smelten
je was als sneeuw
bouwde een kasteel
om ons heen
van witte muren
met een bed van donssneeuwe kussens
en lakens
zacht in de morgen
onberoerde stilte
witte wolken
adem in
en uit
kussen van vederlichte vlokken
echter
in de avond was je ijs
bewandelde mismaaktheid
geen geadem meer
vingers als messcherpe dolken
in het oog, in het hart
het was pas echt
toen het
s
m
e
l
t
e
n
begon