Een bruid.
Een bruid, vrij van aardse tekens,
van kleine raadsels, geheimen en gefluister,
een sluier van mist rond de bleke schouders geslagen,
zo kleurt de nacht mijn dromen.
De achterkant van geluk, dat wervelt, netten weeft,
mij heen en weer wiegt tussen rede en verwondering,
tussen angst en dood en de wil om het leven te eren
met muziek, met wijdse klanken.
Het helpt mij de wereld begrijpen
als een levend lichaam, als vrouwenborsten
die vloeibaar in mijn handen rusten,
oplichtend als noorderlicht aan de horizon.
Ik zoek haar bruidegom, haar tijdelijke reden van bestaan
in goede, maar ook in kwade dagen.
Tot de mist van haar schouders glijdt
en gordijnen van licht haar afschermen voor verdriet.
Dan waait er goudstof in haar voetstappen
en zomerregen valt als muntstukjes op het trottoir
en als bij toeval klinkt haar lach,
vrij als een vlucht duiven in de ochtend..
