Schemer
Op dit bankje zou je gezeten hebben, al die tijd
Met je rechte rug gebruikte je nauwelijks leuning
Je voeten pookten vluchtige beelden uit de aarde
Je handen in je schoot omsloten niets
Ik zie een schim er in je sporen passen. Het zit
en overpeinst de rimpelloze vijver. Met een geeuw
ontneemt het sfeer van lucht, zoals een zwaan zwárt wit
Terugtrekkende waterjuffers zoemen tot stil
Langzaamaan woekeren de fragiele beelden dicht
met mijmeringen verslingerd aan algengroen. Tenzij
een godswonder of een najaarsstorm
ons na verlopen verbond nogmaals belicht