Samson,
gelijk gij, kronkelt
van mijn armen naar mijn bed,
gevangen in dit vleeskatoenen net
het doet mij iets
iets aandoenlijk is het
niet dat ge mij iets aandoet buiten da ik u iets wil uit doen
ma ziet u nu liggen hier
uw haar van mijn schoot tot aan mijn schouder
voor u een wapen
voor mij een te warm gewassen kriebeltrui
een beetje ruw maar ge houdt mij warm
het is nog maar even voor ik u uit elkaar scheur, denk ik
als ge begint te rafelen langs de kanten
omdat ik aan uw ziel sleur vanuit mijn lakens
en gij dan, een hoopje wol, ongebreid en ongebreideld
dat aan mijn voeten ligt
hoe kunt gij,
gij man der mannen,
ooit een probleem zijn voor mij?
ge zegt dat ge god bent
of door god gegeven zijt
voor mij maakt dat al geen verschil
god of mens, ge zijt een man
verschalkt en schalks tussen mijn dijen
zijn jullie allemaal gelijken
het is nog maar even voor ik u kaal scheer en u reduceer
van pauw naar kuiken
ik vraag mij af of ik uw verbazing ga kunnen voelen
door uw schedel door
nu verdwalen mijn handen altijd in al dat haar van u
verdomme
dat is overal
ik vind dat op de vloer en in de douche
het is gelijk het mijne
’t mijn rood en t’ uwe zwart
gelijk het vuur en het verbrand tegelijk
het is schrijnend
maar ik ga genieten van uw kale kop
u ontwapend en moe zien liggen
is wat mij goed doet dromen
van goud doet dromen
sssst, schat
het is niks, leg u neer
morgen hangt er niks van die shit
op uw schouders meer