Iets zoets
Mijn hoofdhuid begon nu wel heel irritant te kriebelen onder die malle hoed. Hoewel mijn tenen als ijsklompjes in mijn laarzen lagen voelde ik gestage stroompjes zweet achter mijn oren naar beneden kringelen. Ieder keer opnieuw bedwong ik de neiging om mijn hals, met de mouw van de dikgeweven trui die ik hier geleend had, droog te deppen. Telkens realiseerde ik me net op tijd dat ik niet alleen mijn huid beurs zou schuren aan de harde stof, maar ook dat ik in diezelfde beweging de dikke laag make-up, waarvoor ik zo geduldig stilgezeten had, door elkaar zou vegen.
‘ Moet jij niet dringend nog een appeltje eten? ‘ hoorde ik mezelf met krassende stem vragen. ‘ Een stukje kruidkoek? ‘. Een vaststaand scenario was niet voorhanden, maar een heks die kindertjes tracht te lokken met als doel ze vet te mesten voor de kookpot, zou zich daadwerkelijk van zulke zinnen kunnen bedienen. Vanuit een gebogen houding, met spichtige bewegingen en priemende ogen, ging ik soms plotsklaps over het hek van het mij toegewezen tuinhuisje hangen en kneep eens goed in kaken of bovenarmen van de passerende jongeren. Ik waakte er wel om niet die kinderen te nemen die duidelijk al door collegae amateurs de stuipen op het lijf waren gejaagd. Na de derde keer als vrijwilliger in dit Halloweenevenement was ik trefzeker genoeg om ‘Hansjes’ en ‘Grietjes’ bewust uit te kiezen.
‘ Even voelen of je al genoeg van tantes koeken hebt gegeten…’. Terwijl ik het uitsprak zag ik mijn adem door dampwolkjes begeleid. Zo meteen maar eens even pauze houden. Tenen en vingers proberen ontdooien bij het grote kampvuur dat ter hoogte van de geïmproviseerde bar was geïnstalleerd. De jenever die door de begeleiding gul werd uitgedeeld had mijn borststreek verwarmd, maar het weldadige gevoel had zich niet kunnen uitstrekken naar de perifere kantjes van mijn lichaam.
‘ Inga, ik loop even naar voren. Zal ik iets voor je meebrengen wanneer ik terugkom? ‘Mijn nauwelijks herkenbare vriendin schudde haar hoofd van links naar rechts. ‘ Neem je tijd, ik heb net nog een beker pompoensoep achterover weten te drukken, ik kan er wel even tegen.’ Met haar knipoog als vrijgeleide vertrok ik op weg, langs de andere in scène gezette activiteiten. Wel even in m’n rol zien te blijven: het strompelende gangetje wat ik een boze oude toverkol zou toedichten, viel me niet moeilijk. De bittere kou had zich in dat opzicht handig van mijn voeten en heupen meester gemaakt. Handenwringend sloeg ik een zoveelste jenever af, maar toen Marleen me een flinke mok gemberthee in handen had geduwd ging ik op zoek naar een uitnodigend plekje bij het kampvuur. Ter hoogte van de schapenstal zat een bende locals die er duidelijk erezaak van gemaakt had de uitgebreide keuze aan geestrijke dranken te testen. Misschien niet vreemd, zij konden uiteindelijk te voet naar huis. Verschillende glazen lagen op de grond en het viel me op dat, buiten de andere bezoekers, ook de schapen hun achtersteven naar dit groepje hadden gewend. Een beetje verder, bij het speeltuintje, bevond zich duidelijk de make-out-zone. Tienerjongens verdrongen zich rond de mooist geachte meisjes uit het dorp, koppeltjes hadden zich krampachtig wriemelend bij het kampvuur neergezet. Ik weet niet of ik het me verbeeldde, maar hier en daar meende ik beugels en scheefgezakte brilglazen te zien oplichten in het schijnsel van de maan. Het vorstgevoel had me ondertussen helemaal ingepalmd, en ik was echt wel dringend op zoek naar een plekje waar ik even zou kunnen bekomen. Uiterst rechts van me, had ik daarstraks al gezien, wilde ik niet zitten. De gigantische lantaarn die daar was neergezet diende als trekpleister voor motten, zo groot dat je ze voor vleermuizen kon aanzien. Geheel aansluitend bij het thema van deze avond, maar niet aan mij besteed… Een beetje meer centraal, tussen de lantaarnpaal en het speeltuintje in, meende ik nog een vrij zitplekje te ontdekken. Het zag er donker uit daar maar, voor zover ik het kon beoordelen van waar ik stond, wel vrij van motten of dronken feestvierders. Eigenlijk wel gek: sinds Halloween vanuit de Verenigde Staten was komen overwaaien werd het per jaar klaarblijkelijk uitbundiger gevierd. Grote en kleine handelaars voorzagen rond deze periode van de herfst meer en meer in een heuse massa aan heksenhoeden, bezemstelen en spinrag, en zelfs bloemenwinkels verkochten tijdelijk meer pompoenen dan chrysanten. De werkelijke intentie van het Allerzielenfeest: onze doden eren en een innerlijke beweging terug naar de Oorsprong maken, werd meer en meer in de vergeethoek gedrumd. Bij mij riep het gemengde gevoelens op. Sinds het overlijden van Ronny acht jaar geleden voelde ik rond deze tijd van het jaar een grotere behoefte om me op mezelf terug te plooien. Oh ja, ook hij en ik hadden Halloween gevierd. De meisjes waren nog klein geweest toen. In het Rivierenhof nipten wij tevreden van onze Oxo terwijl de kinderen genoten van op hun leeftijd toegespitste gruwelverhalen in het Sprookjeshuis. Zulke namiddagen verliepen traag. Of misschien is dat alleen in mijn herinnering zo. Wanneer de verhaaltjes verteld waren raapten we nog kastanjes en duwden we de twee kleinsten op de schommel tot ze weldadige buikpijn kregen. Thuis wachtte ons de Petit-Beurrekestaart die Ronny voor zulke gelegenheden maakte.
De hete thee die over de rand van het kopje was gegaan bracht me terug naar het hier en nu, verplichtte me om toch maar even oplettend te zijn qua voeten neerzetten. Dit stuk van het terrein was echt wel nauwelijks verlicht. De gloed van het kampvuur strekte zich ver genoeg uit, maar de overhangende bomen kreunden zwaar en donker onder hun laatste bladeren. De vochtige geur van bos vermengde zich met iets wat ik niet meteen kon thuisbrengen, maar wat heel vertrouwd was. Meer op de tast dan op het zicht ploeterde ik richting omgevallen boomstam die ik van aan de overkant van het vuur had zien liggen. Daar moest ik echt vlakbij zijn. Ik schrok echt maar lichtelijk toen ik plots een zittend figuur onder een grote monnikskap ontwaarde. Zeker één van de acteurs uit het middeleeuwse kloosterspel dat hier vanavond ook was opgevoerd. Toen ik hem wilde vragen of hij een beetje plaats wilde maken schoof hij al naar links. Zijn stem leek van ver te komen toen hij zei: ‘ Ik vroeg me al af waar je bleef’. Het moet zijn dat hij mijn sprakeloze verbazing voelde want hij vervolgde: ‘ Ik had je zien aankomen ‘. Ik pakte mijn heksenrokken bijeen om over de stam te kunnen stappen en ging zitten. Voor de tas thee die ik nog steeds vasthield zocht ik een vlak plekje tussen het gebladerte op de grond. ‘Bedankt, ‘ stamelde ik, ‘ het was niet zo makkelijk om hier te raken ‘. Hij gniffelde. Iets weerhield me om mijn blik in zijn richting te draaien. Ik fixeerde me dan maar op het vuur, wat ook op hem een hypnotische werking moet hebben gehad, want toen een tijdje later mijn wangen begonnen gloeien viel het me op dat er verder tussen ons nog geen woord gewisseld was. Zijn bovenbeen leunde warm tegen het mijne, wat ik geen fout gevoel vond. ‘ Ben jij familie van Marleen? ‘ probeerde ik de stilte te verbreken, niet dat ik die als onaangenaam had ervaren. Hij strekte zijn lange benen voor zich uit. Grappig zicht van felblauwe sneakers onder een vaal kloosterkleed. ‘ Nee, ‘ weer die gniffel, ‘ ik heb hier wel banden, maar niet met Marleen ‘. Hij tastte met één hand naar iets wat zich ter hoogte van zijn voeten bevond en rechtte zich terug. ‘ Vind je het fout om een heiltoost uit te brengen met die tas thee van je? ‘ Mijn beurt om te giechelen. ‘ Nee ‘ zei ik, ‘ met het gehalte aan jenever dat al door mijn aderen stroomt denk ik dat dat wel gepermitteerd is… ‘. Ik voelde zijn ogen in mijn rug prikken toen ik vooroverboog richting drankje, maar toen ik mij zijn kant op wendde met een krachtig ‘Salud! ‘ versluierde zijn kap zijn gezicht alweer grotendeels, ik meende nog net een bepaald soort vochtigheid onder lang geloken wimpers op te merken. De wind speelde met een lok grijsbruin haar. We nuttigden onze drankjes in stilte. Een sfeer van sprookjes wervelde zachtjes rond ons heen. Was het de warmte, of was het die vertrouwde geur die zich meer en meer opdrong… was het echt, of heb ik me laten meevoeren op de sluiers van vuur en avondmist…?
Ik weet niet hoe het die avond is verdergegaan. De volgende morgen werd ik wakker bij mijn vriendin thuis. Van de verwachtte stramheid, of het bonzende hoofd, viel niets te merken. In plaats daarvan voelde ik me merkwaardig licht, en dankbaar… De geur van verse koffie vulde het huis. Op de keukentafel beneden stonden twee dampende mokken klaar. Wat verder stonden de restanten van… een Petit-Beurrekestaart. ‘ Sandrine! ‘ riep ik uit, ‘ wat...? ‘. ‘ Alé ‘ antwoordde zij, ‘ daar kwam jij gisteren bij het sluiten van de boel nog mee af. Ik dacht dat je die thuis gemaakt had…’. Met gedachten versluierd als nevels verliet ik het dorp om naar de grote stad weer te keren.
Twee weken later belde ik Marleen. Of zij enig idee had met welke monnik ik aan het vuur had gezeten.
‘ Lieve schat ‘ zei ze, ‘ ik weet niet waar je het over hebt. Ik krijg eerlijk gezegd een beetje de kriebels van je vraag… Sinds één van de meest bezielde spelers daarin gestopt is hebben wij het kloosterspel nooit meer opgevoerd. De laatste keer dat we het speelden moet zo een jaar of tien geleden zijn. Later hoorden we nog dat die man overleden is, en dat terwijl hij net met zijn nieuwe vriendin een huis gekocht had…‘.
Mijn mobiele telefoontje heb ik laten vallen, ik had beide handen nodig om de consternatie die zich ter hoogte van mijn onderkaken verzamelde te omvatten. Vanuit de verte hoorde ik Marleen nog
‘ Hallo? ‘-en. Het deerde me niet, een geur van vochtige aarde passeerde en ik had plotseling een onbedwingbare trek in iets zoets.