Almachtig
Ik beeld me in dat mijn vingers zich in het voorbijflitsende landschap boren en diepe kloven trekken in de aarde. De grond spat uit elkaar, koeien vliegen over hekken, bomen ontwortelen, vogels zwermen op en kerken staan in brand. Een waas van rook, puin en stof vertroebelt het zicht, ik tik almachtig tegen het glas.
Hoe vreemd is het dat je lijf instinctief lijkt te weten wanneer het thuiskomt. Er staan nergens borden, ik heb mijn dorp nooit gezien vanuit een trein, maar dit is het onbetwistbaar. De trein vertraagt en ik verzamel mijn spullen, de cola, de restjes brood, het boekje waar ik een uur heb zitten in kladden en de zinnen maar niet aan elkaar geregen kreeg. Mijn handen trillen, ik wankel wanneer de trein stopt.
Ik stap als enige passagier uit en beland in het niemandsland. De kou bijt in mijn wangen en ik loop het eindeloze perron af naar het oude treinstation dat uit elkaar lijkt te vallen. Hij is er nog niet. Ik ga zitten op de volgekladde stoeltjes die uitkijken over het dorp en probeer alle herinneringen een plaats te geven.