Calamiteiten te L - 7 april 2018

13 apr 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Gretige onbekende

Het is zaterdagavond, het einde van de winter is in zicht. Drie jaar geleden kwam ik hier wonen, en alles is hier van mij. Ik mag nu gaten in de muren boren, ontiegelijk lelijke verf op de muren zetten als ik dat zou willen, huisdieren hebben, …. Geen huisbaas meer die na gebruik zal komen controleren of ik dit goed als een goede huisvader heb behandeld. Huisvader, huisvader? Ik had me niet aangesproken moeten voelen in mijn vrouwelijk lichaam. Toch respecteerde ik braaf de regels van het huurcontract destijds. Ik wen er niet snel aan dat dit voorbij is. Ik herhaal het voor mezelf eens om de zoveel maanden: ‘alles is hier van mij’. Een eenvoudig gegeven. Vreugde en rust. Ondanks het feit dat ik de gaten in de muren op mijn twee handen kan tellen, de muren wit zijn, het huisdier zich betamelijk gedraagt, de kinderen geen gaten in de deuren stampen wanneer zij puberaal boos zijn en er niets in mijn houding en gedrag getuigt van enige drang naar anarchie, lijkt alles toch anders, weg van het juk van huisvaders, huisbazen en gezinshoofden. Ik neem nu zelf al deze rollen op in het vrouwelijk zelfstandig enkelvoud.

Dit huis heeft hoge plafonds en een hoog raam aan de voorkant. Het heeft licht in zijn kleinheid, het geeft adem in de hoogte. In huis is het klaarder dan op straat. Het is niet waar, dat lijkt alleen maar zo. Het raam aan de voorkant is niet gemaakt om door te kijken, tenzij ik vele jaren ouder zou zijn en dat raam mijn enige uitkant naar de wereld zou zijn. Nu nog niet, hoop van nooit. Ik ben nog in een fase waarin de wereld steeds groter mag worden. Dat is voor later. Hier en nu zijn er, wanneer ik toch door dat raam kijk, bakstenen te zien, stoep, asfalt, auto’s aan één kant. Een straat met eenrichtingsverkeer. Het is hier smal, alles is hier smal en het mist groen. De kleinste en minst groene deelgemeente van de stad. Ook al heeft dit stadsdeel zijn voordelen in de nabijheid van werk en studie voor de aanwezige studenten, het is mijn dagelijks gemis, dat groen met ruimte voor vogels en katten, het geruis van de wind. De openheid. Ik ben een kind van de zee en zal altijd openheid en een horizon missen.

Het huis is niet gemaakt om met veel in te leven. Omstandigheden zorgden voor een extra mens in dit huis. Een meerwaardemens, in de vorm van het lief van de dochter, de student op kot bij zijn lief. Mijn schoonzoon, zeg maar. Een extra kind waar ik met graagte voor zorg, de nodige vrijheid gun en voor wie ik vooral niét de rol van de moeder vervul. Een hospita, als bijkomende rol. De drukte van een huishouden compenseer ik in taal, verwoorden van betekenissen in gevoel en relaties, stilte op een plekje, hier of elders.

Daarnet kwam ik thuis van boodschappen in de stad. Het deemstert al. De middag gaat naar zijn einde, de avond nadert. De meeste buren staan buiten op de stoep. Dit is niet hun gewoonte, tenzij het zomert. Grote vrachtwagens, één met een graafmachine op, komen aangereden. Mannen in oranje fluo werkkledij springen uit de wagens. De werkmannen van de elektriciteitsmaatschappij lijken in goede doen. Calamiteiten, daar houden ze van, daar kozen ze voor, ze zijn de oplossers, de redders van licht en warmte. De straat wordt afgezet. Kleine paniek bij de omstaanders. Plots beginnen meer auto’s dan gewoonlijk samen te rijden. Die moeten straks nog weg, …en wat dan? Auto verplaatsen naar een nog vrije straat in de buurt, nu het nog kan. Er blijkt een elektriciteitsprobleem te zijn in een huis verderop. Ik ga naar de mannen en vraag wat er te verwachten is. Nog even hebben we elektriciteit. Straks zal alles uitvallen want het blijkt een groter probleem te zijn. Hoelang dit kan duren? Uren!

“Uren?, krijst Lotte. Verontwaardiging kreeg nooit een duidelijker vertolking dan in de ogen van Lotte. Lotte en Wannes zijn mijn dichtste buren. Ze wonen achter de rechtermuur met hun twee kleintjes. De muren zijn hier dun. Wannes vertoont het decorum van een perfecte schoonzoon vanaf zijn huisdeur buitenwaarts en denkt dat ik hem niet hoor wanneer hij achter de binnenmuur vol overgave vloekt in reeksen wanneer het klussen hem parten speelt of wanneer hij zijn geduld verliest met een krijsende kroost. Als zijn gevloek mij niet doet opschrikken uit mijn gedachten, kan ik er om glimlachen. Lotte lijkt existentieel boos. Haar gezicht staat op een storm aan de dijk, altijd. Zelfs wanneer ze hem vluchtig kust op de stoep wanneer hij met de fiets naar het station vertrekt vroeg in de morgen. Dan blijft zij in hun huisje achter met twee kleintjes. Boos. Misschien is ze nog boos om het ontslag na haar zwangerschap. Ik begrijp dat. Lotte is zelfs boos op de wind. Eergisteren, in een niet zo erg uitgedraaide aangekondigde hevige storm, fietste ik toevallig een tweetal meter achter haar aan. Door een rukwind werden we beiden naar de huizen toe geduwd. We kwamen noodgedwongen samen en tegelijk tot stilstand. Ik, een beetje verward door zoveel plotse kracht, blij dat ik nog verticaal stond. Zij, boos omkijkend, naar mij, toevallige metgezel in de storm, alsof ik de verpersoonlijking van de wind was die het speciaal op haar gemunt had en waar zij boos op had te zijn.

‘Zeg, potverdorie, wat is dat hier, zeg, verdorie, dat is te gevaarlijk….’

‘Ja, wablief, zeg, godverdomme, dat is nogal wat, hé, precies kermis in de hel….’, gaf ik haar terug, in een giechelbui om de wind en haar voor mij toch komische boosheid.

Ja, dat is Lotte. Blij dat ik met haar boosheid niet getrouwd ben.

Maar nu, terug naar hier en nu. Een bende buren op straat. Buiten is het ondertussen al donker. Binnen pak ik mijn boodschappen uit en help Kind 1 vertrekken naar een diner met vrienden. Ga, ga, lief kind…geniet van het leven en laat mij hier maar even alleen.

Ik blijf te midden van zoveel relaties en levens graag even alleen op mezelf, al was het maar voor enkele uren. Het is een levensbehoefte, die allenigheid. Het laadt me op om later weer liefdevol aanwezig te zijn.

Als muizen in hun hol, verdwijnen alle buren terug achter hun gevels. Buiten deddert de machine de straat open, het lawaai is oorverdovend. Mijn huisje trilt. Het kappen en klieven gaat nog even door. Ik hoor de mannen orders en informatie naar elkaar kelen. Dan gaat alle licht in huis uit.

De stilte in huis is stiller, nu niets elektrisch nog zoemt. Buiten maakt het werken geen geluid meer. Ook de mannen zijn stil geworden. Het begint te sneeuwen. Met kaarsen maak ik voldoende licht om te lezen. De stilte, niemand om me heen die een appèl op me doet, de woorden die ik nog net voldoende zie op deze bladzijden, het verhaal waarin ik meega…. Het streelt me, sust me, ver-rust me, het vult een verlangen en behoefte…. Uit een donkere ijskast – altijd een soort verrassing als dat licht niet aanfloept – haal ik een nog frisse witte wijn.

Later, geïntrigeerd door de stilte buiten trek ik mijn voordeur open, kijk naar rechts en zie twee mannen in een grote put staan. Voorovergebogen bezig in de grond. Lampen, verbonden met de wagen verderop die stilletjes ronkt, schijnen in de put. De mannen aan de zijkant geven aan, nemen aan, ze zijn op elkaar ingespeeld. Dat zie je. Rustig, kundig. Zonder woorden. Ze doen me denken aan chirurgen, gefocust op het lichaam en het oplossen van een probleem. We zijn zo afhankelijk van deze elektrische stroom voor ons dagelijks doen, willen en moeten en ik vraag me af waarom zij, de mannen in de put, minder aanzien genieten dan de chirurgen.

Ik hoop dat de mannen in de put goed betaald worden. Ze zijn van wacht op een zaterdag, het is bijna nacht, het is hun job, het geeft hen energie. Net zoals de stilte, de rust en het boek bij kaarslicht en de vreugde hierom mij energie geeft. Het waard om hierover naar jou te schrijven.

Hyacintha

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

13 apr 2018 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket