De Pier
—Dag Roger.
—Julienneke. Ik mag toch Julienneke zeggen?
—Liever niet. Het is moeilijk voor mij om hier te zijn.
—Oei, ok. Hoe komt het dat je mij terug wilde zien?
—Dat weet ik niet. Ik dacht: Julienne, herpakt u.
—En je bent hier.
—Ik ben hier.
—Dat doet me deugd.
—Jij bent ook hier.
—Ik ben hier. Jij bent hier. We zijn hier samen. Nee, mensen zeggen dat de pier voor toeristen is, maar dat vind ik niet. Ik vind het fantastisch dat je eten gewoon onder jou kan zwemmen. Vind je dat niet? Wat eet je? Eten we iets? Heb je honger?
—Ik heb niet echt honger, maar ik kan eten.
—We eten iets. Baars. Kabeljauw. Of nee, tong. Maar misschien eet ik dat deze avond al wel, hé Julienneke.
—Roger.
—Ik zwans er maar mee.
—Ik hou daar niet van.
—Maar dit is toch fantastisch. De pier. De zeedijk. Dit is het leven, of niet.
—Ik heb zoiets nog nooit gedaan. Buiten met u dan, de vorige keer. Ik bedoel, met onze Fil deed ik dat niet. Wij deden zo’n dingen niet. Het is niet dat ik niet wilde, maar onze Fil.
—Julienne, we gaan geen oude koeien uit de gracht halen. Wij leven hier en nu. In dit moment. De pier is van ons. Deze tafel, deze stoelen zijn van niemand anders.
—Ja. Straf dat je het gelezen had.
—Ja, enfin. Nee, eigenlijk niet. Ik had het niet gelezen.
—Het zoekertje, hé. Straf dat je mijn annonce gelezen had.
—Ja, ja. De annonce. Het zoekertje.. Ik ben mee. Wat eet je? Ik trakteer. Kies maar. Geen kreeft, hè.
—Nee, geen kreeft, Roger. Niks. Ik heb toch geen honger.
—Geen honger? Dat kan. Dan eten we niet. Nee, Julienne. Dat ik u hier nog eens zie. Drink een cocktail. Mojito. Sex on the beach. Nee, ik lach ermee. Cuba Libre. Cola. Dat lust je.
—Ik weet eigenlijk niet of dit toch zo’n goed idee was, Roger.
—Julienne, begin weer niet. Je weet niet wat ik heb moeten doen om hier te geraken vandaag.
—Je mag mij niet dwingen, Roger. Dat heb ik je gezegd. Het is moeilijk. Alsjeblieft.
Gangen
Tussen de kamers hangen zwart-witportretten van senioren die uitbundig van het leven genieten. Hij bekijkt ze vluchtig, in de momenten tussen zijn stappen. Hij zet grotere passen dan zijn moeder, hij heeft tijd.
'Wacht,' zegt ze en blijft staan bij een smal toogje. Een verpleegster met de heupen van een gevallen peer staat op van achter haar computer en knikt ter herkenning. 'Ik hoor dat mijn moeder vrijdag naar huis mag?'
'Uw moeder.. Mevrouw Versteilen?'
'Versteilen, ja.'
'Die mag inderdaad naar huis.' Ze lacht.
'Dat vind ik niet verantwoord. Vindt u dat verantwoord? In deze toestand?'
'Er zijn geen aanleidingen om haar hier te houden, mevrouw.'
'Kan ik met een dokter spreken?'
Dat kan niet.
'Hoe moet ze in het rusthuis geraken? Ze kan zelfs haar urine niet ophouden.' Hij hoort het haar zeggen: urine. Dat is geen woord dat zijn moeder zou gebruiken. Ze hebben het nooit over urine. Als er al op de vloer gepist wordt, wordt het nonchalant een ongelukje genoemd, of genegeerd tot de verpleging het opmerkt. Ze zegt urine. 'Zij kan hier niet weg.'
Zijn moeder knikt terwijl de Peer uitlegt hoe er voor alles gezorgd zal worden, hoe ze een grotere kans op infecties heeft als ze hier blijft, hoe ze echt beter af zal zijn in het rusthuis. Hij ziet haar knikken, maar ze luistert niet.
'Niet verantwoord!' zegt ze terwijl ze haar vinger in de lucht werpt. 'Kom.' Hij volgt. Ze zwijgen.
Vanuit een zwartomrande kader lacht een tachtiger hem toe. Ze gooit een bal. Hij kan niet zien naar wie of wat. De emoties zijn misschien vals, denkt hij, maar deze mensen zijn echt. Ergens loopt dit oudje rond, gooit ballen, heeft al haar tanden nog.
Bij de uitgang moeten ze op twee knoppen drukken om buiten te kunnen. Erboven hangt een bordje dat bezoekers aanmoedigt niemand buiten te laten.
'Volgende week ligt ze hier terug. Nee. Ze zal weer iets hebben, maar over mijn lijk dat ik ze naar hier laat komen. No way. Nooit meer.'
'Nee,' antwoord hij. 'Niet naar hier. Dat moet niet. Heel goed wordt ze hier toch niet verzorgd.'
'Neen. Dat is ook waar. Ik ben benieuwd!'