pollock, maar dan met de plakkaatverf die ik gratis krijg op de kleuterschool, maar er komt niks uit. Ik sta er zo stijf als een hark. Als mijn koffie dan klaar is, gebruik ik het papier als onderlegger. De volgende dag pak ik een nieuw vel en begin ik van nul af aan. Ik denk dat het prestatiestress is voor de Kunstkring. Sinds we dat atelier zijn begonnen, verwacht iedereen grootse prestaties van ons. De verwachtingen zijn te hoog gespannen.'   'Ja,' zei Marc, ze kunnen onze kloten kussen, die bende provincialen. Wij staan daarboven. Wij maken echte kunst.'

Nicolas Severyns
0 0
Tip

Opgezet spel

Dag, ik ben Yana en ik moest van juf Eva komen vertellen over beestjes. Ja, beestjes, daar weet ik veel van, beestjes, die wonen bij mij. Mijn pa zegt soms: Yana, ge zijt zelf een beest. En hij zegt hoe belachelijk is dat nu: gij laat van die dikke spinnen over uw armen lopen en gij durft niet eens naast die dikke van uw klas te gaan zitten. Ja, dat snapt hij dus niet, hé. Maar die Bea, dat is echt geen gewoon. Bea, daar is zelfs die Bin dinges, die Bin allez, Bin Lader bang voor. Mijn pa is voor niks of niemand bang. Mijn pa die zegt dat hij dat wel eens zal oplossen. Hij zegt dat hij die Bea zo eens bij haar bandjes zal pakken en dan heel ver in de zee gooien. Ik heb dat gezegd, aan Bea, maar ze geloofde mij niet. Ze lachte mij uit. En iedereen van de klas lachte. Ze wezen naar mij, haha, wat denkt die wel, zeiden ze en ze wezen naar mij en naar de vuilbak. En weet ge wat Bea toen deed? Die lachte niet. Die wees niet. Die pakte mij met één hand en die gooide mij helemaal ondersteboven in die vuilbak. Echt waar. En ze riep ‘stinkdier!’ en dat ik in mijn kot moest blijven.   Ik vond dat niet erg hoor, van die vuilbak. Want daar liggen kruimels en klokhuizen. En dat lusten mijn muizen graag. En dat is heel moeilijk te vinden, klokhuizen. Want wij eten thuis nooit appels. En ik vind chips niet zo gezond voor een muis. Of voor een hamster, want die heb ik ook. Ik had er twee, maar op een avond, ik weet echt niet hoe dat kwam. Ik doe dat hok áltijd op slot. Maar op een avond, toen had ik ineens nog maar één hamster. En mijn ma wist van niks en mijn pa wist van niks en die andere hamster wist ook al van niks. Die zat ver weg in zijn buis verstopt en die wou er heel lang niet meer uitkomen. Die was ook al gebuisd, zei mijn pa.   Mijn pa zegt altijd dat ik goed mijn best moet doen op school. Want dat ik anders later ook bij de veedeeaa, de vee dee bee cee, moet gaan werken. Allez, mijn pa werkt daar niet echt, hij volgt daar les. Iets heel speciaal, dermie euh taxi euh taxidarmie of zoiets. Ik vroeg aan mijn pa, ik vroeg Pa, moet gij dan mensen met buikpijn naar 't ziekenhuis rijden? En toen zei mijn pa, awel Yanake, ik zal u dat eens haarfijn uitleggen, maar hij mocht niet van mijn ma. Ze vindt dat niet tof, van die taxidarmen. Maar mijn pa zegt dat hij met die taxi’s al onze problemen gaat oplossen. Maar eerst moet hij nog veel oefenen.   En als hij oefent, dan doet hij dat in de kelder. En dan mag ik daar niet komen. Maar ik kom daar graag, want soms laat ik daar mijn spin los en dan spelen wij verstopperke in den donkere. Maar nu gaat dat niet meer, want mijn pa moet studeren. Maar gisteren, toen was de kooi van mijn spin ook al leeg. En mijn ma wist van niks. En mijn pa was aan ’t studeren in de kelder. En ik dacht, misschien is de spin al gaan spelen. En oei, als mijn pa die dan maar niet vindt. Want ik mag geen beestjes laten rondslingeren. Ik moet die altijd direct terug opruimen. Dus ging ik heel stillekes naar de kelder. En daar was mijn pa. En daar was mijn spin. En ook mijn hamster die ik kwijt was. Ze keken allemaal heel kwaad naar mij, maar mijn pa was de enige die bewoog want de anderen stonden op stokskes. Dat had mijn pa gedaan. Voor zijn studies. En toen zei hij dat ik aan Bea moest vragen of ze ook eens wou komen spelen.

Ruth A
55 2