Oneindig Zielloos
Ik hoor de trompet in mijn oren. Het voelt zo vertrouwd aan. Waarom weet ik niet. Betoverend, feeëriek en ravissant. Dat zijn de drie beste woorden die ik hiervoor kan beschrijven. Het voelt alsof ik de hele wereld aankan. Het geeft mij een vrij gevoel. Ik wil dit nooit meer kwijt. Het moet voor eeuwig blijven zitten waar het zit. Voor eeuwig.
Ik zit op een bank in het park. Ik denk aan de stilte, de rust, de vogeltjes die fluiten. Ik adem diep in, en diep uit. Ik voel dat ik leef. Ik heb een slechte tijd doorgemaakt, maar daar wil ik nu niet meer aan denken. Ik wil buitenkomen voor wie ik ben. Ik wil vrij zijn. Dat vind ik hier, nu. In deze rust en stilte. Ik voel me gelukkig. Dat heb ik in maanden niet meer gevoeld. Ik wil dit nooit meer opnieuw meemaken. Daarom wil ik ervan genieten. In mijn eentje. Ik kan het alleen. Daar heb ik niemand voor nodig. Want ik voel me sterk, helemaal alleen. Ik kan gewoon worden aan dit. Ik wil dat dit hier eindeloos blijft duren. Ik wil vliegen, vrij zijn. Dat is op dit moment het belangrijkste in mijn leven.
Ik sla mijn vleugels uit en vlieg. Vlieg weg. Naar weet ik veel waar. Als ik maar weg ben van hier. Misschien ga ik wel met de vogels mee naar het zuiden. Door de wouden, door de bomen. Door de bomen, door de schroeiende zon, die op mijn huid schijnt. Ik zit vol van liefde. Liefde voor de wereld. Voor de buitenlucht. Voor de zuurstof die ik inadem. Als ik niet vlug mijn eigen weg inga. Ga ik eraan kapot. Ik kan hier niet blijven zitten. Ik moet iets doen met mijn leven. Wat dan ook. Maar ik ga het hier niet vergooien met in een kamer te zitten tussen vier muren. Alles wat ik wil, is terug gelukkig zijn. Voor even.
Mijn ouders zijn gescheiden. Die periode, stierf ik diep vanbinnen. Ik ging kapot. Mijn hart brak in een miljoen stukjes, die ik daarna probeerde aan elkaar te plakken. Het is me deels gelukt. Er ontbreken er wat. Die stukjes wil ik nu gaan zoeken in de vrijheid. Ik hoop dat ik ze daar zal vinden.
Ik was een heel ander mens, toen mijn ouders gingen scheiden. Een deel van me was nog altijd ikzelf, een ander deel was iemand vreemd. Die vreemde persoon wil ik zijn. Mijn oude ‘ik’ helemaal vergeten. Weggooien in de vuilbak. Dat is moeilijker dan je denkt, hadden ze tegen me gezegd. Ik moet en zal het kunnen, verdedigde ik mezelf. Waarom doen andere mensen moeilijk over mijn problemen? Ik moest het alleen verwerken. Dat wilde ik tenminste bereiken in mijn leven. Mijn ouders vonden dat ik mezelf niet meer was. Logisch, want ik wou mezelf niet meer zijn. Ik wilde iemand ‘nieuw’ zijn. Schone lei. Dat gaat zomaar niet, hadden ze me gewaarschuwd. Gewaarschuwd voor wat? Het kwaad dat ik zou tegenkomen op mijn tocht? Als dat dan gebeurt, zal ik dat kwaad zelf wel bestrijden. Ik wil alles in mijn eentje kunnen. Daar heb ik geen reden voor. Gewoon mijn gang laten gaan.
De trompet is terug. Ik heb hem even moeten missen, maar ik voelde aan mijn hart dat hij terug ging komen. Voor even dan toch. Ik voelde ook dat hij, zodra ik er weer aan gewend was, weer zou vertrekken. Dat wil ik niet, daarom klamp ik me vast aan het gevoel dat hij nu voor eeuwig blijft.
Mijn broer is enkele jaren geleden gestorven, aan iets dat ik niet kan uitspreken. Het was alsof ik toen alles kwijt was. Mijn hele leven lag overhoop. Voordat ik dat zou verwerken, zou er wel een wonder moeten gebeuren.
Het wonder is geschied. Ik hervind de rust. Ik word eindelijk met rust gelaten. Ik ben klaar om het te verwerken. Alles eens op een rijtje zetten. Ik voel dat dat moet lukken.
De trompet. Nu met saxofoon erbij. Raar hoe dat die melodieën ineen vloeien. Het is mooi. Zeer mooi. Ze horen bij elkaar, zoals de zee en het strand, de zon en alle planeten. Ik voel dat dit voor altijd zo moet blijven. Anders is het niet meer hetzelfde.
Thuis was ook niets meer hetzelfde. Ik moest kiezen. Kiezen tussen twee werelden, waar ik allebei in wou leven. Ze stelde mij voor een moeilijke keuze. Ik wou die keuze niet maken. Ik zou nooit een keuze maken tussen mijn ouders. Nooit.
De meeste hebben dromen. Materiële dromen. Ik heb ook een droom. Alleen is die wat aangepast aan de gewone, andere, dagdagelijkse dromen. Mijn droom is vrij zijn. Mezelf terugvinden in de rust. De rust die ik ga opzoeken. Andere verklaren me zot, dat ik rust en stilte wil. Rust wil ik niet altijd. Ik wil ook wel eens muziek. Of het lawaai op straat, waar andere mensen krankjorum van worden.
Mooi woord krankjorum. Dat is speciaal, anders dan anders. Ik zeg het niet graag, maar ik ben graag anders. Abnormaal, ongewoon. Dat is speciaal. Iedereen wilt normaal zijn. Ik kan je al een ding zeggen. Ik niet. Dat vinden ze raar.
Nog een droom van me. Mijn eigen weg gaan. Dan kan niemand me inhalen of voorsteken. Mijn eigen perfecte weg, tocht, mars, trip. In die tocht wil ik de wereld ontmoeten. De verschillende soorten landen. Ik wil de wereld ontdekken.
Ik word wakker, en kan bijna niks zien. Ik denk dat het maar voor even is, omdat ik net wakker ben, maar bij het ontbijt is het nog niet beter. Ik vind het maar angstaanjagend, luguber en huiveringwekkend tegelijk.
De trompet en de saxofoon zijn terug. Ik kan goed horen hoe ze van laag naar hoog gaan. Hoe ze stil en luid afwisselen. Hoe ze samen kunnen spelen, maar ook een prachtige solo kunnen opvoeren. Een wonder, een wonder dat dit zo mooi en vermakelijk klinkt. Dat zoiets bestaat! Ik hou ervan. Ik hou ervan met heel mijn hart. Uit het diepste der diep. Ze stellen me gerust. Het is alsof ze van mij houden. De enigste twee zielen die van mij houden. Daar ben ik blij om.
Er is iets ergs met me aan de hand. Ik voel het. Er is iets incorrect aan mijn ogen. Ik kan niets meer zien. Ik voel me vreemd, om zo niets te zien. Ik ben bang. Heel erg bang. Ik besluit om naar de dokter te gaan. Hij zegt – na veel onderzoeken en gekijk en gestaar naar mijn ogen – dat ik een operatie zal moeten ondergaan. Ze gaan mijn ogen bestralen. Hopelijk komt dan alles goed. Begeleid door mijn moeder loop ik de deur uit. Ik heb al direct een afspraak met het ziekenhuis.
Als er een moment is, wanneer ik denk dat het niet meer gaat, helpt de rust en de muziek mij wel een handje. Mensen verwachten van me dat ik van hier naar daar spring voor hen. Het maakt niet uit waar ik ben. Het zal nooit gebeuren. Ik denk vanaf nu alleen nog maar aan mezelf.
Begeleid door piano hoor ik alleen de saxofoon spelen. Superbe hoe zijn geluid klinkt. Het lijkt alsof hij alle macht, die hij tegenkomt, voor zich grijpt.