gioiamariab

Gebruikersnaam gioiamariab

Teksten

GHOSTLINE

DEEL I _________   HOOFDSTUK 1 De rechter Manhattan, maandag 12 oktober 2026 Margaret Ellis kwam elke ochtend om tien voor acht aan bij het huis in East 78th Street. Ze werkte er al veertien jaar en had haar eigen sleutel, zodat ze nooit hoefde aan te bellen. Toen ze die maandag de voordeur opende, viel haar meteen op dat het alarm niet aanstond. Normaal hoorde ze bij het binnenkomen een piepsignaal, waarna ze enkele seconden had om de code in te toetsen. Nu bleef het stil. Dat was ongewoon, want William Harrington zette het alarm iedere avond aan voordat hij naar boven ging. Hij sloeg dat nooit over, zelfs niet wanneer hij moe was of bij het avondeten wat te veel wijn had gedronken. Margaret hing haar tas aan de kapstok en liep naar de keuken, waar ze twee koffiekopjes in de gootsteen zag staan. Ook dat verbaasde haar. Ze had zondagmiddag de vaatwasser nog leeggemaakt voordat ze naar huis ging, en Harrington had haar toen verteld dat hij die avond niemand verwachtte. Ze liep terug naar de gang en riep zijn naam. Toen er geen antwoord kwam, ging ze verder naar zijn werkkamer. De deur stond half open en binnen brandde nog de bureaulamp. Harrington zat achter zijn bureau, met zijn hoofd opzij tegen de rugleuning van zijn stoel. Zijn ogen waren open, maar hij reageerde niet toen Margaret binnenkwam. Ze wilde naar hem toe lopen, totdat ze de donkere striemen in zijn hals opmerkte. Ze bleef staan en keek een paar seconden naar hem, zonder goed te weten wat ze moest doen. Vervolgens liep ze terug naar de keuken, waar ze met haar jas nog aan het alarmnummer belde. Ze had hem niet aangeraakt. Om half tien zat Nathan Cole aan zijn bureau op Federal Plaza toen zijn telefoon ging. James Walker wilde weten of hij al iets had gehoord over de dood van rechter William Harrington. ‘Niet veel meer dan wat er op het nieuws is geweest,’ antwoordde Nathan. ‘Een gepensioneerde federale rechter die dood is aangetroffen in zijn woning. Ik neem aan dat er inmiddels meer bekend is?’ Walker vertelde hem dat Harrington was vermoord en volgens de eerste lijkschouwing door wurging om het leven was gekomen. De NYPD had de leiding over het onderzoek, maar omdat het slachtoffer een voormalige federale rechter was, wilde Walker dat ook de FBI de zaak opvolgde. ‘Er is nog iets wat je moet weten,’ ging hij verder. ‘Harrington heeft vorige week dinsdag naar het kantoor van Claire Donovan gebeld. Hij wilde een afspraak met iemand van de afdeling openbare corruptie. Volgens hem ging het over geld en over een zaak uit 1997, maar hij weigerde aan de telefoon meer te vertellen.’ Nathan begreep waarom Walker hem belde. ‘En nu wil Donovan weten wat hij haar had willen vertellen, neem ik aan?’ ‘Vooral of zijn dood iets te maken heeft met dat telefoontje. Als iemand een voormalige federale rechter heeft vermoord vanwege zijn vroegere werk, kunnen wij daar niet zomaar buiten blijven. En omdat er mogelijk geld mee gemoeid is, wil ik dat jij ernaar kijkt. Rechercheur Torres van de NYPD weet dat je komt en verwacht je ter plaatse.’ Nathan vroeg of er al iets bekend was over de zaak uit 1997, maar Walker had voorlopig geen verdere informatie. Hij zou contact opnemen zodra hij meer wist. Na het gesprek nam Nathan zijn jas en vertrok. In de lift keek hij op zijn telefoon en zag dat Olivia hem een bericht had gestuurd. Ze wilde weten of hun afspraak voor zaterdag nog doorging. Hij las haar vraag, maar besloot later te antwoorden en stak de telefoon weer in zijn zak. Voor het huis in East 78th Street stonden twee politiewagens en een busje van de technische recherche. Het was een smal herenhuis van vier verdiepingen, met een zwarte voordeur en bloembakken voor de ramen op de benedenverdieping. Nathan liet bij de ingang zijn legitimatie zien aan een agent, die de gegevens controleerde voordat hij hem binnenliet. In de gang stond Ray Torres, een stevige man van ongeveer vijftig jaar met kortgeknipt grijs haar. Hij had een notitieboekje in zijn hand en kwam Nathan tegemoet. ‘Cole, neem ik aan? Goed dat de FBI ook iemand stuurt. Ik zal je laten zien wat we tot nu toe hebben, maar raak voorlopig niets aan in de werkkamer. Mijn mensen zijn daar nog bezig.’ Nathan volgde hem door de gang. Ze bleven in de deuropening van de werkkamer staan, waar het lichaam van Harrington inmiddels was weggehaald. Zijn stoel stond nog schuin achter het bureau en een technicus maakte foto's van een openstaande lade aan de rechterkant. Op de vloer lag een stapel post. Terwijl Nathan de kamer bekeek, vertelde Torres wat zijn mensen tot dan toe hadden vastgesteld. Er waren geen sporen van braak gevonden. De ramen waren onbeschadigd, de sloten waren niet geforceerd en de voordeur had op het nachtslot gezeten. Dat laatste zei volgens hem weinig, omdat het slot automatisch dichtviel zodra iemand de deur achter zich dichttrok. ‘We gaan er voorlopig van uit dat Harrington zijn bezoeker zelf heeft binnengelaten,’ legde Torres uit. ‘In de keuken stonden twee koffiekopjes en volgens de eerste schatting is hij ergens tussen tien uur 's avonds en middernacht overleden. Het lijkt er dus op dat hij gisteravond nog iemand op bezoek heeft gehad.’ Nathan keek naar het bureau en vroeg of ze al hadden vastgesteld of er iets verdwenen was. ‘Zijn laptop en telefoon ontbreken allebei. Volgens de huishoudster stond de laptop normaal altijd hier op het bureau. De oplader zit trouwens nog in het stopcontact, dus die heeft iemand laten zitten. Zijn portefeuille hebben we wel gevonden, gewoon in zijn binnenzak, met zijn geld en creditcards er nog in. Ook zijn horloge had hij nog om.’ ‘Dat klinkt niet meteen als een gewone inbraak,’ merkte Nathan op. ‘Zeker niet als iemand de moeite heeft genomen om zijn laptop en telefoon mee te nemen, maar zijn portefeuille en horloge laat liggen.’ Torres was het daarmee eens. Hij had zelf ook moeite met het idee dat een gewone inbreker het horloge zou laten zitten, terwijl het slachtoffer zich niet meer kon verzetten. ‘Er is bovendien iets anders dat ik je wil laten zien,’ vervolgde hij. ‘Het ligt op het bureau. Ik heb mijn mensen gevraagd het voorlopig te laten liggen, omdat ik benieuwd ben wat jij ervan denkt.’ Een technicus overhandigde Nathan een paar handschoenen. Nadat hij die had aangetrokken, liep hij om het bureau heen. Naast het vloeiblad lag een geel notitieblok van het soort dat juristen vaak gebruiken. Op het bovenste blad stonden twaalf namen, netjes onder elkaar geschreven in een klein, regelmatig handschrift. Elf daarvan waren met een rechte lijn doorgestreept, maar de letters waren nog duidelijk leesbaar. Richard Blackwood. Adrian Wolfe. Victor Stein. Jonathan Price. Charles Whitmore. Martin Varga. Klaus Richter. Daniel Mercer. Anton Kessler. Gabriel Moreau. Samuel Novak. Alleen de twaalfde naam was niet doorgestreept. Robert Hale. Achter die naam stond, in hetzelfde handschrift, de datum 13/10. Torres wees naar de datum. ‘Dat is morgen. Je begrijpt waarschijnlijk waarom ik dit niet zomaar als een boodschappenlijstje beschouw.’ Nathan boog zich iets dichter over het papier. De lijnen door de elf namen waren ongeveer even lang en zorgvuldig getrokken. Hij kreeg de indruk dat iemand ze een voor een had doorgestreept, maar uit het papier alleen viel niet af te leiden wanneer dat was gebeurd. ‘Hebben jullie deze mensen al kunnen identificeren?’ vroeg hij. ‘We zijn ermee bezig. Ik heb alle namen laten controleren in onze systemen, maar voorlopig hebben we in New York niets gevonden dat ons verder helpt. Sommige namen klinken Europees, dus mogelijk moeten we buiten de Verenigde Staten zoeken.’ Torres sloot zijn notitieboekje en keek opnieuw naar het papier. ‘Wat mij vooral zorgen baart, is die laatste naam met de datum van morgen. Als dit een lijst is van mensen die vermoord moeten worden, hebben we niet veel tijd om Robert Hale te vinden.’ Nathan vond dat ze die mogelijkheid ernstig moesten nemen, maar wilde nog geen conclusies trekken. De datum kon evengoed verwijzen naar een afspraak of een gebeurtenis waarover Harrington informatie had verzameld. ‘Misschien wilde hij morgen iemand ontmoeten om over Robert Hale te praten,’ opperde hij. ‘We weten zelfs niet of Harrington deze namen zelf heeft doorgestreept.’ ‘Dat klopt,’ gaf Torres toe. ‘Maar zolang we niet weten wat die lijst betekent, ga ik liever van het ergste uit. Als Hale werkelijk gevaar loopt, wil ik niet achteraf moeten vaststellen dat we hem hadden kunnen waarschuwen.’ Nathan vroeg of ze het notitieblok eerst uitgebreid konden fotograferen voordat het naar het laboratorium ging. Torres gaf de technicus een teken, waarna die zijn camera nam en aan het werk ging. Margaret Ellis zat nog altijd in de keuken, met een glas water voor zich. Naast haar zat een politieagente die haar gezelschap hield. Ze had haar jas nog steeds aan en keek op toen Nathan binnenkwam. Hij stelde zich voor als Nathan Cole van de FBI en vroeg of hij even met haar mocht praten. Nadat ze had geknikt, nam hij tegenover haar plaats. ‘Ik begrijp dat u vanmorgen al uitgebreid met mijn collega's hebt gesproken,’ begon hij. ‘Het spijt me dat ik u alles opnieuw moet laten vertellen, maar ik wil graag precies begrijpen wat u hebt aangetroffen. Misschien zijn er dingen die op het eerste gezicht niet belangrijk lijken, maar die ons toch kunnen helpen.’ Margaret vertelde opnieuw over het alarm dat niet aanstond, de twee koffiekopjes in de gootsteen en de deur van de werkkamer die half open had gestaan. Ze sprak rustig en zorgvuldig, al hield ze haar glas de hele tijd stevig met beide handen vast. Nathan liet haar uitspreken voordat hij vroeg of Harrington zich de laatste maanden anders had gedragen dan gewoonlijk. Margaret dacht even na. ‘Eigenlijk wel, maar die verandering is al langer bezig. Meneer Harrington is in 2024 met pensioen gegaan en het eerste jaar leek hij daar echt van te genieten. Hij las veel, ging regelmatig naar concerten en sprak met oude collega's af om samen te eten. Ik dacht dat hij eindelijk wat rust had gevonden.’ Ze zette haar glas neer en vervolgde haar verhaal. ‘Sinds vorig jaar was dat anders. Hij bracht bijna elke dag opnieuw uren in zijn werkkamer door. Er werd veel gebeld en hij drukte voortdurend documenten af. Soms lagen er hele stapels papier op zijn bureau. Hij vertrouwde computers en schermen nooit helemaal, zei hij, en daarom wilde hij alles op papier hebben.’ Nathan vroeg of Harrington ooit had verteld waar hij precies aan werkte. ‘Niet echt. Als ik ernaar vroeg, zei hij meestal dat het om een oude zaak ging die hij nooit goed had afgesloten. Ik had de indruk dat hij er liever niet over sprak, dus na een tijdje stelde ik er geen vragen meer over.’ Margaret keek even naar het raam, alsof ze probeerde zich iets te herinneren. ‘Er is wel iets wat ik vreemd vond. In het voorjaar is hij een week naar Praag geweest. Hij zei dat het vakantie was, maar toen hij terugkwam, had hij een tas vol papieren bij zich. Hij liet me geen enkele foto zien, terwijl hij van zijn andere reizen altijd foto's meebracht en vertelde wat hij allemaal had bezocht. Deze keer sprak hij er nauwelijks over.’ Nathan vroeg of ze zich kon herinneren dat Harrington ooit de namen Robert Hale of Blackwood had genoemd. Margaret schudde haar hoofd. Ze kende die namen niet, al kon ze natuurlijk niet weten met wie hij allemaal telefoneerde wanneer zij niet in huis was. ‘U zei dat hij na zijn reis veel papieren bij zich had,’ ging Nathan verder. ‘Weet u toevallig waar hij die bewaarde? Op zijn bureau hebben we niet zoveel documenten gevonden als ik op basis van uw verhaal zou verwachten.’ ‘Dan moet u boven kijken, in de logeerkamer. Daar staat een archiefkast die altijd op slot zit. Hij noemde dat de kast van zijn oude werk. Ik mocht er zelfs niet afstoffen, omdat hij niet wilde dat iemand aan zijn papieren kwam.’ Toen Nathan vroeg of ze wist waar Harrington de sleutel bewaarde, antwoordde Margaret dat die aan zijn gewone sleutelbos hing. Hij droeg die volgens haar altijd bij zich. Torres, die een deel van het gesprek vanuit de deuropening had gevolgd, liep naar de gang. Even later kwam hij terug met een plastic bewijszak waarin een sleutelbos zat. ‘Die hebben we in zijn broekzak gevonden,’ vertelde hij. ‘De moordenaar heeft zijn zakken blijkbaar niet doorzocht. Of hij wist niet dat Harrington boven nog een archiefkast had staan.’ Nathan keek naar de sleutels en stelde voor om de logeerkamer te onderzoeken voordat iemand anders in het huis aan het werk ging. De logeerkamer bevond zich op de derde verdieping, aan de achterkant van het huis. Het bed was netjes opgemaakt en de gordijnen waren gesloten. Naast de kledingkast stond een grijze metalen archiefkast met vier laden. Nathan vroeg een technicus om eerst de handgrepen en het slot te onderzoeken. Rond het sleutelgat waren geen krassen zichtbaar en er waren geen aanwijzingen dat iemand had geprobeerd de kast open te breken. De tweede kleine sleutel aan Harringtons sleutelbos paste op het slot. Toen Nathan de bovenste lade opentrok, zag hij dat die helemaal gevuld was met hangmappen. Op elke map zat een etiket met een jaartal en een naam, geschreven in hetzelfde kleine, regelmatige handschrift als de namen op het notitieblok beneden. Hij herkende verschillende namen van de lijst en bekeek de etiketten zonder de volgorde van de mappen te veranderen. Achteraan in de lade vond hij een map met fotokopieën van gerechtelijke documenten. Op elke pagina stond een stempel met de woorden UNDER SEAL. Het zaaknummer begon met 97, wat overeenkwam met het jaar waarover Harrington met het kantoor van Donovan had willen spreken. Nathan bekeek alleen de eerste pagina. Hij wist dat een rechter niet zomaar kopieën van verzegelde gerechtelijke stukken mee naar huis mocht nemen, ook niet wanneer hij de betreffende zaak zelf had behandeld. Hoe Harrington aan deze documenten was gekomen en waarom hij ze hier bewaarde, moest nog worden uitgezocht. Torres keek over zijn schouder mee en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Voor een voormalige federale rechter is dit toch een merkwaardige verzameling. Je zou verwachten dat iemand als Harrington beter wist dan geheime gerechtelijke stukken thuis te bewaren.’ ‘Dat wist hij waarschijnlijk ook,’ antwoordde Nathan. ‘Misschien kon hij die oude zaak niet loslaten en vond hij het belangrijker om de documenten bij zich te houden. Maar zolang we niet weten waarom, moeten we voorzichtig zijn met onze conclusies.’ In een andere map vonden ze een vergeeld formulier met zowel Tsjechische als Engelse tekst. Het bleek een registratiekaart van een hotel in Praag te zijn. In de jaren negentig moesten buitenlandse gasten zulke kaarten invullen voor de politie. De naam van de gast was in duidelijke blokletters geschreven: ROBERT HALE. Bij nationaliteit stond Amerikaans ingevuld en als aankomstdatum was 15 november 1996 genoteerd. Het vakje voor de vertrekdatum was leeg. Nathan legde de kaart terug in de map en keek naar de vier laden van de archiefkast. Als ze allemaal even vol zaten als de bovenste, moesten er duizenden documenten in zitten. ‘We zullen dit zorgvuldig moeten aanpakken,’ zei hij tegen Torres. ‘Er zitten federale documenten tussen die onder geheimhouding vallen. Ik wil niet dat de hele inhoud zomaar naar jullie laboratorium wordt gebracht zonder dat we precies weten wat erin zit. Mijn voorstel is om alles hier te scannen en te registreren, zodat er van elk document een kopie bestaat en niemand achteraf kan beweren dat er stukken verdwenen zijn.’ Torres vond het voorstel redelijk, maar wilde wel dat zijn eigen mensen bij het scannen aanwezig waren. Het huis was nog altijd een plaats delict binnen een onderzoek van de NYPD en hij wilde de volledige controle over het bewijsmateriaal behouden. Nathan had daar geen bezwaar tegen. Ze spraken af dat beide diensten de registratie zouden opvolgen en dat er geen documenten uit de kast zouden worden meegenomen zonder dat dit werd vastgelegd. Vervolgens liep Nathan naar de overloop, waar hij Nina Laurent belde. Zij werkte bij het digitaal forensisch onderzoek en had veel ervaring met het reconstrueren van oude archieven. Hij vertelde haar over de archiefkast, de verzegelde gerechtelijke documenten en de twee apparaten die uit Harringtons werkkamer waren verdwenen. ‘We moeten weten wat er op die laptop en telefoon stond,’ legde hij uit. ‘Kun je nagaan of Harrington ergens een back-up in de cloud had? Controleer ook of zijn telefoon nog verbinding maakt met een netwerk. Volgens de huishoudster drukte hij vrijwel alles af, dus het zou kunnen dat we hier op papier meer terugvinden dan op zijn computer. Maar ik wil vooral achterhalen welke informatie de moordenaar mogelijk heeft meegenomen.’ Nina vroeg hoeveel documenten er ongeveer waren. Toen Nathan vertelde dat het om een archiefkast met vier volle laden ging, zei ze dat ze zelf zou komen en binnen een uur ter plaatse kon zijn. ‘Laat de mappen voorlopig staan zoals ze staan,’ voegde ze eraan toe. ‘Als Harrington een eigen systeem gebruikte, kan de volgorde belangrijk zijn. Ik wil eerst zien hoe hij zijn archief heeft opgebouwd voordat iemand alles door elkaar haalt.’ Nathan beloofde dat hij daarvoor zou zorgen en ging terug naar de logeerkamer om met Torres de verdere aanpak te bespreken. Om half twee belde Walker opnieuw. Nathan stond op dat moment op de stoep voor het huis, omdat hij daar beter bereik had dan binnen. Walker vertelde dat Claire Donovan de hele dag in de rechtbank zat en voorlopig niet bereikbaar was. Haar secretariaat had bevestigd dat Harrington vorige week had gebeld, maar wist niet of er inmiddels een afspraak was vastgelegd. ‘Ze hebben zijn telefoontje genoteerd, maar verder kan niemand me iets vertellen,’ legde Walker uit. ‘Donovan heeft beloofd me vanavond terug te bellen. Hopelijk weten we dan meer over wat Harrington met haar wilde bespreken.’ Nathan keek naar de voordeur van het huis. ‘Dat zou helpen, want we hebben intussen iets gevonden waardoor morgen mogelijk belangrijk wordt.’ Walker vroeg wat hij bedoelde, waarna Nathan hem vertelde over het notitieblok met de twaalf namen. Hij legde uit dat elf namen waren doorgestreept en dat achter de laatste naam, Robert Hale, de datum van dinsdag 13 oktober stond. Bovendien hadden ze in Harringtons archief een hotelregistratie uit Praag gevonden waarop dezelfde naam voorkwam. Walker luisterde zonder hem te onderbreken en vroeg vervolgens of ze al wisten wie Hale was. ‘Nog niet. Torres laat zijn mensen de namen controleren. Het kan om een afspraak gaan, maar we kunnen niet uitsluiten dat Hale gevaar loopt. Die elf doorgestreepte namen maken het er niet geruststellender op.’ Walker vond dat ze voorlopig beide mogelijkheden moesten onderzoeken. ‘Laat de NYPD uitzoeken wie Robert Hale is en waar hij zich bevindt. Als die man werkelijk gevaar loopt, moeten we hem zo snel mogelijk vinden. Jij concentreert je intussen op de vraag waarom een gepensioneerde rechter opnieuw onderzoek deed naar een zaak uit 1997. Ik wil weten wat er destijds is gebeurd en waarom Harrington daar bijna dertig jaar later nog mee bezig was.’ Nathan vertelde dat ze inmiddels begonnen waren met het registreren en scannen van de documenten uit de archiefkast. Dat bracht Walker op een ander punt dat hij onmiddellijk wilde bespreken. ‘Over die verzegelde documenten wil ik duidelijke afspraken maken,’ zei hij. ‘Voordat iemand de inhoud verder onderzoekt, wil ik dat er een officiële aanvraag bij de rechtbank ligt. We kunnen het ons niet veroorloven dat een advocaat over drie maanden ons bewijsmateriaal onderuit haalt omdat we de regels niet hebben gevolgd. Zorg dus dat alles correct wordt vastgelegd en dat niemand die stukken inhoudelijk gaat bestuderen voordat we toestemming hebben.’ Nathan bevestigde dat hij het begrepen had en beëindigde het gesprek. Toen hij terug naar binnen ging, was Nina Laurent inmiddels aangekomen. In de logeerkamer had ze een scanner op een klaptafel gezet en was ze samen met een agent van de NYPD begonnen aan de registratie. Ze werkte de bovenste lade map voor map af. Elke pagina kreeg een nummer voordat ze werd gescand, terwijl de agent op een aparte lijst bijhield welke documenten ze hadden verwerkt. Nathan bleef even naast de tafel staan en keek hoe ze te werk ging. ‘Harrington had in ieder geval een duidelijk systeem,’ vertelde Nina terwijl ze verderwerkte. ‘Alles is gedateerd en de mappen liggen in een vaste volgorde. De nieuwste documenten zitten vooraan in de bovenste lade. Die zijn allemaal van vorige week.’ Ze nam een dunne map van de stapel en liet Nathan het etiket zien. ‘Deze heb ik net geregistreerd. Er zitten maar drie bladen in en het lijkt om recente correspondentie te gaan. De map zelf bevat geen gerechtelijke stukken.’ Nathan nam de map aan en bekeek het bovenste blad. Het was een afgedrukte e-mail van zaterdag 10 oktober, ondertekend met R. Kaplan. Bill, Ik heb gedaan wat je vroeg, maar veel heb ik niet gevonden. David Collins werkte in de jaren negentig in Washington als veiligheidsfunctionaris bij de overheid. Waar hij nu is, weet ik niet. Er is na 2003 vrijwel niets meer over hem te vinden. Mag ik vragen waarom je dit wilt weten? Ruth Onder de e-mail had Harrington met de hand nog iets geschreven: Aangevraagd 9/10. Bij Donovan melden. Nathan las het bericht een tweede keer en bleef vooral bij de naam David Collins hangen. Die was hem nog niet eerder opgevallen. Collins stond niet op het notitieblok dat ze beneden hadden gevonden en Nathan had zijn naam evenmin gezien op de etiketten van de mappen in de bovenste lade. Hij gaf de map terug aan Nina en vroeg haar om uit te zoeken wie Ruth Kaplan was en wat haar relatie met Harrington kon zijn. Hij wilde ook weten waarom Harrington haar had gevraagd naar een voormalige veiligheidsfunctionaris van de overheid, over wie na 2003 vrijwel niets meer te vinden was. Nina legde de map bij de andere geregistreerde documenten en maakte een aantekening, zodat ze die vraag kon opvolgen zodra ze klaar was met het scannen.   HOOFDSTUK 2 De verloren nacht Londen, maandag 12 oktober 2026 Emily Carter werd wakker van het geluid van een stofzuiger op de gang. Ze lag op haar rug, boven op een opgemaakt bed, en merkte dat ze haar schoenen nog aanhad. Boven haar zag ze een wit plafond met een sierlijst die ze niet herkende. Door een opening tussen de gordijnen viel grijs daglicht naar binnen, precies op een bureau waarop een leren map en een fles water van het hotel lagen. Toen ze rechtop ging zitten, begon de kamer om haar heen te draaien. Ze bleef een tijdje op de rand van het bed zitten en wachtte tot de duizeligheid verdween voordat ze voorzichtig opstond. Haar mond voelde droog aan en ze had moeite om haar gedachten op een rij te krijgen. Op het nachtkastje ontdekte ze een kaartje met het logo van een hotel in Brook Street, in de Londense wijk Mayfair. Emily woonde zelf in Islington en kon geen enkele reden bedenken waarom ze de nacht in een hotel aan de andere kant van de stad had doorgebracht. Het laatste wat ze zich duidelijk herinnerde, was dat ze zondagmiddag thuis rapporten had zitten lezen. Ergens daarna moest ze zich hebben omgekleed, want daarvan had ze nog een vage herinnering, maar waarom ze dat had gedaan, wist ze niet meer. Alles wat daarna was gebeurd, leek volledig uit haar geheugen verdwenen. Ze herinnerde zich geen avondeten, geen taxirit en geen enkel gesprek. Hoe hard ze ook probeerde zich een restaurant, een straat of een gezicht voor de geest te halen, ze vond niets waaraan ze zich kon vasthouden. Haar jas lag over de rugleuning van een stoel. Toen ze hem oppakte, voelde ze dat de rechtermouw bij de pols stijf was geworden. De stof was daar donker verkleurd en op haar blouse ontdekte ze eveneens bruine vlekken, zowel op de mouw als aan de voorkant, ongeveer ter hoogte van haar buik. Ze liep naar de badkamer, deed het licht aan en bekeek zichzelf aandachtig in de spiegel. Op haar jukbeen zat een schaafwond die ze zich niet kon verklaren. Toen ze haar blouse wat optrok, zag ze op haar linker bovenarm een blauwe plek waarin duidelijk de afdruk van vier vingers te herkennen was. Ook de knokkels van haar rechterhand waren geschaafd en in haar handpalm zat een snee van enkele centimeters, waarvan de wondranden inmiddels gesloten waren. Emily hield haar hand onder de lamp om de snee beter te bekijken. Die zag er niet ernstig genoeg uit om de hoeveelheid bloed op haar kleren te verklaren. Hoe langer ze naar de vlekken keek, hoe sterker ze het vermoeden kreeg dat een groot deel van dat bloed niet van haar afkomstig was. Op het bureau stond haar tas. Ze maakte die open en controleerde zorgvuldig de inhoud. Haar portemonnee, sleutels, telefoon, pasjes, lippenstift en de oplader van haar laptop waren er allemaal nog. Toen ze met haar vingers door het binnenvak ging, waar ze normaal nooit iets in bewaarde, voelde ze een klein, hard voorwerp. Ze haalde het eruit en ontdekte een platte sleutel met een plastic label eraan. Op het label stond het nummer 0417, met daaronder in kleinere letters de naam Bankhaus Albrecht & Cie, Zürich. Door haar werk herkende Emily onmiddellijk wat voor sleutel ze in haar hand had. Ze had al tientallen lijsten onderzocht van bankkluizen die in het kader van faillissementen of fraudeonderzoeken waren geopend. Dit was duidelijk een sleutel van zo'n kluis, alleen had ze zelf nooit een bankkluis gehad, niet in Londen en al helemaal niet in Zwitserland. Om tien over zeven belde ze het alarmnummer. De vrouw die haar oproep aannam, stelde verschillende vragen om te bepalen welke hulp ze nodig had. Ze wilde weten of Emily gewond was, of ze zich op dat moment veilig voelde en of ze misschien iets had gegeten of gedronken waarvan ze de herkomst niet kende. Emily probeerde zo goed mogelijk te antwoorden, maar moest telkens uitleggen dat ze het niet wist. Ook toen de vrouw vroeg wat er de vorige avond was gebeurd, kon ze haar niets vertellen. Ongeveer twintig minuten later klopten twee politieagenten in uniform op haar kamerdeur. Nadat Emily hen had binnengelaten, vroegen ze haar om voorlopig niets meer aan te raken en zeker niet te douchen, omdat er mogelijk sporen onderzocht moesten worden. Kort na acht uur arriveerde een rechercheur in gewone kleren. Het was een lange man van ongeveer veertig jaar, die een regenjas over zijn arm droeg. Hij stelde zich voor als Oliver Hayes van de recherche in Westminster. Zijn collega, Priya Shah, bleef bij de deur staan en begon aantekeningen te maken. Hayes vroeg Emily om plaats te nemen en liet haar eerst rustig vertellen wat ze zich nog kon herinneren. Hij onderbrak haar nauwelijks en wachtte tot ze zelf aangaf dat ze niets meer wist. Daarna stelde hij enkele vragen over de dingen waarvan ze wel zeker was, zoals haar naam, haar adres en haar beroep. ‘Ik ben forensisch financieel analist bij Harcourt Lyle, in de City,’ vertelde Emily. ‘Ik onderzoek geldstromen voor advocatenkantoren en banken. Meestal gaat het om fraude, faillissementen of witwassen, dus ik werk regelmatig met vertrouwelijke financiële gegevens.’ Hayes wilde weten of ze op dat moment betrokken was bij een zaak die bijzonder gevoelig lag of waarbij iemand belang zou kunnen hebben om haar onder druk te zetten. ‘Bijna alles wat ik doe, is vertrouwelijk,’ antwoordde Emily. ‘Dat hoort nu eenmaal bij mijn werk.’ ‘Dat begrijp ik, maar ik probeer vooral te achterhalen of er een dossier is waarbij iemand er voordeel uit zou halen als u bepaalde informatie niet naar buiten bracht.’ Emily dacht een tijdje na en ging in gedachten de zaken langs waaraan ze de afgelopen weken had gewerkt. Uiteindelijk schudde ze haar hoofd. ‘Er is geen enkele zaak waarvan ik denk dat iemand mij daarom iets zou willen aandoen. Natuurlijk zijn er mensen die liever niet hebben dat bepaalde geldstromen onderzocht worden, maar ik heb geen reden om aan te nemen dat iemand mij persoonlijk zou bedreigen.’ Hayes knikte en liet zijn blik naar haar gewonde hand gaan. Hij legde uit dat hij haar eerst naar het ziekenhuis wilde brengen, waar artsen haar verwondingen konden onderzoeken en bloed- en urinestalen konden afnemen. ‘Als iemand u een middel heeft toegediend, is het belangrijk dat we dat zo snel mogelijk proberen vast te stellen,’ vertelde hij. ‘Sommige stoffen zijn namelijk al na enkele uren moeilijk terug te vinden. We nemen ook uw kleren mee voor onderzoek, omdat de bloedvlekken ons mogelijk meer kunnen vertellen over wat er is gebeurd.’ Emily keek opnieuw naar de voorkant van haar blouse en streek voorzichtig met haar vingers langs een van de bruine vlekken. ‘Ik denk niet dat al dat bloed van mij is. De snee in mijn hand is daarvoor toch veel te klein?’ ‘Dat vermoed ik ook,’ antwoordde Hayes. ‘Maar we laten onderzoeken van wie het afkomstig is voordat we daar conclusies uit trekken.’ Daarna kwam hij terug op de sleutel die Emily in haar tas had gevonden. Ze haalde het voorwerp tevoorschijn en gaf het aan Shah, die het in een doorzichtig zakje stopte. Hayes nam het zakje aan en bekeek het label zonder de sleutel eruit te halen. ‘Hebt u enig idee hoe dit in uw tas terechtgekomen kan zijn? Misschien via uw werk of iemand die u kent?’ ‘Nee, helemaal niet. Ik heb geen bankrekening in Zwitserland en ben er al vijf jaar niet meer geweest. Bovendien kan ik me niet voorstellen waarom iemand mij zomaar een sleutel van een bankkluis zou geven.’ Hayes vertelde dat de sleutel op vingerafdrukken onderzocht zou worden en dat ze hem zou terugkrijgen als bleek dat hij niets met de zaak te maken had. Terwijl Shah het zakje weer aannam, keek Emily nog een keer naar het label. Het nummer 0417 en de naam van de bank stonden inmiddels duidelijk in haar geheugen gegrift. In het St Mary’s Hospital in Paddington onderzocht een arts haar verwondingen. Hij maakte foto's van de schaafwonden en de blauwe plek, waarna hij de snee in haar hand zorgvuldig schoonmaakte. Volgens zijn inschatting was die wond ongeveer tien uur oud. De blauwe plek op haar bovenarm was waarschijnlijk ontstaan doordat iemand haar stevig had vastgepakt, terwijl de schaafwonden op haar knokkels erop wezen dat ze met haar hand iets of iemand had geraakt. Toen het onderzoek was afgerond, ging de arts tegenover haar zitten om uit te leggen wat ze voorlopig konden vaststellen. ‘Het bloedonderzoek zal een paar dagen duren, maar uw klachten kunnen erop wijzen dat iemand u een middel heeft toegediend waardoor u zich bepaalde gebeurtenissen niet meer kunt herinneren. Geheugenverlies kan ook ontstaan door een klap tegen het hoofd, alleen zie ik bij u geen aanwijzingen die daarop wijzen.’ Emily luisterde aandachtig en vroeg of dat betekende dat haar herinneringen vanzelf zouden terugkomen zodra het middel was uitgewerkt. ‘Dat is helaas niet zeker,’ legde de arts uit. ‘Als het inderdaad om zo'n middel gaat, is de kans groot dat u zich die uren nooit meer zult herinneren. Vaak verdwijnen ook de herinneringen aan het uur ervoor. Soms komen er later nog enkele losse herinneringen terug, maar daar kunnen we op dit moment weinig over voorspellen.’ Emily stelde geen verdere vragen over de middelen die zoiets konden veroorzaken. Door haar werk had ze al voldoende verslagen van rechtszaken gelezen waarin dergelijke stoffen ter sprake kwamen. Shah bracht haar een trainingspak uit de voorraad van het ziekenhuis, zodat ze iets anders kon aantrekken. Nadat Emily zich had omgekleed, werden haar eigen kleren afzonderlijk in papieren zakken gestopt en verzegeld. Vervolgens moest ze nog ongeveer een uur wachten in een kale wachtkamer, waar ze met haar telefoon in haar hand ging zitten om te proberen iets over de vorige avond te achterhalen. Op het vergrendelscherm stond nog een melding van zondagavond om half acht: Over 30 minuten — T.V. Ze opende haar agenda en zocht naar de afspraak waarop de melding betrekking moest hebben gehad, maar bij zondag 11 oktober stond helemaal niets. Ook toen ze de rest van de week en de voorgaande week doorzocht, vond ze nergens een afspraak waarin de letters T.V. voorkwamen. Daarna bekeek ze haar telefoongesprekken. Op zondagavond om 19.21 uur had ze zelf een Zwitsers telefoonnummer gebeld. Het gesprek had vier minuten geduurd, maar hoe lang ze ook naar de cijfers keek, ze herkende het nummer niet. Na die oproep waren er geen gesprekken meer geweest, totdat ze die ochtend het alarmnummer had gebeld. Om tien uur besloot ze contact op te nemen met Gareth Lloyd, het hoofd van de IT-afdeling van Harcourt Lyle. Hij wist inmiddels dat ze niet op kantoor was en luisterde terwijl Emily hem in grote lijnen vertelde wat er was gebeurd. Toen ze uitgesproken was, vertelde hij dat er iets was wat ze volgens hem moest weten. ‘Vannacht heeft iemand om 02.41 uur geprobeerd op jouw account in te loggen,’ begon Gareth. ‘Die persoon kende blijkbaar je wachtwoord, maar gebruikte een apparaat dat ons systeem niet herkende. Daarom werd er automatisch een verzoek naar je telefoon gestuurd om de aanmelding te bevestigen. Omdat niemand daarop reageerde, heeft het systeem de toegang geweigerd.’ Emily probeerde zich voor te stellen waar ze op dat tijdstip was geweest en wat ze had gedaan. Volgens de camerabeelden die de politie nog moest onderzoeken, had ze de nacht in het hotel doorgebracht, maar zelf kon ze zich daar niets van herinneren. ‘Ik sliep toen waarschijnlijk,’ zei ze aarzelend. ‘Tenminste, dat neem ik aan, want eigenlijk weet ik helemaal niet wat ik op dat moment deed.’ Gareth vertelde dat er vervolgens nog twee pogingen waren geweest, om 02.44 uur en om 02.49 uur. Daarna had niemand meer geprobeerd toegang te krijgen tot haar account. ‘Ik heb je wachtwoord ondertussen geblokkeerd, dus voorlopig kan niemand ermee inloggen,’ ging hij verder. ‘Maar ik zou wel graag weten of je enig idee hebt welke bestanden iemand zou willen bekijken.’ Emily dacht aan de dossiers die op haar schijf stonden. Het waren er meer dan veertig en de onderwerpen liepen sterk uiteen, van een Russische familie met een scheepvaartbedrijf tot een bouwbedrijf in Leeds. Ze kon onmogelijk bepalen welk dossier voor een buitenstaander interessant zou kunnen zijn. ‘Ik zou het echt niet weten, Gareth. Er staan zoveel verschillende zaken op mijn schijf dat ik geen idee heb waar ik moet beginnen zoeken.’ Terwijl ze nadacht over wat hij haar had verteld, herinnerde ze zich de vreemde agendamelding die ze eerder die ochtend had gevonden. ‘Er is trouwens nog iets waar je me misschien mee kunt helpen. Onze agenda's worden toch op jullie server bewaard? Als ik zelf een afspraak heb verwijderd, kun jij die dan nog terughalen?’ ‘Meestal lukt dat wel, al hangt het ervan af wanneer de afspraak is verwijderd. Ik zal het nakijken en je laten weten wat ik vind.’ Om half twaalf kwam Hayes haar ophalen in het ziekenhuis. Hij had een tablet bij zich en vertelde dat de politie inmiddels de camerabeelden van het hotel had ontvangen. Hij stelde voor om die samen te bekijken, omdat Emily misschien iemand zou herkennen of zich door het zien van de beelden iets zou herinneren. ‘Uw kamer werd gisteren om zes uur 's avonds telefonisch gereserveerd, op uw naam,’ legde hij uit terwijl hij de opname opende. ‘Om vijf voor negen heeft een man de kamer contant betaald aan de receptie. Ik wil graag weten of u hem herkent.’ Hij zette het beeld stil en draaide de tablet naar haar toe. Op het scherm stond een man van ongeveer vijftig jaar, gekleed in een donkergrijze jas. Hij droeg een bril met een dun montuur en zijn korte, lichte haar begon aan de zijkanten grijs te worden. Omdat hij naar de receptioniste keek, was zijn gezicht niet volledig naar de camera gericht. Emily bestudeerde hem aandachtig en probeerde zich voor te stellen waar ze hem eerder gezien zou kunnen hebben. Uiteindelijk moest ze toegeven dat ze hem niet herkende. Hayes spoelde de opname terug en opende vervolgens de beelden van een camera in de hotelbar. Om vijf over acht kwam Emily zelf de bar binnen, gekleed in dezelfde jas die inmiddels voor onderzoek was meegenomen. Ze zag hoe ze even rondkeek en daarna naar een tafeltje in de hoek liep, waar de man met de bril op haar zat te wachten. Toen ze dichterbij kwam, stond hij op om haar een hand te geven. Vervolgens gingen ze tegenover elkaar zitten en bestelde hij twee drankjes. Emily keek verbaasd naar zichzelf op het scherm. Ze zag hoe ze ruim een half uur met de onbekende man zat te praten, alsof het een gewone afspraak was die ze zelf had gemaakt. Hij had een dunne map op tafel liggen, die hij op een bepaald moment opende en daarna weer sloot. Even later boog Emily zich naar voren en leek ze hem iets te vragen, waarop de man zijn hoofd schudde. Ze bleef aandachtig naar de beelden kijken en probeerde aan hun gebaren af te leiden waarover ze spraken. Zelfs toen ze zichzelf haar glas zag oppakken en ervan zag drinken, kwam er geen enkele herinnering terug. Om tien voor negen stonden ze allebei op. De man liep naar de receptie, betaalde de kamer en kwam terug met een sleutelkaart. Daarna verlieten ze samen het hotel via de uitgang aan Brook Street. Vanaf dat moment waren ze niet meer op de beelden te zien. ‘Om 23.51 uur komt u terug,’ vertelde Hayes terwijl hij een andere opname opende. ‘Kijkt u vooral goed naar de manier waarop u binnenkomt.’ Op de nieuwe beelden was de lobby van het hotel te zien. Emily kwam alleen naar binnen, met haar jas open en haar tas stevig tegen haar lichaam gedrukt. Ze liep zichtbaar wankel en moest zich bij de lift aan de muur vasthouden om overeind te blijven. Voordat de deuren opengingen, drukte ze drie keer op de knop. Emily keek van het scherm naar Hayes en probeerde te begrijpen wat ze zojuist had gezien. ‘Maar waar ben ik dan tussen negen uur en middernacht geweest? Ik vertrek met die man en kom bijna drie uur later alleen terug, terwijl ik nauwelijks op mijn benen kan staan.’ ‘Dat proberen we op dit moment uit te zoeken,’ antwoordde Hayes. ‘In Brook Street hangen veel camera's en in de omliggende straten zijn er ook verschillende. We moeten alleen eerst al die beelden verzamelen en bekijken voordat we kunnen vaststellen waar u naartoe bent gegaan.’ Hij zette de tablet uit en vertelde dat de onbekende man bij de receptie geen naam had opgegeven. De kamer was telefonisch gereserveerd en de politie onderzocht nog van wie het gebruikte telefoonnummer was. Emily dacht aan het Zwitserse nummer dat ze die ochtend op haar eigen telefoon had ontdekt. ‘Ik heb gisteravond rond twintig over zeven zelf naar een Zwitsers nummer gebeld,’ vertelde ze. ‘Het gesprek heeft vier minuten geduurd, maar ik weet niet van wie dat nummer is en kan me ook niets van dat gesprek herinneren.’ Ze zocht het nummer op en liet het aan Hayes zien, die de cijfers zorgvuldig overschreef. ‘We hebben dus een sleutel van een bankkluis in Zürich en een telefoongesprek met een Zwitsers nummer,’ zei hij terwijl hij zijn aantekeningen bekeek. ‘Bovendien werkt u als financieel analist. Kunt u zich werkelijk geen dossier herinneren waarin Zwitserland een rol speelt?’ Emily legde uit dat ze op dat moment drie dossiers behandelde waarin Zwitserse bankrekeningen voorkwamen. In haar beroep was dat volgens haar niet bijzonder, omdat internationale geldstromen regelmatig via Zwitserse banken liepen. ‘Maar geen van die zaken heeft iets te maken met een bankkluis bij Albrecht & Cie,’ voegde ze eraan toe. ‘Die naam zegt me helemaal niets.’ Hayes stond op en vertelde dat ze voorlopig naar huis mocht. Hij zou een agent met haar meesturen om te controleren of er in haar appartement was ingebroken of dat iemand daar misschien naar iets had gezocht. ‘Ik raad u aan voorlopig geen contact op te nemen met mensen die u niet vertrouwt,’ zei hij voordat ze vertrokken. ‘En als u zich toch nog iets herinnert, hoe onbelangrijk het ook lijkt, moet u mij bellen. Dat kan een geluid zijn, een enkel woord of iets wat u plotseling te binnen schiet. Soms helpt zo'n klein detail ons om te achterhalen wat er is gebeurd.’ Hij gaf haar een kaartje met zijn contactgegevens, dat Emily zorgvuldig in haar tas stopte. Toen ze weer in haar appartement in Islington aankwam, zag alles er precies zo uit als ze het had achtergelaten. De agent die met haar was meegekomen, liep samen met haar door de kamers en controleerde de ramen en deuren. Alle ramen waren gesloten, de voordeur vertoonde geen sporen van braak en haar laptop lag nog op de eettafel, naast de rapporten die ze zondagmiddag had gelezen. Voor zover Emily kon vaststellen, ontbrak er niets. Nadat de agent was vertrokken, ging ze aan de eettafel zitten en sloeg het bovenste rapport open. Het was een voorlopig verslag over een trustkantoor op Jersey dat ze in opdracht van een klant onderzocht. Ze begon door de pagina's te bladeren, maar tussen twee bladzijden ontdekte ze een geel plakbriefje waarop ze zelf iets had geschreven. Er stond alleen een telefoonnummer op, dat begon met +41. Emily legde haar telefoon naast het briefje en zocht opnieuw het gesprek van zondagavond op. Ze vergeleek de cijfers een voor een en stelde vast dat het precies hetzelfde nummer was dat ze om 19.21 uur had gebeld. Ze bleef een tijdje naar het briefje kijken en overwoog om het nummer opnieuw te bellen. Misschien kon degene die opnam haar vertellen waarom ze zondagavond contact had gezocht. Toch besloot ze het niet te doen, omdat ze zich de waarschuwing van Hayes herinnerde. In plaats daarvan maakte ze met haar telefoon een foto van het briefje, zodat ze die naar hem kon sturen. Om half vier ging haar telefoon. Het was Gareth, die vertelde dat hij de gegevens van haar agenda had onderzocht en iets had gevonden. ‘Er stond inderdaad een afspraak in je agenda voor zondagavond om acht uur,’ begon hij. ‘Volgens de gegevens heb je die zondag om 19.24 uur zelf aangemaakt, met je telefoon. Vannacht is de afspraak om 01.12 uur weer verwijderd, eveneens vanaf je telefoon.’ Emily keek naar het toestel dat naast het gele briefje op tafel lag. Om 01.12 uur was ze al meer dan een uur terug geweest in het hotel. Toch kon ze zich niet herinneren dat ze haar agenda had geopend, laat staan dat ze bewust een afspraak had verwijderd. ‘Kun je nog zien wat er precies in die afspraak stond?’ vroeg ze. ‘Misschien een adres of een omschrijving waardoor ik kan achterhalen met wie ik had afgesproken?’ ‘Er was geen locatie ingevuld en ook geen omschrijving,’ antwoordde Gareth. ‘Maar er stond wel een naam bij. Wacht even, dan kijk ik het nog eens na.’ Emily hoorde hoe hij de gegevens opnieuw controleerde en wachtte tot hij verderging. ‘Thomas Vale,’ zei hij uiteindelijk. ‘Dat is de enige naam die bij de afspraak stond.’ Emily pakte het gele plakbriefje van de tafel, draaide het om en schreef de naam op de achterkant, zodat ze die niet zou vergeten. Ze had nog nooit van Thomas Vale gehoord.   HOOFDSTUK 3 Dertien gezichten Washington D.C., maandag 12 oktober 2026 Rachel Bennett was zondagavond laat teruggekomen van een weekend bij haar zus in Baltimore. Pas maandagochtend, toen ze naar beneden ging om koffie te halen, keek ze in haar brievenbus in de hal van het gebouw. Tussen twee rekeningen en een folder van een pizzeria lag een grote, stevige bruine envelop die meteen haar aandacht trok. Haar naam en adres stonden op een gedrukt etiket, maar een afzender ontbrak. Volgens het poststempel was de envelop op vrijdag 9 oktober vanuit New York verstuurd. Rachel nam de envelop mee naar boven en legde hem op de keukentafel. Als zelfstandig journaliste kreeg ze wel vaker post zonder afzender, meestal van mensen die problemen hadden met hun werkgever of vermoedden dat hun buurman fraude pleegde. Ze had geleerd voorzichtig met zulke post om te gaan en trok daarom een paar huishoudhandschoenen aan voordat ze de envelop opensneed. Die gewoonte had ze overgehouden aan haar tijd bij de krant, waar een advocaat haar meer dan eens had uitgelegd hoe gemakkelijk bruikbare sporen op een bewijsstuk verloren konden gaan. In de envelop vond ze een foto en een stapeltje fotokopieën dat met een nietje bij elkaar werd gehouden. De foto was ongeveer vijftien bij twintig centimeter groot en zat in een doorzichtig plastic hoesje, dat met plakband op een stuk stevig karton was bevestigd. Er stond een eetzaal op met donkere houten muren en een lange tafel die met een wit tafelkleed was gedekt. Aan weerszijden zaten verschillende mensen, van wie de meesten een pak droegen. Op tafel stonden wijnglazen en enkele halfvolle flessen. Het leek geen foto waarvoor iedereen speciaal was gaan zitten. Sommige mensen keken naar de camera, terwijl anderen met elkaar praatten of hun aandacht bij hun bord hielden. Rechtsonder stond in oranje cijfers de datum: 96 11 16. Rachel telde de mensen aan tafel en begon voor de zekerheid opnieuw, omdat ze wilde uitsluiten dat ze iemand over het hoofd had gezien. Ze kwam beide keren op hetzelfde aantal uit: twaalf mannen en één vrouw, samen dertien mensen. Daarna nam ze de fotokopieën erbij. Het ging om een Engelstalig verslag van vier pagina's, met bovenaan de eerste pagina de titel: Incident report — conference facility near Prague, 17 November 1996. Het verslag beschreef een brand in een conferentiegebouw buiten Praag, waarbij drie mensen waren omgekomen: Martin Varga, Klaus Richter en Daniel Mercer. Andere deelnemers aan de bijeenkomst werden vermist. Op de tweede pagina stond een lijst met de namen, nationaliteiten en functies van de deelnemers, maar toen Rachel die natelde, kwam ze slechts op twaalf namen uit. Ze legde de lijst naast de foto en nam het verslag nog eens zorgvuldig door. Daarbij viel haar op dat bovenaan elke pagina een strook papier van enkele centimeters was weggeknipt. Aan de randen kon ze zien dat iemand daarvoor een schaar had gebruikt, en omdat de kopieën die afgeknipte randen ook vertoonden, moest dat gebeurd zijn voordat ze waren gemaakt. Mogelijk had op die plaats de naam van een organisatie gestaan, of een stempel waarmee de herkomst van het document kon worden achterhaald. Wie haar de envelop had gestuurd, wilde blijkbaar dat ze het verslag las, maar had er tegelijk voor gezorgd dat ze niet zomaar kon ontdekken waar het vandaan kwam. Rachel dacht aan Sarah Whitfield, die op tien minuten lopen van haar woonde, in een rijtjeshuis met een werkkamer op de bovenverdieping. Sarah had achttien jaar als fotoredacteur gewerkt bij dezelfde krant als Rachel en beheerde sinds twee jaar het archief van een persbureau. Als iemand haar iets over de foto kon vertellen, was zij het wel. Rachel belde haar en een uur later zaten ze samen in Sarahs werkkamer, aan een tafel onder een grote lamp met een vergrootglas. Sarah nam rustig de tijd om de foto te onderzoeken. Ze bekeek eerst het papier en daarna de afbeelding zelf, voordat ze haar eerste conclusie trok. ‘Dit is geen oude afdruk,’ zei ze. ‘Het papier is nieuw, dat zie je aan de glans. Modern fotopapier ziet er anders uit dan het papier dat ze dertig jaar geleden gebruikten. De oorspronkelijke foto is wel met een ouderwetse camera gemaakt, want je ziet nog de kleine korreltjes in het beeld. Ook de datum rechtsonder is door de camera zelf op de film gezet. In de jaren negentig hadden heel wat kleine camera's die mogelijkheid.’ Rachel boog zich iets naar voren om de datum beter te bekijken. ‘Dan heeft iemand onlangs een nieuwe afdruk laten maken van een film die bijna dertig jaar oud is.’ ‘Daar ziet het inderdaad naar uit,’ antwoordde Sarah. ‘En het is bij een behoorlijk goed fotolab gebeurd, want de kleuren zijn netjes aangepast. Iemand heeft moeite gedaan om er een goede afdruk van te maken.’ Ze schoof de lamp wat naar links en onderzocht de foto opnieuw, deze keer met meer aandacht voor de manier waarop de mensen in beeld waren gebracht. ‘De oorspronkelijke foto is in ieder geval niet door een professionele fotograaf genomen. Degene die hem maakte, stond aan de korte kant van de tafel en heeft geen flits gebruikt. Het licht komt van de lampen boven de tafel. Je ziet ook dat hij geprobeerd heeft om iedereen in beeld te krijgen. Kijk maar naar de man helemaal links. Een deel van zijn lichaam valt buiten de foto, maar zijn gezicht staat er nog net op.’ Rachel liet haar blik langs de gezichten gaan. De meeste mensen leken tussen de dertig en vijftig jaar oud. De enige vrouw was duidelijk jonger, misschien halverwege de twintig. Ze had donker haar dat in een staart was gebonden en zat aan het einde van de tafel. In plaats van naar de camera te kijken, had ze haar hoofd naar de man naast haar gedraaid. Halverwege de tafel zat een man met een breed gezicht en dik donker haar, die zijn glas ophief naar iemand buiten beeld. Rachel bleef bij hem hangen, omdat zijn gezicht haar bekend voorkwam. Ze had hem al vaak gezien, al was hij op de foto's die zij kende ongeveer dertig jaar ouder en had hij grijs haar. Hij was geregeld te zien op foto's van hoorzittingen in het Amerikaanse Congres. ‘Wacht eens, Sarah. Volgens mij is dat Richard Blackwood.’ Sarah boog zich over het vergrootglas om hem beter te bekijken. ‘Bedoel je die man van dat instituut?’ ‘Ja, de voorzitter van de raad van bestuur van het Atlantic Policy Forum. Hij is onder twee presidenten adviseur voor nationale veiligheid geweest. Drie jaar geleden heb ik hem nog geïnterviewd over cyberbeveiliging, al was dat geen bijzonder aangenaam gesprek. Bijna elke vraag die ik stelde, beantwoordde hij met een andere vraag, zodat ik nauwelijks een rechtstreeks antwoord uit hem kreeg.’ Rachel nam het verslag erbij en liet haar vinger langs de namenlijst gaan. Richard Blackwood stond helemaal bovenaan, met achter zijn naam de functie American security adviser. Sarah keek van de lijst naar de foto. ‘Hij staat er dus gewoon met zijn eigen naam op. Dat maakt het in ieder geval gemakkelijker om hem te identificeren.’ ‘Dat wel, maar ik blijf met die aantallen zitten. Op de lijst staan twaalf namen, terwijl er dertien mensen aan tafel zitten.’ Sarah dacht even na en keek opnieuw naar de foto. ‘Het kan natuurlijk dat de fotograaf zelf een van de twaalf mensen op de lijst is. Dan staat zijn naam wel in het verslag, maar is hij niet op de foto te zien. In dat geval waren er die avond veertien mensen in de zaal.’ Rachel had die mogelijkheid nog niet overwogen. Ze bestudeerde de foto opnieuw en keek nu ook naar de achtergrond. Achter de tafel hing een spiegel met een vergulde lijst, waarin een deel van de zaal, een deur en een staande lamp zichtbaar waren. Helemaal aan de rand van de spiegel zag ze een man in een wit jasje die een dienblad vasthield. Ze wees hem aan, waarna Sarah dichterbij kwam om te zien wat ze bedoelde. ‘Dat lijkt me iemand van het personeel,’ zei Sarah. ‘Misschien heeft een ober de foto genomen. Het zou me niet verbazen als iemand hem gewoon zijn camera heeft gegeven en gevraagd heeft om iedereen aan tafel te fotograferen.’ Rachel knikte, maar haar aandacht ging alweer naar de jonge vrouw aan het einde van de tafel. ‘Er is nog iets wat me opvalt. Zij is de enige vrouw op de foto, maar als je de lijst bekijkt, staat daar geen enkele vrouwennaam tussen.’ Sarah nam de lijst opnieuw door en telde vervolgens de mannen aan tafel. ‘Je hebt gelijk. Er zitten twaalf mannen aan tafel en daarnaast die jonge vrouw. Als de lijst volledig is wat de mannen betreft, ontbreekt in ieder geval haar naam.’ ‘Of iemand heeft haar bewust uit het verslag weggelaten,’ zei Rachel. ‘We weten alleen niet waarom.’ Ze probeerden samen de overige namen aan de gezichten te koppelen, maar kwamen nauwelijks verder. Behalve Blackwood herkende Rachel niemand en in het verslag stonden geen leeftijden of andere gegevens waarmee ze de deelnemers gemakkelijker konden identificeren. Sarah stelde voor om de foto eerst digitaal vast te leggen. Ze scande hem op een hoge beeldkwaliteit terwijl hij nog in het plastic hoesje zat, zette het bestand op een usb-stick en gaf die aan Rachel mee. De rest van de middag bracht Rachel aan haar keukentafel door. Met de namenlijst naast haar computer doorzocht ze oude kranten, bedrijfsregisters en de databanken waarvoor ze nog altijd betaalde. Eigenlijk kon ze zich die abonnementen niet meer veroorloven, maar ze had ze nog niet opgezegd omdat ze bij haar onderzoekswerk regelmatig van pas kwamen. Bij Victor Stein vond ze gegevens over een vermogensbeheerder in Zürich. Zijn website bestond nog, maar was sinds 2019 niet meer bijgewerkt. Over Adrian Wolfe ontdekte ze een kort artikel in een Britse krant uit 2011, waarin stond dat hij als voormalig diplomaat een boek over Oost-Europa had voorgesteld. Jonathan Price bleek een veel moeilijkere naam om te onderzoeken. Er waren honderden mensen die zo heetten, maar geen van hen leek overeen te komen met de man die volgens het verslag in 1996 financieel directeur was geweest van een bedrijf waarvan de naam niet werd vermeld. Ook de andere namen leverden weinig op. Charles Whitmore, een Britse financieel adviseur, werd nog genoemd in het jaarverslag van een Londense bank uit 1995, maar daarna kon Rachel niets meer over hem vinden. Bij Anton Kessler, Gabriel Moreau en Samuel Novak kreeg ze uitsluitend resultaten van andere mensen met dezelfde naam. Ze zocht vervolgens naar Martin Varga en Klaus Richter, twee van de drie mensen die volgens het verslag bij de brand waren omgekomen. Van geen van beiden vond ze een overlijdensbericht. Ook krantenartikelen over de brand ontbraken en het lukte haar niet om familieleden van de slachtoffers terug te vinden. Dat begon haar steeds vreemder voor te komen. Bij een brand in de buurt van een Europese hoofdstad waren drie mensen omgekomen en waren andere deelnemers aan een bijeenkomst vermist geraakt, maar in de krantenarchieven was daar blijkbaar niets over terug te vinden. Rachel schreef die vaststelling op en onderstreepte haar aantekening. Over Robert Hale, die in het verslag als Amerikaans controleur werd omschreven, vond ze uiteindelijk wel iets. Het was een bericht uit januari 1997, verschenen in een plaatselijke krant in Connecticut. De titel luidde: Familie zoekt antwoorden over vermiste ambtenaar. Het artikel telde slechts vijf alinea's, maar Rachel las ze aandachtig. Judith Hale, de vrouw van Robert, vertelde daarin dat de overheid haar had meegedeeld dat haar man bij een ongeluk in het buitenland was omgekomen. Ze had zijn lichaam echter nooit gekregen en niemand had haar uitgelegd wat er precies was gebeurd. In welk land het ongeluk had plaatsgevonden, werd niet vermeld. Rachel zocht nog een tijd verder naar aanvullende berichten, maar vond niets waaruit bleek dat de krant later op de zaak was teruggekomen. Om half vijf verscheen er een nieuwsbericht op haar telefoon. Gepensioneerde federale rechter vermoord aangetroffen in Manhattan. Rachel opende het artikel en las dat William Harrington, 74 jaar, die ochtend door zijn huishoudster was gevonden in zijn woning aan de Upper East Side. De politie ging uit van een misdrijf, maar wilde voorlopig geen verdere informatie vrijgeven. Ze las het bericht een tweede keer, vooral omdat ze Harrington persoonlijk had gekend. In 2021 had ze hem een hele middag geïnterviewd over rechtszaken waarvan de documenten geheim werden gehouden omdat de overheid van mening was dat openbaarmaking de staatsveiligheid in gevaar kon brengen. Harrington had rustig de tijd genomen om haar vragen te beantwoorden, iets wat ze van andere rechters niet altijd gewend was. Na afloop had hij haar zelfs gevraagd om het artikel op te sturen zodra het gepubliceerd was. Dat was er nooit van gekomen. Haar hoofdredacteur had besloten het artikel niet te publiceren en drie maanden later had Rachel ontslag genomen. Ze bleef nog even bij het nieuwsbericht hangen, voordat ze terugging naar haar onderzoek over Blackwood. Ze wilde meer over hem te weten komen en begon foto's van officiële bijeenkomsten te doorzoeken. Op de website van een fotobureau vond ze verschillende beelden van een diner voor oud-studenten van Yale Law School in 2018. Ze opende de foto's een voor een en bleef bij de vierde staan. Daarop stond Blackwood met een glas in zijn hand naast een lange man met wit haar en een vlinderdas. Rachel hoefde niet lang naar het gezicht van die tweede man te kijken om hem te herkennen, maar controleerde toch het onderschrift. Daar stonden hun namen: Richard Blackwood en federaal rechter William Harrington. Ze hadden allebei aan dezelfde universiteit gestudeerd. Rachel bekeek het onderschrift nog eens en sloeg de foto vervolgens op in dezelfde map als de scan die Sarah eerder die dag had gemaakt. Daarna richtte ze haar aandacht op de envelop. Ze wilde weten wie haar de documenten had gestuurd, maar de buitenkant bood weinig aanknopingspunten. Het poststempel was afkomstig van een sorteercentrum in Manhattan waar post uit een groot deel van de stad werd verwerkt. Het adresetiket was met een gewone printer afgedrukt en de envelop zelf was van een merk dat in elke kantoorboekhandel te koop was. Ze besloot een oud-collega te bellen die nog bij de krant werkte en vroeg hem of er de afgelopen dagen misschien soortgelijke enveloppen waren aangekomen. Hij beloofde het na te kijken en belde haar later terug met de mededeling dat er niets was binnengekomen. Om kwart voor tien 's avonds zat Rachel haar aantekeningen uit te werken toen er een e-mail binnenkwam op het adres dat op haar website stond. De afzender gebruikte als naam een vreemde combinatie van letters en cijfers en had een adres bij een gratis e-maildienst. Een onderwerp was niet ingevuld. Rachel opende het bericht en las: U hebt iets uit New York ontvangen. Publiceer het niet. Het gaat over mensen die nog leven. Ze las de tekst aandachtig en probeerde te begrijpen wat de afzender precies wist. Die was er blijkbaar van op de hoogte dat ze iets uit New York had ontvangen, maar noemde nergens de foto of het verslag. Het kon een waarschuwing zijn van iemand die haar wilde beschermen, maar evengoed een poging om te controleren of de envelop daadwerkelijk bij haar was aangekomen. Als ze antwoordde, zou de afzender in ieder geval weten dat ze het bericht had gelezen, en dat wilde ze voorlopig vermijden. Rachel besloot daarom niet te reageren. In plaats daarvan maakte ze een schermafbeelding van de e-mail, waarop ook alle gegevens van de afzender zichtbaar waren, en bewaarde die in haar eigen beveiligde online opslag. Toen ze daarmee klaar was, dacht ze opnieuw aan de foto. Ze had de voorkant inmiddels uitgebreid onderzocht, maar de achterkant nog niet kunnen bekijken omdat het plastic hoesje op het karton was vastgemaakt. Misschien stond daar iets op waarmee ze verder kon. Ze pakte haar telefoon en belde Sarah. ‘Ik zit nog met een vraag over dat karton waar de foto op vastzit,’ begon ze. ‘Denk je dat je het hoesje kunt losmaken zonder iets te beschadigen? Ik zou graag de achterkant van de foto bekijken voordat ik beslis wat ik ermee ga doen.’ ‘Dat moet wel lukken,’ antwoordde Sarah. ‘Kom maar langs, ik ben toch nog wakker. Dan kijken we er samen naar.’ Toen Rachel even later bij Sarah bovenkwam, stond de grote lamp in de werkkamer alweer aan. Sarah had alles klaargelegd en nam de foto voorzichtig van haar over. Met een scalpel begon ze het plakband aan één kant los te maken. Ze werkte millimeter voor millimeter, zodat het karton en het hoesje niet beschadigd raakten. Toen het plakband voldoende loszat, gebruikte ze een pincet om het hoesje voorzichtig van het karton te schuiven. Ze legde het op een blad wit papier en haalde daarna de foto met de pincet uit het plastic. Sarah onderzocht eerst de achterkant en hield de foto vervolgens iets dichter bij de lamp. ‘Hier staat een code van het fotolab,’ zei ze. ‘Misschien kun je daarmee achterhalen waar deze afdruk is gemaakt. Maar wacht eens, er staat ook nog iets geschreven.’ Ze draaide de foto om en legde hem onder de lamp, zodat Rachel kon meekijken. Op de achterkant had iemand met blauwe inkt een korte zin geschreven. De letters waren klein en netjes gevormd. Vraag wat er met Robert Hale is gebeurd.   HOOFDSTUK 4 De bijeenkomst Praag, zaterdag 16 november 1996 Het vliegtuig uit Frankfurt landde om tien over negen op de luchthaven van Praag, waar een dun laagje sneeuw op het terrein lag. De mannen die de bagage uit het vliegtuig haalden, droegen mutsen en dikke handschoenen tegen de kou. Mara Voss stond ondertussen in de rij voor de paspoortcontrole, met haar handtas over haar schouder en haar paspoort in haar hand. Toen ze aan de beurt was, bladerde de douanier door het document, vergeleek de foto met haar gezicht en zette er een stempel in. Ze had het paspoort anderhalf jaar en had het intussen al gebruikt voor reizen naar Wenen, Zürich en Londen. Buiten nam ze een taxi naar de stad. De chauffeur sprak een beetje Duits en reed behoorlijk snel over een weg vol gaten, terwijl Mara door het raam naar de grijze flatgebouwen en de voorbijrijdende trams keek. In een van die trams waren de ramen zo sterk beslagen dat ze nauwelijks kon zien hoeveel mensen erin zaten. Toen ze de rivier overstaken, verschenen in de verte de torens van de burcht, die boven de huizen van Malá Strana uitstaken. Haar hotel lag in een smalle straat met kasseien, achter een poort met een ijzeren hek. De receptie was klein, maar aangenaam warm, en de receptioniste begroette haar vriendelijk voordat ze een formulier tevoorschijn haalde dat alle buitenlandse gasten moesten invullen. Het was opgesteld in het Tsjechisch en het Engels. Mara schreef haar naam, nationaliteit en paspoortnummer op en vulde maandag 18 november in als vertrekdatum. Terwijl de receptioniste het formulier aannam, haalde ze een envelop met het logo van het hotel tevoorschijn. ‘Er is ook een bericht voor u achtergelaten,’ zei ze terwijl ze de envelop aan Mara overhandigde. Mara maakte hem open en las het kaartje dat erin zat. In grote, schuine letters stond geschreven dat ze om half een in de lounge werd verwacht voor de lunch en dat de bus om drie uur zou vertrekken. Onderaan stonden de initialen R.B. Toen Mara om half een de lounge binnenkwam, zag ze Richard Blackwood aan een tafel bij het raam zitten. Hij stond op om haar een hand te geven en schoof vervolgens een stoel voor haar naar achteren. Blackwood was eenenveertig jaar, breed gebouwd en had dik, donker haar. Hij droeg een pak dat in Washington was gemaakt. Tegenover hem zat een magere man met een bril zonder montuur, die bleef zitten en haar met een kort knikje begroette. ‘Mara, fijn dat je er bent,’ zei Blackwood terwijl ze plaatsnam. ‘Dit is Victor Stein. Victor, dit is Mara Voss. Zij zal voor ons het verslag schrijven.’ Stein keek haar onderzoekend aan. Toen hij begon te spreken, hoorde Mara meteen zijn Zwitserse accent. ‘Een verslag?’ vroeg hij. ‘Ik dacht dat we duidelijk hadden afgesproken dat er van dit weekend geen verslag zou worden gemaakt.’ Blackwood legde rustig uit dat het niet om een officieel verslag ging. De mensen die het geld voor het programma beschikbaar hadden gesteld, wilden volgens hem wel weten welke beslissingen er tijdens het weekend werden genomen, en daarvoor moest iemand de besprekingen bijhouden. Stein leek niet helemaal tevreden met die uitleg en richtte zich opnieuw tot Mara. ‘En wat is uw functie precies, mevrouw Voss? Ik neem aan dat u niet uitsluitend voor deze bijeenkomst bent aangesteld.’ ‘Nee, ik werk op de administratie,’ antwoordde Mara. ‘Ik houd bij welke dossiers worden goedgekeurd en welke betalingen daarbij horen.’ ‘Dan zult u ongetwijfeld ook mijn cijfers kennen,’ merkte Stein op. ‘Een deel ervan,’ antwoordde ze. ‘Niet alles komt via mijn afdeling.’ Stein glimlachte niet, maar nam een slok water en richtte zijn aandacht weer op Blackwood, waarmee hij het gesprek met Mara kennelijk als afgesloten beschouwde. Tijdens de soep begon Stein over het voorstel dat hij de volgende dag wilde bespreken. Het geld van het programma stond op dat moment verspreid over rekeningen bij zes banken in vier verschillende landen. Volgens hem maakte die verdeling het beheer onnodig ingewikkeld en konden anderen de geldstromen daardoor gemakkelijk volgen. Hij wilde het geld daarom onderbrengen in één organisatie, met één beheerder en duidelijke afspraken over wie bevoegd was om beslissingen te nemen. Blackwood luisterde naar zijn uitleg en keek hem vervolgens aan. ‘Als ik je goed begrijp, wil je dus dat al die rekeningen onder één beheerder komen te vallen, en jij zou die beheerder worden.’ ‘Mijn kantoor zou het beheer op zich nemen,’ verbeterde Stein hem. ‘Dat is een belangrijk verschil, Richard. Het gaat niet om mij persoonlijk, maar om de organisatie die de verantwoordelijkheid draagt.’ Mara mengde zich niet in de discussie en maakte ook geen aantekeningen, maar ze onthield wel dat Stein over zes banken in vier landen had gesproken. Hij had geen enkele bank bij naam genoemd, hoewel zij er al vier kende doordat ze de bijbehorende dossiers op het kantoor in Vinohrady had onderzocht. Na de lunch liet Blackwood Stein voorgaan naar de lift, maar zelf bleef hij nog even bij Mara staan. Hij wachtte tot Stein buiten gehoorsafstand was voordat hij zachter begon te spreken. ‘Hale is gisteren al in dit hotel aangekomen,’ vertelde hij. ‘Hij heeft een koffer vol papieren bij zich en praat met iedereen die bereid is naar hem te luisteren. Als hij jou aanspreekt, kun je gewoon luisteren, maar ik wil dat je zelf zo weinig mogelijk vertelt. Begrijp je wat ik bedoel?’ Mara knikte en antwoordde dat ze begreep wat hij van haar verwachtte. Blackwood bleef nog even staan, omdat hij haar ook wilde voorbereiden op de vergadering van de volgende dag. Volgens hem zou die niet gemakkelijk verlopen. Sommige aanwezigen wilden het programma kleiner maken, terwijl anderen juist voor uitbreiding pleitten. Omdat haar verslag naar Washington zou worden gestuurd, vond hij het belangrijk dat ze zich strikt beperkte tot wat er daadwerkelijk werd gezegd. ‘Schrijf dus op welke standpunten worden ingenomen en welke beslissingen er uiteindelijk vallen,’ verduidelijkte hij. ‘Wat jij persoonlijk van die standpunten vindt, hoort niet in het verslag thuis.’ Mara verzekerde hem dat ze zich daaraan zou houden, waarna ze ieder naar hun kamer gingen. Om drie uur vertrokken ze met een grijs Volkswagenbusje, bestuurd door een Tsjechische chauffeur. Behalve Mara, Blackwood en Stein stapten er nog vier mannen in, die Blackwood tijdens de rit aan haar voorstelde. Jonathan Price was een jonge Amerikaan die als financieel directeur werkte bij een van de bedrijven waarlangs het geld van het programma werd overgemaakt. Charles Whitmore was een Brit van achter in de veertig, met grijs haar en een overjas met een fluwelen kraag. Hij hield zich afzijdig van de gesprekken en keek vrijwel de hele rit uit het raam. De derde man was Anton Kessler, een Oostenrijkse jurist, terwijl Gabriel Moreau, de vierde passagier, uit Frankrijk kwam en al snel met Stein in gesprek raakte over wisselkoersen. Ze reden ongeveer een half uur naar het zuiden. Aanvankelijk volgde de chauffeur een brede weg, maar na enige tijd kwamen ze door kleine dorpen met lage huizen en kerken met ronde torens. Het begon al donker te worden toen hij de hoofdweg verliet en een smallere weg insloeg die door het bos liep. Na enkele kilometers bereikten ze een slagboom waar twee mannen in donkere jassen stonden te wachten. Een van hen kwam naar het busje, keek naar binnen en telde de passagiers voordat hij zijn collega een teken gaf dat ze mochten doorrijden. Aan het einde van een oprijlaan, met aan weerszijden hoge beuken die hun bladeren al hadden verloren, stond een groot oud gebouw dat vroeger als jachtslot had gediend. Het telde twee verdiepingen en had een dak met donkere leien. Op de binnenplaats stonden enkele auto's met Duitse en Tsjechische nummerplaten geparkeerd, terwijl boven de ingang een groot gewei hing. Toen ze de hal binnenkwamen, werden ze opgewacht door twee mannen. De jongste was ongeveer dertig jaar, had kort blond haar en droeg een trui met een rits. Hij hield een klembord vast en stond naast een oudere man met een snor, die de namen van de gasten op een lijst controleerde. ‘Goedenavond, mijn naam is Adrian Wolfe,’ begon de jongste man. ‘Ik ben dit weekend verantwoordelijk voor de beveiliging. Mijn collega is Daniel Mercer, die samen met mij werkt. Voordat jullie naar de kamers gaan, wil ik graag even de veiligheidsregels met iedereen doornemen.’ Wolfe wachtte tot alle gasten aandachtig luisterden en legde vervolgens uit welke afspraken tijdens het weekend golden. Niemand mocht het terrein verlaten zonder hem daarvan op de hoogte te brengen. De telefoon in de hal kon worden gebruikt, maar ieder gesprek zou worden geregistreerd. Wie een draagbare telefoon bij zich had, moest die tot maandag afgeven. Daarnaast moesten alle documenten in de kamers of in de vergaderzaal blijven. Bij de slagboom stonden voortdurend bewakers en 's nachts zouden zijn mensen regelmatig over het terrein lopen. Whitmore had met zichtbare verbazing geluisterd en kon zich uiteindelijk niet langer inhouden. ‘Is dat werkelijk allemaal nodig?’ vroeg hij. ‘We zijn hier toch voor een vergadering?’ ‘Dat begrijp ik, meneer Whitmore, en ik hoop ook dat geen van deze maatregelen nodig zal blijken,’ antwoordde Wolfe. ‘Maar het is mijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het hele weekend veilig verloopt. Daarom houden we ons aan deze afspraken.’ Terwijl Wolfe de laatste instructies gaf, liep Mercer met zijn lijst langs de gasten om hun aanwezigheid te controleren. Toen hij bij Mara kwam, bleef hij wat langer staan. Hij zocht tussen de namen, sloeg het blad om en keek vervolgens nog eens naar de eerste pagina. ‘Mag ik uw naam nog even, mevrouw?’ vroeg hij. ‘Mara Voss,’ antwoordde ze. Mercer liet zijn blik opnieuw over de lijst gaan voordat hij opkeek. ‘Het spijt me, maar ik kan uw naam nergens terugvinden. Weet u zeker dat uw aanwezigheid vooraf is doorgegeven?’ Blackwood, die het gesprek had gehoord, kwam naast haar staan en legde uit dat Mara bij hem hoorde. Ze zou de aantekeningen voor Washington maken en daarover waren volgens hem afspraken gemaakt met Londen. Mercer keek naar Wolfe, die Mara een paar seconden aandachtig opnam voordat hij zich weer tot Blackwood richtte. ‘Als haar aanwezigheid met Londen is afgesproken, voegen we haar gewoon aan de lijst toe,’ besloot hij. ‘Dat zullen we dan wel met de hand moeten doen.’ Mercer pakte zijn pen en schreef Mara's naam onderaan het blad. Terwijl hij dat deed, zag ze dat hij er een vraagteken naast zette. Haar kamer lag op de eerste verdieping, helemaal aan het einde van een gang met een versleten rode loper. Het was een eenvoudig ingerichte kamer met een hoog bed, een kast en een tafel bij het raam, vanwaar ze uitkeek op het bos. Mara zette haar koffer op het bed, maar nam niet de moeite om hem uit te pakken. In plaats daarvan ging ze aan de tafel zitten en begon in kleine letters alle namen op te schrijven die ze die dag had gehoord. Achter iedere naam noteerde ze wat ze over de betreffende persoon wist. Toen ze daarmee klaar was, scheurde ze het blad voorzichtig uit haar schrijfblok en stopte het in de binnenzak van haar jas. Ze was nog maar net klaar toen er op de deur werd geklopt. Mara stond op, liep naar de deur en deed open. Op de gang stond Robert Hale. Ze had hem twee jaar eerder voor het eerst ontmoet, in een kantoor in Washington waar geen naambordje op de deur hing. In het voorjaar van 1995 had Hale haar bevestigd dat een van de dossiers die ze controleerde vervalst was. Sindsdien hadden ze elkaar nog enkele keren gezien. Hale was zesendertig jaar, mager en droeg een bril die voortdurend van zijn neus zakte. Hij zag er vermoeid uit toen hij haar begroette. ‘Ik zag je naam onderaan de lijst van Mercer staan,’ begon hij. ‘Er stond een vraagteken naast, dus ik vroeg me af hoe je hier terecht was gekomen.’ ‘Blackwood heeft mijn aanwezigheid geregeld,’ legde Mara uit. ‘Blijkbaar was mijn naam nog niet aan de lijst toegevoegd toen we aankwamen.’ ‘Dat dacht ik al,’ antwoordde Hale, waarna hij even de gang in keek om te controleren of er iemand aankwam. Toen hij zag dat ze alleen waren, ging hij verder. ‘Ik heb documenten meegebracht die morgen tijdens de vergadering besproken moeten worden. Het gaat om kopieën van betalingen, identiteitsdossiers en de goedkeuringen die daarbij horen. Ik wil dat iedereen die papieren te zien krijgt, zodat niemand achteraf nog kan beweren dat hij nergens van op de hoogte was.’ Mara luisterde aandachtig en vroeg vervolgens of Blackwood wist welke documenten hij had meegebracht. ‘Iedereen weet dat ik iets bij me heb,’ legde Hale uit. ‘Maar niemand weet precies wat erin staat, en voorlopig wil ik dat graag zo houden.’ Hij schoof zijn bril weer omhoog en keek nog eens de gang in. ‘We praten hier later verder over, na het eten. Dan heb ik wat meer tijd om je uit te leggen waar het om gaat.’ Voordat Mara nog iets kon vragen, nam hij afscheid en liep hij verder door de gang. Om acht uur werd het diner geserveerd in de eetzaal op de benedenverdieping. De muren waren bekleed met donker hout en boven de lange tafel hingen drie koperen lampen. Er waren dertien plaatsen voorzien en op ieder bord lag een kaartje met de naam van de gast. Mara merkte meteen dat haar naam met de hand was geschreven, terwijl de andere kaartjes gedrukt waren. Ze kreeg een plaats aan het einde van de tafel, naast Robert Hale. Inmiddels had ze bijna alle aanwezigen ontmoet. Naast Wolfe en Mercer waren er nog drie mannen aangekomen, die ze eerder die avond had leren kennen. Martin Varga was een Tsjech die verantwoordelijk was voor het vervoer en de verblijfplaatsen. Klaus Richter kwam uit Duitsland en kon volgens Blackwood documenten maken die zo goed waren nagemaakt dat ze echter leken dan de originele. De derde man was Samuel Novak, een Tsjechische ambtenaar die zich tijdens de kennismaking weinig spraakzaam had getoond. Tijdens het voorgerecht verliep het gesprek ontspannen en hadden de mannen het vooral over het weer en een voetbalwedstrijd van Sparta Praag. Pas toen het hoofdgerecht werd opgediend, bracht Jonathan Price het programma ter sprake. Hij vertelde dat er dat jaar meer nieuwe identiteiten waren verstrekt dan ooit tevoren, waardoor de uitgaven waren verdubbeld. Volgens hem was dat geen reden om het programma af te bouwen, maar juist een aanwijzing dat er behoefte was aan verdere uitbreiding. Hij vond wel dat het programma voortaan zelf geld moest verdienen, zodat het niet langer afhankelijk zou zijn van de financiële steun uit Washington en Londen. Hale, die tot dan toe weinig had gezegd, keek hem aan. ‘Als ik je goed begrijp, wil je dat het programma verder groeit, maar dat de mensen die er gebruik van maken voortaan zelf voor hun bescherming betalen. Is dat wat je voorstelt?’ Price keek hem aan voordat hij antwoord gaf. ‘Sommigen doen dat nu al, Robert. Ik neem aan dat jij dat beter weet dan ik, gezien de dossiers waarmee je je bezighoudt.’ Na die opmerking viel het gesprek aan tafel stil. Kessler legde zijn mes neer en Whitmore richtte zijn blik op het glas dat voor hem stond. Niemand leek onmiddellijk bereid om zich in de discussie te mengen. Blackwood verbrak uiteindelijk de stilte door voor te stellen het onderwerp voorlopig te laten rusten. ‘We hebben morgen de hele dag om dit soort zaken te bespreken,’ zei hij. ‘Het lijkt me verstandiger om die discussie dan te voeren, wanneer iedereen de gelegenheid krijgt zijn standpunt uiteen te zetten.’ Hale ging er niet verder op in. Hij at rustig zijn bord leeg en hield het de rest van de maaltijd bij water. Mara gebruikte de gelegenheid om de mannen rond de tafel wat aandachtiger te observeren. Price en Stein zaten naast elkaar en voerden het vaakst het woord, terwijl Kessler en Moreau zich voorzichtiger opstelden. Voordat die twee iets zeiden, keken ze meestal eerst naar Blackwood. Whitmore maakte op haar de indruk dat hij het liefst zo snel mogelijk naar huis wilde. Varga en Novak spraken onderling Tsjechisch, terwijl Wolfe aandachtig naar de verschillende gesprekken luisterde zonder zelf veel te zeggen. Toen het dessert werd opgediend, stond Mercer op en liep naar het uiteinde van de tafel. Hij haalde zijn lijst tevoorschijn en controleerde opnieuw hoeveel mensen er aanwezig waren. Mara zag hoe hij de gasten een voor een telde, waarna hij een klein zwart fototoestel uit zijn jaszak haalde en het aan de ober overhandigde. ‘Zou u misschien één foto van de hele tafel willen maken?’ vroeg hij in het Engels. Stein keek verbaasd op en wilde weten waarom er een foto moest worden genomen. ‘Die is voor mijn verslag,’ legde Mercer uit. ‘Ik wil achteraf kunnen aantonen wie er dit weekend aanwezig was.’ Stein leek bezwaar te willen maken, maar voordat hij iets kon zeggen, gaf Wolfe zijn collega een instemmend knikje. Mercer ging daarop weer zitten, terwijl de ober een plaats zocht vanwaar hij de hele tafel in beeld kon krijgen. De ober hield het fototoestel voor zijn gezicht en maakte de foto zonder flits. Op dat moment keek Mara naar Hale, die naast haar zat en bezig was zijn servet op te vouwen. Na het eten gingen de meeste gasten naar de bibliotheek, waar cognac werd geschonken. Mara bleef liever nog even in de gang bij een raam staan, vanwaar ze uitkeek op de binnenplaats. Buiten zag ze een van Wolfes bewakers met een zaklamp langs de geparkeerde auto's lopen. Even later kwam Hale naast haar staan. Hij had een glas water in zijn hand en keek kort naar buiten voordat hij zich tot haar richtte. ‘We kunnen hier beter niet praten,’ zei hij zacht. ‘Er is een plek waar we wat rustiger kunnen staan. Kom maar even mee.’ Mara volgde hem door een zijdeur naar een overdekte galerij aan de achterkant van het gebouw. Het was er koud en donker, maar tussen de bomen kon ze in de verte het licht bij de slagboom zien. Hale liep nog een stukje verder voordat hij bleef staan en zich naar haar omdraaide. ‘Ik moet je iets vragen, Mara,’ begon hij. ‘Wie heeft je eigenlijk naar deze bijeenkomst gestuurd?’ Mara keek hem verbaasd aan. ‘Dat weet je toch? We hebben het daar eerder over gehad.’ ‘Ik weet van wie je je opdrachten krijgt,’ antwoordde Hale. ‘Dat is niet wat ik bedoel. Ik wil weten of je zelf begrijpt waarom je hier bent en wat ze precies van je verwachten.’ ‘Ik ben hier om op te schrijven welke beslissingen er worden genomen,’ legde Mara uit. ‘Blackwood heeft me dat vanmiddag nog eens duidelijk gemaakt.’ Hale knikte langzaam en keek even naar het licht dat tussen de bomen zichtbaar was. Hij leek na te denken over hoe hij verder moest gaan voordat hij zich opnieuw tot haar richtte. ‘De afgelopen maanden heb ik alle dossiers opnieuw onderzocht die jij hebt gecontroleerd,’ vertelde hij. ‘Daarbij heb ik vooral gekeken naar de dossiers die jij als verdacht hebt gemeld. Ik wilde weten wat er met die meldingen was gebeurd en of er daarna maatregelen waren genomen.’ Mara bleef hem aankijken terwijl hij verderging. ‘Wat ik heb ontdekt, is dat al jouw meldingen wel degelijk zijn aangekomen bij de man aan wie je ze stuurde. Hij heeft ze ontvangen, maar geen enkele melding is daarna doorgestuurd. Er is ook geen enkel dossier stopgezet, terwijl jij juist had aangegeven dat er iets niet klopte.’ Mara voelde de kou door haar jas heen dringen. Ze dacht aan de dossiers die ze had gecontroleerd en aan de meldingen die ze daarna had ingediend. Al die tijd was ze ervan uitgegaan dat de informatie op de juiste plaats terechtkwam. Hale keek haar opnieuw aan voordat hij zijn conclusie uitsprak. ‘Er is iemand binnen je eigen dienst die informatie voor je achterhoudt, Mara. Die persoon weet al veel langer dan jij wat hier allemaal gebeurt, maar heeft ervoor gezorgd dat jouw meldingen nergens toe hebben geleid.’   HOOFDSTUK 5 De dodenlijst New York, dinsdag 13 oktober 2026 Nina Laurent had de grote vergaderzaal op de tweeëntwintigste verdieping van Federal Plaza in gebruik genomen. Toen Nathan om half acht binnenkwam, stonden er twee laptops op tafel en hing er een groot blad papier aan de muur. Met een zwarte stift had Nina daarop een tabel getekend. In de eerste kolom stonden de twaalf namen uit het notitieblok, onder elkaar en in dezelfde volgorde. Daarnaast had ze kolommen gemaakt voor de nationaliteit, de functie die iedere persoon in 1996 had gehad, de huidige situatie, de beschikbare documenten en de bronnen waaruit de informatie afkomstig was. ‘Ben je eigenlijk nog naar huis geweest?’ vroeg Nathan terwijl hij zijn jas uittrok. ‘Vier uur. Lang genoeg om een beetje te slapen, maar veel meer zat er niet in.’ Nina schoof hem een beker koffie toe die ondertussen lauw was geworden. ‘Ik heb vannacht de documenten uit de bovenste twee laden van de archiefkast gescand. Harrington had voor elke naam een aparte map aangelegd, dus ik heb alles voorlopig per persoon gerangschikt. Wat je hier ziet, komt volledig uit zijn eigen onderzoek. Ik heb nog niet de tijd gehad om alle gegevens onafhankelijk te controleren.’ Nathan nam een slok koffie en liep naar de tabel om de namen te bekijken. Voordat hij iets kon vragen, kwam Walker de vergaderzaal binnen. Hij had zijn jas nog aan en vertelde dat hij onderweg was naar een vergadering, maar dat hij hen eerst op de hoogte wilde brengen van de laatste ontwikkelingen. De aanvraag om de verzegelde documenten te mogen bekijken, lag inmiddels bij de rechtbank. Verder had Donovan hem de vorige avond teruggebeld. Volgens haar was er vanuit haar kantoor geen afspraak met Harrington gemaakt, niet op 13 oktober en evenmin op een andere dag. ‘Dan weten we dus nog altijd niet waarom Harrington die datum heeft opgeschreven,’ merkte Nathan op. ‘Voorlopig niet. De NYPD heeft gisteravond ook alle mannen onderzocht die in de staat New York onder de naam Robert Hale geregistreerd staan. Het zijn er eenendertig, maar bij geen van hen hebben ze een verband met Harrington of Praag kunnen vinden.’ Walker keek naar de tabel aan de muur en liet zijn blik even over de twaalf namen gaan. ‘Jullie hebben duidelijk al heel wat werk verzet. Hou me op de hoogte zodra jullie iets vinden dat ons verder kan helpen.’ Nadat Walker was vertrokken, ging Nina naast Nathan staan om de lijst met hem door te nemen. Ze begon bij de vier mannen die nog onder hun eigen naam leefden en daardoor relatief gemakkelijk terug te vinden waren. Richard Blackwood woonde in Washington en was voorzitter van een organisatie die onderzoek deed en advies gaf aan de overheid. Adrian Wolfe woonde buiten Londen en stond in het Britse handelsregister vermeld als directeur van een beveiligingsadviesbureau. Victor Stein had een vermogensbeheerder in Zürich, terwijl Jonathan Price in Connecticut woonde en daar in de raad van bestuur van twee bedrijven zat. ‘Harrington heeft deze vier namen doorgestreept, maar vreemd genoeg heeft hij over hen het minste informatie verzameld,’ vertelde Nina. ‘In hun mappen zitten alleen enkele krantenartikelen, adressen en een telefoonnummer van Blackwood. Bij dat nummer heeft hij wel een datum geschreven: 2 september.’ Nathan vroeg of ze al had kunnen achterhalen of Harrington die dag daadwerkelijk met Blackwood had gebeld, maar Nina schudde haar hoofd. Ze had het nummer wel genoteerd, alleen was ze nog niet aan de controle van de telefoongegevens toegekomen. Daarna richtten ze zich op de drie mannen die volgens het officiële verslag bij de brand waren omgekomen: Martin Varga, Klaus Richter en Daniel Mercer. Harrington had van ieder van hen een kopie van de Tsjechische overlijdensakte bewaard, samen met een Engelse vertaling. Nina haalde de documenten uit de mappen en legde ze naast elkaar op tafel, zodat Nathan de gegevens gemakkelijker kon vergelijken. Alle drie de overlijdensakten waren op 22 november 1996 opgesteld door de burgerlijke stand van een district in Praag. Ze droegen bovendien de handtekening van dezelfde arts en dezelfde ambtenaar. Bij alle drie stond verbranding als doodsoorzaak vermeld en ook de manier waarop de slachtoffers waren geïdentificeerd, kwam overeen. Dat was telkens gebeurd aan de hand van persoonlijke bezittingen. ‘Als ik het goed begrijp, hebben ze dus geen gebitsgegevens of vingerafdrukken gebruikt om vast te stellen wie de slachtoffers waren,’ zei Nathan terwijl hij de documenten bekeek. ‘Ze hebben zich uitsluitend gebaseerd op voorwerpen die bij de lichamen werden gevonden, zoals een horloge of een portefeuille.’ ‘Dat staat inderdaad in de verslagen. DNA-onderzoek was in 1996 nog niet gebruikelijk bij dit soort onderzoeken, zeker niet in Praag, dus op zichzelf hoeft dat niet zo vreemd te zijn.’ Nathan bleef de overlijdensakten bestuderen. Hij begreep dat de onderzoeksmethoden destijds anders waren geweest, maar vond het toch merkwaardig dat de identiteit van drie buitenlandse slachtoffers op die manier was vastgesteld. Wanneer buitenlanders bij een brand omkwamen, moest er volgens hem een degelijk onderzoek gebeuren. Er waren ambassades die ingelicht moesten worden en familieleden die wilden weten wat er precies met hun naasten was gebeurd. Hij nam de overlijdensakte van Daniel Mercer en legde die apart. ‘Mercer was een Brit. Is er ooit nagegaan of iemand in Engeland zijn overlijden heeft gecontroleerd, of hebben ze daar gewoon de Tsjechische documenten overgenomen?’ ‘Zijn overlijden is in 1997 officieel in Engeland geregistreerd, maar uitsluitend op basis van deze overlijdensakte,’ antwoordde Nina. ‘De Britse ambtenaar beschikte dus niet over meer informatie dan wij op dit moment hebben.’ Nathan legde het document terug bij de andere twee en richtte zijn aandacht op de vijf namen die nog niet waren besproken. Bij hen bleek het aanzienlijk moeilijker om vast te stellen wat er na 1996 was gebeurd. Over Gabriel Moreau en Samuel Novak had Harrington bijna niets kunnen vinden. Van geen van beiden bestond een overlijdensakte, niemand had hen officieel als vermist opgegeven en na 1996 was er ook geen adres meer van hen bekend. Omdat Nina evenmin een aanknopingspunt had gevonden, had ze achter hun namen het woord onvindbaar geschreven. Anton Kessler was in 2003 door een rechtbank in Wenen doodverklaard, nadat zijn broer daarvoor een verzoek had ingediend. Een jaar later was in Londen hetzelfde gebeurd met Charles Whitmore. In zijn geval had een advocaat de procedure opgestart, omdat sinds 1996 niemand nog iets van hem had gehoord. Ook Robert Hale was in 2004 officieel doodverklaard, maar dan door een rechtbank in Connecticut. Het verzoek was ingediend door zijn vrouw, Judith Hale. Nina overhandigde Nathan een kopie van de gerechtelijke uitspraak. Daarin stond dat Hale volgens de rechtbank in of rond november 1996 in Tsjechië was overleden, al had niemand kunnen vaststellen wat de doodsoorzaak was geweest. ‘Wat ik niet begrijp, is dat zijn naam nergens tussen de slachtoffers van de brand staat,’ zei Nathan terwijl hij de uitspraak las. ‘Toch heeft zijn vrouw hem officieel laten doodverklaren. Blijkbaar heeft de rechtbank daar voldoende redenen voor gezien.’ ‘Dat is acht jaar na zijn verdwijning gebeurd,’ antwoordde Nina. ‘In Connecticut moest je destijds minstens zeven jaar wachten voordat je iemand die vermist was officieel dood kon laten verklaren. Zijn vrouw heeft dus langer gewacht dan die minimumtermijn.’ Nathan stond op en liep naar de muur om de volledige tabel nog eens te bekijken. Van de twaalf mannen leefden er vier nog onder hun eigen naam. Drie waren volgens de officiële documenten bij de brand omgekomen, drie anderen waren later door een rechtbank doodverklaard en van twee mannen ontbrak ieder spoor. Harrington had elf van die namen doorgestreept. Alleen Robert Hale was blijven staan. Tegen elf uur begon Nathan de documenten over Anton Kessler en Charles Whitmore met elkaar te vergelijken. De twee mannen waren in verschillende landen doodverklaard en aanvankelijk leek er weinig verband tussen hun dossiers te bestaan. Toen hij de aanvragen nauwkeuriger bekeek, ontdekte hij echter dat bij beide procedures hetzelfde advocatenkantoor betrokken was geweest: Hartl & Partner in Wenen. Hij zocht de naam op in de andere documenten en stelde vast dat het kantoor ook de Engelse vertalingen van de drie Tsjechische overlijdensakten had laten maken. Onderaan iedere vertaling stond het stempel van Hartl & Partner. ‘Volgens onze lijst werkte Kessler zelf als jurist in Wenen,’ zei Nina toen Nathan haar op het verband wees. ‘Ik zal eens kijken of Harrington ergens heeft genoteerd bij welk kantoor hij werkte.’ Ze zocht zijn gegevens op en ontdekte dat Anton Kessler tot 1996 vennoot was geweest bij Hartl & Partner. Nathan legde de documenten naast elkaar en bekeek de namen van de betrokken personen. ‘Het advocatenkantoor waar Kessler zelf werkte, heeft dus geregeld dat hij doodverklaard werd. Datzelfde kantoor was ook betrokken bij de doodverklaring van een Brit die Kessler misschien niet eens kende. Bovendien hebben ze de overlijdensakten van drie andere mannen uit Praag laten vertalen. Dat is wel een opvallende combinatie.’ Nina was het ermee eens dat het verband interessant was, maar vond dat ze voorzichtig moesten blijven met hun conclusies. ‘Een advocatenkantoor dat al bij een bepaalde zaak betrokken is, krijgt vaak ook andere dossiers die ermee samenhangen,’ legde ze uit. ‘Het hoeft dus niet te betekenen dat er iets verdachts is gebeurd. Misschien hebben de betrokken families of instanties gewoon hetzelfde kantoor ingeschakeld omdat het de oorspronkelijke zaak al kende.’ ‘Dat kan natuurlijk,’ gaf Nathan toe. ‘Maar voorlopig is het wel het enige kantoor dat in zoveel verschillende dossiers terugkomt.’ Hij schreef de naam Hartl & Partner onderaan het grote blad papier en trok er vijf lijnen naartoe, zodat het verband met de betrokken mannen zichtbaar werd. Ondertussen had Nina het telefoonnummer van Ruth Kaplan gevonden. Ze was vijftien jaar griffier geweest bij Harrington en woonde sinds haar pensioen in Annapolis. Om twaalf uur belde Nathan haar. Ruth nam vrijwel onmiddellijk op en vertelde dat ze het nieuws over Harrington had gezien. Zijn dood had haar zo aangegrepen dat ze ervan had moeten huilen. Ze verontschuldigde zich omdat ze moeite had om er rustig over te praten, maar Nathan verzekerde haar dat ze alle tijd mocht nemen. Hij liet haar uitspreken voordat hij zijn eerste vraag stelde. ‘Mevrouw Kaplan, volgens onze informatie heeft rechter Harrington u vorige week vrijdag gebeld. Kunt u zich nog herinneren waarover jullie toen hebben gesproken?’ ‘Ja, dat weet ik nog goed. Hij wilde weten of ik nog mensen kende bij het ministerie van Justitie. Ik heb daar inderdaad nog een paar contacten, dus ik heb hem beloofd dat ik zou proberen iets voor hem uit te zoeken. Hij zocht informatie over een man die in de jaren negentig bij de overheid werkte. Ik heb wat rondgevraagd en hem zaterdag een e-mail gestuurd met alles wat ik had gevonden, al moet ik erbij zeggen dat het niet veel was.’ Nathan vroeg of Harrington ook had uitgelegd waarom hij die informatie nodig had. Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil. Ruth leek na te denken over wat ze zich precies van het gesprek herinnerde. ‘Niet echt,’ antwoordde ze uiteindelijk. ‘Hij zei alleen dat het te maken had met een oude zaak, uit zijn eerste jaren als rechter. Wat ik me vooral herinner, is dat hij zei dat hij destijds iemand niet had geloofd, terwijl hij dat wel had moeten doen. Dat vond ik een vreemde opmerking, juist omdat hij er zo ernstig over klonk.’ ‘Heeft hij ook gezegd over welke zaak het ging? Misschien herinnert u zich iets uit die periode dat ermee te maken kan hebben.’ ‘Ik werkte toen al voor hem, dus eigenlijk zou ik dat moeten weten,’ zei Ruth. ‘Maar hij heeft in die jaren honderden zaken behandeld. Ik heb er de hele nacht over liggen nadenken en er is één zaak die steeds bij me terugkomt. Het ging over een vrouw uit Connecticut van wie de man in het buitenland was verdwenen. Die zaak werd achter gesloten deuren behandeld en ik mocht er zelf niet bij zijn. Wat ik me nog wel herinner, is dat Harrington daarna een hele week slecht gehumeurd was.’ Nathan keek naar de documenten die voor hem op tafel lagen. ‘Weet u toevallig nog hoe die vrouw heette? Zelfs een voornaam zou ons misschien al kunnen helpen.’ ‘Nee, helaas niet. Het is zo lang geleden en omdat ik niet bij de behandeling aanwezig mocht zijn, heb ik ook nooit alle gegevens gekend. Het spijt me dat ik u daar niet verder mee kan helpen.’ Nathan bedankte haar voor de informatie en vroeg of ze de e-mail die ze zaterdag naar Harrington had gestuurd ook naar hem wilde doorsturen. Hij wilde bovendien graag weten met welke mensen ze contact had opgenomen om de informatie te verzamelen. Ruth beloofde dat ze hem alles nog voor het einde van de dag zou bezorgen. Nadat hij het gesprek had beëindigd, legde Nathan zijn telefoon op tafel en nam hij de uitspraak uit Connecticut opnieuw vast. Judith Hale had haar man in 2004 laten doodverklaren. Ruth Kaplan had zojuist gesproken over een vrouw uit Connecticut van wie de echtgenoot in het buitenland was verdwenen. Die zaak was tijdens Harringtons eerste jaren als rechter achter gesloten deuren behandeld. Nathan herinnerde zich bovendien dat het nummer van het verzegelde dossier in de archiefkast met 97 begon. Om half twee kwam Torres de vergaderzaal binnen. Hij droeg een map onder zijn arm en ging aan tafel zitten zonder eerst zijn jas uit te trekken. ‘Ik heb eindelijk de telefoongegevens van Harrington gekregen,’ vertelde hij terwijl hij de map voor Nathan neerlegde. ‘De provider heeft ons een overzicht bezorgd van de afgelopen dertig dagen. Zijn telefoon heeft voor het laatst verbinding gemaakt om twaalf over elf, via een zendmast op East 79th Street. Daarna is er geen enkele verbinding meer geregistreerd. Dat betekent dat iemand het toestel heeft uitgezet of de simkaart heeft verwijderd.’ Torres sloeg de map open en draaide het overzicht naar Nathan toe, zodat hij de telefoonnummers kon bekijken. Harrington had de afgelopen maand niet bijzonder veel gebeld. Op de lijst stonden onder andere de nummers van zijn dokter, zijn broer in Boston, een restaurant en Margaret Ellis. De andere nummers had Torres met een gele markeerstift aangeduid, omdat ze mogelijk verband hielden met het onderzoek. Op dinsdag 6 oktober had Harrington om 10.14 uur naar het kantoor van Donovan gebeld. Op vrijdag 9 oktober had hij om 9.02 uur contact opgenomen met Ruth Kaplan. Diezelfde middag had hij om 14.12 uur geprobeerd een nummer in Washington te bereiken, maar dat gesprek had nul seconden geduurd omdat niemand had opgenomen. Een dag later, op zaterdag 10 oktober, had Harrington om 11.30 uur naar een nummer in Praag gebeld. Dat gesprek had vier minuten geduurd. ‘We hebben inmiddels kunnen achterhalen van wie het nummer in Washington is,’ vertelde Torres. ‘Het behoort toe aan Rachel Bennett, een zelfstandig journaliste. Het nummer in Praag is een vaste telefoonlijn. We hebben via Interpol gevraagd op wiens naam die geregistreerd staat, maar het kan nog enkele dagen duren voordat we daarop antwoord krijgen.’ Nathan bladerde verder door het overzicht en vroeg of Harrington op zondagavond nog had gebeld of telefoontjes had ontvangen. Torres wees naar de laatste regel van de lijst. Om 21.41 uur was Harrington gebeld door een onbekend nummer en dat gesprek had twee minuten geduurd. ‘We hebben het nummer onderzocht en het blijkt om een prepaidkaart te gaan,’ legde Torres uit. ‘Die is vorige week in een winkel in Queens gekocht en contant betaald. Voor zover we kunnen nagaan, is de kaart maar één keer gebruikt, namelijk voor dit gesprek. Waarschijnlijk stond er een kwartier later een man bij Harrington aan de deur en heeft Harrington hem binnengelaten. Misschien kende hij die man, of verwachtte hij iemand die hij vertrouwde.’ ‘Het kan natuurlijk ook iemand geweest zijn die beweerde dat hij namens Donovan kwam,’ merkte Nathan op. ‘Als Harrington dacht dat die man iets met zijn afspraak te maken had, zou dat kunnen verklaren waarom hij hem binnenliet.’ Torres dacht even over die mogelijkheid na en knikte. ‘Dat zou inderdaad een goede reden kunnen zijn om de deur open te doen. Zeker als Harrington op dat moment dacht dat hij belangrijke informatie zou krijgen.’ Nathan stond op en liep naar de tabel aan de muur. Naast de naam van Ruth Kaplan schreef hij die van Rachel Bennett. Hij wist nog niet welke rol de journaliste in het onderzoek speelde, maar wilde haar naam voorlopig bij de andere contacten van Harrington houden. Om half zes stond Torres op om te vertrekken. Terwijl hij zijn map dichtdeed, keek hij op zijn horloge en merkte op dat 13 oktober bijna voorbij was. ‘Ik heb om vijf uur nog eens laten controleren of er vandaag ergens in New York iemand met de naam Robert Hale is vermoord,’ vertelde hij. ‘Dat blijkt niet het geval te zijn.’ ‘Volgens mij was er ook niemand meer om te vermoorden,’ antwoordde Nathan. ‘De enige Robert Hale die bij onze lijst past, is al in 2004 officieel doodverklaard. Als Harrington met die datum een moord wilde aankondigen, begrijp ik niet wie het slachtoffer had moeten zijn.’ Torres vond dat de datum dan waarschijnlijk geen bedreiging was geweest. ‘Misschien ging het gewoon om een afspraak,’ zei Nathan. ‘We weten alleen nog altijd niet met wie Harrington die afspraak zou hebben gehad.’ Torres knikte. Ook hij had daar voorlopig geen antwoord op en besloot het onderzoek de volgende ochtend voort te zetten. Hij nam zijn map mee en verliet de vergaderzaal. Kort daarna begon Nina eveneens haar spullen in te pakken. Ze had de hele dag documenten bekeken en gegevens vergeleken, maar moest de overige laden van de archiefkast nog onderzoeken. Ze vertelde Nathan dat ze de volgende ochtend de documenten uit die laden zou scannen en vertrok naar huis. Nathan besloot nog wat langer te blijven. De hele dag had hij de twaalf namen onderzocht alsof het om slachtoffers en verdachten in een moordzaak ging. Hij had geprobeerd vast te stellen wie nog leefde, wie overleden was en welke personen mogelijk iets met Harringtons dood te maken hadden. Nu wilde hij het onderzoek vanuit een andere invalshoek bekijken. Hij had twintig jaar ervaring met fraudeonderzoek en wist dat verbanden tussen mensen soms gemakkelijker te vinden waren wanneer je hun financiële activiteiten onderzocht. Daarom besloot hij de twaalf mannen voorlopig te behandelen alsof ze betrokken waren geweest bij een financiële zaak. Nathan logde in op het computersysteem van de FBI en voerde de namen een voor een in. Waar mogelijk vulde hij ook het geboortejaar en de nationaliteit in, op basis van de gegevens die Nina uit Harringtons documenten had verzameld. Bij Richard Blackwood, Jonathan Price en Victor Stein vond hij informatie over contacten met overheidsdiensten, hoorzittingen en enkele onderzoeken waarin ze als getuige waren ondervraagd. Over Adrian Wolfe leverde de zoekopdracht niets op. Ook bij de drie mannen die volgens de officiële documenten bij de brand waren omgekomen, vond hij geen resultaten die hem verder konden helpen. Toen hij de naam Charles Whitmore invoerde, verscheen er wel een resultaat. Het ging om een onderzoek dat het FBI-kantoor in Miami in 2001 had gevoerd naar het witwassen van geld via een handelsbedrijf in koffie en cacao. Het dossier was in 2003 gesloten zonder dat iemand was aangeklaagd. Nathan opende de samenvatting van het onderzoek en begon de beschikbare gegevens door te nemen. Het handelsbedrijf had betalingen uitgevoerd via verschillende bankrekeningen in het Caribisch gebied. Een van die rekeningen stond bij een bank op Bermuda en was geopend op naam van Charles Edward Whitmore, een Britse staatsburger die in 1947 was geboren. Volgens de documenten was de rekening in februari 1999 geopend. Tussen 1999 en 2002 waren er eenenveertig overboekingen uitgevoerd en iedere betalingsopdracht was persoonlijk door de rekeninghouder ondertekend. Nathan keek naar de tabel aan de muur. Achter de naam Whitmore had Nina met een rode stift geschreven dat hij na november 1996 was verdwenen en in 2004 doodverklaard was. Hij richtte zijn aandacht opnieuw op het computerscherm en las de gegevens nog eens zorgvuldig door. Vervolgens controleerde hij of de volledige naam en het geboortejaar overeenkwamen met de informatie in Harringtons map. Toen hij had vastgesteld dat die gegevens overeenkwamen, noteerde hij het dossiernummer van het FBI-onderzoek en de naam van de bank op Bermuda.   HOOFDSTUK 6 De sleutel Londen en Zürich, dinsdag 13 oktober 2026 Oliver Hayes had Emily maandagavond om negen uur gebeld om haar op de hoogte te brengen van de resultaten van het onderzoek. Op de sleutel waren alleen haar eigen vingerafdrukken gevonden en een gedeeltelijke afdruk die niet in de politiebestanden voorkwam. Ook het Zwitserse telefoonnummer dat ze zondagavond had gebeld, had weinig opgeleverd. Het hoorde bij een prepaidkaart die sinds maandagochtend niet meer werkte. Over de man die ze in het hotel had gezien, was Hayes voorlopig evenmin iets te weten gekomen. Tijdens hun gesprek had hij uitgelegd dat hij haar niet kon verbieden de sleutel te gebruiken. Die had in haar tas gezeten en er was geen bewijs dat hij gestolen was. Wel wilde hij vooraf weten wanneer ze naar Zürich zou vertrekken, en hij had er sterk op aangedrongen dat ze de kluis niet zonder begeleiding zou openen. De volgende ochtend zat Emily om zeven uur in zijn kantoor in Westminster. Hayes overhandigde haar de sleutel in een plastic zakje en schoof een formulier naar haar toe dat ze moest ondertekenen. Terwijl ze daarmee bezig was, belde hij met een rechercheur van de kantonnale politie in Zürich. De vrouw aan de andere kant van de lijn heette Brunner. Hayes legde haar uit wat er de afgelopen dagen was gebeurd en vertelde dat Emily naar Zwitserland zou reizen om een kluis te openen. Brunner beloofde contact op te nemen met de bank en door te geven dat er een Britse vrouw onderweg was met een sleutel die mogelijk verband hield met een strafonderzoek. Toen Hayes had opgehangen, vertelde hij Emily dat de uiteindelijke beslissing bij de bank lag. De Zwitserse politie kon niet afdwingen dat ze toegang kreeg, en hijzelf had daar evenmin enige bevoegdheid toe. Het belangrijkste was volgens hem dat de bank nu wist wie er kwam en waarom. Emily bedankte hem voor zijn hulp en stond op om te vertrekken. Hayes vroeg haar nog even te blijven staan. ‘Als u daar iets aantreft, mevrouw Carter, wil ik dat u me onmiddellijk belt. Het maakt niet uit of het om documenten, geld of iets anders gaat. Ik wil graag weten wat er in die kluis ligt voordat iemand besluit er iets mee te doen.’ Emily beloofde dat ze contact zou opnemen zodra ze meer wist. Ze nam de vlucht van tien voor tien vanaf Heathrow. De avond ervoor had ze haar leidinggevende bij Harcourt Lyle een e-mail gestuurd waarin ze kort had uitgelegd wat er aan de hand was. Binnen vijf minuten had hij geantwoord dat ze zoveel vrije dagen mocht nemen als nodig was. Hij had haar alleen gevraagd hem te bellen voordat ze ergens haar handtekening onder zou zetten. Eenmaal in het vliegtuig haalde Emily haar laptop tevoorschijn. Gareth had die ochtend haar wachtwoord opnieuw ingesteld en ervoor gezorgd dat ze weer toegang had tot haar eigen dossiers. Daarbij had hij haar gewaarschuwd dat alles wat ze op de computer deed, werd geregistreerd. Ze opende de map van de opdracht uit Jersey en nam de documenten nog eens door. Haar klant was Calder Fiduciary Services, een trustkantoor in St Helier met twaalf medewerkers. Het bedrijf had in augustus contact met haar opgenomen met de vraag of ze oude betalingen van een trust wilde onderzoeken. Een trust was een regeling waarbij geld of andere bezittingen werden beheerd voor mensen die daar volgens bepaalde afspraken recht op hadden. Volgens de opdrachtbrief was de trust in 1996 opgericht, maar waren de documenten uit de eerste jaren niet goed bewaard gebleven. Calder wilde daarom laten onderzoeken of er in het verleden betalingen waren uitgevoerd die nergens in de boekhouding terug te vinden waren. Haar contactpersoon was Julian Marsh, met wie ze twee keer via een videoverbinding had gesproken. Beide keren had hij zijn camera uitgelaten, waardoor ze nog altijd niet wist hoe hij eruitzag. Emily bladerde verder door de digitale map en vond de e-mails over de controle van haar identiteit. Op 14 augustus had ze een kopie van haar paspoort naar Calder gestuurd, voorzien van het stempel van Harcourt Lyle. Het trustkantoor had nog diezelfde dag bevestigd dat het document goed was ontvangen. Daarna opende ze opnieuw de opdrachtbrief en bekeek de naam van de trust. Toen ze die in augustus voor het eerst had gelezen, had de naam haar niets gezegd, en ook nu kon ze er niets bijzonders mee verbinden. Wat wel opviel, was de omvang van het vermogen dat de trust in de afgelopen dertig jaar had beheerd. Volgens de beschikbare gegevens ging het om meer dan tweehonderd miljoen dollar. Emily bleef nog even naar de cijfers kijken, totdat de stewardess langskwam met koffie. Ze klapte haar laptop dicht en nam een kopje aan. Bankhaus Albrecht & Cie was gevestigd in een grijs stenen gebouw aan de Talstrasse, op ongeveer tien minuten lopen van het meer van Zürich. Aan de gevel hing geen groot uithangbord en wie niet wist waar hij moest zijn, zou gemakkelijk aan het gebouw voorbijlopen. Alleen naast de voordeur zat een klein koperen plaatje met daarop de naam van de bank. Binnen heerste een rustige sfeer. Achter een balie van lichtgrijs marmer zat een man die naar haar naam vroeg en haar vervolgens verzocht even te wachten. Na enige tijd verscheen er een vrouw van ongeveer vijfendertig jaar met kort donker haar en een bril met een zwart montuur. Ze droeg een donkerblauw pak en hield een dunne map onder haar arm. ‘Goedemiddag, mevrouw Carter. Mijn naam is Anna Weiss en ik ben hier verantwoordelijk voor compliance, dus voor de controle of de bank zich aan alle regels houdt. We hebben vanochtend bericht gekregen van de politie. Als u mij wilt volgen, kunnen we alles rustig bespreken.’ Emily liep met haar mee naar een kleine vergaderkamer op de eerste verdieping. Er stonden een tafel en vier stoelen, en midden op tafel was een karaf water neergezet. Anna wachtte totdat Emily had plaatsgenomen, ging tegenover haar zitten en opende de map die ze had meegebracht. ‘Voordat we verdergaan, zou ik graag de sleutel willen bekijken die u bij zich hebt. We hebben het nummer al gecontroleerd in ons register, maar ik wil zeker weten dat het om dezelfde sleutel gaat.’ Emily haalde het plastic zakje uit haar tas en legde de sleutel op tafel. Anna bekeek het label aandachtig en vergeleek het nummer met een document uit haar map. ‘Het gaat inderdaad om kluis 0417,’ zei ze. ‘Die is in 1997 gehuurd door Meridian Treuhand AG, een trustkantoor dat hier in Zürich gevestigd was. Het bedrijf is in 2019 opgeheven, maar de kluis is daarna blijven bestaan. De huur was oorspronkelijk voor twintig jaar betaald, dus tot eind 2017. Sindsdien wordt die automatisch verlengd via betalingen vanaf een rekening bij een andere bank.’ Anna bladerde naar de volgende pagina en keek nog eens naar de gegevens. ‘Wat ik wel opmerkelijk vind, is dat er volgens ons register sinds 2003 niemand meer bij de kluis is geweest.’ Emily vroeg hoe het zat met de toegang wanneer het bedrijf dat de kluis had gehuurd inmiddels niet meer bestond. Ze kon zich moeilijk voorstellen dat iedereen met een passende sleutel zomaar naar binnen mocht. ‘Dat is precies de vraag die ik mezelf vanochtend ook heb gesteld,’ antwoordde Anna. Ze haalde een tweede document uit haar map en schoof het naar Emily toe. ‘Bij iedere kluis bewaren we een lijst met gevolmachtigden. Dat zijn de personen die namens de huurder toegang mogen krijgen. Tot vorige week stonden er bij deze kluis twee namen geregistreerd, maar beide personen zijn inmiddels overleden. Op 8 oktober hebben we echter een brief ontvangen van de vereffenaar van Meridian Treuhand. Daarin werd een nieuwe gevolmachtigde aangewezen.’ Emily nam het document aan en begon te lezen. Het was een kopie van een formulier dat zowel in het Duits als in het Engels was opgesteld. Onder het kopje Bevollmächtigte Person, waarmee de persoon werd bedoeld die toegang mocht krijgen, stond haar eigen naam vermeld. Ook haar geboortedatum, haar adres in Islington en haar paspoortnummer waren correct ingevuld. Bij het formulier zat bovendien een kopie van haar paspoort. Ze keek verbaasd op naar Anna. ‘Ik begrijp hier niets van. Al die gegevens kloppen, maar ik heb dit formulier nog nooit gezien en ik heb ook niemand toestemming gegeven om mij als gevolmachtigde aan te wijzen.’ Anna knikte alsof ze die reactie had verwacht en wees naar de rechterbovenhoek van de paspoortkopie. ‘Dat vermoedde ik eigenlijk al toen ik hoorde wat er was gebeurd. Kijk eens naar het stempel dat hier gedeeltelijk over uw foto staat.’ Emily hoefde maar kort te kijken om het te herkennen. Het was het stempel dat Harcourt Lyle gebruikte wanneer de identiteit van klanten en tussenpersonen werd gecontroleerd. Bij iedere nieuwe opdracht moest een analist van het bedrijf een kopie van zijn paspoort aan de klant bezorgen, en op die kopie werd het stempel geplaatst als bewijs dat de identiteit was gecontroleerd. ‘Deze kopie komt uit een klantendossier,’ legde Emily uit. ‘Bij iedere nieuwe opdracht moet ik zo’n document afgeven, dus er zijn inmiddels tientallen klanten die een kopie van mijn paspoort hebben. Het is op zichzelf niet vreemd dat iemand over die gegevens beschikt, maar ik begrijp niet waarom ze hier worden gebruikt.’ Anna vroeg of ze zou kunnen achterhalen welke klant de kopie had doorgestuurd. ‘Ik denk van wel,’ antwoordde Emily, terwijl ze terugdacht aan de e-mail die ze op 14 augustus naar Calder op Jersey had gestuurd. ‘Mag ik misschien ook de brief van de vereffenaar bekijken? Ik wil graag weten wie mijn naam heeft doorgegeven.’ Anna schoof haar het document toe. De brief was getypt op briefpapier van een advocatenkantoor in Zug en ondertekend door een advocaat van wie Emily de naam niet kende. Volgens de tekst hadden de vroegere bestuurders van Meridian Treuhand mevrouw Carter aangewezen om de inhoud van de kluis te beheren en aan de rechtmatige eigenaren over te dragen. ‘Ik heb vanochtend geprobeerd contact op te nemen met de advocaat die deze brief heeft ondertekend,’ vertelde Anna. ‘Het kantoor bestaat daadwerkelijk, maar hij was zelf niet aanwezig. Zijn secretaresse kon me ook niets over deze brief vertellen, dus voorlopig hebben we alleen het document dat hier voor ons ligt.’ Ze legde haar pen neer en keek Emily aandachtig aan. ‘Er is nog iets wat ik u moet uitleggen, mevrouw Carter. Volgens de documenten waarover wij beschikken, bent u op dit moment een geldige gevolmachtigde. U hebt de sleutel, uw paspoort is in orde en uw naam staat in ons register. Zolang ik geen reden heb die een rechter zou aanvaarden, kan ik u de toegang niet weigeren. Dat betekent echter niet dat we de kluis zonder verdere controle hoeven te openen. Ik kan wel voorwaarden stellen aan de manier waarop dat gebeurt.’ Anna stelde voor om samen naar de kluizenruimte te gaan. Alles wat Emily uit de kluis zou halen, moest daarna in de vergaderkamer op tafel worden gelegd, zodat Anna een volledige lijst van de inhoud kon opstellen. Een kopie van die lijst zou vervolgens aan de politie worden bezorgd. Emily ging daar onmiddellijk mee akkoord. ‘Dat lijkt me een verstandige oplossing. Ik ben zelf ook naar hier gekomen omdat ik wil weten wat er aan de hand is, en ik heb er alle belang bij dat alles zorgvuldig wordt gecontroleerd. Als er iets in die kluis ligt wat met een strafonderzoek te maken heeft, moet daar geen discussie over kunnen ontstaan.’ Anna keek haar even aan en glimlachte voor het eerst sinds ze elkaar hadden ontmoet. ‘Volgens mij doen wij ongeveer hetzelfde werk, mevrouw Carter. We proberen allebei uit te zoeken of de documenten die we krijgen wel overeenkomen met wat er werkelijk is gebeurd.’ ‘Dat klopt,’ antwoordde Emily met een glimlach. ‘Alleen zitten we normaal aan de andere kant van de tafel.’ Samen verlieten ze de vergaderkamer en gingen naar de kluizenruimte, die zich twee verdiepingen onder de grond bevond. Om binnen te komen, moesten ze eerst door een zware stalen deur. Anna hield haar toegangspas tegen een lezer en voerde vervolgens een code in, waarna een bewaker zijn eigen sleutel in het slot stak en omdraaide. Pas toen beide handelingen waren uitgevoerd, ging de deur open. Achter de deur lag een lange, smalle ruimte met aan weerszijden metalen kluizen van verschillende afmetingen. Anna liep voorop en bleef staan bij kluis 0417, die zich op ooghoogte bevond en ongeveer dertig centimeter breed was. De bewaker stak zijn sleutel in het eerste slot en wachtte totdat Emily haar sleutel in het tweede slot had gestoken. Nadat ze allebei hun sleutel hadden omgedraaid, konden ze het deurtje openen. Binnenin stond een metalen lade die Emily voorzichtig naar zich toe trok. Ze merkte meteen dat de lade zwaarder was dan ze had verwacht. Toen ze hem helemaal naar buiten had geschoven, zag ze drie dikke ordners met grijze kartonnen kaften en een kleine envelop. Verder lag er niets in. Er was geen geld, er waren geen juwelen en ook geen waardepapieren. De volledige inhoud bestond uit documenten. Ze brachten de ordners en de envelop naar de vergaderkamer, waar Anna een paar witte katoenen handschoenen aantrok en Emily een tweede paar gaf. Vervolgens legden ze de documenten op tafel en begon Anna nauwkeurig te noteren wat er uit de kluis was gekomen. Emily opende de eerste ordner. Die bevatte bankafschriften van vier verschillende banken, allemaal uit de periode van 1995 tot en met 1998. Ze nam rustig de tijd om de documenten door te nemen en merkte dat de rekeningen op naam stonden van bedrijven met weinig opvallende namen, waaronder Meridian Treuhand, Corvin Holdings en Larkspur Trading. Op die rekeningen waren grote bedragen binnengekomen, zowel in dollars als in Britse ponden. Veel van de stortingen waren afkomstig van banken in Washington en Londen. Er waren ook heel wat betalingen uitgevoerd, maar de bedragen die van de rekeningen verdwenen, waren meestal aanzienlijk kleiner dan de bedragen die erop waren gestort. In de tweede ordner vond Emily betalingsopdrachten. Ieder document bevatte een nummer, een datum, een bedrag en een korte omschrijving van het doel van de betaling. Terwijl ze de opdrachten een voor een bekeek, kwamen steeds dezelfde soorten kosten terug: documentkosten, verhuiskosten, huur voor het eerste jaar, levensonderhoud in termijnen en juridische bijstand. Wat haar vooral opviel, was dat nergens de naam werd vermeld van de persoon voor wie het geld bestemd was. In plaats daarvan stond bij iedere betaling een code die bestond uit twee cijfers en een jaartal, zoals 07/96, 11/95 of 14/96. Anna had intussen enkele documenten naast elkaar gelegd en bekeek de omschrijvingen met groeiende belangstelling. ‘Dit lijken me geen gewone zakelijke betalingen,’ merkte ze op. ‘Vooral die combinatie van documenten, verhuiskosten en levensonderhoud vind ik vreemd. Ik zou bij een trustkantoor eerder andere omschrijvingen verwachten.’ Emily knikte en legde een aantal betalingsopdrachten in chronologische volgorde naast elkaar. Tijdens een eerder onderzoek had ze iets vergelijkbaars gezien. Die zaak had betrekking gehad op een netwerk dat vluchtelingen illegaal naar Engeland had gebracht. ‘Kijk eens naar de volgorde waarin deze betalingen zijn uitgevoerd,’ zei ze tegen Anna. ‘Eerst wordt er geld overgemaakt voor documenten. Daarna volgen de kosten van een verhuizing en vervolgens de huur van een woning voor het eerste jaar. Zodra die eerste kosten zijn betaald, krijgt iemand regelmatig een bedrag om van te leven. Dat zijn precies de uitgaven die je zou verwachten wanneer iemand ergens anders een nieuw bestaan moet opbouwen.’ Anna boog zich over de documenten en volgde met haar vinger de verschillende bedragen. ‘Maar als dat inderdaad de bedoeling was, waarom staat de naam van de betrokken persoon er dan nergens bij? We hebben alleen die codes, en daarmee kunnen we voorlopig niet vaststellen wie het geld heeft ontvangen.’ ‘Dan moet er ergens nog een andere lijst bestaan,’ antwoordde Emily. ‘Een overzicht waarop staat welke naam bij iedere code hoort. Anders zou niemand kunnen controleren voor wie de betalingen bedoeld waren.’ Ze bladerde verder door de ordner en ontdekte dat verschillende betalingen voor juridische bijstand naar hetzelfde advocatenkantoor waren gegaan. Het ging om Hartl & Partner in Wenen. Emily schreef de naam op en begon daarna te tellen hoeveel verschillende codes er in de betalingsopdrachten voorkwamen. Uiteindelijk kwam ze uit op zevenenveertig codes, verspreid over een periode van drie jaar. Toen ze daarmee klaar was, schoof ze de tweede ordner opzij en opende de derde. De documenten die daarin zaten, waren anders opgebouwd. Het ging om een overzicht van betalingen die vanaf 1997 iedere maand werden uitgevoerd. Bij iedere code hoorde een vast bedrag, en achter elke regel had iemand met blauwe inkt een einddatum geschreven. De meeste betalingen waren ergens tussen 2002 en 2011 stopgezet. Emily bekeek de verschillende kolommen en probeerde te begrijpen hoe deze maandelijkse betalingen verband hielden met de opdrachten uit de tweede ordner. Daarna nam ze de kleine envelop die eveneens in de kluis had gelegen. Er zat maar één blad papier in, waarop vier namen stonden. Achter iedere naam waren een handtekening en een datum uit december 1996 geplaatst. Emily herkende geen van de handtekeningen, maar bovenaan het document stond in het Engels Authorised signatories. Daarmee werd aangegeven dat deze vier personen toestemming hadden om namens de betrokken organisatie documenten te ondertekenen. Terwijl Emily de verschillende stukken onderzocht, bleef Anna zorgvuldig noteren wat ze aantroffen. Ze controleerde de documenten, schreef de bijzonderheden op haar lijst en keek af en toe mee wanneer Emily iets langer bij een bepaalde betaling bleef stilstaan. Bij de derde ordner hield Anna plotseling op met schrijven. Ze boog zich wat verder over een van de bladzijden en bestudeerde een rekeningnummer dat naast een van de codes stond. ‘Mevrouw Carter, zou u hier eens naar willen kijken?’ vroeg ze. ‘Het gaat om code 07/96. Ik wil vooral dat u het rekeningnummer bekijkt van de persoon die het geld heeft ontvangen.’ Emily schoof haar stoel iets dichterbij en boog zich over het document. Het nummer had de gebruikelijke opbouw van een Zwitserse bankrekening, maar verder zag ze er niets bijzonders aan. Anna wees naar de cijfers. ‘Ik herken dit rekeningnummer. Het is een rekening bij onze eigen bank.’ Ze haalde een tablet uit haar tas en begon de gegevens op te zoeken. Emily liet haar rustig werken terwijl Anna door verschillende schermen ging en aandachtig de informatie las die ze te zien kreeg. Na enige tijd vertelde Anna dat de rekening nog altijd bestond. Hij stond op naam van een stichting in Liechtenstein en tot juni 2009 was er iedere maand een vast bedrag op gestort. Daarna waren de betalingen gestopt. De rekening was echter nooit afgesloten en was sinds die tijd ook niet meer gebruikt. Anna scrolde verder door de gegevens. Toen ze een nieuwe vermelding op het scherm zag, keek ze opnieuw naar de documenten die voor hen op tafel lagen. Ze vergeleek de bedragen en de omschrijvingen voordat ze zich weer tot Emily richtte. ‘Er is iets wat u moet weten. Vorige week dinsdag, op 6 oktober, is er opnieuw geld op deze rekening gestort. Het opmerkelijke is dat het bedrag precies hetzelfde is als in 2009, tot op de frank nauwkeurig. Zelfs de omschrijving is niet veranderd. Er staat opnieuw termijn 07/96.’ Emily keek naar het scherm en vroeg of Anna ook kon zien wie het geld had overgemaakt. ‘De betaling kwam van een rekening bij een bank op Jersey,’ antwoordde Anna. ‘Drie dagen later is het volledige bedrag doorgestort naar een rekening in Delaware. Vanaf dat moment kunnen wij niet meer volgen wat er met het geld is gebeurd, omdat de verdere transacties buiten onze bank plaatsvinden.’ Emily nam de derde ordner opnieuw voor zich en zocht de regel met code 07/96. Achter die code stond nog altijd de einddatum die iemand jaren geleden met blauwe inkt had geschreven: juni 2009. Ze keek nog eens naar het bedrag en vervolgens naar de gegevens die Anna op haar tablet had gevonden. ‘Als ik dit goed begrijp, heeft iemand vorige week een betaling opnieuw laten uitvoeren die zeventien jaar geleden is stopgezet. Niet alleen het bedrag is hetzelfde gebleven, maar ook de omschrijving die destijds werd gebruikt.’ Anna knikte en keek van het document naar Emily. ‘En die betaling is uitgevoerd op 6 oktober, precies twee dagen voordat uw naam als gevolmachtigde aan deze kluis werd toegevoegd.’   HOOFDSTUK 7 De schaduw Washington D.C., dinsdag 13 oktober 2026 Rachel had slecht geslapen en zat om zes uur alweer aan de keukentafel, waar ze op haar laptop de scan van de foto bestudeerde. Naast haar lag het vergrootglas dat ze van Sarah had geleend. Ze had de dertien gezichten op de foto van links naar rechts genummerd en was begonnen de namen erbij te schrijven van de mensen die ze dacht te herkennen. Bij nummer zeven stond Blackwood, terwijl ze bij nummer dertien, de jonge vrouw aan het einde van de tafel, voorlopig alleen een vraagteken had gezet. Ze vergeleek de overige gezichten met de informatie die ze de vorige dag had gevonden. Op de website van het bedrijf van Victor Stein in Zürich stond een kleine portretfoto waarop hij een smal gezicht had en een bril zonder montuur droeg. Links van Blackwood zat op de foto uit 1996 een man met dezelfde gelaatstrekken en een vergelijkbare bril. Hij had destijds ook een dunne snor, die hij later blijkbaar had laten afscheren. Rachel schreef de naam Stein bij zijn nummer, maar zette er voor de zekerheid een vraagteken achter. Van Adrian Wolfe had ze een foto gevonden bij een artikel over zijn boek uit 2011. Hoewel zijn haar daarop al grijs was, herkende ze zijn opvallend hoekige gezicht en de oren die een beetje uitstaken. Aan de rechterkant van de tafel zat op de oude foto een jonge man met kort blond haar en dezelfde oren. Hij zat schuin op zijn stoel, met een arm over de rugleuning, en keek niet naar de camera maar in de richting van de deur. Daarmee had Rachel drie van de dertien aanwezigen een naam kunnen geven, al was ze van twee identificaties nog niet helemaal zeker. Voor de overige tien gezichten had ze voorlopig geen aanknopingspunten. Toen ze haar telefoon pakte om te kijken hoe laat het was, ontdekte ze een gemiste oproep van een onbekend nummer. Volgens de oproepgeschiedenis was ze op vrijdag 9 oktober om 14.12 uur gebeld vanuit New York, maar de beller had geen voicemail achtergelaten. Rachel herinnerde zich dat ze op dat moment in de trein naar Baltimore had gezeten, met haar telefoon op stil. Ze probeerde het nummer terug te bellen, maar kreeg onmiddellijk de melding dat het toestel niet bereikbaar was. Na een tweede poging legde ze haar telefoon naast de laptop en ging ze verder met haar onderzoek. Om tien uur zat Rachel in een koffiezaak in Georgetown tegenover Walter Ames, een drieënzeventigjarige voormalige medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij had er tot 2010 gewerkt en zich gedurende de laatste vijftien jaar van zijn loopbaan voornamelijk met Oost-Europa beziggehouden. Rachel kende hem sinds 2021, toen hij haar had geholpen bij een onderzoek naar verzegelde rechtszaken. Hij had haar destijds enkele namen gegeven, maar daar uitdrukkelijk de voorwaarde aan verbonden dat ze nooit zou vertellen waar die informatie vandaan kwam. Hoewel het artikel uiteindelijk niet was verschenen, had Rachel zich aan die afspraak gehouden. Ames bestelde thee en informeerde eerst hoe het met haar zus ging. Hij herinnerde zich blijkbaar nog wat Rachel hem tijdens hun vorige ontmoeting over haar had verteld. Nadat ze zijn vraag had beantwoord, vroeg hij waarvoor ze hem deze keer wilde spreken. Rachel haalde een afdruk van de foto uit haar tas en schoof die over de tafel naar hem toe. Het origineel had ze thuisgelaten; dit was een kopie die ze die ochtend had gemaakt. Ames zette zijn leesbril op en boog zich over het papier. Hij nam rustig de tijd om de gezichten te bekijken, zonder meteen vragen te stellen. Toen zijn blik bij Blackwood kwam, tikte hij met zijn wijsvinger op de foto. ‘Die ken ik natuurlijk wel,’ zei hij terwijl hij even opkeek. ‘Iedereen kent hem. Maar waarom laat je me deze foto zien?’ ‘Hij is gemaakt op 16 november 1996,’ antwoordde Rachel. ‘Volgens het verslag dat erbij zat, kwamen deze mensen bijeen in een conferentiegebouw buiten Praag. De volgende dag brak daar brand uit, waarbij drie mensen om het leven kwamen. Ik probeer te achterhalen wie er aanwezig waren en wat er precies is gebeurd.’ Ames legde de foto neer en keek een tijdje naar zijn thee, alsof hij probeerde zich iets te herinneren wat hij al jaren niet meer had overwogen. ‘In 1996 werkte ik als politiek adviseur op de Amerikaanse ambassade in Praag,’ begon hij uiteindelijk. ‘Ik herinner me dat we die maandag een telex kregen over een brand in een jachtslot ten zuiden van de stad. Er waren buitenlanders bij betrokken, maar in het bericht stond uitdrukkelijk dat wij ons er niet mee mochten bemoeien. Het zou gaan om een privébijeenkomst van zakenlieden en de Tsjechische autoriteiten zouden de zaak volledig afhandelen.’ Rachel had aandachtig geluisterd en vroeg of het gebruikelijk was dat de ambassade in zo'n situatie buiten een onderzoek werd gehouden. ‘Nee, absoluut niet,’ antwoordde Ames. ‘Wanneer een Amerikaan in het buitenland omkomt of vermist raakt, wordt de ambassade daar normaal gesproken altijd bij betrokken. Dat hoort nu eenmaal bij ons werk. Als we te horen krijgen dat we ons ergens niet mee mogen bemoeien, betekent dat meestal dat iemand in Washington die beslissing heeft genomen.’ Hij nam zijn bril af en legde die naast zijn kopje. ‘Ik heb destijds aan een collega gevraagd wie die telex had verstuurd, omdat ik wilde begrijpen waarom we ons afzijdig moesten houden. Hij antwoordde dat ik die vraag beter niet kon stellen. Daarmee was het gesprek voor hem afgelopen.’ Rachel keek nog eens naar de foto voordat ze haar volgende vraag stelde. ‘Weet je of er Amerikanen bij die bijeenkomst aanwezig waren? Ik heb aanwijzingen dat er minstens één bij betrokken was.’ ‘Later werd inderdaad gezegd dat er een Amerikaan vermist was,’ vertelde Ames. ‘Hij werkte als controleur voor een of ander overheidsprogramma, maar ik heb nooit precies geweten welk programma dat was. Zijn vrouw heeft wekenlang naar de ambassade gebeld omdat ze wilde weten wat er met haar man was gebeurd. Ik heb haar zelf een keer aan de telefoon gehad en herinner me nog dat ze bleef vragen of iemand haar eindelijk iets kon vertellen. Het enige wat ik kon zeggen, was dat ik zelf geen informatie had.’ ‘Bedoel je Robert Hale?’ vroeg Rachel. Ames keek haar aan en bleef een ogenblik zwijgen. Hij bevestigde de naam niet, maar ontkende evenmin dat het om Hale ging. ‘Je moet hiermee oppassen, Rachel,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik weet niet precies wat je aan het onderzoeken bent, maar iemand heeft er in 1996 voor gezorgd dat de Amerikaanse ambassade zich niet met die zaak mocht bemoeien. Wie dat ook was, die persoon heeft ondertussen dertig jaar de tijd gehad om ervoor te zorgen dat alles geheim blijft. Ik zou daar niet te licht over denken.’ Rachel wilde nog iets vragen, maar Ames maakte duidelijk dat hij haar niet meer kon vertellen. Hij betaalde zijn thee en liet haar haar eigen koffie afrekenen, precies zoals hij bij hun ontmoeting in 2021 had gedaan. Na het gesprek wandelde Rachel in de richting van de metro. Op de hoek van M Street bleef ze voor de etalage van een boekwinkel staan. Ze had de gewoonte om onderweg naar boeken te kijken, ook wanneer ze helemaal niet van plan was iets te kopen. Terwijl ze de titels in de etalage bekeek, viel haar in de weerspiegeling van het glas een man op die aan de overkant van de straat stond. Hij droeg een donkere jas en een blauwe pet en hield een telefoon in zijn hand. Rachel had hem die ochtend al gezien, toen ze de koffiezaak binnenging. Hij had toen aan de overkant voor een bank gestaan. Ze bleef nog even naar de boeken kijken, maar besloot vervolgens verder te lopen zonder achterom te kijken. Bij het metrostation nam ze de roltrap naar beneden en bleef op het perron naast een kaartautomaat staan, vanwaar ze kon zien wie er van de roltrap kwam. De man met de blauwe pet verscheen niet en ook tussen de andere reizigers zag ze niemand die haar bekend voorkwam. Rachel stapte in de eerste trein die aankwam, maar ging twee haltes verder alweer naar buiten. Op het perron keek ze rustig om zich heen, zonder iemand te herkennen die ze eerder in Georgetown had gezien. Daarna wachtte ze op de volgende trein, waarmee ze haar weg naar huis vervolgde. Het kon natuurlijk toeval zijn geweest. In Georgetown liepen dagelijks duizenden mensen rond en een donkere jas met een blauwe pet was nauwelijks een opvallende combinatie. Toch haalde ze haar notitieboekje tevoorschijn en schreef ze op waar en wanneer ze de man had gezien. Ze noteerde ook zijn uiterlijk, zodat ze hem bij een volgende ontmoeting gemakkelijker zou herkennen. Tijdens de rest van de treinrit gebruikte Rachel haar telefoon om verder te zoeken naar Robert Hale. Dankzij het artikel uit Connecticut kende ze inmiddels zijn woonplaats, Glastonbury, en de naam van zijn vrouw. Met die twee gegevens vond ze binnen tien minuten meer informatie dan ze de vorige dag in een hele middag had kunnen verzamelen. In het register van de rechtbank van Hartford ontdekte ze een uitspraak uit 2004, waarin Robert James Hale, geboren in 1960, op verzoek van zijn vrouw Judith officieel dood was verklaard. Volgens de samenvatting werd hij sinds november 1996 vermist en had de federale overheid in 1997 bevestigd dat hij in het buitenland was omgekomen, hoewel zijn lichaam nooit was teruggevonden. In de uitspraak werd ook verwezen naar een federale rechtszaak, maar het nummer van die zaak was onleesbaar gemaakt. Rachel bekeek de gegevens nog eens en zocht vervolgens verder in het archief van dezelfde plaatselijke krant waarin ze eerder informatie over Hale had gevonden. Daar ontdekte ze een overlijdensbericht uit maart 2025 van Judith Hale, die op zesenzestigjarige leeftijd na een korte ziekte was overleden. Ze had achtentwintig jaar Engels gegeven op een middelbare school in Glastonbury en liet een dochter, Laura, en twee kleinkinderen achter. Vooral de laatste zin van het overlijdensbericht trok Rachels aandacht. Daarin stond dat Judith nooit was opgehouden met vragen wat er met haar man was gebeurd. Ze las de zin een tweede keer, omdat die haar meer vertelde dan de gebruikelijke gegevens over iemands leven. Iemand uit de familie moest ervoor hebben gekozen om die woorden in het overlijdensbericht op te nemen, wat erop wees dat de verdwijning van Robert Hale ook na al die jaren nog een belangrijke plaats in hun leven innam. Rachel besloot uit te zoeken wie Laura Hale was, maar ontdekte al snel dat er zoveel vrouwen met die naam bestonden dat ze niet wist welke ze zocht. Door Glastonbury en de naam van de school waar Judith had gewerkt aan haar zoekopdracht toe te voegen, kwam ze uiteindelijk terecht bij Laura Brennan, geboren Hale. Ze werkte als verpleegkundige in een ziekenhuis in Hartford. Op de website van het ziekenhuis vond Rachel een personeelsprofiel met een foto. Laura was een vrouw van ongeveer veertig jaar, met donker haar en een bril die laag op haar neus stond. Rachel bewaarde haar naam en contactgegevens, maar besloot voorlopig geen contact op te nemen. Laura had anderhalf jaar geleden haar moeder verloren en Rachel wilde eerst beter begrijpen wat er met Robert Hale was gebeurd voordat ze zijn dochter met allerlei vragen over haar verdwenen vader zou benaderen. Haar appartement lag op de derde verdieping van een bakstenen gebouw in Columbia Heights. Toen Rachel thuiskwam, merkte ze niets bijzonders aan de voordeur van het gebouw, die zoals gewoonlijk gesloten was. Ook haar eigen voordeur zat op slot en vertoonde geen zichtbare beschadigingen. Ze opende de deur, stapte naar binnen en bleef even in de gang staan om rond te kijken. Aanvankelijk leek alles precies zoals ze het die ochtend had achtergelaten. Er was niets omgevallen, er lag niets op de grond en haar jas hing nog aan de kapstok. Die had ze daar 's ochtends laten hangen omdat het buiten niet koud genoeg was geweest om hem aan te trekken. Toen ze haar tas wilde neerzetten, viel haar echter op dat de stapel post op het kastje in de gang anders lag dan gewoonlijk. Rachel had de gewoonte om rekeningen onderaan te leggen en reclamefolders bovenop, zodat ze die meteen in de papierbak kon gooien zonder ze eerst te bekijken. Nu lag de rekening van het elektriciteitsbedrijf helemaal bovenaan. Ze bekeek de stapel even, maar liep vervolgens verder naar de keuken, waar haar aantekeningen van die ochtend nog op tafel lagen. Daarnaast zag ze het vergrootglas en het stuk karton waarop de foto vastgeplakt had gezeten. Bij het karton bleef ze staan, omdat het met de achterkant naar boven lag. Rachel herinnerde zich duidelijk dat ze het andersom had neergelegd, met het stuk plakband aan de bovenkant. Sarah had haar immers uitdrukkelijk gewaarschuwd dat ze dat plakband niet mocht aanraken, en juist daarom had ze erop gelet hoe ze het karton op tafel legde. Ze ging naar de slaapkamer en controleerde de laden van haar kast. Die waren allemaal dicht, behalve de onderste, die niet helemaal aansloot. In die la bewaarde ze haar oude notitieboekjes en ze wist dat het meubel een eigenaardigheid had: de onderste la bleef altijd een stukje openstaan, tenzij je hem met je knie stevig dichtduwde. Rachel was er zeker van dat ze die la die ochtend niet had geopend. Ze keek verder rond in het appartement en controleerde of er iets verdwenen was, maar kon niets vinden wat ontbrak. Haar oude laptop stond nog op het bureau en ook het geld dat ze in een envelop in de keukenla bewaarde, lag er nog. Toch raakte ze er steeds meer van overtuigd dat iemand tijdens haar afwezigheid binnen was geweest. De veranderingen waren klein, maar samen wezen ze erop dat iemand haar spullen had doorzocht en daarna had geprobeerd alles weer op zijn plaats te leggen. Als die persoon naar het materiaal over de bijeenkomst in Praag had gezocht, was hij waarschijnlijk voor niets gekomen, want Rachel had het belangrijkste deel daarvan de hele dag in haar tas bij zich gehad. Ze overwoog de politie te bellen, maar besloot uiteindelijk dat niet te doen. Ze kon zich al voorstellen hoe zo'n bezoek zou verlopen. Een agent zou het appartement bekijken, vragen wat er gestolen was en controleren of er sporen van inbraak waren. Wanneer bleek dat er niets ontbrak en de deuren niet beschadigd waren, zou hij vermoedelijk een rapport opstellen waarin precies dat werd vermeld. Rachel ging aan de keukentafel zitten en maakte een overzicht van alles wat ze inmiddels had verzameld. Ze beschikte over de originele foto, de kopieën van het verslag, de envelop waarin het materiaal had gezeten, het karton, een usb-stick met de scan en een map vol aantekeningen. Terwijl ze de verschillende stukken op een rij zette, besloot ze dat ze die niet langer in haar appartement wilde bewaren. Als er inderdaad iemand was binnengedrongen om het materiaal te zoeken, kon die persoon immers terugkomen. Ze dacht aan Daniel Okafor, een advocaat die gespecialiseerd was in mediarecht en een kantoor had op de vierde verdieping van een gebouw aan K Street. Vijf jaar eerder had hij Rachel geholpen toen ze bij de krant vertrok, en sindsdien wist ze dat ze bij hem terechtkon wanneer ze juridisch advies nodig had. Om vier uur belde ze hem op en vroeg of hij die dag nog tijd voor haar had. Okafor keek in zijn agenda en vertelde dat hij om half zes een kwartier kon vrijmaken. Tijdens hun afspraak vertelde Rachel hem niet alles wat ze inmiddels wist. Ze legde uit dat iemand haar materiaal voor een onderzoek had toegestuurd en dat ze vermoedde dat er tijdens haar afwezigheid iemand in haar appartement was geweest. Daarom wilde ze de documenten voorlopig ergens veilig onderbrengen, totdat ze beter wist wat ze ermee moest doen. Okafor luisterde naar haar uitleg en vroeg vervolgens: ‘Weet je of het materiaal gestolen is? Dat maakt juridisch natuurlijk wel verschil.’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Rachel. ‘Iemand heeft het naar mij opgestuurd, maar ik heb geen idee wie de afzender is. Ik kan je dus ook niet vertellen hoe die persoon eraan is gekomen.’ Okafor dacht even na voordat hij antwoord gaf. ‘In dat geval gaat het voor jou om materiaal dat je van een bron hebt ontvangen. Als journaliste kun je je beroepen op de bescherming van je bronnen. Dat betekent niet dat we zomaar alles mogen aannemen over de herkomst, maar het geeft ons wel een uitgangspunt.’ Hij stond op, liep naar een kast achter zijn bureau en opende die. Binnenin stond een kleine brandwerende kluis, waarin hij volgens hem het materiaal voorlopig kon bewaren. ‘Ik stel voor dat we het zo aanpakken,’ zei hij terwijl hij naar de kluis wees. ‘Ik maak een verklaring waarin staat dat je het materiaal vandaag om half zes bij mij hebt afgegeven en dat ik de inhoud niet heb bekeken. Ik bewaar het hier en geef het alleen aan jou terug, tenzij je schriftelijk iemand anders aanwijst die het mag ophalen.’ Rachel keek naar de kluis en dacht even na over zijn voorstel. Het leek haar een goede oplossing, maar er was nog iets waarover ze zekerheid wilde. ‘En wat gebeurt er als mij iets overkomt?’ vroeg ze. ‘Ik wil niet dat het materiaal dan hier blijft liggen zonder dat iemand weet wat ermee moet gebeuren.’ Okafor keek haar over de rand van zijn bril aan en antwoordde dat ze in dat geval het beste meteen kon vastleggen wie het materiaal mocht ontvangen. Rachel nam een blad papier en dacht even na voordat ze de naam van haar zus opschreef. Daaronder zette ze de naam van Sarah, waarna ze het document ondertekende en aan Okafor overhandigde. Ze liet het materiaal bij hem achter en hield zelf alleen de scan op haar telefoon en een kopie van het verslag bij zich. Toen Rachel later die avond thuiskwam, was het buiten al donker. In de inkomhal van het gebouw liep ze naar haar brievenbus en opende die, hoewel ze wist dat de post die ochtend al was bezorgd en ze dus niets nieuws verwachtte. Tot haar verbazing lag er een kleine witte envelop in de brievenbus. Er stond geen naam of adres op en ook een postzegel ontbrak, wat betekende dat iemand de envelop rechtstreeks in de bus moest hebben gestopt. Bovendien was hij niet dichtgeplakt. Rachel haalde er een kaartje uit dat ongeveer even groot was als de kaartjes die bij een bos bloemen worden geleverd. Iemand had er met een zwarte pen in grote blokletters één zin op geschreven. HALE STIERF NIET IN HET VUUR. Rachel bleef met het kaartje in haar hand staan en keek naar de voordeur van het gebouw. Die kon alleen worden geopend met een sleutel of wanneer een van de bewoners op de knop drukte.   HOOFDSTUK 8 Het gesloten dossier New York, woensdag 14 oktober 2026 De werkkamer van rechter Helen Castellano bevond zich op de vijfentwintigste verdieping van het federale gerechtsgebouw aan Pearl Street. Castellano was sinds drie jaar de hoogste rechter van het district en had Bill Harrington twintig jaar gekend. Toen Nathan om negen uur binnenkwam, zat ze al achter haar bureau met zijn aanvraag voor zich. Hij had het document de vorige avond tot na middernacht herschreven, maar desondanks had ze op verschillende plaatsen opmerkingen met potlood aangebracht. ‘Als ik uw aanvraag goed begrijp, wilt u een afgesloten dossier uit 1997 inkijken omdat een gepensioneerde rechter er thuis kopieën van bewaarde,’ begon ze. ‘Het probleem is natuurlijk dat hij die documenten helemaal niet in zijn bezit had mogen hebben.’ Nathan legde uit waarom hij de stukken wilde onderzoeken. ‘Harrington heeft een week voor zijn dood contact gezocht met de federale aanklager. Hij wilde documenten overhandigen, maar is vermoord op de avond voordat die afspraak zou plaatsvinden. Ik vermoed dat de reden voor zijn dood te vinden is in het dossier dat hij opnieuw aan het onderzoeken was.’ Castellano legde haar potlood neer en vroeg wat hij inmiddels had ontdekt. Nathan vertelde haar over de lijst met twaalf namen, de overlijdensakten uit Praag en de officiële verklaring waarin stond dat Robert Hale was overleden. Ze luisterde zonder hem te onderbreken, maakte af en toe een aantekening en stelde vervolgens enkele vragen over de manier waarop de documenten in Harringtons woning waren aangetroffen en veiliggesteld. Toen Nathan die vragen had beantwoord, nam Castellano het dossier erbij en legde uit waarom ze hem niet zomaar toegang tot alle documenten kon geven. ‘Het dossier bestaat uit twee delen die juridisch verschillend worden behandeld. Het eerste deel is op verzoek van de betrokken partijen afgesloten voor het publiek, maar ik kan u onder bepaalde voorwaarden toestemming geven om dat in te kijken. Het tweede deel bevat informatie die de overheid destijds als staatsgeheim heeft aangemerkt. Die stukken worden afzonderlijk bewaard door de beveiligingsverantwoordelijke van de rechtbank, en zonder toestemming van het ministerie van Justitie in Washington mag ik ze niet vrijgeven.’ Nathan vroeg of ze hem dan tenminste kon vertellen welke documenten zich in dat tweede deel bevonden. ‘De inhoudsopgave kan ik u bezorgen, want die is niet geheim,’ antwoordde Castellano. Ze ondertekende een formulier en schoof het naar hem toe. ‘Met deze toestemming mag u het eerste deel hier in het gebouw lezen, in een afgesloten kamer. U mag geen documenten meenemen of kopieën maken. Mocht u later informatie uit het dossier willen gebruiken, dan zult u daarvoor eerst schriftelijk toestemming moeten vragen.’ Nathan nam het formulier aan, bedankte haar en stond op. Hij was al bijna bij de deur toen Castellano hem vroeg nog even te wachten. ‘Ik wil u nog iets meegeven over Bill Harrington,’ zei ze. ‘In de twintig jaar dat ik hem heb gekend, was hij een van de zorgvuldigste rechters met wie ik ooit heb gewerkt. Hij nam zijn verantwoordelijkheden bijzonder ernstig en hield zich nauwgezet aan de regels. Als hij desondanks documenten thuis bewaarde die daar niet mochten liggen, dan moet hij daar een belangrijke reden voor hebben gehad. Blijkbaar vond hij die reden uiteindelijk belangrijker dan de regels waaraan hij zich zijn hele loopbaan had gehouden.’ Buiten het gerechtsgebouw stond Walker op de stoep te telefoneren. Zodra hij Nathan zag aankomen, beëindigde hij zijn gesprek en vroeg hoe de afspraak met Castellano was verlopen. ‘Ik heb toestemming gekregen om vandaag het gewone deel van het dossier te bekijken,’ vertelde Nathan. ‘Voor de geheime documenten moeten we eerst toestemming uit Washington krijgen.’ Walker knikte en liep met hem mee in de richting van Foley Square. Ze hadden nog maar enkele passen gezet toen hij bleef staan en Nathan aankeek. ‘Er is iets wat je moet weten. Vanochtend om half acht werd ik thuis gebeld door iemand van de afdeling nationale veiligheid van het ministerie van Justitie. Ik had die man nog nooit gesproken, maar hij wilde weten waarom ons kantoor in New York een dossier uit 1997 had opgevraagd. Hij kende zelfs het zaaknummer.’ Nathan keek hem verbaasd aan. ‘Maar we hebben die aanvraag pas gisterochtend ingediend. Hoe kan iemand in Washington daar nu al van weten?’ ‘Dat is precies wat ik me ook afvraag. Nog geen vierentwintig uur nadat we de aanvraag hebben ingediend, vindt iemand in Washington het blijkbaar belangrijk genoeg om mij persoonlijk thuis te bellen.’ Walker keek even naar het verkeer dat langs hen reed en vervolgde zijn verhaal. ‘Ik heb uitgelegd dat het om een moordonderzoek gaat en dat we alle procedures volgen. Hij zei dat hij daar alle begrip voor had, maar vervolgens wilde hij weten wie het onderzoek leidde.’ ‘Heb je mijn naam genoemd?’ ‘Dat hoefde niet, want hij wist al dat jij ermee bezig was.’ Walker draaide zich volledig naar hem toe. ‘Begrijp me goed, Nathan, ik zeg niet dat je met dit onderzoek moet stoppen. Ik wil alleen dat je vanaf nu bijzonder zorgvuldig documenteert wat je doet. Schrijf elk gesprek op dat je voert, elke vraag die je stelt en elk document dat je bekijkt. Als iemand later beweert dat we onze bevoegdheden hebben overschreden, wil ik kunnen aantonen dat we ons op ieder moment aan de regels hebben gehouden.’ Nathan beloofde dat hij alles nauwkeurig zou bijhouden. Daarna namen ze afscheid en liep hij verder naar Foley Square, waar hij op een bank ging zitten. Hij had nog twintig minuten voordat hij naar zijn afspraak met Donovan moest vertrekken en besloot die tijd te gebruiken om Olivia te bellen. Pas nadat de telefoon vier keer was overgegaan, nam ze op. Nathan hoorde stemmen op de achtergrond en ergens in de verte ging een schoolbel. ‘Ik zit op school, pap,’ zei Olivia, alsof hij dat vergeten was. ‘Dat weet ik, lieverd. Ik wilde gewoon even horen hoe het met je gaat. Je had maandag nog gevraagd of onze afspraak voor zaterdag doorging, en ik wilde je laten weten dat je daarop kunt rekenen.’ ‘Pap, dat was twee dagen geleden.’ ‘Ja, dat weet ik,’ antwoordde Nathan. ‘Maar ik wil niet dat je je daar zorgen over maakt. Ik kom je zaterdag om tien uur ophalen, precies zoals we hebben afgesproken.’ Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil. Toen Olivia weer sprak, klonk ze minder overtuigd dan hij had gehoopt. ‘Mama heeft verteld dat je bezig bent met dat onderzoek naar die vermoorde rechter. Die man die op het nieuws was.’ ‘Dat klopt, maar dat verandert niets aan onze afspraak. Zaterdag ben ik er gewoon.’ ‘Dan zal het waarschijnlijk toch weer niet doorgaan,’ antwoordde ze. Nathan probeerde haar gerust te stellen. ‘Luister, Olivia, ik begrijp dat je twijfelt, maar deze keer hoef je dat echt niet te doen. Ik kom je zaterdag om tien uur halen en we doen wat we hebben afgesproken.’ ‘Oké, pap,’ zei ze, op dezelfde toon die ze ook de vorige drie keer had gebruikt wanneer hij haar iets had beloofd. ‘Ik moet nu naar binnen, want de les begint.’ Voordat Nathan afscheid kon nemen, had ze de verbinding al verbroken. Hij bleef nog enkele minuten op de bank zitten en keek naar de duiven die bij de fontein rondliepen. Vervolgens haalde hij zijn telefoon tevoorschijn, opende zijn agenda en zette bij zaterdag om tien uur één woord, volledig in hoofdletters. Toen hij daarmee klaar was, stond hij op en vertrok naar zijn volgende afspraak. Het kantoor van de federale aanklager bevond zich aan St. Andrew’s Plaza, achter het gerechtsgebouw. Claire Donovan ontving Nathan om elf uur in een vergaderkamer met uitzicht op de Brooklyn Bridge. Ze was een vrouw van midden vijftig met kort grijs haar en sprak in een hoog tempo. Naast haar zat een jonge assistent-aanklager met een rode stropdas, die zich voorstelde als Ben Ostrowski. Donovan wachtte tot Nathan was gaan zitten voordat ze begon. ‘Ik heb Walker maandagavond verteld dat ons kantoor geen afspraak met Harrington had,’ zei ze. ‘Dat was op dat moment wat ik wist, maar inmiddels is gebleken dat het niet helemaal juist was. Ben heeft namelijk iets teruggevonden en kan u het beste zelf uitleggen wat er is gebeurd.’ Ostrowski schoof een notitieblok over de tafel naar Nathan en vertelde dat hij op 6 oktober een telefoontje van rechter Harrington had aangenomen. ‘Mevrouw Donovan was die week bezig met een rechtszaak, dus ik heb hem te woord gestaan. Hij vroeg of hij iemand van de afdeling openbare corruptie kon spreken. Ik heb gezegd dat ik een afspraak voor hem kon regelen, waarop hij dinsdag 13 oktober om tien uur voorstelde. Hij vertelde ook dat hij documenten zou meebrengen. Omdat ik de afspraak eerst met mevrouw Donovan wilde bespreken, heb ik alles voorlopig in mijn eigen agenda genoteerd.’ Donovan nam het gesprek over en legde uit waarom de afspraak nooit aan haar was doorgegeven. ‘Ben is vrijdag ziek geworden en heeft tot maandag met griep in bed gelegen. Pas gisteren heeft hij zijn aantekening teruggevonden. Tot dat moment wist ik dus niet dat Harrington daadwerkelijk een afspraak had proberen te maken.’ Nathan nam het notitieblok en las wat Ostrowski had opgeschreven. Rechter W. Harrington (gep.). 13/10, 10.00 u. Zaak 1997, verzegeld. Overheid heeft rechtbank misleid? Brengt stukken. Hij bleef even bij de zin over de overheid hangen en wees vervolgens naar het vraagteken. ‘Waarom hebt u hier een vraagteken gezet? Was dat uw eigen interpretatie van wat Harrington vertelde, of heeft hij het zelf zo gezegd?’ ‘Dat waren zijn eigen woorden,’ antwoordde Ostrowski. ‘Hij zei dat hij dacht dat de overheid hem destijds had misleid. Tegelijk wilde hij daar nog geen definitieve uitspraak over doen, omdat hij eerst iemand anders naar de documenten wilde laten kijken. Pas daarna wilde hij met zekerheid zeggen of zijn vermoeden klopte.’ Nathan legde het notitieblok voor zich op tafel en dacht aan het gele blad papier dat hij in Harringtons werkkamer had gevonden. Daarop stonden twaalf namen, waarvan er elf waren doorgestreept. Achter de twaalfde naam stond een datum. Tot nu toe hadden ze aangenomen dat de lijst misschien te maken had met mensen die gevaar liepen, maar door wat Ostrowski zojuist had verteld, begon hij er anders naar te kijken. ‘Dan hebben we die lijst misschien verkeerd begrepen,’ zei hij. ‘We gingen ervan uit dat het een lijst kon zijn van mensen die nog moesten sterven, maar misschien gebruikte Harrington hem gewoon om zijn eigen onderzoek bij te houden. Hij had elf namen al gecontroleerd en wilde op de dertiende naar uw kantoor komen om te vertellen wat hij over de laatste zaak had ontdekt.’ Donovan keek hem enige tijd aan voordat ze antwoordde. ‘Dan hebben we dus een gepensioneerde federale rechter die vermoedt dat de overheid hem tijdens een rechtszaak heeft misleid. Hij maakt een afspraak met mijn kantoor om daarover te praten en wordt de avond voordat hij hier zou verschijnen vermoord.’ Ze liet haar blik even op Nathan rusten. ‘U begrijpt ongetwijfeld wat er gebeurt als die informatie bekend wordt, agent Cole. De pers zal zich op de zaak storten, het Congres zal vragen stellen en de familie van Harrington zal willen weten waarom hij is vermoord. Daarom verwacht ik dat u dit onderzoek bijzonder zorgvuldig uitvoert. Alle procedures moeten correct worden gevolgd, zodat niemand ons achteraf kan verwijten dat we onze bevoegdheden hebben overschreden. Daarnaast wil ik persoonlijk op de hoogte blijven van iedere belangrijke ontwikkeling.’ Nathan verzekerde haar dat hij het onderzoek volgens de regels zou blijven voeren en dat hij haar op de hoogte zou houden. Donovan stond op om het gesprek af te ronden, maar voordat Nathan kon vertrekken, had ze nog een laatste verzoek. ‘Er is nog iets wat ik duidelijk wil afspreken. Mocht iemand uit Washington contact met u opnemen en vragen om dit onderzoek te beperken, dan wil ik dat u mij onmiddellijk belt. In dat geval hoeft u niet eerst uw leidinggevende te spreken. U neemt rechtstreeks contact met mij op, zodat ik weet wat er speelt.’ De leeskamer van de rechtbank bevond zich op de derde verdieping. Het was een eenvoudige ruimte met een tafel, twee stoelen en een raam van matglas. Om half twee kwam een griffiemedewerker binnen met een grijze archiefdoos, die hij voor Nathan op tafel zette. Daarna nam de man plaats bij de deur, waar hij bleef zitten terwijl Nathan de documenten doornam. Het eerste deel van het dossier bleek dunner dan Nathan had verwacht. Bovenop lag een verzoekschrift dat Judith Hale in maart 1997 bij de rechtbank had ingediend. Ze had daarvoor een advocaat uit Hartford ingeschakeld en vroeg de rechter om de federale overheid te verplichten haar te vertellen wat er met haar echtgenoot was gebeurd. Robert Hale had voor een federale dienst gewerkt en was verantwoordelijk geweest voor de controle van een programma dat de overheid in het buitenland uitvoerde. In november 1996 was hij voor zijn werk naar Praag gereisd, maar van die reis was hij nooit teruggekeerd. In december had zijn werkgever Judith laten weten dat haar man bij een brand was omgekomen. Ze had zijn lichaam echter nooit gekregen en had evenmin een overlijdensakte of een verslag ontvangen waarin stond wat er precies was gebeurd. Toen ze om meer informatie vroeg, kreeg ze uitsluitend te horen dat Robert betrokken was geweest bij een vertrouwelijk programma waarover de overheid geen verdere mededelingen kon doen. Judith had haar verzoekschrift ondersteund met een brief die ze in februari vanuit Praag had ontvangen. Nathan doorzocht de documenten om te zien wat daarin stond, maar de brief bleek niet bij dit deel van het dossier te zitten. Vervolgens nam hij het antwoord van de overheid door, dat uit vier pagina’s bestond. Daarin stond dat de overheid het verlies van de familie betreurde, maar dat het programma waarvoor Robert Hale had gewerkt vanwege de nationale veiligheid geheim moest blijven. Volgens de overheid bestond er geen twijfel over zijn overlijden en was als bewijs een vertrouwelijke verklaring aan de rechtbank overhandigd. De brief die Judith vanuit Praag had ontvangen, berustte volgens de overheid op een vergissing. Onderaan in de doos vond Nathan de uitspraak van Harrington. Het document telde slechts twee pagina’s en was in eenvoudige, duidelijke bewoordingen opgesteld. Harrington schreef dat hij alle documenten van de overheid had bestudeerd, met inbegrip van de geheime stukken. Omdat hij geen reden had gevonden om aan de juistheid van die informatie te twijfelen, had hij het verzoek van Judith Hale afgewezen. Vervolgens was het dossier afgesloten om de vertrouwelijke gegevens over het programma te beschermen. In de laatste zin van zijn uitspraak had Harrington zijn medeleven met Judith uitgesproken. Nathan legde de uitspraak opzij en vond daarachter de inhoudsopgave van het geheime deel. Het was één blad papier waarop vijf onderdelen stonden vermeld. A. Verklaring van de overheid inzake het programma (geheim). B. Verslag van het incident bij Praag, 17 november 1996 (geheim). C. Brief van dr. E. H., Praag, 3 februari 1997, met vertaling. D. Reactie van de overheid op bijlage C (geheim). E. Verklaring onder ede van David R. Collins, met bijlagen (geheim). Nathan las het laatste onderdeel opnieuw en nam vervolgens zijn notitieboekje. Hij schreef de naam David R. Collins op, vlak onder een naam die hij twee dagen eerder uit een e-mail van Ruth Kaplan had overgenomen. Het ging om dezelfde persoon. Hij pakte het verzoekschrift van Judith Hale er opnieuw bij en zocht de passage waarin de brief uit Praag werd vermeld. Volgens het document had Judith die brief op 11 februari 1997 ontvangen. Terwijl hij de datum noteerde, dacht Nathan aan het telefoonnummer in Praag dat Harrington op zaterdag 10 oktober had gebeld. Het was een nummer van een vaste telefoonlijn. De vorige avond had Ruth Kaplan hem een e-mail doorgestuurd met informatie die ze voor Harrington had verzameld. Ze had daarvoor contact gezocht met drie voormalige collega’s, van wie er twee niet hadden gereageerd. De derde was Frank Delaney, een man die tot 2012 als jurist bij het ministerie van Justitie had gewerkt. Om half vijf belde Nathan hem vanuit zijn auto. Delaney woonde in Virginia en maakte vanaf het begin van het gesprek duidelijk dat hij niet van plan was lang aan de telefoon te blijven. ‘Ruth heeft me inderdaad gevraagd wat ik over David Collins wist,’ vertelde hij. ‘Ik heb haar uitgelegd wat ik me herinnerde, maar ik moet erbij zeggen dat het niet bijzonder veel is.’ Nathan vroeg of hij bereid was hem dezelfde informatie te geven. ‘Dat hangt ervan af waarom u het wilt weten,’ antwoordde Delaney. ‘Kunt u me vertellen waar dit precies over gaat?’ Nathan legde uit dat rechter Harrington was vermoord en dat hij kort voor zijn dood documenten had onderzocht waarin de naam David Collins voorkwam. Aan de andere kant van de lijn bleef het enkele seconden stil. Toen Delaney weer begon te spreken, vertelde hij dat hij Collins in 1995 een paar keer had ontmoet. ‘Ik hield me destijds bezig met de juridische controle van samenwerkingsprojecten met buitenlandse diensten. Mijn taak was na te gaan of die projecten volgens de wet verliepen. Collins werkte voor een van onze veiligheidsdiensten en had de leiding over een onderzoek dat samen met enkele Europese partners was opgezet.’ Nathan vroeg wat het onderwerp van dat onderzoek was geweest. ‘Het ging om mensen die onder bescherming een nieuwe identiteit hadden gekregen, maar niet via de officiële programma’s. Er waren aanwijzingen dat sommige mensen misbruik maakten van die regeling en dat er zelfs nieuwe identiteiten werden verkocht. Collins moest samen met die Europese diensten uitzoeken wat er precies aan de hand was.’ ‘Begrijp ik goed dat Collins zelf verantwoordelijk was voor dat onderzoek?’ ‘Ja, hij had de leiding vanaf 1994, tot het onderzoek in 1997 werd afgesloten,’ bevestigde Delaney. Hij aarzelde even voordat hij verderging. ‘Wat ze uiteindelijk hebben ontdekt, weet ik niet. Ik heb nooit gehoord dat er iemand is aangeklaagd, en Collins heeft de overheid een paar jaar later verlaten. Dat is eigenlijk alles wat ik u erover kan vertellen.’ Nathan bedankte hem voor zijn tijd en de uitleg, waarna hij het gesprek beëindigde. Hij bleef nog even in zijn auto zitten met zijn notitieboekje op zijn knie en dacht na over wat Delaney hem zojuist had verteld. David Collins had in 1996 de leiding gehad over een onderzoek naar fraude met nieuwe identiteiten. Een jaar later had diezelfde man onder ede verklaard dat Robert Hale was overleden.   HOOFDSTUK 9 De tussenpersoon Zürich, woensdag 14 oktober 2026 Het bericht was dinsdagavond om kwart over elf binnengekomen, toen Victor Stein al in bed lag. Hij had het pas de volgende ochtend gelezen, terwijl hij thuis in Küsnacht aan de ontbijttafel zat en zijn vrouw tegenover hem de krant doorbladerde. Je hebt achttien jaar van andermans geld geleefd. Het wordt tijd dat je betaalt. Het telefoonnummer zei hem niets en de afzender had geen naam achtergelaten. Stein las het bericht nog eens aandachtig door, legde zijn telefoon met het scherm naar beneden naast zijn bord en schonk zichzelf een tweede kop koffie in. Zijn vrouw had gemerkt dat hij ergens mee zat en vroeg of er iets aan de hand was, maar hij stelde haar gerust door te vertellen dat een klant ontevreden was over de opbrengst van zijn beleggingen. Om half negen kwam hij aan op zijn kantoor aan de Seefeldstrasse in Zürich, waar Stein Vermögensverwaltung AG gevestigd was op de tweede verdieping van een groot, oud gebouw uit 1910. Twintig jaar geleden had zijn bedrijf nog negen medewerkers in dienst gehad, maar inmiddels waren er slechts drie overgebleven. Naast Stein zelf waren dat zijn secretaresse, mevrouw Huber, die al sinds 1998 voor hem werkte, en een jonge boekhouder die drie dagen per week langskwam. Nadat hij zijn jas had opgehangen en achter zijn bureau was gaan zitten, opende hij zijn e-mail. Tussen de nieuwe berichten stond er een van Lukas Berger, verstuurd die ochtend om zes uur. Victor, Ik wil je vandaag nog spreken. Je weet waarover. Neem de administratie van het Kappa-fonds mee, de echte cijfers en niet de gegevens die je aan de toezichthouder hebt gestuurd. Als je weigert, ga ik met wat ik heb naar iemand anders. L. Stein bleef vooral hangen bij de zin over de toezichthouder. Hij las die opnieuw en dacht aan de vijftien jaar waarin Berger voor hem had gewerkt, eerst als analist en later als beheerder van het Kappa-fonds. Toen dat fonds in 2023 een derde van zijn waarde had verloren, had Stein hem ontslagen. Berger had niet alleen het geld van klanten in het fonds belegd, maar ook zijn eigen spaargeld en dat van zijn ouders, waardoor hij uiteindelijk alles was kwijtgeraakt. Sinds zijn ontslag had Berger af en toe een brief of een e-mail gestuurd, maar Stein had nooit de moeite genomen om daarop te reageren. Deze keer besloot hij dat het beter was om duidelijk te maken dat hij geen verdere gesprekken wilde. Lukas, Ik heb je niets te zeggen en niets te laten zien. Als je denkt dat je ergens recht op hebt, moet je advocaat maar contact opnemen met de mijne. V.S. Hij verstuurde het antwoord en vroeg vervolgens aan mevrouw Huber om voortaan geen telefoontjes van Berger meer door te verbinden. Ze knikte zonder vragen te stellen en ging verder met haar werk. Anna Weiss had die nacht slecht geslapen en was al om zeven uur op haar kantoor bij Albrecht & Cie aangekomen. Voor haar lag de inventaris van kluis 0417, die ze opnieuw wilde doornemen. Naast de papieren stond een kop thee die ze kort na haar aankomst had gezet, maar waar ze nog geen slok van had genomen. Volgens het register hadden vóór Emily Carter twee andere mensen toestemming gehad om de kluis te openen. Ze waren inmiddels allebei overleden. Een van hen was in 2014 gestorven en had tot 2008 in het bestuur van Meridian Treuhand gezeten. Anna besloot na te gaan wie er verder nog bij het bestuur van dat voormalige trustkantoor betrokken was geweest. In het handelsregister vond ze vier namen, verspreid over een periode van twintig jaar, en daarbij ontdekte ze dat Victor Stein van 1997 tot 2008 voorzitter was geweest. Zijn naam kwam haar bekend voor, want Stein was al dertig jaar klant bij Albrecht & Cie. Hij had er zowel een zakelijke rekening voor zijn vermogensbeheerbedrijf als een privérekening. Voordat ze verderging, aarzelde Anna even. Binnen haar functie mocht ze de rekeningen onderzoeken wanneer daar een geldige aanleiding voor bestond, maar ze voelde zich er nooit prettig bij om de financiële gegevens van een klant te bekijken zolang er geen bewijs was dat die iets verkeerds had gedaan. Toch vond ze dat de mogelijke betrokkenheid van Stein bij Meridian Treuhand voldoende reden gaf om verder te kijken. Ze opende het computersysteem en registreerde waarom ze de rekeningen wilde onderzoeken. Daarbij vermeldde ze dat er mogelijk een verband bestond met het lopende politieonderzoek naar kluis 0417. Op de zakelijke rekening ontdekte ze aanvankelijk niets ongewoons. Er kwamen regelmatig kleine bedragen binnen van ongeveer twintig klanten, terwijl er daarnaast betalingen werden uitgevoerd voor lonen, huur en verzekeringen. Wel viel haar op dat de inkomsten van het bedrijf de afgelopen tien jaar steeds verder waren teruggelopen. Toen ze vervolgens de privérekening opende, trok een recente storting haar aandacht. Op 7 oktober was er 250.000 Zwitserse frank bijgeschreven, met als omschrijving Beratungshonorar, het Duitse woord voor adviesvergoeding. Het bedrag was afkomstig van een bankrekening in St Helier, op het eiland Jersey. Anna legde de inventaris van kluis 0417 naast haar toetsenbord en zocht opnieuw de gegevens op van de betaling voor code 07/96, die op 6 oktober was uitgevoerd. Ze vergeleek de rekeningnummers zorgvuldig en stelde vast dat beide betalingen van precies dezelfde rekening afkomstig waren. Om de gebeurtenissen beter te kunnen overzien, nam ze een blad papier en schreef ze de data onder elkaar. Op 6 oktober was een betaling opnieuw begonnen die zeventien jaar had stilgelegen. Een dag later had de vroegere voorzitter van Meridian Treuhand 250.000 frank ontvangen van dezelfde rekening, terwijl dat trustkantoor in de jaren negentig verantwoordelijk was geweest voor het regelen van de oorspronkelijke betalingen. Vervolgens was op 8 oktober Emily Carter, een Britse analiste, zonder dat ze daarvan op de hoogte was als gevolmachtigde aan kluis 0417 toegevoegd. Anna bekeek de drie data nog eens en besloot dat ze deze samenloop niet zomaar kon negeren. Ze opende het interne formulier waarmee medewerkers verdachte of ongebruikelijke betalingen konden melden en begon de gegevens in te vullen. Voordat ze de melding verstuurde, wilde ze echter eerst Victor Stein spreken, omdat een klant volgens de regels de gelegenheid moest krijgen om een ongebruikelijke betaling toe te lichten. Ze zocht zijn telefoonnummer op in het klantendossier en belde zijn kantoor. Om half elf kreeg ze mevrouw Huber aan de lijn, die haar na een korte introductie doorverbond. Stein nam op en meldde zich met zijn achternaam. ‘Goedemorgen, meneer Stein. U spreekt met Anna Weiss van Albrecht & Cie, afdeling compliance. Ik neem contact met u op omdat er op 7 oktober een bedrag op uw privérekening is gestort waarover ik graag wat meer informatie zou krijgen.’ ‘Goedemorgen, mevrouw Weiss. Ik vermoed dat ik weet welke betaling u bedoelt,’ antwoordde Stein. ‘Het gaat om een vergoeding voor advieswerk dat ik voor een klant heb uitgevoerd.’ Anna vroeg of hij kon toelichten waaruit dat advies precies had bestaan, terwijl ze haar pen boven het papier hield om zijn antwoord te noteren. Stein draaide zijn stoel iets naar het raam. Aan de overkant van de straat waren arbeiders bezig steigers tegen een gevel te plaatsen en hij keek een tijdje naar hun werkzaamheden voordat hij antwoord gaf. ‘Een klant op Jersey wilde meer weten over de geschiedenis van een oude financiële constructie,’ legde hij uit. ‘Hij zocht iemand die kon achterhalen hoe die destijds was opgezet en welke afspraken er oorspronkelijk waren gemaakt. Omdat ik in die periode zelf bij dergelijke zaken betrokken ben geweest, behoor ik tot de weinige mensen die daar nog iets over kunnen vertellen.’ ‘Als ik u goed begrijp, gaat het dus om een constructie uit het verleden,’ zei Anna. ‘Heeft die misschien iets te maken met Meridian Treuhand?’ Aan de andere kant van de lijn bleef het enkele seconden stil, waardoor Anna even dacht dat de verbinding was weggevallen. ‘Meridian Treuhand bestaat al sinds 2019 niet meer,’ antwoordde Stein uiteindelijk. ‘Bovendien ben ik daar in 2008 vertrokken en heb ik sindsdien niets meer met dat bedrijf te maken gehad. Ik begrijp dus niet goed waarom u daar nu naar vraagt.’ Anna vertelde hem dat ze op de hoogte was van zijn vertrek en van de opheffing van het bedrijf, maar dat er nog een andere reden was waarom ze contact met hem had opgenomen. ‘U bent tot 2008 voorzitter van het bestuur geweest,’ vervolgde ze. ‘De rekening op Jersey waarvan u op 7 oktober geld hebt ontvangen, is een dag eerder ook gebruikt voor een andere betaling. Die betaling houdt rechtstreeks verband met een kluis die Meridian Treuhand vroeger bij onze bank huurde. Daarom probeer ik te begrijpen of er een verband bestaat tussen beide transacties.’ ‘Over welke kluis hebt u het precies?’ vroeg Stein. ‘Dat kan ik u op dit moment helaas niet vertellen, meneer Stein. Ik hoop dat u begrijpt dat ik niet zomaar gegevens over andere dossiers kan vrijgeven.’ Stein antwoordde niet meteen. Hij zette zijn bril af, legde hem op zijn bureau en keek opnieuw naar de arbeiders aan de overkant. ‘Ik denk dat het verstandiger is als mijn advocaat dit verder afhandelt,’ zei hij na een tijdje. ‘Ik zal hem vragen om u een schriftelijke uitleg te bezorgen, zodat u over de nodige informatie beschikt.’ Anna bedankte hem voor zijn medewerking en vroeg of hij ervoor kon zorgen dat de uitleg binnen vijf werkdagen bij haar zou zijn. Stein wilde zich niet aan die termijn verbinden, maar zei dat hij haar verzoek zou doorgeven. Daarna bedankte hij haar voor het telefoontje en beëindigde het gesprek. Hij bleef nog lange tijd achter zijn bureau zitten, terwijl buiten de arbeiders verderwerkten aan de steigers. Aan de andere kant van de stad nam Anna haar aantekeningen opnieuw door. Tijdens het gesprek was haar vooral opgevallen dat Stein onmiddellijk had gevraagd over welke kluis ze het had, terwijl hij geen enkele vraag had gesteld over de reden waarom een bankrekening op Jersey betalingen uitvoerde die verband hielden met een trustkantoor dat al jaren niet meer bestond. Ze vond zijn reactie opmerkelijk genoeg om die in haar melding op te nemen. Nadat ze haar aantekeningen had aangevuld en de gegevens nog eens had gecontroleerd, verstuurde ze het formulier. Na de lunch ging Stein opnieuw achter zijn computer zitten. Hij zocht in zijn oude e-mails naar een bericht dat hij in augustus had ontvangen en waarin hem een opdracht was aangeboden. Het was afkomstig van Calder Fiduciary Services, een bedrijf in St Helier op Jersey, en ondertekend door iemand die zich Julian Marsh noemde. Marsh had destijds geschreven dat Calder sinds kort verantwoordelijk was voor de administratie van een trust die in 1996 was opgericht. Omdat een deel van de documenten uit de eerste jaren ontbrak, zocht het bedrijf iemand die nog wist hoe de trust oorspronkelijk was opgezet en welke afspraken daarbij waren gemaakt. Voor enkele gesprekken en een schriftelijk overzicht zou Stein een vergoeding van 250.000 Zwitserse frank ontvangen. Hij had de opdracht zonder veel aarzeling aangenomen en in september het gevraagde overzicht verstuurd. Op dat moment had hij zich nauwelijks afgevraagd waarom iemand bereid was zoveel geld te betalen voor informatie die hij in één middag had kunnen opschrijven. Nu Anna Weiss hem over de betaling had gebeld, wilde hij weten wie er werkelijk achter de opdracht zat. Hij zocht het telefoonnummer van Calder op en belde. Een vrouw met een Engels accent nam op en meldde zich namens Calder Fiduciary Services. ‘Goedemiddag, u spreekt met Calder Fiduciary Services. Waarmee kan ik u helpen?’ ‘Goedemiddag, mevrouw. Mijn naam is Victor Stein en ik zou graag Julian Marsh spreken. Ik heb enkele maanden geleden zaken met hem gedaan. Kunt u mij met hem verbinden?’ ‘Een ogenblik, meneer Stein. Ik zal even kijken of ik hem kan bereiken.’ Stein hoorde haar op een toetsenbord typen en wachtte terwijl ze haar gegevens doorzocht. ‘Het spijt me, meneer, maar ik kan niemand met die naam vinden,’ zei ze uiteindelijk. ‘Volgens onze gegevens werkt hier geen Julian Marsh.’ ‘Misschien is hij onlangs vertrokken,’ stelde Stein voor. ‘Ik heb in augustus nog verschillende e-mails van hem ontvangen en hij trad daarbij op namens uw bedrijf.’ De vrouw controleerde de naam nogmaals, maar kon hem niet vinden. ‘Ik werk zelf al zes jaar bij Calder, meneer Stein, en voor zover ik weet, heeft hier in die periode nooit iemand met de naam Julian Marsh gewerkt. Het spijt me dat ik u niet verder kan helpen.’ Stein bedankte haar en beëindigde het gesprek, waarna hij de e-mail van augustus opnieuw opende. Het adres van Marsh eindigde op de naam van Calder, en bovendien was de vergoeding betaald vanaf een rekening die op naam van datzelfde bedrijf stond. Hij bekeek de gegevens nog eens, maar vond niets waarmee hij de tegenstrijdigheid kon verklaren. Vervolgens opende hij het overzicht dat hij in september had verstuurd. Daarin stonden de namen van de vier mensen die de trust oorspronkelijk hadden ondertekend, gevolgd door een vijfde naam met daarachter het woord protector. Stein bleef bij die vermelding hangen, omdat hij zich nog goed herinnerde dat hij het woord in 1996 zelf in de officiële documenten van de trust had laten opnemen. Om twee uur stond hij op en liep naar het archief, een kleine kamer zonder ramen aan het einde van de gang. Langs de muren stonden stalen kasten waarin de administratie van het bedrijf werd bewaard, terwijl in een hoek een oude brandkast met een cijferslot stond. Alleen Stein en mevrouw Huber kenden de combinatie waarmee die brandkast geopend kon worden. Tot zijn ontslag in 2023 had ook Lukas Berger de code gekend. Stein begon zijn zoektocht bij de gewone archiefkasten. Achter de mappen van zijn klanten stonden zes dikke ordners met een grijze rug, waarop hij jaren geleden met de hand de letters M.T. en een jaartal had geschreven. Hij haalde ze een voor een uit de kast en zette ze op de tafel in het midden van de kamer. Al jarenlang was hij van plan geweest om deze documenten te vernietigen, maar telkens wanneer hij daaraan dacht, besloot hij ze toch te bewaren. Hij wist namelijk dat de papieren niet alleen vragen konden oproepen, maar ook het enige bewijs vormden waarmee hij zichzelf zou kunnen verdedigen als iemand ooit uitleg verlangde over wat er vroeger was gebeurd. Nadat hij de zes ordners had klaargezet, liep hij naar de brandkast en draaide het cijferslot open. Op de onderste plank lag een kleine bruine envelop waarop hij zelf het nummer 0417 had geschreven. Hij pakte de envelop op en merkte meteen dat die opvallend licht aanvoelde. Toen hij de klep opende en erin keek, ontdekte hij dat de envelop leeg was. Met de envelop in zijn hand probeerde hij zich te herinneren wanneer hij de sleutel voor het laatst had gezien. Dat moest jaren geleden zijn geweest, misschien vijf jaar of zelfs langer. Sindsdien had hij de envelop nog regelmatig op de onderste plank zien liggen wanneer hij de brandkast opende, maar hij had nooit meer gecontroleerd of de sleutel er nog in zat. Hij bleef een tijdje bij de geopende brandkast staan en probeerde zich te herinneren of iemand anders de envelop ooit in handen had gehad. Uiteindelijk moest hij toegeven dat hij niet wist hoelang de sleutel al verdwenen was. Stein legde de lege envelop terug op de onderste plank, sloot de brandkast en draaide het cijferslot dicht. Daarna liep hij naar mevrouw Huber en vroeg haar om twee grote verhuisdozen te halen. Toen ze die had gebracht, stopte hij de zes ordners erin en vertelde hij haar dat de dozen diezelfde avond nog met een koerier naar het kantoor van zijn advocaat moesten worden gebracht. Mevrouw Huber beloofde het transport te regelen en zette de dozen naast de balie, waar de koerier ze gemakkelijk kon meenemen. Om tien over vijf ging de deur van de receptie open en stond Lukas Berger onverwacht binnen. Mevrouw Huber had hem binnengelaten omdat ze dacht dat de koerier was aangekomen. Pas toen hij zijn naam noemde, besefte ze wie er voor haar stond. Ze probeerde hem uit te leggen dat meneer Stein geen bezoek wilde ontvangen, maar Berger bleef bij de balie staan en vroeg haar om zijn voormalige werkgever te halen. Stein hoorde vanuit zijn kantoor stemmen en liep de gang in om te zien wat er aan de hand was. Bij de balie stond Berger in een regenjas waarvan de schouders nat waren. Hij was inmiddels vierenveertig jaar, maar zag er ouder uit dan toen Stein hem voor het laatst had gezien. Zijn gezicht was vermoeider geworden en hij had zich niet geschoren. ‘Je antwoordt niet op mijn berichten, Victor,’ begon Berger zodra hij hem zag. ‘Ik probeer je al een hele tijd te bereiken, maar blijkbaar is dit de enige manier om nog met je te kunnen praten.’ ‘Ik heb je vanochtend nog een antwoord gestuurd, Lukas,’ zei Stein. ‘Daarin heb ik duidelijk gemaakt dat ik niets meer met je te bespreken heb. Je kunt hier niet zomaar binnenkomen en mijn personeel lastigvallen. Ik wil dat je vertrekt, anders zie ik me genoodzaakt de politie te bellen.’ Berger leek nauwelijks naar hem te luisteren. Zijn blik was naar de twee verhuisdozen naast de balie gegaan, waarop mevrouw Huber met een zwarte stift de naam van het advocatenkantoor had geschreven. ‘Ben je soms van plan om te verhuizen?’ vroeg hij, terwijl hij naar de dozen knikte. ‘Of zijn er documenten die je liever ergens anders bewaart?’ ‘Wat ik met die dozen doe, gaat je niets aan,’ antwoordde Stein. ‘Ik heb je gezegd dat je moet vertrekken en ik verwacht dat je daar gehoor aan geeft.’ Berger keek hem weer aan en begon over het Kappa-fonds, alsof hij de waarschuwing niet had gehoord. ‘In 2022 heb ik ontdekt dat het fonds elk kwartaal geld betaalde aan drie bedrijven op Jersey en in Liechtenstein,’ zei hij. ‘Toen ik je destijds vroeg waarvoor die betalingen dienden, vertelde je me dat het om gewone beheerkosten ging. Ik heb die uitleg toen niet geloofd en inmiddels weet ik dat het helemaal geen beheerkosten waren. Het geld van mijn ouders verdween in een oude geldpot die jij al dertig jaar beheert.’ Stein schudde zijn hoofd en keek even naar mevrouw Huber, die achter de balie was blijven staan. ‘Je weet niet waar je het over hebt, Lukas,’ antwoordde hij. ‘Je hebt destijds een aantal betalingen gezien en daar je eigen conclusies uit getrokken, zonder dat je begreep hoe die constructies werkten. Dat je geld hebt verloren, betekent nog niet dat je mij overal verantwoordelijk voor kunt stellen.’ ‘Dan krijg je morgenochtend de gelegenheid om me uit te leggen hoe het volgens jou wel zit,’ zei Berger. ‘Ik wil eindelijk de echte cijfers zien en weten waar dat geld naartoe is gegaan. Je hebt me jarenlang verteld dat alles correct verliep, maar ik heb inmiddels genoeg documenten om daar ernstige vragen bij te stellen.’ Stein wilde reageren, maar Berger draaide zich al om en liep naar de deur. Vlak voordat hij naar buiten ging, bleef hij staan en keek hij nog eenmaal achterom. ‘Morgenochtend om acht uur wacht ik bij de aanlegsteiger in Zürichhorn,’ zei hij. ‘Neem de juiste cijfers mee en zorg dat je deze keer een eerlijk antwoord hebt. Als je niet komt, ga ik met de documenten die ik heb naar de krant.’ Daarna opende hij de deur en verliet het gebouw, zonder nog op een reactie te wachten. Mevrouw Huber keek haar werkgever bezorgd aan. Ze had het gesprek gevolgd en vroeg of ze alsnog de politie moest bellen, maar Stein schudde zijn hoofd en vertelde haar dat dat niet nodig was. Hij zei dat Berger een voormalige medewerker was die zijn ontslag nog altijd niet had verwerkt en dat ze zich verder geen zorgen hoefde te maken. Vervolgens liep hij terug naar zijn kantoor, sloot de deur achter zich en belde zijn advocaat, Reto Bachmann. Bachmann nam op terwijl hij in zijn auto zat. ‘Reto, ik laat je vanavond zes ordners bezorgen,’ begon Stein zodra hij zijn stem hoorde. ‘Het gaat om oude documenten die ik voorlopig niet meer op kantoor wil bewaren. Ik wil dat je ze in je kluis onderbrengt en ervoor zorgt dat niemand ze kan bekijken zonder mijn uitdrukkelijke toestemming.’ ‘Dat kan ik regelen, Victor,’ antwoordde Bachmann. ‘Ik zal ervoor zorgen dat ze veilig worden opgeborgen. Maar kun je me misschien eerst vertellen wat er aan de hand is? Je klinkt nogal bezorgd en ik neem aan dat je niet zonder reden op dit uur zes ordners naar mijn kantoor laat brengen.’ Stein keek naar zijn telefoon, die met het scherm naar beneden op zijn bureau lag, en dacht even na voordat hij antwoord gaf. ‘Er is iemand die mijn oude rekeningen opnieuw probeert te onderzoeken,’ legde hij uit. ‘Het gaat om rekeningen waar al twintig jaar niemand meer naar heeft gekeken.’

gioiamariab
0 0