Dominique80

Gebruikersnaam Dominique80

Teksten

Wat overblijft

Margot rook de haas voordat Pierre hem op de tafel legde. Onder de gewone geur van wild en bloed zat iets zoets dat daar niet hoorde. Ze drukte haar duim in het vlees aan de binnenkant van de achterpoot en wachtte tot de afdruk terugveerde. Dat deed hij niet. "Die gaat niet naar boven." Pierre keek naar het dier alsof het hem persoonlijk teleurgesteld had. "Valère heeft er gisteren nog voor betaald." "Dan heeft Valère gisteren een slechte haas gekocht." Valère deed de boodschappen en hielp in de keuken wanneer er handen tekortkwamen. Ze hield haar vingers onder Pierres neus. Hij trok zijn hoofd weg en nam de haas weer op. "De andere is kleiner." "De andere is goed. Dat is genoeg." Hij grijnsde en verdween naar de voorraadkamer. Margot veegde haar hand aan haar schort af en keek opnieuw naar het blad naast de snijplank. Juffrouw Amélie had het haar de avond voordien gegeven. Bij het eerste lezen had Margot gedacht dat twee maaltijden door elkaar waren geraakt. Potage à la reine. Snoek. Kapoen met kastanjes. Hazenpastei. Duiven. Artisjokken, pastinaken en wortelen met boter. Daarna kaas, peren in wijn en amandeltaart. Onderaan, door een witruimte van de rest gescheiden, stond rijstebrij met kaneel. "De snoek is er." Cécile kwam achterwaarts door de deur met een natte doek tegen haar borst gedrukt. De staart van de vis brak los, raakte een houten kom en stuurde die over de vloer. Pierre probeerde te helpen en kreeg een slag tegen zijn pols. Margot nam de snoek achter de kop, legde hem op de werkbank en bracht hem met één slag tot rust. Cécile wreef over haar arm. "Rotbeest." "Dat vond je buiten nog een mooie vis." Margot zette haar mes onder de buikvin en daarmee begon de dag. Tegen negen uur had de keuken haar ochtendkou verloren. Achteraan trok bouillon uit kalfsbot, kippennekken, rundvlees en groenten. Cécile trok de laatste stoppels uit de kapoen, terwijl Pierre veren opveegde. Margot hield van dit uur, waarin een keuken nog tijd bezat. Later zouden de pannen elkaar op het vuur verdringen en zou boven een bel klinken alsof beneden niets anders bestond dan de hand die eraan trok. Nu kon alles nog worden voorbereid voor het ogenblik waarop het nodig was. Wat uren nodig had, stond al op. Wat sterk rook, bleef weg van melk en boter. Ze sneed de lever van de goede haas in plakken en liet boter schuimen in een kleine pan. Pierre keek onmiddellijk op. "Ik dacht dat jij hout ging halen." "Dat heb ik gedaan." "En toch sta je hier." "Hout ruikt niet zo." Cécile schoof dichterbij. Margot verdeelde de gebakken lever over drie stukken brood van gisteren. Cécile beet te snel en hield haar mond open om de hitte kwijt te raken. Pierre veegde met zijn korst de boter uit de pan. "Waarom krijgen zij dit nooit?" vroeg Cécile. "Omdat jij het opgegeten hebt." "U weet wat ik bedoel." Dat wist Margot. "Er zitten nog stoppels onder de vleugel." Cécile zuchtte en ging weer aan het werk. Vlak voor de middag kwam meneer naar beneden. Margot zag eerst zijn schoenen op de trap en merkte dat ze zijn tred niet meer herkende. Vroeger had ze kunnen horen of hij kwaad was, honger had of onaangekondigd gezelschap meebracht. Nu zette hij zijn voeten voorzichtig neer, alsof iedere trede eerst overtuigd moest worden hem te dragen. Pierre maakte ruimte. Margot ging verder met de kapoen. Meneer keek langs de koperen pannen, de stenen vijzel, de geopende haas en de snoek, en bleef uiteindelijk rusten op de kom waarin Margot de rijst had klaargezet. "Je hebt eraan gedacht." "Het stond op uw lijst." "Met veel kaneel." "Dat stond er niet bij." Hij glimlachte. "Mijn moeder deed er altijd te veel op." Margot duwde de kastanjevulling dieper in de vogel. "De oude mevrouw kwam zelden in de keuken." "Je weet wat ik bedoel. Maak hem zoals toen." Haar vingers bleven een ogenblik stil. "Welke keer?" Hij leek de vraag niet te begrijpen. "Zoals mijn moeder hem liet maken. Je weet hem toch nog?" Margot keek hem aan. Hij was zestig en zij negenenzestig. In haar gedachten bleef hij een kind uit een andere verdieping van hetzelfde huis. "Ja," zei ze. "Ik weet hem nog." "Ik ook." Hij liep terug naar de trap. Margot hoorde zijn stappen verdwijnen en trok de draad waarmee ze de kapoen had dichtgenaaid iets harder aan dan nodig was. Ze was zeventien geweest. Het bericht was 's morgens gekomen, gebracht door een jongen uit haar dorp die zijn muts in beide handen hield terwijl hij vertelde dat haar moeder die nacht gestorven was. De begrafenis zou de volgende ochtend plaatsvinden. Margot had Béatrice gevonden bij het fornuis. De kokkin had geluisterd zonder haar werk neer te leggen. Er waren die avond twaalf mensen aan tafel voor de verjaardag van de oude mevrouw en de keuken liep al achter. Margot mocht gaan, dat had Béatrice gezegd. Ze mocht haar spullen pakken en naar huis lopen. Niemand zou haar tegenhouden. Alleen kon Béatrice niet beloven dat haar plaats er nog zou zijn wanneer ze terugkwam. Er waren meisjes genoeg die een betrekking zochten, en een keuken kon niet wachten tot verdriet voorbij was. Margot was gebleven. Dat deel had ze later vaak anders proberen te herinneren. Soms maakte ze van Béatrice een hardvochtige vrouw die haar eenvoudig verboden had te vertrekken. Maar Béatrice had haar niet gedwongen. Tegen de avond moest ze de rijstebrij maken waar de oude mevrouw van hield. Ze zette melk op het vuur, voegde de rijst toe en roerde terwijl ze probeerde niet te denken aan de kleren waarin haar moeder begraven zou worden. Ze wist niet welke jurk haar zussen gekozen hadden. Ze wist zelfs niet of er genoeg geld was voor kaarsen. Ze merkte de geur te laat. Béatrice rook hem eerder. De kokkin nam de pan van het vuur, stak een lepel door de bovenste laag en schraapte over de bodem. "Proef." Margot wilde zeggen dat ze wist wat er gebeurd was. Béatrice hield haar de lepel voor. De eerste smaak was zoet. Daarna kwam de aangebrande melk, bitter en vuil, een smaak die achter op haar tong bleef hangen. "Nog eens." Margot proefde opnieuw. Béatrice zette de pan weg. "Onthoud eerst de geur. Dan hoef je dit nooit meer te proeven." Meer straf kreeg ze niet. Dat was bijna erger. Margot spoelde de pan uit, goot nieuwe melk in een andere en begon opnieuw. De tweede rijstebrij brandde niet aan. Meneer was toen acht geweest. Hij had er twee kommen van gegeten. "Margot?" Cécile stond met een geschilde peer in haar hand. "De wijn. Hoeveel?" "Tot ze half onderstaan. Daarna water." Cécile pakte een fles. "Niet die. Dat is meneers wijn." Cécile zette hem terug. De rest van de middag liet weinig ruimte voor gedachten. De kapoen werd voor het vuur gehangen. De snoek kreeg boter, wijn en kruiden. De haas verdween onder deeg. De peren kleurden langzaam donkerrood. Toen het tijd werd voor de rijstebrij, nam Margot de kleine sleutel van het koord onder haar schort. Het suikerbrood en de kaneel lagen samen in de voorraadkast. Ze schraapte suiker in een kom en ving met haar duim het gruis op dat naast de kom dreigde te vallen. De kaneel had Valère uit Antwerpen meegebracht; volgens de kruidenier kwam hij van Ceylon. Cécile keek naar de suiker. "Nog een lepel?" Margot knikte. Daarna zette ze de melk op en gaf Cécile de houten lepel. "Niet alleen bovenaan." "Dat doe ik niet." "Je voelt de bodem niet." Margot legde haar hand over die van het meisje en veranderde de hoek van de lepel tot het hout zacht over de bodem schraapte. "Daar." Cécile bewoog langzamer. "Nu voel ik het." Margot liet haar los. "Onthoud dat." Later in de middag kwam Amélie naar beneden. Ze droeg een eenvoudige grijze jurk en geen juwelen. "Wanneer komen de gasten?" "Er komen geen gasten. Vader heeft die twaalf plaatsen zelf gevraagd." Margot draaide de kapoen een kwartslag. Achter Amélie verschenen twee mannen in de gang. De oudste droeg een donkere jas; de jongste had een schrift onder zijn arm. Hij opende de linnenkast en begon servetten te tellen. "Die met het blauwe borduursel horen bij de kleine salon," zei Margot. "Als u alles samen telt, kunt u opnieuw beginnen." De man keek naar Amélie. "Laat hem maar, Margot." Nu zag ze de kleine papieren kaartjes. Eén hing aan de hoge kast, verderop zag ze er nog een aan de klok en een derde aan het marmeren tafeltje. Ze hoefde niet te lezen wat erop stond. Margot schepte vet uit de braadslede en goot het over de kapoen. Ze had de gesloten kamers gezien, de reparaties die niet meer uitgevoerd werden, de wijnkelder die leger bleef dan vroeger. Sinds de zomer werden er minder mensen ontvangen. Ze had ieder teken apart gehouden van het volgende. "Wanneer moet de keuken leeg zijn?" Amélie aarzelde. "We vertrekken overmorgen." "Dat vroeg ik niet." "Overmorgen, Margot." Margot schepte opnieuw vet over de kapoen, hoewel dat niet nodig was. "En sinds wanneer weet u dat?" "Vader heeft in augustus beslist. We wilden eerst alles regelen." Augustus. Margot dacht aan het meel dat ze in september had besteld, de wintervoorraad, de nieuwe pot mosterd. Ze had niet gevraagd waarom er geen hout meer naar de bovenste kamers ging. "Wie eet er?" "Vader, Philippe en zijn vrouw, de kinderen en ik." "Zeven." Margot keek naar de gerechten. De snoek die meneers vader graag had gegeten. De kapoen die de oude mevrouw ieder jaar op haar verjaardag vroeg. De hazenpastei waar Philippe als jongen ziek van was geworden omdat hij er te veel van had gegeten. De peren. De amandeltaart. Vijf lege plaatsen. "Vader wilde nog één keer alles zoals vroeger." Tweeënvijftig jaar had Margot in deze keuken gestaan; de man die de servetten telde had eerder geweten dat het voorbij was dan zij. "Dat kan niet," zei ze. Margot strooide kaneel over de rijstebrij. "Maar hij kan dit krijgen." Amélie vertrok. Margot wachtte tot de deur boven dichtviel. Daarna liep ze naar de wijnkast en haalde de fles die ze Cécile eerder uit handen had genomen. Ze zette vier aardewerken bekers op de werktafel en schonk ze in. Pierre keek naar haar toen de stop loskwam. Valère zei niets. Cécile hield haar handen stil boven de schaal die ze afdroogde. Margot schoof een beker naar Pierre, een naar Valère en een naar Cécile. De vierde hield ze zelf. Niemand hief zijn beker. Margot dronk. Daarna zette ze de halflege fles terug tussen de andere wijn. "De kapoen," zei ze. Pierre draaide zich om naar het vuur. De eerste schalen gingen naar boven terwijl beneden de volgende werden afgewerkt. Gerechten verdwenen en kwamen terug. Boven stonden ze bijeen op tafel voor mensen die konden kiezen; beneden moest wat warm hoorde te zijn warm aankomen en wat luchtig was niet inzakken. Tussen het werk door aten zij. Pierre kreeg de wang van de snoek. Cécile brak brood in het braadvet van de kapoen en duwde Valère opzij toen hij hetzelfde wilde doen. Margot proefde van alles en at nauwelijks. De rijstebrij ging naar boven bij het laatste deel van de maaltijd. Margot had het vel intact gelaten en er nog wat kaneel over gestrooid. Cécile droeg de schaal weg. Toen ze terugkwam, was die bijna leeg. "Meneer heeft twee kommen genomen. Hij zei dat zijn moeder hem precies zo liet maken." Margot nam de schaal. Langs de rand zat nog wat rijstebrij. Ze streek er met haar vinger doorheen en proefde. Melk. Rijst. Suiker. Kaneel. Ze wachtte op de bitterheid van de aangebrande melk. Er kwam niets. "Is er iets mis?" vroeg Cécile. Margot gaf haar de schaal. "Was hem af." Het was na middernacht toen de keuken eindelijk stil werd. Margot had Cécile naar bed gestuurd en de laatste pannen zelf geschrobd. Het vuur liet ze laag branden. In al die jaren had ze de keuken zelden volledig koud achtergelaten; een vuur dat 's nachts bewaard werd, vroeg 's morgens minder werk. Op de tafel lag een stuk brood dat ze die ochtend had afgesneden en vergeten. Ze smeerde er wat gestold braadvet op en at terwijl ze om zich heen keek. Er stond geen deeg voor het ontbijt. Niemand had bonen te weken gezet. Aan de haak bij de achterdeur hing geen bestelling voor melk. De rest van de bouillon stond nog in de pot en voor het eerst had Margot niet bedacht wat ze er morgen mee zou doen. In de voorraadkast stonden meel, gedroogde bonen, uien, zout, mosterd en genoeg kaneel voor de winter. Ze sloot de deur. De sleutel bleef in haar hand liggen voor ze hem weer aan het koord onder haar schort stak. Haar messen zou ze aan Cécile geven. Niet allemaal. Het kleine uitbeenmes hield ze zelf. Het handvat was door de jaren glad geworden. Van haar moeder vond ze eerst alleen dingen terug: een zwarte kookpot, een aardewerken kom met een barst langs de rand, een mes met een hoornen heft. Haar gezicht kwam niet. Margot wist niet meer precies hoe haar haar langs haar slapen had gelegen en zelfs de kleur van haar ogen was ergens in de voorbije halve eeuw verloren geraakt. Ze probeerde harder. Dat hielp niet. Pas toen ze het opgaf, kwam de geur. Ui in reuzel. Margot opende haar ogen. Haar moeder bakte uien wanneer er weinig in huis was. Brood erbij, soms een ei als de kippen gelegd hadden. Margot herinnerde zich niet dat ze het bijzonder lekker had gevonden. Maar ze zag een hand. Een brede duim met een nagel die aan één kant krom groeide. Haar moeder viste altijd het eerste stukje ui uit het vet en gaf het aan haar, veel te heet om meteen te eten. Margot stond op. In de voorraadkast vond ze een kleine ui. Ze zette een pan op het vuur, schepte er reuzel in en wachtte tot het vet helder werd. Daarna sneed ze. Niet dun en gelijkmatig zoals ze het Cécile geleerd had, maar in ongelijke stukken. Een dikke schijf, een dunne, daarna een stuk dat eigenlijk te groot was. Ze wist niet of haar moeder werkelijk zo had gesneden. De ui begon te sissen. Margot schoof de stukken door het vet. De scherpe geur veranderde langzaam terwijl de randen doorschijnend werden en begonnen te kleuren. Toen kwam het. Niet het gezicht van haar moeder, alleen die hand. De kromme nagel was er weer. Ze stak haar hand naar de pan, voelde het vet spatten en trok haar vingers terug. Een lach ontsnapte haar voordat ze wist waarom. Ze nam het kleine uitbeenmes en viste daarmee een stuk ui uit de pan. Even hield ze het voor haar mond. Daarna at ze. Veel te heet.

Dominique80
0 0

De eerste vloek

Mare werd wakker met haar ene hand onder haar wang en haar andere in een kom koude bonen. Dat was niet het ergste van die ochtend. Uit de bezemkast kwam een tik. Daarna nog een. Niet hard. Een nagel tegen glas. Mare trok haar hand uit de bonen en rook eraan. ‘ Mooi,’ zei ze. ‘Vandaag beginnen we dus als soep.’ Ze bleef liggen.  Haar bed stond in de keuken sinds de trap drie winters geleden had besloten dat hij een beekje was. Dat soort dingen gebeurde in oude heksenhuizen. Je vocht ertegen, of je paste je meubels aan. Tik. ‘Ik heb je gehoord.’ De kast hield niet op. Mare keek naar het raam. Mist tegen het glas. Geen haan. Dat viel op. De hanen van Berkelwoud kraaiden gewoonlijk uit wrok, ook wanneer de zon zich vergist had. Ze ging rechtop zitten. Haar rug kraakte. Niet magisch. Gewoon ouderdom. Beneden stond de ketel al op het vuur. Ze had hem niet opgezet. ‘Als je weer probeert zelfstandig te worden, giet ik je leeg in de tuin.’ De ketel gaf een klein zuchtje stoom. Bij de poort lag een brood  met een kruis in de korst. Mare wist meteen van wie het kwam. Ze wist ook waar het mes in de lade lag om het aan te snijden. Alleen wist ze niet sinds wanneer brood niet meer aan haar deur werd gebracht. Buiten bewoog iets. Een vrouw op het pad, een kind aan haar rok. Het kind keek naar het huis. Naar Mare. Zijn lip begon te trillen. ‘Niet kijken,’ zei de vrouw. Ze trok hem mee. Mare liet het gordijn vallen. ‘Charmant dorp,’ mompelde ze.  Er werd op de voordeur geklopt. Dat was wel nieuw. Mensen kwamen niet kloppen bij Mare. Ze gooiden stenen, lieten brood achter, fluisterden bij de haag. Kloppen was voor buren. Mare trok haar oude vest aan en ging openmaken. Lena stond op de drempel. De vroedvrouw. Of vroeger de vroedvrouw. Nu was ze vooral botten, muts en ogen die te weinig sliepen. ‘Mare.’ Ze zei haar naam alsof die bitter smaakte. ‘Lena.’ Mare keek haar van boven tot onder aan. ‘Je ziet eruit alsof je drie dagen in een regenton hebt liggen piekeren.’ ‘Ik heb vannacht mijn man weer zien sterven.’ Mare zweeg. Lena had geen man meer. Dat wist ze. Ze wist ook dat hij onder een appelboom lag, met een steen waarop de letters scheef stonden omdat de steenhouwer dronk. Rare dingen wist ze nog. Andere dingen niet. ‘Dat is vervelend,’ zei Mare. ‘Hij is al tweeëntwintig jaar dood.’ ‘Dan is het nog vervelender.’ Lena lachte niet. De vrouw had vroeger een korte lach gehad. Een snik bijna. Mare hoorde hem even in haar hoofd, maar wist niet bij welke dag hij hoorde. Achter hen tikte de kast. Lena sloot haar ogen. ‘Vandaag is het dertig jaar.’ ‘Iedereen begint daarover, behalve mijn geheugen.’ ‘Omdat jij het niet meer hebt.’  Mare leunde tegen de deurpost. ‘Wat niet?’ ‘De reden.’ Mist kroop over het erf. Bij de poort lag het brood als een afgehakte hand.Lena wreef met haar duim over de rand van haar muts. Ze deed dat vroeger ook wanneer een kind verkeerd lag. ‘Mijn kleindochter is zes,’ zei ze. ‘Ze kent de stem van mijn zus. Ze heeft mijn zus nooit gezien. Niemand spreekt over haar. Toch wordt dat kind wakker en zegt ze: Lena, waarom liet je haar buiten staan in de hagel? Ze zegt het met dezelfde stem als mijn moeder.’ Mare voelde iets in haar buik zakken. ‘Kinderen zeggen rare dingen.’ ‘Niet zo. Niet iedere nacht. Niet met woorden die ze niet kan kennen.’ Lena keek haar aan. ‘Niemand hier vergeet. Dat weet je toch? Nee. Jij weet het niet. Jij drinkt thee en moppert op je ketel.’ ‘Mijn ketel verdient dat.’ ‘Mare.’ Daar was het weer. Geen angst. Geen verwijt. Gewoon moe tot op het bot. ‘We dragen alles nog. Elk woord. Elke dode. Elke laffe minuut. Het wordt niet oud. Het gaat niet liggen. Gisteren is hier nooit gisteren geworden.’ De kast zweeg. Mare vond het tikken beter. ‘En ik heb dat gedaan?’ ‘Jij hebt het gezegd.’ ‘Wat?’ Lena keek naar de keuken. ‘Vraag het haar.’ ‘Haar?’ ‘Wat er van je overbleef.’ Mare keek niet om. Ze had geleerd dat je sommige dingen beter eerst liet wachten. Als ze daarna nog leefden, waren ze meestal echt. ‘Wat zit er in mijn bezemkast, Lena?’ ‘Je eerste vloek.’ ‘Dat vroeg ik niet.’ Lena haalde langzaam adem. ‘Jij zit erin. De jonge jij. Het stuk dat alles nog weet.’ Een kraai streek neer op de haag en viel meteen weer opzij, alsof hij zich had bedacht over het leven. Hij krabbelde overeind en vloog weg. ‘Zelfs de kraaien doen raar,’ zei Mare. ‘Maak haar open.’ ‘En als ik dat niet doe?’ ‘Dan komt ze er misschien zelf uit.’ Lena stapte achteruit. Bij het brood bleef ze staan. Ze wilde iets zeggen, slikte het in en liep weg. Mare sloot de deur. De keuken leek kleiner dan daarnet. Het bed stond scheef. De thee dampte niet meer. De kast stond aan de overkant, bruin en lelijk en veel te stil. Vier stappen, hoogstens. Mare ging zitten. Ze sneed een stuk brood af. Karwij. De bakker deed karwij in brood wanneer hij iets goed te maken had. Dat wist ze ook weer. Zij wist te veel kleine dingen en te weinig grote. Ze legde het mes neer. De kast klopte. Geen tik meer. Klop. Alsof iemand vanbinnen met een vuist tegen het hout sloeg. Ze had altijd gedacht dat queesten begonnen aan de rand van een rijk. Nu bleek de hare te beginnen tussen een kom koude bonen en een kastdeur. ‘Ik kom al,’ zei Mare. Ze stond op. Haar eerste stap plakte aan de vloer. Niet door vuil. Door herinnering. Dat voelde anders. Vuil gaf mee. Bij de tweede stap rook ze zure melk. Ze hield stil. Een tafel. Een nat laken. Blauwe lippen. Een moeder op de grond.  Mare klemde haar  hand om de rug van een stoel. De derde stap bracht kindergehuil mee. Niet luid. Juist daarom. Het zat ergens achter het behang en had daar jaren geoefend. Bij de vierde stap stond ze voor de kast. Op de deur waren tekens gekrast. Geen sierlijke runen, geen maanvormige heksentaal zoals in goedkope prentenboeken. Gewoon harde strepen, te diep gezet. Mare herkende haar eigen handschrift. Jonger. Kwaaier. Rond het sleutelgat zat zwart draad. Vloekdraad. Daarvoor had je haar nodig, zout, kaarsvet en iets waar je later spijt van kreeg. Vanbinnen zei iemand: ‘Eindelijk.’ Mare trok haar hand terug. Die stem was van haar. Maar scherper. Met minder geduld en meer tanden. ‘Wie ben jij?’ ‘Dat weet je best.’ ‘Ik weet vandaag bijzonder weinig.’ ‘Open dan.’ ‘Ik laat mij niet bevelen door een kast.’ ‘Je liet je wel bevelen door het hele dorp.’ Mare draaide de knop. Geen bezems. Dat was al een belediging. Op de bovenste plank stond een glazen pot. Dik glas, scheef geblazen, afgesloten met zwarte was. In de pot zat een meisje, zo groot als een vuist. Blote voeten. Gescheurde jurk. Donker haar tegen haar wangen. Eén kant van haar gezicht was gezwollen. Op haar lip zat bloed. Mare keek naar haar en voelde geen herkenning in haar hoofd. Wel in haar maag. ‘O,’ zei ze. Het meisje legde beide handen tegen het glas. ‘Nu wel.’ De keuken verdween. Niet mooi. Geen licht, geen rook. Gewoon weg. Mare stond in dezelfde kamer, maar jonger. De tafel stond anders. De muren waren net gekalkt. Regen sloeg tegen het raam. Op de tafel lag een kind. Vijf jaar, misschien. Klein mondje. Haar nat van koorts. Dood, al wilde de kamer dat woord nog niet gebruiken. Jonge Mare stond ernaast. Zestien. Slap van vermoeidheid. Haar handen rood van wassen en kruiden wrijven. Een man greep haar pols. ‘Maak haar wakker.’ ‘Ze is weg,’ zei jonge Mare. De man sloeg haar. Geen grote slag. Geen verhaalwaardige. Een platte hand, kort en gemeen. Genoeg voor bloed. Genoeg om iedereen in de gang te laten zwijgen. In de deuropening stonden mensen. De dorpsraad. De bakker. Lena, jong nog, met haar muts in beide handen. Niemand zei iets. ‘Bedrieger,’ zei de man. ‘Ik heb gedaan wat ik kon,’ zei jonge Mare. ‘Je hebt haar laten sterven.’ ‘Jullie kwamen te laat.’ Dat had ze niet moeten zeggen. De man greep haar pols. Iemand achter hem zei: ‘Brand haar handen. Dan houdt het op.’ Jonge Mare keek naar de gezichten. Mare keek met haar mee. Ze zag mensen die bij haar waren gekomen voor koorts, weeën, wratten, mislukte liefdes, kalveren die verkeerd lagen, regen die uitbleef. Mensen die haar kind noemden als ze haar te jong vonden en heks als ze iets nodig hadden. Ze stonden daar. Ze lieten de man haar vasthouden. Lena deed haar mond open. En sloot hem weer. Daar brak iets. Niet luid. Niet zichtbaar. Maar Mare voelde het, zelfs nu nog. Een klein ding in haar borst dat ophield met hopen. Jonge Mare tilde haar hoofd op. ‘Goed,’ zei ze. De man liet haar pols niet los. ‘Jullie willen niets verliezen?’ Haar stem was kalm geworden. Dat was het gevaarlijkste aan haar. ‘Dan verliezen jullie niets meer. Geen woord. Geen naam. Geen dode. Geen schaamte. Geen ogenblik waarop je had kunnen kiezen. Alles blijft. Alles blijft vers. Tot iemand eerlijk genoeg is om het terug te nemen.’ Buiten kraaide een haan, midden in de nacht. Toen begon het dorp te schreeuwen. De gang verdween. Mare stond weer voor de kast, met haar hand tegen haar wang. Haar lip bloedde niet, maar ze proefde bloed. Het meisje in de pot keek haar aan. ‘Ze verdienden het,’ zei ze. Mare zei niets. ‘Zeg het.’ ‘Ze waren laf.’ ‘Zeg dat ze het verdienden.’ Mare keek naar de tafel, naar het brood, naar de mok met koude thee. ‘Ik weet niet of verdienen het juiste woord is.’ Het meisje sloeg met haar vuist tegen het glas. ‘Ze zouden onze handen verbrand hebben.’ ‘Misschien.’ ‘Misschien?’ ‘Je verdedigt hen.’ ‘Nee.’ ‘Je klinkt als hen.’ Dat raakte harder dan Mare wilde. Ze boog dichter naar de pot. ‘Ik verdedig niet wat ze deden. Ik kijk naar wat wij deden.’ ‘Wij?’ ‘Jij sprak. Ik liet het dertig jaar liggen.’ Het meisje haalde haar lip op. ‘Jij wist van niets.’ ‘Dat maakte het gemakkelijk.’ ‘Het was het enige goede eraan.’ Daar zat waarheid in. Mare voelde het. De leegte in haar hoofd was niet alleen verlies geweest. Ze had erin kunnen slapen. Ze had thee gezet. Planten gekweekt. Brood gegeten dat aan haar poort werd gelegd. Ze had het dorp vervloekt en daarna de schuld in een pot gestopt. Ze was oud geworden met schone handen, omdat ze de vuile achter een kastdeur had gezet. ‘Als ik je eruit laat,’ zei Mare, ‘komt alles terug.’ ‘Ja.’ ‘Ook jij.’ Het meisje zweeg. Voor het eerst zag Mare hoe klein ze was. Zestien. Een kind met bloed op haar lip, te veel macht in haar mond en niemand naast haar. Mare pakte het broodmes. Het meisje deinsde achteruit. ‘Wat doe je?’ ‘Niet zo kijken. Als ik je had willen vermoorden, had ik geen dertig jaar gewacht.’ Ze sneed in haar duim en drukte haar bloed op de zwarte was. De was siste. ‘Wacht,’ zei het meisje. Mare wachtte. ‘Als je dit doet, mogen ze vergeten.’ ‘Niet alles.’ ‘Genoeg.’ ‘Misschien is genoeg soms genade.’ Het meisje spuwde tegen de binnenkant van het glas. ‘Genade is wat mensen vragen als ze niet willen betalen.’ Mare knikte. ‘Meestal wel.’ ‘Waarom dan?’ Omdat Lena aan de deur stond alsof haar dode man nog in haar armen lag. Omdat een kind droomde met het hoofd van zijn grootmoeder. Omdat schuld geen wieg hoorde te zijn. Omdat Mare moe was van een leven met gaten erin. Ze zei alleen: ‘Omdat ik niet langer leeg wil zijn.’ Het meisje keek naar haar. ‘Dat is egoïstisch.’ ‘Eindelijk iets dat je gelooft.’ Heel even bewoog er iets rond de mond van het meisje. Geen glimlach. Nog niet. Mare legde haar hand op het deksel. De woorden kwamen vanzelf. Niet mooi. Niet plechtig. Ze klonken als iets dat lang onder een steen had gelegen. ‘Wat ik gaf uit woede, neem ik terug uit eigen naam.’ De zwarte was barstte. De pot ging open. Er kwam geen storm uit. Geen blauwe vlam, geen dodenstemmen. Alleen adem. Mare viel. De vloer kwam hard tegen haar knieën. Alles kwam tegelijk terug en niet netjes. De klap. De smaak van bloed. Het kind op de tafel. Het gewicht van een kleine hand die slap werd in de hare. De moeder die spuugde. Lena die keek en niets deed. De man zijn vingers rond haar pols. De woorden in haar mond. De kracht ervan. De schrik achteraf. Het dorp dat stil werd. De eerste ochtend waarop niemand nog vergat waarom hij huilde. Dan de jaren. Mare gaf over op de vloer. Ze bleef zitten tot haar adem weer van haar was. De ketel zweeg. De kruiden hingen stil. In de kast stond de lege pot. Buiten kraaide een haan. Vals. Hard. Veel te laat. Mare lachte. Niet lang. Het deed pijn aan haar keel. Er werd op de deur geklopt. Ze stond op. Haar knieën protesteerden. Haar ochtendjas hing scheef. Er zat thee op haar mouw en braaksel op haar zoom. Lena stond buiten. Achter haar stonden anderen op het pad. De bakker. De vrouw met het kind. De smid. Niemand kwam dichterbij. Niemand riep. Lena had gehuild. ‘Mijn man,’ zei ze. Mare hield zich vast aan de deurpost. ‘Ben je hem kwijt?’ Lena schudde haar hoofd. ‘Nee.’ Ze legde haar hand op haar borst. ‘Hij was dood. Niet aan het sterven.’ Mare begreep het. Dat maakte het niet minder erg. Alleen duidelijker. Het jongetje met het houten paard keek naar Mare. ‘Ben jij de heks?’ Zijn moeder trok hem niet weg. Mare keek naar haar bebloede duim. Naar haar blote voet. Naar het brood bij de poort. ‘Ja,’ zei ze. ‘Maar vandaag niet voor kleine klachten.’ Het kind knikte ernstig. Lena deed een stap naar voren. Toen stopte ze. ‘Dank je,’ zei ze. Lena glimlachte. Voorzichtig. ‘Ik zal het zeggen.’ Mare sloot de deur. De pot liet ze in de kast staan. Leeg glas was ook een herinnering. Ze zette opnieuw thee. Deze keer nam ze twee koppen. Ze zette er één tegenover zich op tafel. Er zat niemand. Toch schoof de stoel vanzelf een stukje naar achter. Mare schonk in. Buiten kraaide de haan opnieuw. Alsof hij oefende. Mare hief haar kop. ‘Op slechte geschenken,’ zei ze. De thee aan de overkant rimpelde, alsof iemand ertegen blies. Later die ochtend vergat iemand in Berkelwoud waarom hij kwaad was. Er gebeurde niets. Geen straf. Geen bliksem. Niemand viel dood neer.  Vier stappen had het gekost. Dertig jaar om ze te zetten. Alleen dat.      

Dominique80
0 0