Kapitein

Gebruikersnaam Kapitein

Teksten

Spelevaren

(Fragment uit een nog niet gepubliceerde roman ”Thermiekvliegers”. Om het te situeren: Xandra is een zeventienjarig meisje dat er veertien lijkt, het vriendinnetje van Loïc. Lamp is een wat wereldvreemde veertigjarige werfleider, die zijn middagpauze neemt aan de rand van een vijver, gelegen tussen drie woonblokken.)   Het loopt tegen de middag en Lamp zit in F. aan de oever van de vijver en eet een broodje. Het is behoorlijk warm en er is niemand in de buurt. De bewoners van de woonblokken schuilen voor de zon of zitten aan hun middagmaal. Zijn T-shirt heeft hij uitgetrokken om zijn bovenlijf een kleurtje te geven. Hij kijkt dromend naar het spel van de zon op het water, de minuscule golfjes, een loom briesje, dat nauwelijks verkoeling geeft. Hij leunt achterover en wil nog een kwartiertje genieten voor hij weer aan de slag moet. Hij is lichtjes ingedommeld en hoort een zacht geschuifel. Hij knippert met zijn ogen, is een beetje verblind door de zon. Dan pas ziet hij op een halve meter afstand twee lichtgrijze gympen met rode nestels en daarboven twee lange blote benen. Xandra is stilletjes dichterbij gekomen en kijkt lachend op hem neer. Ze is gehuld in een jeansblauw microrokje en een oranje topje zonder rug, een slabbetje, dat bij iedere beweging over haar tepeltjes schuurt, zodat die vrolijk hard staan te wezen. ‘Hoy’, zegt ze en ze lacht, ’wil je mij niet naar de overkant roeien.’ Ze knikt naar een gammele roeiboot, die wat verderop ligt. Lamp zit erg verveeld met haar vrijpostigheid. Zij verstoort zijn rust en hij wil haar het liefst zo snel mogelijk weg: ‘Die boot is niet van mij.’ Het klinkt heel kortaf en bepaald niet vriendelijk. Het vaartuig ziet er oud en totaal verwaarloosd uit. De witte en blauwe verf is afgebladderd, de roeispanen zijn met houten stroken gerepareerd en ogen bijzonder zwaar. Er is niets idyllisch aan. ‘Hij is ook niet van mij. Maar je mag hem gerust eventjes gebruiken, hoor’. Zo vlug laat ze zich niet afschepen. Ze heeft haar blonde haar opgestoken en er staat een veel te grote zonnebril boven op haar hoofd. Daardoor en vooral door het perspectief van die lange benen ziet zij er nu iets ouder uit, laat ons zeggen: bijna zestien. Ze kijkt hem met grote onschuldige ogen recht in het gezicht. ‘Ik heb geen tijd. Ik moet zo terug aan het werk. Je kunt toch gewoon rond de vijver wandelen. Dat is och arme vijf minuutjes lopen’. De toon en de klank van zijn stem zijn veel milder dan de inhoud van zijn boodschap. Dat merkt hij zelf ook. ‘Wat ben jij saai, zeg. Loïc doet dat altijd voor mij, maar hij is naar de stad. En het is nu net mooi weer.’ Ze bijt op een pruillip. Dan krijgt de nieuwe Lamp het overwicht. De man, die niet meer passief wil wachten, maar actie onderneemt. Ach, waarom niet denkt hij. Hij heeft nog wel recht op een kwartiertje middagpauze. Ze wandelen tot aan de boot en hij helpt haar galant instappen. Hij maakt het rafelige touw los en gaat tegenover haar zitten. Hij haalt zijn hand open aan een roestige spijker op de rand van de boot. Bloed, hij bindt er een zakdoek om. Haar blik vertelt dat ze hem een kluns vindt. Hij klungelt eerst met de roeispanen om het bootje in de goede richting te sturen, krijgt een kleur als een tiener, draait een keer in het rond op het water, terwijl zij gidderend lacht. Ten slotte heeft hij het bootje onder controle en roeit met lome slagen tot het midden van de vijver. ‘Wacht hier eventjes’, zegt ze. ‘Het is hier zalig.’ Hij gehoorzaamt onmiddellijk, laat de roeispanen stil in het water liggen. Het bootje dobbert op eigen kracht en tolt heel traag om zijn as. ‘Hoe romantisch’, fluistert zij. Ze rekt zich uit in de zon als een krols katje en in een wip is het topje uit. Ze ziet natuurlijk ook dat hij gegeneerd is maar zijn blik niet afwendt. Ze laat het moment even inwerken. Twee knopen later ligt ook het rokje open. Geen spoor van een slipje. Haar poesje is mooi in model geknipt en geschoren en heeft een donkerblond Hitlersnorretje. Ze schuift nog wat onderuit, zet haar gympen vast tegen de zijkant van de boot. ‘Ik lig het liefst helemaal in mijn blootje in de zon,’ lacht ze, ‘anders krijg je van die lelijke bleke strepen.’ Ze heeft de grote zonnebril op haar neus gezet. Hij kan haar ogen niet zien. Maar hij vermoedt spotlichtjes. Hij zit onbeweeglijk, blijft een lange minuut kijken. Zijn verstand wil niet mee, maar hij ziet voldoende naakte vrouwelijkheid om een lichte opstuwing in zijn kruis te voelen. Hij kan niet zien of zij het merkt. Ze blijft glimlachen en glijdt naar voor om languit achterover te gaan liggen. Het enige waar hij aan denkt is: pas op meisje voor de splinters in je blote kont. Het bootje is nu half gedraaid en ze ligt helemaal in het stralend zonnelicht, dat haar lichtbruine huid aait. Een hele tijd verroert hij niet. Dan, in een flits is hij zich bewust van de groteske situatie. Hij, in het midden van de vijver in dit aftandse roeibootje, met voor zich in al haar glorie een poedelnaakte lolita. Alle bewoners van de woonblokken rond de vijver hebben, als ze dat willen, een ongehinderd zicht op het tafereel. Eén geluk: de hefsteiger met zijn medewerkers staat aan de achterkant van het woonblok. Het duurt schijnbaar nog een eeuwigheid voor hij de riemen vastgrijpt en zenuwachtig weer naar de aanlegsteiger roeit. Zij negeert hem volledig. Vlak voor ze aan de oever zijn knoopt ze haar rokje toe. Met het topje in haar hand en voor haar borstjes springt ze schaterend aan wal en wandelt ze loom naar een bank en vlijt zich neer. Ze werpt hem nog een kushandje toe. Hij blijft nog even in de boot zitten, wachtend tot zijn aandacht en zijn zwellichamen weer verslappen.  

Kapitein
14 0