Hersenspinsels
Verdwaald in het labyrint van hersenspinsels,
zoekt zij versuft een uitweg naar de buitenwereld.
Omringd door doodlopende hoge beukenhagen,
blijft zij neerwaarts tollen in de eindeloze spiraal.
Geen Goddelijk Licht aan de nimmer eindige tunnel.
Fluwelen webben weven zich een harnas om haar,
dat haar niet beschermd, echter verstikt.
Een verstarde droefenis overmeestert haar en
ijskristallen tranen lacht zij grimmig weg.
Wrokkige rouw wroet in de diepe kamers van haar hart.
Haar zoet verdriet versmacht zij met giftige dampen en
opwekkende dranken.
Immer raast de trein der snelheid voort op de eentonige kadans
van zilveren sporen