Jij smelt
Je was water. Warm water. Stromend, bewegend, levend. Water.
Ik was water. Uit de zelfde bron. Samen met jou vertrokken.
Ik had nooit een leven zonder jou gekend.
Maar het werd koud. Het water werd koud. Jij werd koud. IJs. Koud. Jij werd ijs.
Water zonder stroming. IJs zonder beweging. Jij zonder leven.
Koud. Het bleef koud. Een lange tijd. IJs. Koud.
Jij werd ijs. Ik bleef water. Koud water. Op het punt om te bevriezen.
Maar ik bleef stromen. Zachtjes vooruit.
Ik bleef bewegen. Meegesleurd door de rest.
Het water. Bleef. Leven.
Ik bewoog terwijl ik jou zag stilstaan. Ik wou blijven stilstaan om jou niet te verliezen.
Maar ik werd meegetrokken. Door al het levende water.
Tijd verstreek en zachtjes warmde het water op. Warmde ik weer op.
Maar jij. Jij smolt. Verdampte en verdween.
Zonder dat iemand het gezien had. Zonder dat ik het gezien had.
Jij was weg. En ik was terug warm. Warm.
Wachtend op de winter. Wachtend om te bevriezen. Te smelten. Te verdampen.
En jouw weer te zien. Warm. Stromend. Bewegend. Levend!