MauritsDodion

Gebruikersnaam MauritsDodion

Teksten

Stilte aan het front

Een herfstdag in oktober 1917 [Flashback] Ik dwaal rond over de grijsgrauwe slagvelden rond Ieper. Het is nog vroeg in de ochtend. Rondom mij een mistig landschap van alleen maar kraters, prikkeldraad en vernieling. Het lijkt wel alsof ik word opgezogen door het niemandsland en de duizenden lijken die haar bewonen. Ik vergeet zowaar even dat we in een offensief zitten. Kanonnen bulderen, geweren blaffen en granaten slaan in. Nog meer dood en verderf. Alsof er nog niet genoeg is geweest. Ik was nooit een voorstander van deze oorlog. Kanonnenvlees, meer dan dat zijn we niet voor de grote heren die deze oorlog zijn begonnen. Wijt het aan mijn karakter of aan het feit dat ik het nut er helemaal niet van in zie. Ik voel echt niet de behoefte om wat Duitsers neer te knallen voor een beetje roem. Thomas is wel zo. Die meldde zich zelfs vrijwillig aan om hier te mogen vechten. Wat waren mijn ouders trots op mijn kleine broer. “Ach, leek je maar wat meer op Thomas!”, hoor ik vader nog zeggen. Een mortier slaat dichtbij in. Het haalt me weg uit mijn gedachten, terug naar het front. Waar is Thomas zelfs? Zojuist liep hij nog vlak langs me. Haastig begin ik rond me te kijken in de hoop hem terug te vinden. De dikke mist beperkt echter het zicht zodanig dat ik enkel wat vage schimmen kan onderscheiden. Ik zet al mijn hoop in op de figuren die een paar luttele meters voor me lopen. Twijfelend ga ik naar ze toe. Wat als het Duitsers zijn die hier vlak langs me staan? Ik heb geen flauw benul in wiens voordeel de slag uitdraait. Het moet voor Thomas, praat ik mezelf moed in. Met mijn bajonet in de aanslag nader ik de soldaten. Niet dat ik me hier zou weten te verdedigen tegen een groepje van de vijand. Toch geeft het me ergens een gevoel van veiligheid. Ik roep mijn kleine broer. Geen antwoord natuurlijk. Kan ook moeilijk anders als de kanonnen geen moment zwijgen. De grond davert door een enorme explosie dichtbij. Wankelend probeer ik mijn zoektocht verder te zetten. De soldaten zijn inmiddels verdwenen in de kille mist die boven het niemandsland zweeft. Verdorie! Wat als dat Thomas is? . . . . Mijn ogen openen zich. Een fel brandend licht schijnt me recht in het gezicht. Het is stil. Oorverdovend stil. Ben ik dood? Is dit God die me bij zich roept? Stilaan wennen mijn ogen aan het licht en ik bemerk enkele contouren die langs me lijken te staan. Dan lijkt mijn gehoor terug te keren. Een sterk geroezemoes overweldigt me. “Naam?” kan ik precies onderscheiden uit de drukte. Ik voel me suf. Alsof alle kracht uit mijn lichaam is weggevlucht. Gaan lopen voor de Duitsers. Duitsers? Waar ben ik eigenlijk? Waar is het slagveld en waar is Thomas? Ik probeer te achterhalen waar ik in godsnaam ben terechtgekomen. Ik lig op een bed. Vastgebonden, zo lijkt het wel. Een koor van geschreeuw en gejammer dringt mijn hoofd binnen. Geen enkele geur dringt tot me door, mijn reukzin heeft me duidelijk in de steek gelaten. Ik wend mijn ogen af van het intense licht en probeer rondom me te kijken. Eerst zie ik de gewonde soldaten. Dan hoor ik ze. Moedeloos schreeuwen ze het uit van de pijn. Alsof ze er liever gewoon een einde aan willen maken. Langs mij blaast iemand zijn laatste adem uit. Eentje minder die moet lijden op deze gruwelijke plaats. Maar waarom lig ik hier dan? “Naam?” herhaalt iemand nu harder. Mijn oog valt op de verpleegster en de dokter die langs mijn bed staan. Beiden gehuld in een schort die misschien ooit wit was, maar die benaming al lang niet meer waard is. “Naam?” vraagt de dokter nogmaals. “Dokter, ik denk niet dat hij in staat is om op uw vragen te reageren,” richt de verpleegster zich op een voorzichtige manier tot haar meerdere. “We hebben hem iets gegeven om te kalmeren.” “Op het eerste zicht heeft hij geen verwondingen,” steekt de dokter van wal. “Hij bloedt zelfs niet eens! Waarom sturen ze zo een lui naar ons!” De dokter komt me niet bepaald vriendelijk over. Ik heb medelijden met de mensen die hem een hele dag moeten verduren. De verpleegster lijkt enigszins geschrokken door de toon van de dokter. “Toen hij hier binnen werd gebracht had hij een ernstige paniekaanval en riep hij constant de naam van een zekere Tom of Thomas. Hij was zo onrustig dat we hem moesten vastbinden en platspuiten.” “Ach, weer eentje die niet snel genoeg van het front weg kon zijn dus,” begint de dokter woedend terwijl hij zijn rug naar me toekeert. “Dit is toch geen plaats om een paar lafaards op te vangen die doen alsof hen iets mankeert, gewoon om de oorlog te ontlopen!” “Hij heeft zijn beide armen en benen nog,” gaat hij verder “Hij heeft hier niets verloren. We sturen hem terug naar het front.” “Dokter, u weet toch dat we sinds kort patiënten zoals hem moeten doorsturen naar een psychiatrische veldhosp…,” de verpleegster wordt abrupt onderbroken door de dokter. “Die charlatans met hun gezever over emoties en mentale verwondingen. Doe wat je niet laten kan. Ik moet hier écht medisch werk verrichten. Soldaten die écht gewond zijn!” De verpleegster is duidelijk aangedaan door de onverschilligheid van de man langs wiens zijde ze al zovele soldaten heeft verzorgd. Wanneer ze doorheeft dat ik haar al een tijdje aankijk, komt ze plots naar me toe. Nu ze zo vlak langs me staat zie ik haar gezicht pas echt goed. Haar jeugdige en onschuldige uitstraling verraadt dat ze niet veel ouder is dan achttien. Een bos donkerbruin haar, chaotisch in een dot opgestoken, gaat schuil onder haar verpleegsterskapje. “Hij is niet altijd zo hoor,” vangt ze aan terwijl ze me met haar helderblauwe ogen aankijkt. “Zijn zoon sneuvelde echter een tijdje geleden en nu kan hij soms wel eens nors overkomen.” “Ach, ik heb niet echt meegeluisterd,” lieg ik. “Je bent je tong dus toch niet verloren,” grapt ze terwijl ze haar glimlach voor de eerste keer ontbloot. “Waar ben ik? En wat doe ik hier?” vraag ik aan de verpleegster. Ik wil nu echt wel eens antwoorden krijgen. “Je bent in het veldhospitaal nabij Ieper. Ze vonden je in een krater op het slagveld, helemaal alleen en in shock.” Ze kijkt me bezorgd aan alsof ik een kleuter ben die net van zijn fiets is gevallen. “Laat me je even losmaken. Het ergste lijkt me wel voorbij te zijn.” Haar aanwezigheid doet me vergeten dat ik ben vastgebonden. “Waar is Thomas?” vraag ik verontrust. “Thomas. Dat was het,” zegt ze enthousiast alsof ze net een weddenschap heeft gewonnen. “Waar is hij?” Opgelucht kijk ik rondom me. “Het spijt me. Ik ken geen Thomas. Je bent gewoon al zijn naam aan het mompelen sinds je hier bent.” Haar antwoord doet mijn gevoel van opluchting weer verdwijnen, als sneeuw voor de zon. “Thomas Bennett. Mijn kleine broer. Ik had moeder nog beloofd hem in de gaten te houden.” Terwijl ik het over mijn broer heb, besef ik dat ik mezelf nog niet eens heb voorgesteld. “John trouwens. John Bennett.” Ik steek mijn hand weifelend uit. “Alicia Smith. Aangenaam,” en ze steekt haar hand uit en schudt de mijne. “Het spijt me echt van je broer,” gaat ze verder. “Ik zou willen dat ik je kon helpen.” “Je helpt hier al genoeg mensen zo te zien,” zeg ik ietwat vleiend. Ik zie meteen aan haar gezicht dat ze minder leuk nieuws gaat brengen. “Ik vrees dat dat je hier niet kan blijven. Ze kunnen je veel beter helpen in het hospitaal hier een paar kilometer vandaan.” Voor ik afscheid van haar kan nemen wordt ze weggeroepen. Een nieuwe lading zwaargewonden wordt binnengebracht. Alicia verdwijnt tussen de andere verpleegsters, een lange shift van bloed en oplapwerk tegemoet. De regen komt met bakken uit de hemel vallen wanneer ik de hospitaaltent verlaat. Afgunstige blikken zijn er in overvloed. Verpleegsters, brancardiers en gewonde soldaten. Ze kijken me aan alsof ik de vijand ben. Zelfs de bestuurder van de transporttruck werpt me een vieze blik toe. Al is die misschien vooral pisnijdig omdat ik hem heb laten wachten in de gietende regen. Ik stap de laadbak van de truck in en neem plaats op een van de krakende houten zitbanken. Het opmerkelijke gezelschap voor deze rit wekt meteen mijn aandacht. Vlak langs me schuifelt een soldaat zenuwachtig heen en weer terwijl hij iets onverstaanbaar mompelt. Achteraan tokkelt er dan weer iemand voortdurend met zijn vingers tegen zijn voorhoofd. Het laat me niet bepaald comfortabel voelen. De meest vreemde snuiter zit echter tegenover me. Hij kijkt me indringend aan, zijn ogen wijd open. Het lijkt wel alsof hij recht door me heen kan zien, het oneindige tegemoet. Ik probeer zijn blik af te wenden, maar wat ik ook doe, hij blijft me gewoon griezelig aanstaren. Het is lang stil geweest. In de hospitaaltent, in de transporttruck en wie weet zelfs aan het front. Alsof de verweesde soldaat tegenover me het zag aankomen beginnen de kanonnen plots te bulderen. De symfonie van brullende projectielwerpers geeft me een benauwd gevoel. Het brengt me terug naar het front. Naar het niemandsland. Naar Thomas. . . . . Ik heb Thomas nog steeds niet gevonden. Het baart me nu echt zorgen. Wat als ik hem nooit vind? Wat als hij dood is en hier ergens vergeten blijft liggen tot het einde der dagen? De gedachte alleen al maakt me misselijk. Ik moet hem vinden. Ik heb een belofte gedaan aan moeder. Drie soldaten schuilen in een krater. Ze hebben zich zo klein mogelijk gemaakt, met hun handen over hun oren. Alsof ze het allemaal niet meer aankunnen. Wanneer ik me er langs leg, hoor ik een van hen iets mompelen. Tevergeefs vraag ik of ze mijn broer hebben gezien. Geen antwoord. Misschien zijn ze doof geworden door de duizenden bommen en granaten die ons hier om de oren vliegen. Het kan haast niet anders. Ik waag me terug het open niemandsland in. Weer slaat een projectiel dichtbij in de grond. Ik schrik me rot. Hoewel ik hem deze keer fluitend naar beneden hoor vallen laat ik me toch weer verrassen. Het doet me denken aan het onweer thuis. Aan de donder en de bliksem. Na de verblindende flits van de bliksemschicht probeer je je schrap te zetten voor de donderslag die elk moment kan gaan komen. Toch weet die je altijd weer onverwachts te verrassen. Dat is het! De soldaten van daarjuist zijn gewoon bang voor het onweer. Eigenlijk verschillen ze niet zoveel van elkaar, het onweer en de Duitse artillerie. Ze laten je ineenkrimpen van de schrik en doen je smeken om genade. Dat ze maar zo ver mogelijk hier vandaan inslaan. Ze onthullen hoe nietig we soms kunnen zijn. Ik zie mensen neervallen als dominostenen. De aanhoudende bombardementen boetseren het landschap naar eigen hand. Hier fabriceren ze een krater uit het niets. Daar laten ze er weer eentje verdwijnen in de vlakte. Een boomstam, die tot dan toe nog recht stond, wordt in tweeën gespleten. Zelfs de natuur overleeft het Duitse vuur blijkbaar niet. Elke minuut die voorbij gaat, doet mijn hoop om Thomas te vinden aanzienlijk slinken. Elke donderslag die de grond laat daveren, doet me twijfelen of mijn kleine broer de kogel met zijn naam er op nog niet heeft ontvangen. Ik moet hem vinden. Hij moet en hij zal veilig thuiskomen. . . . . Ik kom aan in het hospitaal waar Alicia het over had. De plaats waar ze me volgens haar kunnen helpen. Helpen met wat? Ik moet Thomas vinden en ik kom niet bepaald dichter bij het front. Een oudere verpleegster wacht ons op voor het vervallen gebouw dat met veel improvisatie als hospitaal kan doorgaan. Ze begeleidt ons naar de slaapzaal. Het plafond kraakt gevaarlijk. Het zou me niet verbazen moest een van deze dagen het dak gewoon naar beneden vallen en alles en iedereen met zich meenemen. Een dokter onderzoekt ons vluchtig en stelt dan een voorbarige diagnose. Hij spreekt vaak over Shell Shock. Ook bij mij kraamt hij tegen zijn assistente enkele haast onverstaanbare woorden uit en concludeert dan dat ik eerst een dag moet rusten vooraleer de behandeling begint. Ik hoor het met tegenzin aan. Niet dat ik sta te springen om terug naar het front te gaan, maar ik moet Thomas nog steeds vinden. Als ik ’s nachts door een hevig bombardement weer in een panische toestand terechtkom, acht de assistente de situatie blijkbaar ernstig genoeg om de dokter te gaan halen. Die besluit dadelijk met een elektrische shockbehandeling te beginnen. Twee stevige verpleegsters grijpen me vast en dragen me naar een afgelegen kamer wat verder de gang door. Ik word op een ligzetel neergegooid en het tweetal verpleegsters bevestigen enkele geleiders op mijn hoofd. Het angstzweet breekt me uit. Dan giert de elektriciteit door mijn hoofd. Ik bevind me in een combinatie van realiteit en herinnering. De kanonnen bulderen terwijl de stroom door mijn lichaam brandt. Ik hoor vaag de dokter naar me roepen en toch ploeter ik door de modder van het niemandsland. Een gruwelijkere behandeling bestaat er volgens mij niet. Tien luttele minuten in die folterkamer lijken wel uren te duren. De dokter, tot dan toe een aangename persoon, verandert daarbinnen in een ware duivel. Het voelt alsof de bliksem inslaat, niet op een of andere boom, maar in mijn hoofd. Dit allemaal terwijl de dokter en zijn hulpjes er vlak langs staan. De tweeënhalve dag in het hospitaal zijn misschien nog erger dan mijn tijd aan het front. Ik ben dan ook vrij opgelucht wanneer de dokter de zaal binnenkomt en enkele patiënten uitpikt om terug naar het front te sturen. Vooral wanneer hij mij er ook uit kiest. Het klinkt raar om verheugd te zijn terug naar het front te moeten. Zeker wanneer sommige anderen in de zaal de dokter smeken om maar niet terug te hoeven gaan. Mij kan het allemaal niet meer zo veel schelen. Het front is een hel. Deze plaats is een hel. Maar Thomas zit wel aan het front en niet hier. De weg van Ieper naar de frontlinie lijkt eeuwig te duren. De soldaten langs me in de truck bidden God om vergiffenis, om hen alsnog te redden van een ongewisse dood aan het front. De angst om te sterven overvalt ook mij soms, zeker nu ik Thomas nog steeds niet heb gevonden. Ik kan niet snel genoeg terug op het slagveld staan, dichter bij mijn kleine broer. De truck komt tot stilstand. Vanaf hier moeten we te voet verder, vertelt de bestuurder ons. Het is nog fris, zo vroeg op de ochtend. De vorstlaag die zich gedurende de nacht op de grond heeft gevormd, begint op te warmen en verandert de bodem in een grote modderpoel. Troepen wisselen elkaar af in de achterste loopgraven. Nu is het onze beurt. Het geeft me een goed gevoel dat iemand in mijn plaats weg kan zijn van het front. Hopelijk krijgt Thomas die kans ook. We lopen door de verbindingsweg naar de voorste loopgraaf. Haar karakter blijft me elke keer weer verbijsteren. Soldaten tot hun enkels verzakt in een mengsel van modder, bloed en uitwerpselen. Lijken die nog niet zijn weggehaald maar wel al aangevreten door ratten en ander ongedierte. Ik ruik nog steeds niets, maar kan me inbeelden dat de stank ondraaglijk moet zijn. De kanonnen zwijgen voor een keer. Stilte aan het front. Stilte voor de storm. Soldaten maken zich klaar voor een nieuw offensief. Deze aanval wordt beslissend, volgens de officieren. Een plan tot in de puntjes uitgedokterd. Het moet alleen nog maar uitgevoerd worden. Daar staan we dan. Honderden soldaten tegen elkaar gepropt in een smalle loopgraaf. Ze kijken elkaar bang aan, wachtend op dat ene signaal. Dan begint het onweer. Zware en lichte artillerie, van mortieren tot kanonnen, ze beginnen allemaal muziek te spelen. Loeiende deuntjes kondigen harde ontploffingen aan. De aarde davert en dreunt. Dan klinkt het fluitsignaal. Nu gaat het beginnen. Soldaten werken zich een weg naar boven via de sporten van de ladders. Sommige kunnen niet snel genoeg boven zijn, anderen grijpen de ladder twijfelend vast. Ik klim naar boven en voeg me zo snel mogelijk bij de rest van het peloton. De drassige modder van het niemandsland verzwelgt mijn laarzen, alsof mijn voeten en de grond een zijn geworden. Met elke stap die ik zet, voel ik me dichter bij Thomas. Boven mij, in de eens zo heldere lucht,  overheerst een machtsvertoon van projectielen. De kanonnen bulderen aan beide kanten. Wij die er pal tussenin vertoeven, zijn de dupe van dit helse onweer. Onze artillerie die vanuit de eigen loopgraaf zo behulpzaam en beschermend lijkt, is hier niet minder dreigend dan de Duitse. Ik vraag me af hoeveel langer deze plaats het onder de voortdurende bombardementen nog kan volhouden. Hier en daar staat nog één enkele boom recht. Het lijkt alsof die het vertikt neer te vallen, om de herinnering aan vroeger levend te houden. Een landschap van kraters blijft over, gevuld met troebel water en ratten. Ongedierte dat hier op miraculeuze wijze weet te overleven, terwijl niets of niemand anders dat kan. Elke mortier die inslaat maakt me een beetje kleiner, trekt me wat meer naar de grond toe. Ik kan dit niet meer aan. Soldaten vallen in groepen tegen de vlakte. Ze krijgen niet eens de kans zich te verweren. Ze verliezen armen, benen of delen van hun gezicht. Sommige hebben het geluk op slag dood te zijn. Anderen hoor ik het uitkrijsen van de pijn, verlangend naar het einde van dit noodlottig bestaan. Schuilend in een krater maak ik me zo klein mogelijk. Ik probeer hier ver vandaan te zijn. Het gruwelijke niemandsland beangstigt me, doet me beven en sidderen. Realiteit en herinnering lijken het weer tegen elkaar op te nemen. Ik dwaal af naar het slagveld van enkele dagen geleden. Naar Thomas. De kanonnen blijven bulderen terwijl ik steeds dichter bij mijn broer ben. Ik heb hem bijna gevonden, ik voel het. . . . . De hemel kleurt grijsbruin door de rook en de opvliegende modder. Akelige fluittonen en donderslagen verdoven mijn oren. Het niemandsland davert zonder ophouden. De wereld lijkt te vergaan. Een soldaat loopt vluchtig terug naar onze linie. Thomas? Ik roep zijn naam in de hoop dat hij doorheen deze overweldigende kanondreunen ook maar iets zou horen. Waarom loopt hij terug? Ik blijf zijn naam schreeuwen, ook al is het vrij hopeloos. Ik kan mijn eigen woorden amper verstaan. Een soldaat in onze loopgraaf legt zijn geweer aan. Hij mikt op Thomas. De storm aan mechanische geluiden verbergt de galm van het schot. Dan stopt de donder. De kanonnen, de mortieren, de houwitsers en de geweren. Plots zwijgen ze allemaal. Een oorverdovende stilte voltrekt zich over het niemandsland. Ik voel mezelf happen naar lucht. Mijn kleine broer valt levenloos neer.  

MauritsDodion
14 0