De eerste vloek
Mare werd wakker met haar ene hand onder haar wang en haar andere in een kom koude bonen. Dat was niet het ergste van die ochtend. Uit de bezemkast kwam een tik. Daarna nog een. Niet hard. Een nagel tegen glas. Mare trok haar hand uit de bonen en rook eraan. ‘
Mooi,’ zei ze. ‘Vandaag beginnen we dus als soep.’ Ze bleef liggen. Haar bed stond in de keuken sinds de trap drie winters geleden had besloten dat hij een beekje was. Dat soort dingen gebeurde in oude heksenhuizen. Je vocht ertegen, of je paste je meubels aan. Tik.
‘Ik heb je gehoord.’ De kast hield niet op. Mare keek naar het raam. Mist tegen het glas. Geen haan. Dat viel op. De hanen van Berkelwoud kraaiden gewoonlijk uit wrok, ook wanneer de zon zich vergist had. Ze ging rechtop zitten. Haar rug kraakte. Niet magisch. Gewoon ouderdom. Beneden stond de ketel al op het vuur. Ze had hem niet opgezet.
‘Als je weer probeert zelfstandig te worden, giet ik je leeg in de tuin.’ De ketel gaf een klein zuchtje stoom. Bij de poort lag een brood met een kruis in de korst. Mare wist meteen van wie het kwam. Ze wist ook waar het mes in de lade lag om het aan te snijden. Alleen wist ze niet sinds wanneer brood niet meer aan haar deur werd gebracht. Buiten bewoog iets. Een vrouw op het pad, een kind aan haar rok. Het kind keek naar het huis. Naar Mare. Zijn lip begon te trillen.
‘Niet kijken,’ zei de vrouw. Ze trok hem mee. Mare liet het gordijn vallen.
‘Charmant dorp,’ mompelde ze. Er werd op de voordeur geklopt. Dat was wel nieuw. Mensen kwamen niet kloppen bij Mare. Ze gooiden stenen, lieten brood achter, fluisterden bij de haag. Kloppen was voor buren. Mare trok haar oude vest aan en ging openmaken. Lena stond op de drempel. De vroedvrouw. Of vroeger de vroedvrouw. Nu was ze vooral botten, muts en ogen die te weinig sliepen.
‘Mare.’ Ze zei haar naam alsof die bitter smaakte.
‘Lena.’ Mare keek haar van boven tot onder aan. ‘Je ziet eruit alsof je drie dagen in een regenton hebt liggen piekeren.’
‘Ik heb vannacht mijn man weer zien sterven.’ Mare zweeg. Lena had geen man meer. Dat wist ze. Ze wist ook dat hij onder een appelboom lag, met een steen waarop de letters scheef stonden omdat de steenhouwer dronk. Rare dingen wist ze nog. Andere dingen niet.
‘Dat is vervelend,’ zei Mare.
‘Hij is al tweeëntwintig jaar dood.’
‘Dan is het nog vervelender.’ Lena lachte niet. De vrouw had vroeger een korte lach gehad. Een snik bijna. Mare hoorde hem even in haar hoofd, maar wist niet bij welke dag hij hoorde. Achter hen tikte de kast. Lena sloot haar ogen.
‘Vandaag is het dertig jaar.’
‘Iedereen begint daarover, behalve mijn geheugen.’
‘Omdat jij het niet meer hebt.’
Mare leunde tegen de deurpost. ‘Wat niet?’
‘De reden.’ Mist kroop over het erf. Bij de poort lag het brood als een afgehakte hand.Lena wreef met haar duim over de rand van haar muts. Ze deed dat vroeger ook wanneer een kind verkeerd lag.
‘Mijn kleindochter is zes,’ zei ze. ‘Ze kent de stem van mijn zus. Ze heeft mijn zus nooit gezien. Niemand spreekt over haar. Toch wordt dat kind wakker en zegt ze: Lena, waarom liet je haar buiten staan in de hagel? Ze zegt het met dezelfde stem als mijn moeder.’ Mare voelde iets in haar buik zakken.
‘Kinderen zeggen rare dingen.’
‘Niet zo. Niet iedere nacht. Niet met woorden die ze niet kan kennen.’ Lena keek haar aan. ‘Niemand hier vergeet. Dat weet je toch? Nee. Jij weet het niet. Jij drinkt thee en moppert op je ketel.’
‘Mijn ketel verdient dat.’
‘Mare.’ Daar was het weer. Geen angst. Geen verwijt. Gewoon moe tot op het bot.
‘We dragen alles nog. Elk woord. Elke dode. Elke laffe minuut. Het wordt niet oud. Het gaat niet liggen. Gisteren is hier nooit gisteren geworden.’ De kast zweeg. Mare vond het tikken beter.
‘En ik heb dat gedaan?’
‘Jij hebt het gezegd.’
‘Wat?’ Lena keek naar de keuken.
‘Vraag het haar.’
‘Haar?’
‘Wat er van je overbleef.’ Mare keek niet om. Ze had geleerd dat je sommige dingen beter eerst liet wachten. Als ze daarna nog leefden, waren ze meestal echt.
‘Wat zit er in mijn bezemkast, Lena?’
‘Je eerste vloek.’
‘Dat vroeg ik niet.’
Lena haalde langzaam adem. ‘Jij zit erin. De jonge jij. Het stuk dat alles nog weet.’ Een kraai streek neer op de haag en viel meteen weer opzij, alsof hij zich had bedacht over het leven. Hij krabbelde overeind en vloog weg.
‘Zelfs de kraaien doen raar,’ zei Mare.
‘Maak haar open.’
‘En als ik dat niet doe?’
‘Dan komt ze er misschien zelf uit.’ Lena stapte achteruit. Bij het brood bleef ze staan. Ze wilde iets zeggen, slikte het in en liep weg. Mare sloot de deur. De keuken leek kleiner dan daarnet. Het bed stond scheef. De thee dampte niet meer. De kast stond aan de overkant, bruin en lelijk en veel te stil. Vier stappen, hoogstens. Mare ging zitten. Ze sneed een stuk brood af. Karwij. De bakker deed karwij in brood wanneer hij iets goed te maken had. Dat wist ze ook weer. Zij wist te veel kleine dingen en te weinig grote. Ze legde het mes neer. De kast klopte. Geen tik meer. Klop. Alsof iemand vanbinnen met een vuist tegen het hout sloeg. Ze had altijd gedacht dat queesten begonnen aan de rand van een rijk. Nu bleek de hare te beginnen tussen een kom koude bonen en een kastdeur.
‘Ik kom al,’ zei Mare. Ze stond op. Haar eerste stap plakte aan de vloer. Niet door vuil. Door herinnering. Dat voelde anders. Vuil gaf mee. Bij de tweede stap rook ze zure melk. Ze hield stil. Een tafel. Een nat laken. Blauwe lippen. Een moeder op de grond. Mare klemde haar hand om de rug van een stoel. De derde stap bracht kindergehuil mee. Niet luid. Juist daarom. Het zat ergens achter het behang en had daar jaren geoefend. Bij de vierde stap stond ze voor de kast. Op de deur waren tekens gekrast. Geen sierlijke runen, geen maanvormige heksentaal zoals in goedkope prentenboeken. Gewoon harde strepen, te diep gezet. Mare herkende haar eigen handschrift. Jonger. Kwaaier. Rond het sleutelgat zat zwart draad. Vloekdraad. Daarvoor had je haar nodig, zout, kaarsvet en iets waar je later spijt van kreeg.
Vanbinnen zei iemand: ‘Eindelijk.’ Mare trok haar hand terug. Die stem was van haar. Maar scherper. Met minder geduld en meer tanden.
‘Wie ben jij?’
‘Dat weet je best.’
‘Ik weet vandaag bijzonder weinig.’
‘Open dan.’
‘Ik laat mij niet bevelen door een kast.’
‘Je liet je wel bevelen door het hele dorp.’ Mare draaide de knop. Geen bezems. Dat was al een belediging. Op de bovenste plank stond een glazen pot. Dik glas, scheef geblazen, afgesloten met zwarte was. In de pot zat een meisje, zo groot als een vuist. Blote voeten. Gescheurde jurk. Donker haar tegen haar wangen. Eén kant van haar gezicht was gezwollen. Op haar lip zat bloed. Mare keek naar haar en voelde geen herkenning in haar hoofd. Wel in haar maag.
‘O,’ zei ze. Het meisje legde beide handen tegen het glas.
‘Nu wel.’ De keuken verdween. Niet mooi. Geen licht, geen rook. Gewoon weg.
Mare stond in dezelfde kamer, maar jonger. De tafel stond anders. De muren waren net gekalkt. Regen sloeg tegen het raam. Op de tafel lag een kind. Vijf jaar, misschien. Klein mondje. Haar nat van koorts. Dood, al wilde de kamer dat woord nog niet gebruiken. Jonge Mare stond ernaast. Zestien. Slap van vermoeidheid. Haar handen rood van wassen en kruiden wrijven. Een man greep haar pols.
‘Maak haar wakker.’
‘Ze is weg,’ zei jonge Mare. De man sloeg haar. Geen grote slag. Geen verhaalwaardige. Een platte hand, kort en gemeen. Genoeg voor bloed. Genoeg om iedereen in de gang te laten zwijgen.
In de deuropening stonden mensen. De dorpsraad. De bakker. Lena, jong nog, met haar muts in beide handen. Niemand zei iets.
‘Bedrieger,’ zei de man.
‘Ik heb gedaan wat ik kon,’ zei jonge Mare.
‘Je hebt haar laten sterven.’
‘Jullie kwamen te laat.’ Dat had ze niet moeten zeggen. De man greep haar pols. Iemand achter hem zei: ‘Brand haar handen. Dan houdt het op.’ Jonge Mare keek naar de gezichten. Mare keek met haar mee. Ze zag mensen die bij haar waren gekomen voor koorts, weeën, wratten, mislukte liefdes, kalveren die verkeerd lagen, regen die uitbleef. Mensen die haar kind noemden als ze haar te jong vonden en heks als ze iets nodig hadden. Ze stonden daar. Ze lieten de man haar vasthouden. Lena deed haar mond open. En sloot hem weer. Daar brak iets. Niet luid. Niet zichtbaar. Maar Mare voelde het, zelfs nu nog. Een klein ding in haar borst dat ophield met hopen. Jonge Mare tilde haar hoofd op.
‘Goed,’ zei ze. De man liet haar pols niet los.
‘Jullie willen niets verliezen?’ Haar stem was kalm geworden. Dat was het gevaarlijkste aan haar.
‘Dan verliezen jullie niets meer. Geen woord. Geen naam. Geen dode. Geen schaamte. Geen ogenblik waarop je had kunnen kiezen. Alles blijft. Alles blijft vers. Tot iemand eerlijk genoeg is om het terug te nemen.’ Buiten kraaide een haan, midden in de nacht. Toen begon het dorp te schreeuwen. De gang verdween. Mare stond weer voor de kast, met haar hand tegen haar wang. Haar lip bloedde niet, maar ze proefde bloed. Het meisje in de pot keek haar aan.
‘Ze verdienden het,’ zei ze. Mare zei niets.
‘Zeg het.’
‘Ze waren laf.’
‘Zeg dat ze het verdienden.’ Mare keek naar de tafel, naar het brood, naar de mok met koude thee.
‘Ik weet niet of verdienen het juiste woord is.’ Het meisje sloeg met haar vuist tegen het glas.
‘Ze zouden onze handen verbrand hebben.’
‘Misschien.’
‘Misschien?’
‘Je verdedigt hen.’
‘Nee.’
‘Je klinkt als hen.’ Dat raakte harder dan Mare wilde. Ze boog dichter naar de pot.
‘Ik verdedig niet wat ze deden. Ik kijk naar wat wij deden.’
‘Wij?’
‘Jij sprak. Ik liet het dertig jaar liggen.’
Het meisje haalde haar lip op. ‘Jij wist van niets.’
‘Dat maakte het gemakkelijk.’
‘Het was het enige goede eraan.’ Daar zat waarheid in. Mare voelde het. De leegte in haar hoofd was niet alleen verlies geweest. Ze had erin kunnen slapen. Ze had thee gezet. Planten gekweekt. Brood gegeten dat aan haar poort werd gelegd. Ze had het dorp vervloekt en daarna de schuld in een pot gestopt. Ze was oud geworden met schone handen, omdat ze de vuile achter een kastdeur had gezet.
‘Als ik je eruit laat,’ zei Mare, ‘komt alles terug.’
‘Ja.’
‘Ook jij.’ Het meisje zweeg. Voor het eerst zag Mare hoe klein ze was. Zestien. Een kind met bloed op haar lip, te veel macht in haar mond en niemand naast haar. Mare pakte het broodmes. Het meisje deinsde achteruit.
‘Wat doe je?’
‘Niet zo kijken. Als ik je had willen vermoorden, had ik geen dertig jaar gewacht.’ Ze sneed in haar duim en drukte haar bloed op de zwarte was. De was siste.
‘Wacht,’ zei het meisje. Mare wachtte.
‘Als je dit doet, mogen ze vergeten.’
‘Niet alles.’
‘Genoeg.’
‘Misschien is genoeg soms genade.’ Het meisje spuwde tegen de binnenkant van het glas. ‘Genade is wat mensen vragen als ze niet willen betalen.’
Mare knikte. ‘Meestal wel.’
‘Waarom dan?’ Omdat Lena aan de deur stond alsof haar dode man nog in haar armen lag. Omdat een kind droomde met het hoofd van zijn grootmoeder. Omdat schuld geen wieg hoorde te zijn. Omdat Mare moe was van een leven met gaten erin.
Ze zei alleen: ‘Omdat ik niet langer leeg wil zijn.’ Het meisje keek naar haar.
‘Dat is egoïstisch.’
‘Eindelijk iets dat je gelooft.’ Heel even bewoog er iets rond de mond van het meisje. Geen glimlach. Nog niet. Mare legde haar hand op het deksel. De woorden kwamen vanzelf. Niet mooi. Niet plechtig. Ze klonken als iets dat lang onder een steen had gelegen.
‘Wat ik gaf uit woede, neem ik terug uit eigen naam.’ De zwarte was barstte. De pot ging open. Er kwam geen storm uit. Geen blauwe vlam, geen dodenstemmen. Alleen adem. Mare viel. De vloer kwam hard tegen haar knieën. Alles kwam tegelijk terug en niet netjes. De klap. De smaak van bloed. Het kind op de tafel. Het gewicht van een kleine hand die slap werd in de hare. De moeder die spuugde. Lena die keek en niets deed. De man zijn vingers rond haar pols. De woorden in haar mond. De kracht ervan. De schrik achteraf. Het dorp dat stil werd. De eerste ochtend waarop niemand nog vergat waarom hij huilde. Dan de jaren. Mare gaf over op de vloer. Ze bleef zitten tot haar adem weer van haar was. De ketel zweeg. De kruiden hingen stil. In de kast stond de lege pot. Buiten kraaide een haan. Vals. Hard. Veel te laat. Mare lachte. Niet lang. Het deed pijn aan haar keel. Er werd op de deur geklopt. Ze stond op. Haar knieën protesteerden. Haar ochtendjas hing scheef. Er zat thee op haar mouw en braaksel op haar zoom. Lena stond buiten. Achter haar stonden anderen op het pad. De bakker. De vrouw met het kind. De smid. Niemand kwam dichterbij. Niemand riep.
Lena had gehuild. ‘Mijn man,’ zei ze.
Mare hield zich vast aan de deurpost. ‘Ben je hem kwijt?’
Lena schudde haar hoofd. ‘Nee.’ Ze legde haar hand op haar borst. ‘Hij was dood. Niet aan het sterven.’ Mare begreep het. Dat maakte het niet minder erg. Alleen duidelijker.
Het jongetje met het houten paard keek naar Mare. ‘Ben jij de heks?’ Zijn moeder trok hem niet weg. Mare keek naar haar bebloede duim. Naar haar blote voet. Naar het brood bij de poort.
‘Ja,’ zei ze. ‘Maar vandaag niet voor kleine klachten.’ Het kind knikte ernstig. Lena deed een stap naar voren. Toen stopte ze.
‘Dank je,’ zei ze. Lena glimlachte. Voorzichtig.
‘Ik zal het zeggen.’ Mare sloot de deur. De pot liet ze in de kast staan. Leeg glas was ook een herinnering. Ze zette opnieuw thee. Deze keer nam ze twee koppen. Ze zette er één tegenover zich op tafel. Er zat niemand. Toch schoof de stoel vanzelf een stukje naar achter. Mare schonk in. Buiten kraaide de haan opnieuw. Alsof hij oefende. Mare hief haar kop. ‘Op slechte geschenken,’ zei ze. De thee aan de overkant rimpelde, alsof iemand ertegen blies. Later die ochtend vergat iemand in Berkelwoud waarom hij kwaad was. Er gebeurde niets. Geen straf. Geen bliksem. Niemand viel dood neer. Vier stappen had het gekost. Dertig jaar om ze te zetten. Alleen dat.