Marcel Ravan

Gebruikersnaam Marcel Ravan

Teksten

Kamer der onschuld

  Kamer der onschuld Augustus ’26 Na de onschuldige kinderjaren verlieten we de gehuurde pastorijwoning voor ons nieuwe eigen huis. Niet zonder er met spijt een deel van onze ziel achter te laten: stuk gesjotte ballen, geknipte haren, bloed aan de schommel, de zang van de nachtegaal en de ochtendlijke geur van oude rozen. “Zelf gebouwd, met deze verweerde handen,” zei vader fier. Je kwam het huis, ons nieuwe huis, binnen via de hal: een drieletterwoord dat een veel te groot woord was voor een kleine ruimte, met een opvallend matglazen rond raam. Trots was mijn vader op deze ronde vindingrijkheid aan zijn tekentafel als ongediplomeerd architect. In deze entreeruimte, die altijd een spoor van javelgeur had, trof je twee toegang keuzes via twee deuren. Deur één liep naar een tussenruimte. Hier werd gewassen, geschoren en geweckt. Een opslagplaats voor het zevenkoppige gezin. De toegang tot de zomerkleuren en de geurexplosie van het hemelrijk van ingemaakte boontjes, bloedrode tomaten, zoete, al wat overrijpe appels en nog zoetere aardbeienconfituur. Het werk van moeders zucht en liefde en vaders vlucht in de tuin. Rondom hingen vaalgele muurasten, een veel te luide kling knalde bij het openen. De weg naar chocolade en koekjes liep over een geluidsbarrière. Het trucje voor hongerige jonge magen was om ze ’s nachts te openen met een handdoek als geluidsdemper, met daarbij het risico op de toorn Gods in de gedaante van moeder. Wegwezen dus. De andere deur, als nep geschilderd duur mahoniehout, liep naar een veel geheimzinniger plaats: een tempel van wijsheid. De ontvangstplek, maar vooral de werkruimte van mijn oudste broer, leraar aan het college in Oostende. Hij bleef lang thuis wonen en laveerde er, als zinzoeker, lokale organisator, sponsor en heimelijke activist, tussen een verborgen en een openbaar leven — niet altijd en toen zeker nog niet met veel woorden. Een ruimte met muren in vale pastelkleuren, reproducties van Venetiaanse kanalen en Van Goghs zonnebloemen aan de wanden. Bemeubeld met gele en grijze, zacht zittende designkuipzetels en een muur vullende boekenkast met niet-schuivende glazen schuifdeuren. Daarin vond de gedrukte wereldwijsheid een gestolde plek. Verder een gigantisch bureau, in de hoek een moderne platenspeler en, als een vloek in de kerk, een oud, door houtworm aangetast boekenkastje met geribbelde groene ruitjes op slot zonder aanwezige sleutel. Een kast op slot verbergt geheimen dacht ik. Het avontuur lonkte hier voor een zestienjarige op verboden terrein. Ik kon in deze kamer mijn plekje veroveren, als slimme leerling en nieuwsgierige puber had ik een voetje voor.  Ik trotseerde de bedwelmende sigarenrook van would-be Havanna’s en kleine, naar honing ruikende Hofnar-cigarillo’s in ruil voor Bach, stapels voor volwassen voorbehouden lectuur en de vele jaargangen van kunst- en politieke tijdschriften.  Meer dan trotseren: de walmen van sigaren, vermengd met cederhout, uit deze fumoir werden in mijn herinnering gegrift, onuitwisbaar. Alleen als grote broer er ook was, mocht ik binnen om er stil te lezen, raad te vragen en mee te luisteren naar het diep aanstrijken van sonore snaren door Pieter Wispelwey, de opzwepende klanksymfonie van Tubular Bells en zeker het dreigende onweer uit Nacht en ontij, waarbij alle duivels en heksen door de kamer tolden.   Nooit alleen binnengaan was de boodschap. Het werd een rekbaar begrip. Ik vond er al snel ook zo de weg, niet altijd uit eigen beweging. Kwam de pastoor jaarlijks op huisbezoek, dan werd hij ontvangen in deze kamer. Kwamen de kinderen vriendelijk goedendagzeggen. De pastoor zijn zurige ademtocht van ongepoetste tanden, zoete muskaatwijn en goedkope sigaren plofte in je gezicht. Maar de weg lag open, op zoek naar de sleutel van de in boenwas gezette boekenkast. Door zorgvuldige observatie vooraf was die sleutel makkelijk te vinden: in de onderste schuif, in het oude sigarenkistje. Het slot kraakte. De scharnieren slaakten waarschuwende kreetjes. Maar de kast ging open. De bevrijding lag nabij. “Het rode boekje voor scholieren” nam ik uit de kast in mijn hand. Ik zwaaide ermee, net als de oude Mao, en bladerde snel door naar de pagina’s en de eerste les seksuele opvoeding. Het papier voelde korrelig en droog. De latere liefde was roomzacht en vochtig omhelzend.

Marcel Ravan
0 0