Jij sloeg mij wakker.
Ik dacht dat eenzaamheid niet meer bestond, ik was een leugenaar.
Ik zag ze rond mij staan, ik werd m'n martelaar.
Appreciatie houdt de huid ademende. Ik wil het niet meer, ik wil het niet meer.
Ze houden de genie in mijn hoofd ter gevangenschap.
Toen zag jij mij.
Het zijn de grootste velden van leegte, de meest dorre woestijnen die je moet doorkruisen.
O, maar een engel zal niet uit de lucht vallen of de grond doorspiezen.
Gij zal het zand moeten rakelen met je vingers.De steden er in slaan, de waarheid er uit blazen.
De zon, die zal schijnen. Dat doet 'ie steeds.
Maar zie hoe het 's nachts schudt en beeft.
En glimlach 's morgens als de zonnestralen je lege blik vullen met hoop.
Ge moogt geen vogeltjes gevangen houden.
Dus streel hun mooie verderos en deel ze al je woordenschat, maar asjeblieft laat ze vliegen.
De parkiet in mijn koolmijn had de geur van verrotting al te lang doorstaan.
Toen kwam jij, toen keek jij mij aan. En alles gebeurde vanbinnen uit.