Dirk Straaijer

Gebruikersnaam Dirk Straaijer

Teksten

De eerste keer

We waren zeker niet de stoerste jongens uit de klas. Die hielden hun jas aan onder biologie, ook al was het al lang lente. En ook al zei Verhoog dat ze die uit moesten doen en aan de kapstok buiten het lokaal moesten ophangen. Ze vertikten het gewoon en dat zouden wij drieën niet durven.           Frits had het pakje gestolen van zijn oudere zus. Heel makkelijk. Haar tas lag half open op de keukentafel, vanmorgen toen hij beneden kwam. Alles kon je zien: borstel, portemonnee, losse pasjes, armbanden, tampons. En maar liefst drie pakjes sigaretten. Hij had een nog niet aangebroken gepakt. ‘Dan weet ze niet meer of ze die al had of niet,’ zei hij en keek ons vanonder zijn zware hoornen bril heel intelligent aan. Ja, de slimsten van de klas, dat waren we zeker wel.           Ik stelde voor iets hoger in het portiek te gaan staan, zodat we wat minder zouden opvallen. De kleine pauze was net begonnen en we hadden nog ongeveer 19 minuten. Frits haalde het pakje uit zijn kontzak, scheurde routineus het plastic omhulsel in één vlotte beweging eraf en opende het aluminium folie. Waarna het begeerde rookgenot zich in al haar heerlijkheid aan ons openbaarde.           ‘Roken tijdens de zwangerschap is slecht voor uw baby,’ las ik, terwijl Frits Stef en mij het roodwitte pakje voorhield. Hij trilde een beetje met zijn hand, of verbeeldde ik me dat maar? Niemand van ons had ooit nog gerookt, hadden we elkaar opgebiecht vanmorgen voor schooltijd in de fietsenstalling, toen Frits vertelde dat hij een pakje sigaretten bij zich had. ‘Marlboro,’ had hij erbij gezegd. Alsof dat er toe deed als je voor de eerste keer ging roken.            Rookte mijn moeder tijdens mijn zwangerschap? Dat ze vroeger rookte, wist ik van oude foto’s, waar ze vrolijk op stond met in haar ene hand een sjekkie en in haar andere een fles bier. Ook slecht tijdens de zwangerschap. Zo’n beetje álles was slecht tijdens de zwangerschap. ‘Behalve neuken,’ zei mijn vader iedere verjaardag weer als het ter sprake kwam, ‘want het kind is al in de maak.’ En dan lachte hij zo geil dat ik van schaamte de kamer uitliep.           Ik had moeite er één uit het pakje te krijgen. Frits werd ongeduldig en schudde met zijn hand, juist toen het lukte. De sigaret knakte.           ‘Godverdomme, lul,’ zei hij. Ik haalde ‘m er uit en keek beteuterd naar de twee tabakstompjes. ‘Had dan gezegd dat je zonder filter rookt,’ lachte Stef en trok zonder mankeren een héle sigaret uit het pakje. ‘Geeft niks man, nu is het makkelijker delen, zes elk.’ Stef is een goeie gozer. Alleen met Frits was het bonje geworden, zeker weten. Ik gooide de gebroken sigaret uit het portiek. Het doosje lucifers had Frits van naast het gasfornuis meegenomen. Na vijf of zes mislukte pogingen brandde er eindelijk één en namen wij voorzichtig de eerste trek. Onwennig hield ik de bruine filter stoer tussen duim en middelvinger, zoals Sierksma van Frans hem altijd vast had. Wij aan de vervoegingen van fumer en hij de daad bij het woord voegend aan het open raam achter zijn bureau. Hij leek op Sean Connery toen James Bond nog mocht roken. We hoestten ons door de eerste heen en schoten de filter van de trap. Frits stak meteen zijn tweede op. Waarom weet ik niet precies, maar hij had de sigaretten gelijk allemaal maar uitgedeeld en het lege pakje terug in zijn kontzak gestopt. Stef en ik begonnen gelijktijdig aan onze tweede. Hoewel het geen wedstrijd was, werd het dat wel.             ‘We hebben nog 8 minuten,’ zei ik na mijn derde te hebben uitgedrukt tegen de ruwe bakstenen zijmuur. Ik lag inmiddels op kop.           ‘Jij inhaleert niet,’ zei Frits streng, terwijl de rook uit zijn neusgaten kwam. ‘Zo kan ik het ook.’ Hij keek op mij neer.   ‘Voelen jullie niks?’ zei Stef. Ik keek naar zijn bleke gezicht vol puisten. Zijn haar alsof hij het nooit kamde. Zijn bril -een kindermontuur nog- veel te strak tegen zijn gezicht. Hij zweette, zoals altijd. Daarom droeg hij ook een trui, zomer en winter, dan zag je de natte okselplekken niet zo, wist ik. Zijn windjack had hij tussen de verveloze trapleuning gepropt. Ik zag druppeltjes op zijn neus. Hij ging zitten. Frits stak zijn vierde op. Het portiek stond blauw van de rook. Op de stoep onderaan de trap lagen de peuken, sommige rolden verder, omdat de wind er even vat op had.           Toen gebeurde het. Stef kwakte ineens met zijn kop tegen de muur. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij. Hij hing helemaal scheef. Bij zijn slaap stroomde bloed.           ‘Jezus, Stef!’ riep ik en keek naar Frits. Die rookte stug door. Hoewel hij pas halverwege was, stak hij met de gloeipunt al de volgende aan en gooide de vierde nog brandend naar beneden. ‘We moeten opschieten,’ zei hij, ‘we hebben proefwerk wiskunde.’ En trok verwoed aan zijn vijfde. Het leek of Stef niet meer bestond voor hem. Nadat hij zijn vijfde had weggeschoten, haastte hij zich de portiektrap af. Ook ik gooide mijn vierde van de trap, maar meer om mijn handen vrij te hebben voor Stef die er voor blei bij zat. ‘Stef,’ zei ik en kwam met mijn gezicht vlak voor het zijne. ‘Stef!’ Ik pakte met mijn hand zijn pokdalige wangen en schudde zijn gezicht wild heen en weer. Langzaam opende hij zijn lodderige ogen. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij nogmaals en sloot opnieuw zijn ogen. Ik ging naast hem zitten, sloeg mijn arm om hem heen en probeerde hem zoveel mogelijk rechtop te krijgen. Depte met een vieze tissue voorzichtig het bloedspoor van zijn gezicht. Beneden rolde Frits’ zesde sigaret over de stoep. Nog helemaal gaaf. Ook het verkreukelde pakje had hij uit zijn kontzak gehaald en lag onderaan de portiektrap. ‘Ik breng je naar huis, Stef,’ sprak ik bemoedigend, ‘maak je geen zorgen, man. Stef knikkebolde. Op mijn horloge zag ik dat de kleine pauze inmiddels voorbij was.

Dirk Straaijer
79 1