Wouter Vandezande

Gebruikersnaam Wouter Vandezande

Teksten

Bloedrode rozen

Ik leef van scène tot scène. Als op een filmset wordt elke beweging, elk woord geregisseerd. Alles staat vast, geen enkele verrassing. Ik weet alles. Vast verwerven zit ieder leven in het tapijt van de tijd. Geen enkele draad of weving ontgaat me. Hoewel het in functie is van mijn bestaan, mijn doel, mijn reden, verschroeit het de passie, de drijfveer om te bestaan. De schitterende kaars in deze somberheid is zij. Ik wacht haar op vandaag, zoals iedere week. Ik zorg dat ze me niet ziet. Ze ziet me nooit. Het spel der liefde wil ik niet met haar spelen. De pijn van mijn oude liefde ommuurt mijn verlangens, beschermend tegen de mogelijke herhaling van het oude verlies. Ze komt aangewandeld in een bordeaux, wollen trui welke open is van haar nek tot haar navel. Haar sleutels steekt ze weg in haar strakke jeans. Ze loopt een bank binnen waar reeds zes mensen voor haar te wachten staan aan de balie. Ikzelf, ik zit in mijn lange versleten regenjas op een bank aan de andere kant van de straat. De wind zit zo dat, toen ze even vertraagde om de deur te openen, haar parfum mijn verlangens voor haar streelde. Het moment doet me nu alles even vergeten. Alleen zij bestaat nog. Het gevoel laat me voelen zoals de mens die ik wil zijn, maar niet kan zijn. Bewonderend staar ik haar aan verlangend naar haar, haar huid, haar handen. Wanneer zij nu wacht leef ik in de tijd die ik anders wachtend zou doorbrengen. Maar de tijd van wachten is echt voorbij, want het onmogelijke gebeurt. Iemand breekt mijn zicht. Dit klopt niet. Het tapijt van de tijd is veranderd. Dit is een fout. Een man met een Halloweenmasker loopt de bank binnen. Hij trekt een revolver. Neen, dit kan echt niet! Er is geknoeid met de verwevenheid van alles. Zij staat daar. Ik moet iets doen. Ik sta recht en loop de straat over en de bank binnen. De man draait zich om. ‘Welke zot loopt een bank in met een gewapend man?’ schreeuwt hij uit. ‘Geen enkele, verstrooidheid en onoplettendheid hebben me hiertoe geleid’, lieg ik. De man stapt naar achteren en richt zijn wapen op de eerste vrouw voor de balie en schiet. Het bloed aan haar dij kleurt de witte rozen op haar jurk bloedrood. De kleur is afgestemd op haar gekrijs. Ze zal niet sterven. Het doel van de man is niet duidelijk. Maar ik moet hem stoppen voor hij haar, mijn schittering, misschien iets aandoet. Ik stap recht op hem af. Hij richt zijn revolver naar mij toe en schiet. De kogel vertraagt mijn tred even, maar hij stopt me niet. Ik pak de loop en draai hem met veel kracht naar de gemaskerde toe. Ik hoop dat hij zelf zijn trekker zal overhalen. Echter doet hij het niet. De angst in zijn ogen worden niet verhuld door het masker. Ik haal zelf de trekker over. Eén schot, één leven, hij sterft. De man valt. Mijn buik staat druipend onder het bloed. Mijn gedachten verzwakken. Het bloed zit nu ook over mijn handen. Mijn knieën verzwakken. Mijn harde val klinkt dof in mijn oren. Wanneer ik op de grond liggend naar de verte staar, komt mijn schittering mijn pijn verzachten. ‘Sshht, niet sterven’, beveelt ze me zacht met bange, betraande ogen. Met mijn bebloede rechterhand leg ik een verloren, verhullende, blonde haarlok achter haar oren. ‘Vandaag heb ik meer geleefd dan ik in een lange tijd heb gedaan. En sterven zal ik toch niet. Dat kan ik niet.’ Ik verlies het bewustzijn. Het fout gewoven leven heeft me naar een tuin van rust gebracht. Het einde van een scène en het begin van een nieuwe.

Wouter Vandezande
7 0