Lucas Bee

Gebruikersnaam Lucas Bee

Teksten

Tantolga

Tantolga   Marcelleke is verdwenen. Drie dagen geleden heeft de oude mevrouw Olga hem voor het eerst gemist. Zoals elke ochtend heeft ze toen van uit haar raam op de eerste verdieping naar de tuin gekeken en gezocht naar de gestalte van de elke voormiddag daar werkende tuinman. Maar ze zag hem niet. Een heel lange tijd is ze geduldig blijven kijken en hopen dat hij plots van achter een boom of van uit de hazelnootstruiken zou opduiken. En niemand weet iets. ‘Marcelleke? De tuinman? Ik zal er eens naar vragen,’ zeggen de schoonmaakster die de vloer van de kamer komt dweilen en de verpleegster die voor de vier- of vijfduizendste keer met een insulinepen komt prikken. Uren later komen ze nog eens binnen en schudden hun hoofd. Niemand weet iets over de tuinman en niemand maakt zich zorgen over dat Marcelleke. Olga boort haar blik in hun ogen en ziet dat ze liegen. Ze weten wel iets, maar ze willen het niet zeggen. Olga kijkt naar het boek dat ze de vorige avond op de tafel heeft gelegd, maar ze heeft geen zin in lezen. Ze sluit haar ogen en ziet hetzelfde boek nieuw en nog ongelezen op een andere tafel liggen. Ze zit ook in een andere woonkamer, ze draagt een lichtblauwe en aan de hals laag uitgesneden japon, ze is dertig jaar en kijkt naar de wieg waarin de twee maanden eerder geboren Hanna ligt. Een klepperende badkamerdeur heeft haar de vorige nacht gewekt. De gisteren door Frank Deboosere na het journaal aangekondigde windkracht zeven heeft niet alleen tegen de deuren gebonkt, maar met zijn harde vleugels ook tegen het raam gestoten. Tussen drie en vijf heeft Olga naar die wind liggen luisteren en misschien heeft ze wel tien keer neen gezegd tegen de neiging om op te staan en de kleppende deur in het slot te duwen. Luisteren naar wind en regen kleurt soms haar dromen en herinnert aan nooit helemaal voltooide reizen uit de tijd toen Hanna er nog was. Misschien moet ik Laura bellen, denkt Olga, maar meteen kijkt ze verrast op en schudt haar hoofd. Nicht Laura is de dochter van haar nu al bijna dertig jaar geleden aan kanker overleden zus. En nadat haar eigen dochter Hanna de deur met een harde klap achter zich had dichtgetrokken, is die Laura de laatste schakel van een verbrokkelde en bijna uitgestorven familie. Vier of vijf maal per jaar komt ze Olga een vluchtige kus op de twee wangen geven. Na een half uur is ze uitgepraat, maar dan haalt ze een fles rode wijn uit haar tas en zegt: daar zit mijn Tantolga op te wachten. Olga zit er niet op te wachten. Een paar keer heeft ze gedacht: ik giet die wijn in de toiletpot, maar dat heeft ze nog nooit gedaan. Na een glas wijn voelt ze nog beter dat ze aan die Laura een hekel heeft. En dat ze liever geen Tantolga wil genoemd worden. Olga tikt op een paar toetsen van haar gsm en sloft naar het raam. Ze kijkt naar het hier en daar al wat geel wordend groen van de bomen en naar de voor wind en regen onverschillige haagdoorn. Een tuinekster hippelt tussen de bloemperken en is gulzig op zoek naar wormen. Een van de laatste zomerbloemen hangt met de kop naar beneden. Als Marcelleke er was, had hij die door de wind geknakte stengel misschien al afgeknipt. Vlak voor of na het middagmaal zou hij dan op haar deur komen kloppen. Als bij de vorige afgeknakte bloem zou hij haar met van schuchterheid wat trillende mondhoeken bekijken en alleen maar zeggen: ‘asjeblieft, mevrouw.’ En dan zou ze nog eens denken: hij heeft heel zachte ogen. De vader van Hanna had geen zachte ogen. Ook geen zachte handen. Maar deze herinneringen duwt Olga weg. Ze luistert naar het gezoem in de gsm. Is Laura niet thuis? Of heeft ze zich overslapen en staat ze nog bloot en nat in haar badkamer? ‘Hallo?’ Laura’s stem klinkt vermoeid en komt van heel ver. In de achtergrond van die stem zit iets dat meer dan een beetje lijkt op de stem van Hanna’s vader. En op Hanna’s stem, voor ze opgewonden en kwaad riep dat ze naar Nieuw-Zeeland ging wonen en nooit meer terugkwam.   ‘Met je tante,’ zegt Olga en ze knijpt haar gsm. Ze zou hem op de vloer willen gooien en vertrappelen. Is het niet een beetje dwaas geweest om Laura te willen vragen om naar de tuinman te informeren? Ze stelt zich voor dat Laura nu haar voorhoofd rimpelt en met de vingers op een tafelblad trommelt. En dat ze denkt: zou dat ouwe mens van plan zijn een nog grotere zaag te worden?               De stem van Laura kruipt uit een kleverig dichte nevel. ‘Is er iets?’ vraagt ze. ‘Nee, nee, nee,’ zegt Olga. ‘Het leven kabbelt hier in steeds dezelfde rustige bedding verder. En ik hunker ook niet naar rooie wijn. Maar de tuinman is verdwenen. En niemand weet iets. Ik bedoel: ze weten het wel, maar ze willen er niets over zeggen. Ik heb er een raar gevoel bij.’ ‘Sinds wanneer is mijn tante in tuinmannen geïnteresseerd?’ De hoge lach van Laura irriteert haar. Olga vermoedt dat Laura met een wijsvinger op haar voorhoofd tikt en denkt: is die Tantolga een beetje gek aan het worden? ‘Ik heb zondag van de tuinman gedroomd,’ zegt ze. ‘Ik zag hem als een kabouter door een bos lopen. En plots was hij verdwenen. Een dag later was hij ook echt uit de tuin verdwenen.’ ‘Dromen zijn altijd te mooi of te dwaas om waar te zijn,’ zegt Laura. ‘En oude tuinmannen zijn minstens even onbetrouwbaar als boskabouters. Ze gaan af en toe op stap en niet altijd op rechte paden. Nog meer dan hun zonen of kleinzonen verslijten ze hun ellebogen aan vuile tapkasten of ze gaan in vieze straten naar nog viezere vrouwen loeren. Ik zal er eens met de directeur over spreken. Hij zal wel weten waarom die Marcel er niet meer is. Waarom heb je het hem zelf niet gevraagd?’ Omdat die directeur niet deugt, zou Olga willen zeggen. Omdat zijn kaalkop te veel blinkt, omdat er te veel zwarte sterren in zijn ogen flikkeren en omdat hij met zijn dikke vingers te hard op mijn door artrose aangevreten schouders duwt. Maar ze zegt het niet. ‘Aan die gluiperd vraag ik niets meer,’ mompelt ze. Laura zucht en zegt dat ze misschien al in de namiddag zal komen.   Een half uur later komt verzorgster Iva binnen met het middagmaal. ‘Rode kool met blinde vink,’ zegt ze. ‘En een potje yoghurt.’ Soms wel twee keer per week komt iemand vragen waarom ze de laatste tijd zo vaak uit de eetzaal wegblijft, waarom ze liever alleen op haar kamer blijft eten. Olga is het al lang beu om daar een antwoord op te geven. Met een handgebaar wuift ze de vragen weg. Ze houdt niet van het op en neer golvende en eindeloze gebabbel aan die veel te dicht naast elkaar staande tafels en van de commentaren over televisiefeuilletons die ze toch niet of maar nauwelijks bekijkt. Haar gedachten dwalen dan altijd af, ze ziet Hanna met een ijsje in haar buggy zitten, ze kijkt naar hagedissen op zonovergoten Provençaalse muren of ze luistert naar het gekras van Poolse kraaien. ‘Weet jij iets over de tuinman?’ Iva fronst de wenkbrauwen. ‘De tuinman?’ ‘Hij lijkt verdwenen,’ fluistert Olga. ‘Die tuinman is geen gewone tuinman,’ zegt Iva. Dat heeft Olga ook al gedacht. Zijn gescharrel in de tuin lijkt meer op vrijwilligerswerk en hij lijkt ook te oud om als een echte tuinman te moeten werken. ‘Hij woont ook niet in ons bejaardentehuis,’ zegt Iva. ‘Hij heeft een kamer in het oude en binnenkort af te breken bijgebouw. En hij eet in een hoekje van de keuken. Maar hij zegt geen tien woorden per dag. Misschien is hij een beetje doof. Als de directeur hem iets komt zeggen, praat hij altijd in het oor van die tuinman.’ ‘Twee weken geleden heeft hij mij een rode dahlia uit de tuin gegeven,’ zegt Olga. ‘De herfststorm van vorige nacht heeft weer enkele bloemstengels geknakt. Ik had een beetje verwacht dat hij ook nu een door de wind gekneusde bloem zou brengen.’   Iva belooft hier en daar naar de tuinman te vragen. ‘Laat de blinde vink niet koud worden,’ zegt ze in het deurgat van de kamer. Het vlees en de met pastinaakwortel gemengde aardappelpuree smaken lekker. De yoghurt blijft staan. Olga houdt er niet van en vindt het leuk om de strenge wetten van de dieetgoden af en toe aan haar laars te lappen. Aan de tuinman zou ze willen vragen om een of twee keer per week een haar verboden kom rijstpap met bruine suiker naar haar kamer te smokkelen. Een half uur later komt Iva het eetgerei halen. Ze komt heel dicht bij Olga staan en fluistert in haar oor dat de tuinman spoorloos verdwenen is en dat de politie naar hem op zoek is. Want om een of andere reden mocht hij het tehuis niet zomaar verlaten. Olga moet haar beloven dat ze aan niemand zal zeggen dat Iva haar dit verteld heeft. Olga knikt en grijpt Iva’s handen. ‘Wat weet je nog meer?’ vraagt ze. Iva schudt haar hoofd. ‘Misschien weet ik morgen meer,’ zegt ze. ‘Tot straks.’ Twee uur later wordt er overdreven luid op de deur geklopt. Olga ontwaakt uit haar soes en ziet Laura binnenkomen. Een groene mantel verbergt haar weldoorvoede lichaam en een knalgele sjaal hangt als een vloek onder haar kin. ‘Ik heb veel en groot nieuws,’ zegt Laura. Olga krijgt een kus op elke wang. Ze huivert van het rond haar walmende en met te veel muskus doortrokken parfum. Laura zet haar schoudertas op de tafel en bekijkt het daar liggende boek met hoog opgetrokken wenkbrauwen. ‘Lees jij Elsschot nog altijd in die intussen al drie keer achterhaalde spelling? Is het door zijn oude verhalen dat je een beetje verliefd bent op een tuinman?’ Olga sluit haar ogen. Zwijg, denkt ze. Ga weg, denkt ze. ‘Ik heb met de directeur gepraat,’ zegt Laura, ‘en dat is een verrassend gesprek geworden. De tuinman waar jij zo verslingerd op bent, dat is geen gewoon mannetje.’ ‘Hij heeft mij een rode dahlia gegeven,’ zegt Olga. ‘En een takje met roodrijpe rozenbottels.’ Laura lacht en laat haar wijsvinger op en neer huppelen. ‘Die tuinman is een boef,’ zegt ze. ‘Hij heeft het grootste deel van zijn leven achter de tralies gezeten. Acht overvallen met zes doden en niet één moment van wroeging of berouw. Hij verbleef hier op proef en onder toezicht van de politie. Zonder begeleiding mocht hij het gebouw niet verlaten.’ Ze liegt, denkt Olga. Ze duwt Laura’s wijsvinger weg en zegt dat Marcelleke haar vandaag een door de wind afgeknakte bloem zal brengen. ‘Dat zou een mirakel zijn,’ zegt Laura op een lacherige toon. ‘Want Marcelleke is dood. Hij is er op een nog niet achterhaalde wijze in geslaagd naar Zweden te vluchten. En vandaag staat zijn portret op de eerste pagina van de daar populaire kranten. In Södertalje heeft hij karper met wijnsaus en in rendiervet gebakken aardappelen gegeten. Van uit zijn hotelkamer heeft hij dan de Blue Angels Club gebeld en een hoer besteld. Ze moest een dikke kont en grote borsten hebben. En die club heeft hem een uit de Oekraïne afkomstige Svetlana gestuurd.’ ‘Ja, ja, ja,’ zegt Olga. ‘Ik weet wat je nu zal zeggen. Hij heeft haar keel dichtgeknepen. En daarna ook het kamermeisje of de hoteluitbater vermoord.’ ‘Mis,’ zegt Laura. En ze tikt met haar wijsvinger op Olga’s voorhoofd. ‘Jouw kabouter heeft die Svetlana alleen maar gevraagd een liedje te zingen. Van haar Oekraïens liefdesliedje heeft hij misschien maar twee of drie woorden gesnapt, maar hij genoot ervan, heeft ze aan de journalisten gezegd. Dan heeft hij de voor- en achterkant van die Svetlana op wel honderd plekken gezoend en een in zes eurobiljetten gewikkelde rode roos op haar navel gelegd. Zo staat het in een Zweedse krant.’ ‘Je liegt,’ fluistert Olga. ‘Jij leest geen Zweedse kranten. En die van vandaag kan je ook nog niet hebben.’ Ze zou Laura in het gezicht willen spuwen, maar ze voelt zich te moe.   ‘Een kwartier geleden heb ik die krant op de computer van de directeur gelezen.’ Er klinkt een boze triomf in Laura’s stem. Iemand prikt in mijn armen en benen, denkt Olga. In haar oren is het geruis van een verre storm te horen. Ze weet dat ze die Laura nooit meer wil zien. Als Iva straks de avondmaaltijd brengt, zal ze de verzorgster veel meer dan een dankwoord toefluisteren. ‘Jij en ik,’ zal ze zeggen, ‘jij en ik, wij worden goede vrienden. Wij zullen af en toe een glas wijn drinken of rijstpap met bruine suiker eten.’ ‘Het verhaal heeft nog een staartje,’ zegt Laura. ‘Drie minuten na het vertrek van zijn Svetlana is jouw tuinman in zijn blote flikker op het dak van het hotel gekropen. Hij heeft er staan roepen en is dan naar beneden gesprongen. Laten we daar maar een glas wijn op drinken.’ Laura haalt een fles uit haar schoudertas. ‘Dit keer een witte wijn uit Griekenland,’ zegt ze. ‘Dat zal Tantolga wel lekker vinden. Tantolga?’ De oude mevrouw Olga hoort het niet meer. Haar hoofd ligt wat schuin gezakt tegen de rugleuning van haar zetel en het blauw van haar ogen verbergt zich achter een doorschijnend grijs gordijn. Ze loopt over het tuinpad en groet twee merels die innig naast elkaar op de onderste tak van een appelboom zitten. Ze wandelt tussen de hazelnootstruiken en wuift naar de op haar wachtende tuinman. Ze loopt hem tegemoet en hij vangt haar in zijn armen op. Hij streelt haar rug en steekt een rode dahlia tussen haar borsten. De tuinmuur splijt, ze ziet een met palmbomen omzoomd park en een meer met een blauwe zeilboot. De kapitein draagt een lang wit kleed met vergulde biezen. Hij slaat zijn vleugels uit en maakt een uitnodigend gebaar. De tuinman wijst naar de blauwe boot. ‘Kom,’ zegt hij. ‘We gaan varen.’ Olga grijpt Marcelleke’s arm en legt haar hoofd tegen zijn schouder. Hij heeft zachte ogen, denkt ze. Een onhoorbare wind blaast de boot naar een niet te peilen overkant.    

Lucas Bee
0 0