Voor een leeuwentemmer is het duidelijk. Hij ziet het onheil voor hem uitgestald; rijen stalen tanden in een wijd opengesperde muil. Een tong als rode loper naar een hongerige maag. Hij staat daar, als een MilkyWay voor een snoeplustig kind. Een vrijwillige MilkyWay, dát staat hij daar te wezen. Hunkerend om verslonden te worden, of zo lijkt het. Ik was geen leeuwentemmer, allesbehalve. Ik was een Ardens trekpaard: trouw, vriendelijk, een doorbijter. Werken van ’s morgens vroeg tot de zon lang onder was. Ik deed alles voor Koen. Waarom was ik niet genoeg? Mis ik de gespierde billen, was dat de reden? Ik zal het nooit weten. Het enige dat ik weet is dat op een dag zijn gezicht openscheurde en zijn handen klauwen werden. Daarna was hij weg. Onze thuis werd een huis.
De deur slaat toe. De sleutel ben ik op tafel vergeten, maar dat geeft niet. Ik steek de straat over en wandel via een zijweg het bospad op. De maan gaat met me mee. Ze schenkt me net genoeg licht om het pad te kunnen zien en me tegelijk anoniem te laten. Alsof ze weet waar ik naar verlang. Janneke maan en Jan, verbonden voor één avond.
Ik zucht en verlaat het bospad. Twijgen krabben in mijn zij. Ik baan me een weg tussen stammen en struiken. De maan is er nog, tussen de kruinen. Hier ben ik nog nooit geweest, al weet ik wel waar ik ben. De begroeiing stopt. Struikgewas maakt plaats voor kiezels en onkruid. Een smalle strook strekt zich ver tussen de bomen uit. Ik wandel naar het midden, de horizon tegemoet. Mijn handen zweten in mijn zakken. Mijn hart slaat in mijn keel, zoals die keer dat ik Koen voor het eerst ontmoette, precies tien jaar geleden. Een laatste keer kijk ik: de maan is zacht, bijna vol. Het wordt licht. Donder verjaagt de stilte van het landschap en de drukte in mijn hoofd. Remmen gieren en doen de rails vonken. Het licht verblindt, maar ik wandel verder. Een lichtreep in de duisternis. Ik zie mijn leeuw.