Verstold
Verstold
Groot en breed maar niet statig,
grofgebekt bij wijlen, een hartje
klein als een erwt, je kent haar.
Wat denk je er zelf van, probeer ik.
Ineens vallen muren in scherven,
haar mond akelig verwrongen
en met een woede die niet voor mij
is, spuwt ze eruit: ‘Onze Pa!’
Ze zakt terug als een slappe zitzak.
Zout en bitter lopen langs voorgegroefde voren,
wanhoop klauwt haar masker,
bruine trouwe ogen, dat wel.
Verstold zie ik haar wringende handen,
haar vastpakken durf ik niet.
Ik ga maar, zegt ze.