POPPENSPEL
Ze hoorde het klokgetikluider dan andersde stilte doorbrekende eenzaamheid nam nu de bovenhandin haar gedachten
geen geluid dat in haar oren suisdemaar een zinderende zorgeloze zondagdie ze zich herinnerdeuit een ver verleden
ze sloot haar ogenen betastte haar lijfen voelde weer die bolle kinderbuikvol speels plezier schudden en zingen
de lange vlecht die vluchtig zwieptevan schouder naar schouder bij elke hinkelsprong in de cirkel van stoepkrijt
ze opende de ogenen zag de poppen in het slome zonlichten voelde een brandend verlangennaar een eeuwige jeugd