Slak
Onverstoorbaar rijd je je spoor uit van slijm,
plak en lijm, van schub en glinster. Traag,
eigenwijs verslak je de tijd.
Wanneer beroerd, geraakt, trek je je terug in
het wenteltrappenhuis van je grote gelijk. Waar
je stilte golft en galmt, oorverdovend.
Zoals je vriend struisvogel verblind je jezelf,
onpeilbaar je ongeloof, verontwaardiging,
wanneer straks kraakt je kathedraal.