Canada
Kwam het door het bronskleurig herfstlicht? Of was het de geur van boenwas die rond de meubels hing? Bertha glimlachte en huilde tegelijk. Ze wilde deze kamer bewaren, voor altijd met zich meedragen. Het licht en de kleuren, de typische geur van slaapkamer. Het venster met de verschenen gordijnen, daarachter het grasveldje en de twee groentebedden.
De geplooide zakdoeken vielen uit haar handen. Ze lagen op de plankenvloer als verlamde motten. Bertha keek er verstrooid naar. Haar benen voelden slap als waskaarsen. Ze liet zich op het bed neer zakken. Haar vingers friemelden aan de oude deken. Van alles in deze kamer, zou ze het zusterlijke bed het meeste missen. Zelfs de grauwe lakens, waarover zij en de zussen altijd zeurden, zou ze missen. Vanaf morgen behoorde dit alles tot het verleden.
Ze wilde niets vergeten. Niets van dit alles. Vooral de geuren niet.
Bertha duwde haar neus in het kuiltje van Martha’s hoofdkussen. De jongste zus sliep op haar rug waardoor ze snurkte. Op het kussen van Julia zag ze enkele haren. Bertha voelde nu al heimwee. Naar Martha de grappige, die giechelde om het minste. Naar Julia de mooie, die nooit om een vrijer verlegen zat. Bertha bedacht dat zij de ernstige was. Misschien omdat ze de oudste was? Onze denker, noemde mama haar.
De zussen zouden straks meer plaats krijgen in het tweepersoonsbed. Nog één keer zouden samen slapen. Bertha, Julia en Martha, als lepeltjes. Schoot in schoot, zoals ze gedaan hadden sinds ze kinderen waren. Als een van de zussen zich draaide, draaiden de andere twee automatisch mee.
Hoe kon ze ooit nog in slaap komen? Zonder de vertrouwde warmte van de zussen? Zouden ze zotte verhalen blijven fluisteren, ook zonder haar? Zouden ze giechelen en elkaar duwen? Tot ze proestend uit het bed vielen?
Omdat ze mama Stiene hoorde op de trap, ging Bertha rechtop zitten. Ze streek snel haar tranen weg. Ze was de oudste van de zeven kinderen Ballegeer en niet flauw. Die eer wilde ze hooghouden. Zeker tegenover mama.
Bertha strekte haar benen. Een plas zonlicht verkleurde de plankenvloer voor het bed. Ze warmde er haar blote voeten in. Voor de laatste keer. Vandaag was alles voor de laatste keer.
Zou ze op de duur gaan vergeten? Hoe de dingen eruitzagen? Zouden de geuren flets worden? Ze snoof gulzig. Boenwas en beddengoed. Ze kon deze kamer nooit vergeten. Met haar ogen dicht wist ze immers precies hoe alles eruitzag. Waar het behang boven de plinten losliet. Welk patroon het gebarsten glas vertoonde. Ze wist waar de donkere plek zat waar vroeger een kinderfoto hing. En daar was de spiegel met de vergulde plaasteren lijst en de duizend bruine vlekjes.
Bertha ging rechtop zitten en met haar tenen duwde ze tegen de deur van de kleerkast. Het hout knarste onwillig van de ouderdom. Ze doopte haar armen in het bad van licht, dat in ruitjes naar binnen viel. De zon voelde weldadig op haar huid. Stofdeeltjes vlogen naar alle kanten, als kleine insecten. Bertha ving ze op in haar handpalm en blies ze weg. Ze spreidde haar vingers wijd uit. De trouwring aan haar linkerhand fonkelde.
‘Neemt u, Bertha Augusta Ballegeer hier aanwezig, de heer Florens Albertus Withouck tot uw wettige echtgenoot?’
‘Ja,’ had ze geantwoord. Met een benepen stem, maar ze had met haar hoofd geknikt om haar overtuiging te onderstrepen. Haar handen trilden en ze wist niet of dat kwam door de zenuwen of door de kilte in de trouwzaal van het Kortrijkse stadhuis.
Zijn ja klonk sterk en zijn ogen hadden geblonken. Dan gaf de schepen een redevoering over de rechten en vooral de plichten van man en vrouw. Iets over beschermen en vertrouwen. Bertha begreep er weinig van. Ze telde en hertelde de decoraties op zijn zwart glimmend vest. Hij had heldhaftig gestreden in de grote oorlog en volgens mama was het een voorrecht dat hij het huwelijk voltrok.
Na het Hierbij verklaar ik u tot man en vrouw, had Flor haar gekust en dicht tegen zich aangetrokken. Ze voelde zijn hart wild tekeergaan. Dat stelde haar gerust. Hij was ook zenuwachtig. Een volksjongen, uit hetzelfde hout gesneden als zij. Flor, haar man sinds gisteren.
Bertha’s valies lag geopend op twee stoelen. Ze had hem half ingepakt. Nu staarde ze ernaar alsof het de geopende muil was van een monster. Hapklaar om alles te verslinden, om haar hele verleden uit te wissen.
Besluiteloos draaide ze haar trouwring om en om. Hadden ze het juiste besluit genomen? Vertrekken. Misschien voor altijd? Wat moest ze meenemen, wat achterlaten?
Aan de deur van de kleerkast hing haar bruidsjurk. Het zwart satijn glom nog altijd feestelijk. Bertha streelde het kanten kraagje. Waar ze het meeste van hield waren de knoopjes vanaf de hals tot in de taille. Ze had ze vaak geteld. Bertha had een voorkeur voor oneven getallen. Dat waren blije cijfers. Drie was haar lievelingsgetal. Bij even aantallen voelde ze vaak een somberheid opkomen, zo dreigend als naderende onweerswolken. Maar deze jurk zou geluk brengen. Dat beloofde ze zichzelf. Eenentwintig was een mooi getal.
Mama stond erop dat ze haar trouwjurk zou dragen bij het vertrek.
‘Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’
Ginder zei ze altijd. Hier en ginder. Twee aparte werelden. Hier was thuis. Ginder was er zelfs geen huis. Er was niets. Een groot zwart gat. Alles moest nog opgebouwd worden. Morgen verhuisde ze van hier naar ginder. Bertha huilde.
Naast mama drentelde Bertha heen en weer tussen de kleerkast en de koffer. Ze legde er dingen in om ze er vervolgens terug uit te halen. In wachtrijtjes stalde ze haar kleren uit op het bed.
Mama Stiene legde een koppel nieuwe lakens onderin de koffer, naast de oude maar nog bruikbare braadpan en een vierdelige set bestek.
Enkel het meest noodzakelijke meenemen! stond er in de reisbrochure.
‘Wat is dat, het meest noodzakelijke? Als je niet eens weet wat je te wachten staat?’ zuchtte Bertha en ze telde nog een keer haar onderbroeken.
Uren later toen het begon te schemeren, keek Bertha voldaan neer op de inhoud van haar valies. Eindelijk had ze het gevoel dat ze de juiste dingen had ingepakt. Herinneringen. Die wilde ze meenemen.
Het sigarenkistje met de stompjes kleurpotloden. Haar oude kussensloop, die met de bloemenranken en de vertrouwde geur. De schietspoel die ze cadeau kreeg toen ze een jaar in de weverij werkte.
Natuurlijk nam ze ook de liefdesbrieven van Flor mee. Eigenlijk waren het geen echte brieven. Hij schreef korte tekstjes over uit tijdschriften of uit de krant. Soms grappig, soms ondeugend, maar steeds lief. Hij zette er altijd zwierig zijn naam onder, alsof hij zelf de auteur was. Bertha gaf ze een plaatsje tussen haar ondergoed.
Net voor de koffer definitief dicht ging, propte mama iets vierkantigs in een hoek tussen de handdoeken. Het was gewikkeld in een vale lap katoen.
‘Wat is dat?’
‘Iets dat ik je wil meegeven, Bertha. Iets persoonlijks.’
‘Je hoeft me helemaal niets te geven, mama.’
‘Toch wel. Ik heb er lang over nagedacht. Geld heb ik niet, dus dacht ik… aan iets nuttigs. Neem mijn knopendoos mee. De knopen zullen je zeker van pas komen. Ginder.’
Het was 2 oktober 1926.