Doelgroep
De doelgroep van de schrijfcursus 'Een kortverhaal schrijven? Zo begin je eraan' zijn volwassenen met schrijfervaring. Ze hebben ervaring met :
- vertelstandpunten
- research
- beeldspraak
- dialogen en innerlijke monologen
- lay-out (interlinie, leestekens, spaties, alinea …)
De deelnemers volgen de cursus omdat ze benieuwd zijn hoe je aan een kortverhaal begint, hoe de spanningsboog opbouwt, welke elementen erin (moeten) zitten … Sommigen kunnen het zien als een opstap naar het schrijven van een roman.
Leerdoelen
De cursist leert:
- personages maken
- een thema bedenken
- over de structuur van een kortverhaal
- scenes met een spanningsboog schrijven
- over andere elementen in een kortverhaal: de locatie, time-lock, symbool of gimmick
Na de workshop kan de cursist zelf een kortverhaal bedenken, uitwerken en evalueren.
De workshop
Vooraf gemaild
Breng mee (niet verplicht):
- je laptop (we geven feedback op elkaars teksten. Als we kunnen meelezen is dat handiger. Het is geen probleem als je niet wil dat je tekst wordt geprojecteerd)
Breng mee:
- harde kaft als onderlegger
- kladpapier
- stylo met verschillende kleuren, potlood
Opbouw klaslokaal
- halve cirkel
- tafels met materiaal (zie verder)
- bespreek met de organisatie of de cursisten op andere plekken kunnen werken dan in het klaslokaal
Praktische afspraken
- toilet, drinken, eten, pauzes
Powerpoint
Grafisch vormgegeven presentatie met kernwoorden, videofragmenten met tips van andere schrijvers …
Cursus
Voorzie in een cursus met een gedetailleerde uitleg
Start workshop
Verwelkoming
Je stelt jezelf voor.
Deelnemers stellen zich voor, vertellen de reden om deel te nemen en wat ze verwachten te leren.
Even los schrijven
Aan het werk
Werkwijze: associatie-oefening
Je hebt kaartjes met woorden. Deelnemers kiezen er willekeurig een. Ze nemen een blad papier en associëren met dat woord (maximaal twee woorden, zaken die je kan vastpakken). Deelnemers geven kaartje door. Bij dat woord associëren ze twee bijvoeglijke naamwoorden. Nu hebben ze 5 woorden. Met die vijf woorden schrijven ze (het begin van) een verhaal van tien regels. 3 van de 5 woorden komen voor in de scene en er zit één vergelijking in. Wijs er tijdens de workshop enkele malen op dat de methode misschien van pas komt bij de uitwerking van een verhaal.
Definitie kortverhaal
Licht toe aan de deelnemers:
Er zijn heel uiteenlopende definities van een kortverhaal. Er bestaat zelfs verwarring over de schrijfwijze: kort verhaal, korte verhaal. De definitie gebaseerd op de bibliotheek voor de Nederlandse letteren vat het goed samen.
Aan het werk
Werkwijze: Deelnemers lezen de definitie in stilte (3 minuten). Daarna vraag je wat hen opvalt, welke elementen ze terugvinden, wat de elementen volgens hen betekenen (15 minuten).
"Gezien de beperkte ruimte concentreert het verhaal zich doorgaans op één essentieel gegeven. Aantal personages, beschrijving van de setting en karakterevolutie zijn tot het functioneel noodzakelijke beperkt. De aandacht is vaak gericht op één personage dat getoond wordt in een schijnbaar willekeurige situatie waarin hij een dilemma, probleem of conflict wil of moet oplossen. Heel wat kortverhalen beginnen midden in de actie en hebben vaak een open einde."
Licht toe aan de deelnemers:
Als we de definitie ontleden zien we de elementen die we tijdens de workshop behandelen: lengte, personages, locatie, thema, opbouw (conflict), time-lock, symbool.
Lengte
Licht toe aan de deelnemers:
Over de lengte bestaat veel discussie, want wanneer wordt een kortverhaal een novelle. Van sommige kortverhalen zal je denken: 'Is dit een kortverhaal? Dat is bijna een roman.' Zo zijn heel wat films gebaseerd op kortverhalen (Brokeback Mountain) waarvan je kan denken dat het om romans gaat.
Je bepaalt zelf de lengte die je nodig hebt om je verhaal te vertellen. Maar in een kortverhaal krijg je maar een beperkte tijd om iets te vertellen. Daarom houd je in de structuur rekening met bepaalde afspraken. Daar komen we later op terug. In bepaalde gevallen, zoals bij schrijfwedstrijden, krijg je een bepaalde lengte opgelegd: 2 A4's, een mini- en maximaal aantal woorden …
Het kortverhaal dat je tijdens deze cursus schrijft, is tussen de 2 en 3 A4's lang (Times New Roman, lettergrootte 12, interlinie 1.5, links en rechts uitgelijnde tekst)
Personages
Aan het werk
Werkwijze:
- achteraan in het lokaal staat een tafel met daarop foto's uit magazines (geen bekende mensen), foto's gevonden op rommelmarkten, Google …
- cursist kiest willekeurig twee foto's. Mag die foto meenemen naar zijn werkplek. Nadien terug bezorgen.
- niet te lang nadenken: je krijgt 2 minuten om de foto's te kiezen en terug plaats te nemen.
Licht toe aan de deelnemers:
Wat de personages betreft:
- aantal (1 tot 3)
- antagonist (hoofdpersonage)
- protagonist (werkt het hoofdpersonage tegen, de twee personages moeten botsen met elkaar)
- enkele karaktereigenschappen of rake trekken (zenuwachtig, zachtaardig, agressief …), fysiek (geur, manier van bewegen …), naam, kleding, manier van handelen (hoe iemand reageert op iets zegt veel over hem, of net niet), archetypes of net niet
- innerlijk conflict
- conflict met het andere personage (zie later).
Reik hulpmiddelen aan om de personages te typeren.
Interview je personage: (wie, wat, waar, wanneer, hoe, welke, hoeveel …)
Bij ieder ander antwoord kan je doorvragen, maar houd er rekening mee dat je in een kortverhaal geen uitgebreide karakterschets kan doen. Misschien komen elementen die je nu bedenkt niet terug in het uiteindelijke verhaal.
- hoe sta je in het leven, hoe vul je je dagen, …
- ben je een man of een vrouw, jong of oud, ziek of gezond, …
- welk beroep doe je, wat is je sociale situatie …
- wat doet je bij een probleem, als je gelukkig bent …
- waar bevindt je je, waar vul je je dagen mee, waar kijk je tegen of naar op …
- in welke tijd leef je …
- hoeveel geld heb je op de bank, hoeveel kinderen heb je, hoeveel vrienden heb je …
- waarom ben je nu ongelukkig …
Verwijs naar de vraagstaart van Proust.
Aan het werk
Werkwijze:
Met die kennis gaat de cursist aan het werk. Gebruik de twee foto's en pas de theorie toe. Maak per personage een biografie van tien regels (mag doorlopende tekst zijn of kernwoorden, licht het verschil toe tussen halve pagina geschreven of getypt, als er tijd over is mag het langer zijn)
Tijd: 30 minuten
Locatie
Licht toe aan de deelnemers:
Bij een kortverhaal kies je bij voorkeur voor een omgeving waar iedereen zich direct iets bij kan voorstellen: bushalte, park, bankkantoor, fastfoodrestaurant, langs de snelweg … Je hebt niet de tijd om die uitgebreid te beschrijven.
De typering van de locatie geef je in stukjes prijs in je verhaal. Dus geen volledige alinea over de locatie. Maar bijvoorbeeld in alinea 1 geef je iets visueels, in alinea vier iets over de geur enzovoort.
Aan het werk
Werkwijze:
De cursist kiest een locatie. Daarna zetten ze zich met twee of drie samen. Ieder vertelt wat zijn locatie is (één of twee woorden). De anderen zeggen wat daarbij hoort: wat zie je, ruik je, hoor je, voel je.
Cursist noteert die info.
Tijd: 5 minuten per deelnemer. Geef aan wanneer de tijd om is.
Thema en conflict
Licht toe aan de deelnemers:
Een kortverhaal heeft een boodschap. Het maakt duidelijk wat je met het verhaal wil zeggen. Meestal kan je een thema in één zin geven. Het onderwerp van het verhaal is niet hetzelfde als het thema. Het onderwerp vat in één zin het verhaal samen. Het thema is wat je tussen de regels leest.
vb.
onderwerp: Frank heeft al het geld van de wereld, heeft nood aan en koopt heel wat leuke spullen en feestjes, maar drinkt zich te pletter omdat hij eenzaam is.
thema: begeerte en geld zorgen niet voor liefde.
Een kortverhaal heeft een conflict nodig dat te maken heeft met het thema.
conflict: Frank geeft een feestje voor vrienden. Een van hen hoopt dat hij zo'n feestjes blijft geven, voor een gezin is hij toch te oud. Door die opmerking slaan de stoppen door bij Frank.
Aan het werk
Werkwijze:
Neem de biografie van je twee (of drie) personages
Kies je hoofdpersonage (antagonist)
Stel jezelf de vraag wat die persoon bezighoudt. Je kan daarvoor dicht bij jezelf blijven en de vraag stellen: 'Wat houdt mij bezig in het leven? Wat vind ik belangrijk? Waar maak ik me druk over of ben ik heel gelukkig over? Probeer die gedachte in één of enkele woorden samen te vatten.
Als iemand het thema niet kan definiëren, dan mag die langs de lesgever gaan.
(10 minuten)
Licht toe aan de deelnemers:
Nu je het thema hebt bepaald, en je weet wie je personages zijn en waar het verhaal zich afspeelt, kan je het conflict bedenken.
Aan het werk
Werkwijze:
Schrijf het thema in het midden van een blad
Links schrijf je de antagonist, rechts de protagonist
Dankzij je biografietjes, locatie en thema kan je jezelf de vraag stellen: 'Hoe laat ik die twee personages botsen?'
Schrijf onder het conflict verschillende mogelijke probleemsituaties waar die mensen in terecht kunnen komen en die te maken hebben met je thema. (Misschien is het iets dat je zelf meemaakte, dat je zag gebeuren, waarover je iemand hoorde vertellen, waarover je las (leg enkele krantenartikels achteraan op een tafel) …)
Kies er een conflict uit.
(15 minuten)
Structuur
Licht toe aan de deelnemers:
Geef info over opening, conflict, middenstuk, crisis en slot.
Er is geen ruimte voor een nevenverhaal (nevenlijnen).
Bouw minstens drie hindernissen of keerpunten in die het hoofdpersonage belemmeren om het doel te bereiken.
De hindernissen worden steeds groter en moeilijker: dit komt niet goed (1), nee, dit komt echt niet goed (2), oh nee nee nee dit loopt helemaal niet goed af (3). Zo bouw je de spanning op.
Schematisch
Hier komt een schematische voorstelling van de structuur van een kortverhaal
Aan het werk
Werkwijze:
Je hebt alle bouwstenen om de structuur van je kortverhaal op te stellen: personages, lengte, thema …
Bouw je structuur op en licht elk element in één of twee zinnen toe (opening, conflict, hindernis 1, 2 en 3), crisis, slot.
Het is geen probleem als je de crisis of het slot nog niet weet. Misschien komt dat inzicht na de derde hindernis.
De structuur biedt je een leidraad om telkens naar een volgende stap in je verhaal te werken. Je hoeft nog niet te weten wat er bijvoorbeeld tussen hindernis 1 en 2 gebeurt, maar door ze te beschrijven weet je welke richting het uit moet. Het is geen probleem om achteraf nog bij te sturen.
vb.
Opening: Frank licht in zijn jacuzzi, geniet van zijn drankje, denkt na over hoe de avond gaat verlopen.
Conflict: hij krijgt een sms dat zijn vriendin toch niet veel zin heeft om af te komen. Hij belt een callgirl.
Hindernis 1: er wordt aangebeld. Het is toch zijn vriendin die hem wilde verrassen. Hij krijgt niet de kans om de callgirl te annuleren.
Hindernis 2: …
Uitwerking
Licht toe aan de deelnemers:
Schrijf je verhaal. Je krijgt daar 1.30 uur de tijd voor. Het maakt niet uit hoe ver je geraakt. Daarna bespreken we de verhalen en geven we feedback.
Ter info: timelock en symbool zijn op deze pagina's nog niet uitgewerkt
Bronnen: Inge Schouten (Van kort verhaal naar roman), Leen Van Den Berg (cursus kortverhalen), Google, Bart Van Lierde (Een bestseller schrijven voor dummies).