Aerin Thijs

Gebruikersnaam Aerin Thijs

Teksten

Tip

Soms droom ik

Soms droom ik van kasjmier, mijn langste benen, elegante zwanen, galante mannen, erudiete vriendinnen en saffraan op tafel. Soms droom ik van oranje en roze en alle oranje en roze daartussenin wanneer we wolken voorbijvliegen, onderweg naar Wenen of New York. Soms droom ik van gladgestreken hemden en gepoetste naaldhakken. Soms droom ik van velours, mahonie en marmer. Soms droom ik van op-maat-gemaakte tegels en geen keuken maar cuisine. Soms droom ik van schaak, golf of paarden, een onontdekte troef die uitgespeeld wilt worden. Soms droom ik van de stilte, zoek achter al dat glimmende. Soms droom ik van al dat glimmende op zoek naar stilte. Soms droom ik van eenvoud en van water. Gekoelde flessen tussen rijen appels, tomaten en kazen. Soms droom ik van olijfolie en haar velden. Soms droom ik dat ze uit Andalusië komen, maar als me dat niet verteld werd droom ik soms van de vlaktes nabij en hun vruchtbaarheid zonder regen. Tranen vloeien er. Soms droom ik van groene thee én olijfolie en ben ik tevree dat het me langer helpt leven. Soms droom ik dit alleen maar en droom ik van het tegendeel. Soms droom ik van het simpele. Soms droom ik van afgeknipte boeketten en het bloeien van tulpen en zondagen. Soms droom ik van lossere haren en een hand die door ze graait, op zoek naar een wonde nabij geheeld. Soms droom ik van mama en haar hand die twee seconden op me rust. Soms droom ik dat het er twintig zijn en voel ik me twintig jaar geliefd. Soms droom ik van dauwdruppels op het gras en soms op de daken. Soms droom ik van de sterren en vind ik ze overal. Soms droom ik van verdriet en pijn die in de controleerbare plooien van woorden vallen. Soms droom ik van de stilte in de woorden die op mijn lippen liggen. Soms droom ik van een nacht met wie ik vroeger was, ik zou haar beminnen zonder minachting. Soms droom ik van vandaag, hoe de plooien van het laken rond mijn benen vallen en hoe ik droom van een lach die me wakker kraait. Soms droom ik van amandelen, treinabonnementen en mensen die hun ramen op dezelfde dagen poetsen. Soms droom ik van voldoening, groei en daadkracht. Soms droom ik van doem en besef ik dat mensen op andere manieren naar buiten wandelen. Soms droom ik dat ik voel, beweeg en bibber. Soms droom ik van dromen en verhalen, vuren en vliegen. Soms droom ik van geuren, fris en vrijgevig, bloemig en sensueel. Soms droom ik van wit en soms droom ik van zwart en wat ze met elkaar gemeen hebben. Soms droom ik van donker en licht en hoe ze ons steeds twee stappen voor zijn. Soms droom ik van Tunesië, Tsjechië, Turijn of Tibet. Soms droom ik van Kaapstad, Kopenhagen, Kyoto of Kos. Soms droom ik van Zweden, Zaïre, Zakynthos of Zonnebloemdorp. Soms droom ik van alle onbekenden en bekogel ik hen met pennen — laat het klinken zeg ik ze — waar je vandaan komt, waar je staat, waarheen je je begeeft — troost me met antwoorden op vragen die ik je nooit zal kunnen stellen.

Aerin Thijs
239 1
Tip

Het onbeantwoorde lot

Toen het begon, was het al te laat. Te laat voor verandering, voor twijfels die klaar stonden om toe te slaan. Te laat me om te draaien, heel hard weg te rennen, niet wetende wat er me te wachten zou staan in de buitenwereld. Met het kille gevoel van ijzer rond mijn polsen, besloot ik mijn lot te accepteren. Uiteindelijk was ikzelf degene die deze chaotische situatie veroorzaakt had. Ikzelf, en de foute beslissingen die ik zoals wel vaker impulsief genomen had. Men zegt dat wanneer het pad dat bewandeld wordt, uitzichtloos lijkt, er altijd wel een weg is. Ik had op dat moment twee keuzes; vallen of doorgaan. Ik koos voor het tweede, me ervan bewust dat de eerste mogelijkheid véél gemakkelijker was. De verleiding was zó groot, om de gemakkelijke weg te kiezen. De weg naar de oneindige, definitieve vergetelheid. De weg naar het einde. Ik zag alles levendig voor mij; wandelend naar de beangstigende maar uiteindelijk betere keuze, vallend in een donkere, eindeloze put die me ertoe aanzette me ontmoedigd te voelen, maar toch het tegenovergestelde effect had. Ik zou vallen, blijven vallen, tot de laatste klap. De klap die alles, alle ellende zou beëindigen. Die mij zou beëindigen. Ik, Samantha Chevalier, de oorzaak van alles wat volgens ethische overtuigingen als kwaad wordt beschouwd. Eigenlijk maakte het geen verschil, de keuze tussen vallen, of doorgaan. Mijn eindbestemming bleef hetzelfde. Het enige verschil tussen deze twee vreselijke keuzes, zou de moordenaar zijn. De zelfmoordenaar, ikzelf, wanneer ik koos om te vallen. Of de moordenaar, die mijn bestaan een halt zou toeroepen, omdat de onmenselijke "menselijke" wezens die boven hem stonden, en meer te beslissen hadden, hem dit verplichtten. Dit gruwelijke, maar terecht verdiende lot. Het moment was aangebroken. Het grote moment, maar toch enorm klein tegenover alle andere gruwel die mijn bijna sluitende ogen ooit hadden moeten aanzien. Dit zou hoe de maatschappij moet zijn volgens de norm, immens verbeteren. "Samantha Chavelier, polsnummer 55, mag binnentreden. Indien gewenst, mag er vijf minuten worden getelefoneerd onder toezicht van onze bemanning." Dit was een aanbod dat ik, hoewel ik dit diep vanbinnen vriendelijk wou weigeren, zonder een enkele seconde twijfel, toch aanvaardde. Mijn handboeien werden hardhandig verwijderd terwijl ik rondkeek in deze ruimte, een ruimte met maar één doel. Voordat dat kon gebeuren, moest en zou ik nog één allerlaatste boodschap meedelen. Een boodschap die enkel en alleen voor de meest dierbare persoon in mijn schandalig leven bedoeld was. Andreas La Fontaine, mijn grote liefde, mijn steun en toeverlaat. Veelbetekende woorden die na deze vijf minuten niks meer zouden betekenen. "Bevrijd jezelf van mijn zogenaamde liefde. Het sleuteltje dat achter de koekoeksklok hangt, geeft toegang tot mijn juwelenkistje. Daarin zal je alle antwoorden op je brandende vragen vinden. Het spijt me dat ik je niet kon geven waarnaar je zo hard verlangde. Mis me niet, verafschuw me. Dag." Wat de bemanning niet wist, is dat Andreas nooit heeft opgenomen. Dat ik zonder medelijden naar het antwoordapparaat werd verbonden. Het antwoord dat ik nooit zou, en zelfs niet wou krijgen. Andreas was de enige die antwoorden verdiende. Het laatste wat ik zag, was een zilveren plafond, om vervolgens het brandende gevoel van deze roekeloze vlammen op mijn lijkbleke huid te voelen. Tot ik niets meer voelde, niets meer hoorde, niets meer zag. Misschien zagen de engelen nog een klein deeltje goeds in mij, dat ze me een kans gaven op rust. Volledige, stille, definitieve rust.

Aerin Thijs
84 0

Opleiding

Publicaties

Prijzen