Inleiding
Duisternis. Ogen gingen op zoek naar een streepje licht. Geuren, die niet meteen herkenbaar waren, vulden zijn neusgaten. Handen gingen op onderzoek; tasten de onmiddelijke omgeving af en werden gehinderd door obstakels
Hij hief het hoofd op en liet het met een kreun op de grond vallen. Hij leek door een drilboor bewerkt te worden. Zijn ogen raakten gewend aan de duisternis en ontwaarden enkele vormen. Hij had tijd nodig om alles in zijn brein te ordenen. Boven hem bevond zich het gebinte van een dak. De balk, net boven zijn hoofd, kreunde onder het gewicht dat hij moest torsen. Uit een ooghoek zag hij de kofferbak van een auto die zich door de nok van het dak had geboord. De nummerplaat kwam hem bekend voor: dat was zijn eigen wagen!
Verbrijzelde takken van een boom hadden zich door het koetswerk geboord. Johan trachtte zich wanhopig te herinneren was hem was overkomen. Waar had Max hem heen gestuurd? Neen, neen die periode lag al een hele tijd achter hem. De Smeets, ging het door hem heen. –Ik moet naar de Smeets.- Met een schok herinnerde hij zich terug wat hem was overkomen. Het onweer was zo onverwacht gekomen. Het ene ogenblik was de hemel nog stralend blauw nog geen kwartier later hing er een dik wolkendek. Een bliksemflits boorde die zich, als het ware, in de aarde. De donder volgde meteen. Hagelbollen zo groot al kwarteleieren bewerkten het koetswerk van de auto. Nog geen vijf minuten later was dat onwezenlijk geluid te horen. Hij moest uit zijn auto geslingerd zijn, besefte hij nu. Want het geluid was het laatste was hij zich herinnerde.
Johan wachtte geduldig, er sterk van overtuigd dat hij vlug zou bevrijd worden. Het weer was niet meer wat het ooit was geweest. Hoe vaak had die zin de laatste jaren niet gehoord? Iedereen wist wat er aan de hand was, maar durfde, of wilde de werkelijkheid niet onder ogen zien. Zelfs de weermannen en –vrouwen hadden moeite om het woord uit te spreken ook al stond de media er bol van.
De zomer was verzengend heet. De temperaturen deden aan Griekenland of Italië denken. Veertien weken zonder een bui die voor de nodige afkoeling zorgde, waarin zelfs de nachten maar weinig verkoeling brachten. Het briesje dat alles wat aangenamer maakte haalde het laatste restje vocht uit de bodem.
Voor de zonneklopers as de zomer zoals een zomer moest zijn. De kust sprak van een uitstekend seizoen en ook de recreatieparken waren tevreden. Groentetelers spraken van een ramp. Zij leden onder de droogte. Vele oogsten mislukten terwijl de prijs laag bleef door de toevoer vanuit het buitenland, waar de oogst overvloedig was. Ziekenhuizen hadden de handen vol aan patiënten die de spoed werden binnengebracht. Uitdroging en hitteslagen kwamen het meest voor. Ouderen bezweken, net zoals bouwvakkers en wegenwerkers. Voedsel raakte vlugger bedorven en de hygiëne was niet overal optimaal. België telde in die drie maanden 10% meer doden
Wanneer was men eindelijk tot het besef gekomen dat de opwarming van de aarde niet iets was voor in een verre toekomst? Wetenschappers, mannen en vrouwen met kennis van zaken, hadden hiervoor gewaarschuwd. Alles werd met een korreltje zout genomen. Overdreven, noemden ze het, het was niet nodig om de mensen in een staat van angst te doen leven. Dit doemscenario schreef men toe aan zwartdenkers.
Johan moest toegeven dat ook hijzelf lang die mening had gedeeld. Hoelang had hij niet geloofd dat de opwarming niet meer dan een fabeltje was. Hoe, in Godsnaam ,kon de mens een rol spelen in het weerpatroon?