Overspel
Argeloos grasduinde ik tot zonsondergang in
haar onbuigzaamheid (oftewel haar afschuw
van de beau monde die ik naar haar plompe
mening o zo lief had).
Vervolgens graaide ik een olielampje mee en
stikte - in bange afwachting van de doodskist -
onze initialen met koperdraad op het fluweel
van de theaterstoelen.
Een sigaret lang nam ik toen haar leven door,
waagde onderwijl een paar pogingen om onze
verstrengelde illusies te ontwarren en hees me
ten slotte in de uitgerafelde berusting van een
vogelverschrikker
Wat even later schrijnend aan het licht kwam,
schreef ik lacherig toe aan mijn ontsprongen
horens, met andere woorden aan de verrukte
maagden die in de orde der dingen lenig door
de mazen van mijn netvlies gekropen waren.
Mijn bos stenen rozen verzuchtend, vergaarde
ik hierna routineus - haast onbekommerd - alle
krokodillentranen rond haar teenslippers en
prees mezelf gelukkig dat ik me voorgoed had
losgerukt uit haar kermende hemel.