Zij en Hij en Zij
Haar rode jurk wacht in de half lege kast
op zijn sexy grijze pak.
Eindelijk knopen doorgehakt,
zij glimlacht.
Hij, praat met zijn zoon over koetjes en kalfjes, en over haar,
zijn ziel bloot, zijn ogen kwetsbaar.
Maar de zoon spuwt verwijten,
is onwrikbaar, papa onbetrouwbaar.
Papa breekbaar.
Zijn vrouw weet van niets
wel van haar, die ander, iets
maar niets aan de hand
kop in het zand.
De laatste nacht in dat bed
kan de slaap niet komen,
salto’s zonder vangnet, helse rondjes
op een kermismolen.
Dan het bloed dat zoekt naar een doorgang
zijn keel in de greep van een knijptang
verscheurende pijn die zijn borst openrijt,
laatste gedachten, angst en spijt.
Terwijl zij afscheid nemen, zich warmen
aan medeleven en wenen in zachte armen,
bergt zij verdwaasd haar dromen in een doos.
Ze was altijd al kansloos.